Vertaaldag  Archief

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Grappig!

Paul Beers

Na het lezen van Jan Gielkens’ bijdrage ‘Verraad en vertaling’ in Filter 29:2 mailde ik hem op 8 augustus: ‘Ha Jan, las pas gisteren in Filter nr. 2 je minutieuze “Wie verraadde Anne Frank”, zoals dat boek volgens jou, indien al, eigenlijk had moeten heten. Een golfbal naar je hand! Ben pas halverwege Henkes, die naar jouw kroon steekt.’

Die Henkes, ik wist niet dat hij zo veelzijdig was. Bekend als virtuoos duo-vertaler van de complete Joyce én van Russische kinderpoëzie. En zich nu dan manifesterend op een weer heel ander terrein: de liefst twintig pagina’s lange bijdrage over alle Nederlandse vertalingen van Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus, inclusief de commentaren. Chapeau! Maar pas in tweede instantie, en niet gecorrigeerd door de toch alziende Gielkens, schrok ik op: niet Henkes maar ‘tweeling’ Erik Bindervoet had zich hier onderscheiden, en hoe. Nadat ik zijn ook al minutieuze overzicht zorgvuldig had gelezen en daarbij hoogstens één foutje had ontdekt (p. 26, r. 5: ‘Die Welt is meine Vorstellung’), pakte ik De Revisor 1974:8, p. 9-16 erbij, waarin de allereerste vertaling door W.F. Hermans aldus werd ingeleid: ‘Hierbij afgedrukt zijn het voorwoord van Wittgenstein, een fragment uit het begin van het boek, het nawoord van de vertaler en diens aantekeningen voor zover zij betrekking hebben op het fragment.’

Bij mijn recente herlezing van deze pagina’s wil ik wel vermelden dat mijn eerste lezing ervan plaatsvond zo’n vijftig jaar geleden als redacteur-secretaris van De Revisor in de jaren 1974-1977. Als corrector was ik ook verantwoordelijk voor een zo foutloos mogelijke weergave van de tekst. Nu, na het lezen van Bindervoets in tweeërlei zin ‘uitputtende’ artikel heb ik een paar aardige ontdekkinkjes gedaan. Maar eerst moet Bindervoet worden geprezen om zijn aanpak: alles wat hij te berde brengt giet hij net als Wittgenstein in stellingen die zich via 1., 2. en 3. gaandeweg verfijnen tot 4., tot 4.012, waarna steeds meer humor de stellingen binnensluipt: ‘4.0121 Vertaalblunders hebben een hoge amusementswaarde. Dat dan weer wel.’ Heel flauw is 5.4401, waarin Erik B. zich afvraagt wat in de Van Dale ‘in godsnaam’ bedoeld kan worden met ‘een reeks van een woord’ en daarop voortborduurt. Maar in de voorgaande stelling 5.44 staat niet: ‘een reeks van een woord’, maar ‘een reeks (van een of meer) woorden’, m.a.w. er kan ook een reeks van een en hetzelfde woord ontstaan: tjonge jonge jonge. Evengoed staat deze flauwiteit te midden van de interessantste pagina’s, waarin de verschillende vertalingen van de termen ‘Satz’, ‘Sinn’ en ‘Bedeutung’ en ‘Sachverhalt’ onder de loep worden genomen.

Ludwig Wittgenstein (1930)

