Vertaaldag  Archief

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Loreley aan de Elbe

Jaap van Vredendaal

Begin oktober was de Japans-Duitse schrijfster Yoko Tawada writer-in-residence van het Centre for Humanities van de Universiteit Utrecht. Op haar programma stonden onder andere twee vertaalworkshops: een met vertalers Japans en een met vertalers Duits. In de laatstgenoemde workshop, voorbereid door Tawadavertaalster Désirée Schyns en poëzievertaler Ton Naaijkens, spraken zo’n twaalf vertalers, onder wie studenten van de Master Vertalen, met de auteur en met elkaar over hun vertalingen van de eerste twee hoofdstukken uit Ein Balkonplatz für flüchtige Abende.

Het is een bijzonder boek, dat nog niet zo gemakkelijk te typeren is. Ik vertaal de laatste zin op de binnenflap: ‘Een tekst als water, vloeiender en vrijer dan proza, maar toch een verhalend werk, een poëtische roman.’ De tekst op de achterzijde voegt aan dat vloeiende en poëtische nog een kenmerk toe: ‘sinnlich’, zinnelijk/zintuiglijk, een aspect dat wordt onderstreept door de fysieke vormgeving van de uitgave: de vage, bewogen foto op de voorkant en de haast onzichtbaar afgedrukte afbeeldingen binnenin spelen met het gezichtsvermogen; de teksten in braille op de schutbladen gaan zelfs uit van het ontbreken daarvan en spreken de tastzin aan.

Yoko Tawada

Bijzonder is het werk ook omdat het het lievelingsboek van Yoko Tawada blijkt te zijn. Het is, zoals zij ter inleiding vertelde, gebaseerd op herinneringen aan haar eerste tijd in Hamburg in de jaren tachtig. Zij had daar een woning met balkon, met uitzicht op de haven. Aan de hand van woordassociaties roept ze flarden van gebeurtenissen en dromen uit die periode op in een ritmisch-muzikale stijl.

‘Vorspiel’ heet het eerste, korte hoofdstuk. ‘Voorspel’, ‘Prelude’, ‘Proloog’? ‘Prelude’ klinkt mooi en speelt alvast in op volgende hoofdstukken met ‘Nachtgesang’ in de titel. Muziek is een terugkerend motief in het boek. In het tweede hoofdstuk gaat Elsa, vriendin en huisgenote van de ik-verteller, in gedachten terug naar een muziekles op school. Zij en haar klasgenoten worden hardhandig aan hun oren de hoge cultuur in getrokken: ‘Hasenohren hören besser. / Hören sie die Forelle plätschern? / Im Brunnen vor dem Tore?’ Forel en muziek: dat moet Schubert zijn, zij het dat die forel hier wel in de Winterreise is beland.1 Maar volgt de lezer dat nog als we de liedregel vertálen: ‘In de put voor de poort’ bijvoorbeeld? Na deze herbeleving van de ‘Schubert-schroom / en Schumann-schrik’ zoekt Elsa troost in een ander genre: ‘Elsa legt Mick plat’ en ‘The Stones vallen haar van het hart / en rollen de helling af.’2

Naast ‘prelude’ noemt Duden als tweede betekenis van ‘Vorspiel’ een scène ter inleiding van een toneelstuk. Zo kun je dit hoofdstukje ook opvatten. Neem alleen al het woord ‘Balkonplatz’ uit de titel. Zou je dit met ‘balkonplaats’ vertalen (in de workshop is hierover niet gesproken), dan kan dat volgens Van Dale zelfs alleen maar in de schouwburg of de bioscoop zijn. Bovendien is in de tekst van het eerste hoofdstuk sprake van ‘Gardinen’ en ‘Vorhang’. Wil je die toneelassociatie in de vertaling meenemen, dan verdient ‘voorspel’ de voorkeur.

Er is nog een reden om voor ‘voorspel’ te kiezen. De derde betekenis van ‘Vorspiel’ is volgens Duden: ‘dem eigentlichen Geschlechtsakt vorausgehender, ihn vorbereitender Austausch von Zärtlichkeiten’ (wat een omschrijving – kom daar eens om bij Van Dale!).3 Aan zinnelijkheid (en erotiek - lees bijvoorbeeld hoofdstuk 5 – ‘Ewige Jugend’, helaas nog niet vertaald!) geen gebrek in dit werk van Tawada. Aan het begin van hoofdstuk 2 vinden we de aanduiding van een intieme douchescène: zoals op het schilderij Les Baigneuses van Suzanne Valadon ‘troost Elsa mijn haren van achteren’. En dan volgt een woordspeling waarin Tawada grossiert: ‘Wir stehen wie gemalt.’ ‘wie gemalt’ is een zegswijze voor ‘bijzonder mooi’, maar hier natuurlijk ook een verwijzing naar het schilderij. Een greep uit de oplossingen die ter tafel lagen: ‘We staan er geschilderd op’, ‘We staan er geschilderd bij’, ‘We staan er beelderig op’. Intussen blijft de zinnelijkheid aanwezig: Elsa zit – nog steeds ongekleed – op het balkon en droogt haar ‘Kopfgewächse’. Alle vertalersogen zijn gericht op de schrijfster: wat moeten we ons hierbij voorstellen? Het antwoord is ontnuchterend: ‘Ik had daar geen bepaald beeld bij.’ Gewoon ‘Haare, die aus dem Kopf wachsen’. Dus: ‘hoofdbegroeiing’, ‘hoofdgewas’, ‘haardos’?  Een naakte vrouw op een balkon, boven een rivier, die neuriet (hier weliswaar een nummer van de Stones) en iets met haar haar doet: dan is de associatie met de legendarische riviernimf die de auteur even later legt niet vergezocht: ‘Een veerman in een blauwgeruite / kiel zucht en blijft staan onder een / Loreley die aan de / Elbe is beland.’4

Suzanne Valadon, Les baigneuses

Minder romantisch is de verleiding in een passage uit het eerste hoofdstuk. Op het dagelijks intredende ‘kwade uur’ wordt de ik-figuur in een Hamburgs park vanuit een rozenstruik aangesproken door een mannelijk-hese stem:

Hé, jij daar, kun jij even
daar gaan staan en op-
letten dat niemand me ziet? Ik
moet heel nodig.
Wat moet hij?
Moeten is een hulpwerkwoord dat zich door
geen werkwoord laat helpen.
[…]
Versta je geen Duits? Ik moet
wateren.
Water is er al genoeg, erwidere ich.
Im Wort erwidern sitzt ein er.
Dieses Mal war es aber nicht er, sondern ich
.

Het taalspel in het hier onvertaald gelaten fragment bezorgde alle vertalers hoofdbrekens. De oplossingen varieerden van weglating van de laatste twee zinnen tot een keur aan creatieve vondsten, waarbij echter altijd een element uit de brontekst verloren ging of juist een nieuw element werd toegevoegd.5 Het lastige is dat met name de laatste geciteerde regel meer is dan een woordgrapje, want die wisseling tussen de hij- en de ik-figuur is niet zonder betekenis, zo blijkt uit het vervolg:

Krijg nou wat! Je bent een meisje! Dat
had ik niet gedacht. Wat een gezei…!
Woorden sissen in zijn mond.
De rits reist langs zijn broek omhoog.
Gordijntje dicht en de man
lijkt door de rozenstruik opgeslokt.
Wat wilde hij van een knaap
die niet ik was?