Bij deze laatste deed ik dan mijn eerste ontdekkinkje. Na Hermans’ heldere onderscheid tussen ‘zin’ en ‘volzin’ kwam Hermans ook hier ‘met een vondst [...]: ‘connectie’ (Bindervoet 2022). Als Hermans in zijn ‘Aantekeningen’ zijn keuze voor ‘connectie’ verklaart, vermeldt hij niet dat Wittgenstein zelf op p. 16, tweede kolom, stelt: ‘We moeten mogelijk de laatste connectie van de termen bereiken, de onmiddellijke connectie die niet verbroken kan worden zonder de volzinsvorm als zodanig te verbreken.’ Op de vraag van zijn leermeester Bertrand Russell: ‘Wat is het verschil tussen feit en connectie’ antwoordt Wittgenstein: ‘De connectie is wat met de elementaire zin correspondeert als hij waar is.’ Deze brief aan Russell wordt gedateerd: ‘uit Monte Cassino, 19.8.’19’ die hier eindigt met Russells vraag: ‘Bestaat een gedachte uit woorden?’ en door Wittgenstein als volgt wordt beantwoord: ‘Nee! Maar uit psychische bestanddelen die in dezelfde soort betrekking tot de werkelijkheid staan als woorden. Wat die bestanddelen zijn weet ik niet.’ Hoe vreemd is het dan (tweede kleine ontdekking) dat op p. 16, eerste  kolom met kleine verschillen al stond: ‘Op 19-8-’19  schreef hij aan Russell: “Bestaat een gedachte uit woorden? Nee! Maar uit psychische bestanddelen, die dezelfde betrekking hebben tot de werkelijkheid als de woorden. Wat voor bestanddelen dat zijn, weet ik niet.” (Schriften I, p. 274).’ Merkwaardig is het dan dat Hermans in zijn ‘Aantekeningen’ deze herhaling inclusief de kleine verschillen niet vermeldt, niet in de gaten lijkt te hebben?

In zijn Nawoord gaat Hermans in op het algemene probleem van het vertalen, waarna hij pas in detail treedt:

Over vertalen
Deze Nederlandse vertaling van Wittgenstein's Tractatus Logico Philosophicus is misschien niet alleen van betekenis voor lezers die noch Duits noch Engels kunnen lezen.
Voor mijzelf is de grootste bekoring van het vertalen geweest, dat ik, gedwongen in mijn moedertaal een tekst op te schrijven die gelijkwaardig was aan het Duitse oorspronkelijk, in een veel nauwer contact kwam met een boek, dat ik toch al vijfentwintig jaar geleden [rond 1950, PB] voor het eerst las.
Schrijver Dezes, auteur van Het Evangelie van O. Dapper Dapper [1973] heeft, geloof ik, geen hoge dunk van het vertalen, dat in Nederland zo veelvuldig beoefend wordt.
‘Vertalen!’ zo meent hij, ‘Grootste liefhebberij van ons kleine volkje aan de grauwe Noordzee, dat met opoffering van al zijn krachten verhindert te laten blijken hoeveel hoofdbrekens het kost al die vertalingen te maken. Nijver vertaalt het en vertolkt het. Het vertolkt de muziek van buitenlandse componisten met binnenlandse subsidie en hoopt beroemd te worden met het vertalen van buitenlandse beroemdheden.’
Zo geredeneerd zou alleen hij die binnen een bepaald taalgebied al beroemd is, zich kunnen veroorloven een buitenlandse beroemdheid te vertalen in de taal van dat gebied, zonder de verdenking op zich te laden ernaar te streven op die manier beroemd te worden.
Als de vertaalde filosoof zelf geen gunstiger mening had bezeten over het vertalen, zou ik het misschien niet hebben aangedurfd, noch ook een zekere mate van vertolking eraan toe te voegen. Maar Wittgenstein schreef zelf: ‘Het vertalen van de ene taal in de andere is een wiskundige opgave en het vertalen van een lyrisch gedicht b.v. in een vreemde taal is volledig analoog aan een wiskundig probleem. Want men kan wel het probleem stellen “Hoe is deze grap (b.v.) door een grap in een andere taal te vertalen?” d.w.z. te vervangen; en het probleem kan ook opgelost worden; maar een methode, een systeem om tot deze oplossing te komen, was er niet.’ (Zettel, 698). [...] Vertalen is altijd kiezen tussen gelijkwaardigheden die zelden geheel gelijkwaardig zijn. Wie een boek als dit vertaalt, dat al tot zoveel niet gelijkluidende uitleg aanleiding gegeven heeft, zal bij omstreden punten moeten toelichten waarom hij het ene woord heeft verkozen boven het andere dat ook nog aanvaardbaar was of scheen.