Mannelijke vooringenomenheid (hoeveel ‘ers’ zitten er eigenlijk niet in die paar hier onvertaalde zinnetjes: erwidere ich. / Im Wort erwidern sitzt ein er. / Dieses Mal war es aber nicht er, sondern ich?), onzekerheid over identiteit en genderonduidelijkheid: het zijn terugkerende thema’s in dit en ander werk van Tawada. Door een van de vertalers werd scherp opgemerkt dat ‘die Badenden’, waarmee de ik-verteller naar het genoemde schilderij van Valadon verwijst, in tegenstelling tot de oorspronkelijke Franse titel grammaticaal gezien genderneutraal is. Opzet? De schrijfster zei van niet, maar mijn indruk was dat zij er geen bezwaar tegen zou hebben als een vertaler ‘de badenden’ in plaats van het voor de hand liggende ‘de baadsters’ zou schrijven. Omdat het past in de geest van het werk en een eventueel verlies elders in de vertaling kan compenseren. Zo ben ik er ook niet zeker van of het gebruik van het woord ‘Knabe’ in combinatie met ‘Rosenbusch’ werkelijk een toespeling is op Goethes gedicht Heidenröslein (‘Sah ein Knab’ ein Röslein stehn’), maar het is gezien de vele verwijzingen naar Duitse klassieken (en naar Schubert!) volstrekt legitiem om het zo op te vatten en ‘Knabe’ om die reden te vertalen met ‘knaap’ of ‘knaapje’.

Loreley – aan de Elbe?

Yoko Tawada benadrukte dat haar teksten geen gesloten teksten zijn. Ze bevatten veel ‘gaten’ en soms onnavolgbare associaties. Ze deed een suggestie die in het vertaalonderwijs zelden zal worden gehoord: ‘Je kunt dan woordelijk vertalen zonder het inhoudelijk te begrijpen.’ De vertaling hoeft niet doorzichtiger te zijn dan de brontekst. Tegelijkertijd moet de vertaler vooral gebruikmaken van de ruimte die zo’n open tekst biedt en er naar hartenlust op los associëren, en dan kan in Hamburg onder (de) Loreley zomaar de oer-Hollandse ‘blauwgeruite kiel’ van Michiel de Ruyter opduiken.

 

Noten
1 ‘Am Brunnen vor dem Tore’ is de eerste regel van het lied ‘Der Lindenbaum’ uit Schuberts Winterreise-cyclus.
2 Voor de vertalingen in deze column heb ik ook rijkelijk geput uit de vertalingen van de andere workshopdeelnemers. Met dank aan Elbert Besaris, Henri Bloemen, Gerbrand Izaks, Sanne Jacobs, Joyce Kraaijvanger, Caroline Meijer, Ton Naaijkens, Chico Nooij, Hanneke Roodbeen, Désirée Schyns en Nienke Volger.
3 De corresponderende definitie in de Van Dale (2015, 15e editie) luidt: ‘geheel aan erotische handelingen die de coïtus voorafgaan’. Kwestie van cultuurverschil?
4 Vergelijk de derde en vierde strofe uit Heines gedicht: ‘Die schönste Jungfrau sitzet / Dort oben wunderbar, / Ihr goldnes Geschmeide blitzet, / Sie kämmt ihr goldenes Haar. / Sie kämmt es mit goldenem Kamme, / Und singt ein Lied dabei; / Das hat eine wundersame, / Gewaltige Melodei.’
5 Een kleine greep uit de aangereikte oplossingen:
‘Water is er al genoeg, hijg ik. / In het woord hijgen zit een hij. / Maar dit keer was het niet hij, maar ik.’
‘Water is er al genoeg, liet ik mijn licht / op het zaakje schijnen. / In het woord schijnen zit een hij. / Maar dit keer was het niet hij, maar ik.’
‘Water is er al genoeg, reageer ik. / Reageer rijmt op meneer. / Maar waarom niet op mij, nu ík iets zei?’

 

Bibliografie
Tawada, Yoko. 2016. Ein Balkonplatz für flüchtige Abende. Tübingen: konkursbuch Verlag Claudia Gehrke.