Ook in het Nawoord zegt Hermans dan nog: ‘Ik heb een ogenblik overwogen een meer of minder volledig overzicht te geven van de diverse Wittgenstein-interpretaties die sindsdien verschenen zijn. Maar hiervan heb ik afgezien [...].’ De verdienste van Bindervoet is dat hij, in navolging en recente aanvulling van F.A. Muller in Hollands Maandblad 1999, althans voor Nederland zo’n overzicht heeft gemaakt. Ik zei al dat de wijze waarop hij vervolgens ‘Satz’, ‘Sinn’ en ‘Bedeutung’ en ten slotte ‘Sachverhalt’ bij de Nederlandse interpretatoren doorneemt hoogst interessant is(t). Een hoogtepunt was voor mij zijn mijns inziens eigen vondst om bij de ‘zware jongen Sachverhalt’ voor ‘toedracht’ te kiezen, want (5.4611): ‘Daarbij komt het mooi uit dat we meteen een verband kunnen leggen met het ook door W. gebruikte “Sachlage” door dat te vertalen met “toestand”. Zodat we, als vanzelf, twee parallelle koningskoppels tevoorschijn hebben getoverd: Sachverhalt/Sachlage en toedracht/toestand.’ Koninklijk, inderdaad!

Wat jammer nu dat Erik B. me meteen daarna in het verkeerde keelgat schiet. Hij wil alles mooi, ook waar dat helemaal niet nodig is. Opeens ziet hij (5.51) een ‘germanismetje’ als zowel de eerste vertaler Hermans als de laatsten, Huijzer en Sietsma (bij Octavo) en Gijsbers (bij Boom), eensgezind ‘so wie wir sie [die Wirklichkeit] uns denken’ als volgt vertalen: resp. ‘zoals wij ons haar denken’ – ‘zoals we ons die denken’ – ‘zoals wij ons die denken’. ‘Foei!’ krijt Erik. ‘Wat is er toch mis met “zich voorstellen” als vertaling van “sich denken”? Waar maakt hij zich druk om. Als hij vervolgens de nieuwe vertalers ook nog gaat kapittelen om de nu weer wel vrijere vertaling van ‘Der gedanke ist der sinnvolle Satz’ [niet: Gedanke?] met ‘Een gedachte is een betekenisvolle zin’ volgt er weer een laatdunkend verwijt over zinnen die ‘voor je ogen leeglopen of op z'n minst verwateren en verpieteren.’ En tot het eind gaat het zo maar door, inclusief de onjuiste verzuchting waarom wijlen mijn vrienden Hans Driessen en Wilfred Oranje zich nooit aan een vertaling van de Tractatus hebben gewaagd. Wel, omdat zij het waarschijnlijk helemaal eens waren met het slot van Wittgensteins Voorwoord (Wenen, 1918): ‘En als ik me hierin niet vergis, dan bestaat nu de waarde van dit geschrift ten tweede hierin, dat het toont hoe weinig er eigenlijk is verricht door deze problemen op te lossen.’

       

Nederlandse vertalingen van de Tractatus door W.F. Hermans (Athenaeum-Polak & Van Gennep), Peter Huijzer en Jan Sietsma (Octavo) en Victor Gijsbers (Boom)

Neemt allemaal niet weg dat ik Bindervoet én Henkes, net als twee jaar geleden, uitnodig voor een ‘Treffen’ op het CS in Utrecht, waarbij ik Bindervoet een exemplaar kan overhandigen van De Revisor 1974/8 en Henkes een kopie van mijn op 3 maart 1973 in de Volkskrant verschenen bespreking van Joyce’ Een portret van de kunstenaar als jongeman.

De lezers van bovenstaande die ook belangstelling zouden hebben voor een fotokopie van Hermans’ bijdrage in De Revisor 1974/8 hoeven zich maar te melden.

 

Bronnen
Erik Bindervoet, ‘Tractatus translatiano-philosophicus. Een Vertaliaans-filosofisch vertoog’, Filter 29:2, p.19-37, 2022.

Jan Gielkens, ‘Verraad en vertaling’, Filter 29:2, p.62-72, 2022.

F.A. Muller, ‘Eenoog & de Taalheks. Over Hermans en Wittgenstein en versus Kazemier’, Hollands Maandblad 621/622, p. 30-38, 1999.

Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, Tagebücher 1914-1916, Philosophische Untersuchungen, Werkausgabe Band 1, Suhrkamp, Berlijn, 1984.

Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans, De Revisor 1:8, p. 9-16, 1974.

Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans, Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1982 (1975).

Ludwig Wittgenstein, Tractatus, Logisch-filosofische verhandeling, vertaald en ingeleid door Victor Gijsbers, Boom, 2022.

Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, vertaald door Peter Huijzer & Jan Sietsma, met een inleiding van Martin Stokhof, Octavo publicaties, 2022.

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.