Vertaaldag  Archief

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

De aanbestedingstrein dendert voort: logboek van recente tegenspoed

Roemer Leushuis

Tot verbijstering en woede van de tolken en vertalers die voor de rechtbanken en andere openbare instellingen werken, heeft het ministerie van Justitie officieel de Europese aanbesteding aangekondigd van tolk- en vertaaldiensten voor vele Nederlandse overheidsdiensten, ondanks het feit dat de Tweede Kamer duidelijk de wens had uitgesproken dat het ministerie geen onomkeerbare stappen zou zetten in deze richting. De aankondiging van de aanbesteding (tender) is gepubliceerd omdat het ministerie van plan is om tolk- en vertaalopdrachten via commerciële bemiddelaars uit te besteden. Daarnaast wil het ministerie ook tolken en -vertalers met taalbeheersingsniveau B2 toelaten tot het Register Beëdigde Tolken en Vertalers (Rbtv). Het B2-niveau komt overeen met het taalbeheersingsniveau vereist voor een VWO-diploma. Het ministerie beweert dat het C1-niveau (‘operationeel bekwame taalgebruiker’, het hoogste niveau is C2) ‘de norm’ blijft voor organisaties die verplicht zijn om tolken en vertalers uit het register in te zetten (onder meer politie, Openbaar Ministerie en IND), maar schrijft er meteen achter: ‘Als een C1-tolk onverhoopt niet (tijdig) beschikbaar is dan biedt het vernieuwde Rbtv met een B2-tolk een transparant alternatief.’

Een grote meerderheid van de gerechtstolken en -vertalers, waar ik zelf ook toe behoor, verzet zich tegen deze plannen, die zijn gepubliceerd onder de titel ‘Tolken in de Toekomst’ (zie ook mijn vorige columns ‘Tolken zwijgen in alle talen, vertalers leggen de pen neer’ en ‘Het 3PO-syndroom’). We hebben een manifest (het ‘Manifest van Culemborg’) ondertekend en weigeren (nog steeds) opdrachten van overheidsdiensten die via de bemiddelaars worden aangeboden. De inzet van B2-tolken en -vertalers is namelijk in strijd met Europese Richtlijn 2010/64/EU over het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures. Daarin staat dat vertalingen en vertolkingen van ‘voldoende kwaliteit’ moeten zijn ‘om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen’. Om een strafzaak goed te kunnen vertolken heb je ten minste C1-niveau nodig, daarover zijn alle beroepsverenigingen van tolken en vertalers het eens.

Verder vergeet het ministerie dat de plannen ook betekenen dat rechters, officieren van Justitie, rechercheurs en andere overheidsambtenaren niet gegarandeerd vertalingen en vertolkingen van goede kwaliteit zullen krijgen, met alle denkbare gevolgen van dien.

Daarnaast is het bepaald niet onwaarschijnlijk dat de beschikbaarheid van C1-tolken en -vertalers en hun bereidheid om voor overheidsorganisaties te werken in de toekomst nog verder afnemen als ze hun opdrachten alleen via de commerciële bemiddelaars krijgen. Deze hebben in het verleden namelijk laten zien – niet geheel onverwacht trouwens – dat ze vooral geïnteresseerd zijn in een zo hoog mogelijke winstmarge en dat ten koste van de beloningen van de tolken en vertalers die voor hen werken. De uitbesteding via commerciële bemiddelaars zal er waarschijnlijk toe leiden dat de tarieven, die al tientallen jaren niet zijn verhoogd (de vertaaltarieven voor vertalers dateren, grosso modo, van 1963 en de tolktarieven van 1982!), zelfs zullen dalen. Dat is namelijk al eerder gebeurd na de aanbesteding van tolk- en vertaaldiensten door de overheid aan giganten in de language industry als LiveWords, the Big Word en GlobalTalk, ontstaan uit het vroegere Tolk en Vertaalcentrum Nederland (TVcN)

Recente ontwikkelingen
De Commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer had op 3 maart 2020 vragen gesteld over het stakingsrecht van tolken en vertalers. Op 6 april heeft de minister heel summier geantwoord dat de tolken en vertalers het recht hebben om opdrachten te weigeren.

Vervolgens heeft de Tweede Kamer juridisch advies gevraagd over de aanbestedingsplannen. De vraag luidde: ‘In hoeverre biedt de huidige aanbestedingsrichtlijn ruimte voor de Minister af te wijken van zijn huidige aanpak inzake het inschakelen van tolken en vertalers?’

Op 17 april heeft de zogenoemde parlementair advocaat advies uitgebracht waaruit blijkt dat de overheid niet verplicht is om de tolk- en vertaaldiensten aan te besteden. De huidige werkwijze van het Openbaar Ministerie, dat de opdrachten voor de rechtbanken stuk voor stuk uitbesteedt aan individuele tolken en vertalers, blijkt dus toch toegestaan. Hiermee is het steeds herhaalde argument van de minister dat aanbesteding een Europese verplichting is, genoegzaam van tafel. Verder heeft SP-kamerlid Van Nispen, onvermoeibaar strijder voor de tolken en vertalers, op 14 mei, nota bene op de dag van de aankondiging van de aanbesteding, vragen gesteld over de huidige uitbestedingen via bemiddelaars van vertaal- en tolkdiensten voor het OM. Die gingen namelijk door, terwijl de minister beloofd had dat voorlopig niet te doen. Op 19 mei heeft het ministerie aan de registertolken en -vertalers laten weten dat de aankondiging was gepubliceerd. De dag daarop stuurde minister Grapperhaus een brief waarin hij zegt vast te houden aan aanbesteding, ondanks het advies van de parlementair advocaat. Hij herhaalt daarbij de eerder aangevoerde beweegredenen.

Op donderdag 11 juni vond een zogenaamd Verlengd Algemeen Overleg van de Vaste Kamercommissie voor Justitie plaats, waarin Van Nispen heeft voorgesteld de plannen van Justitie, zowel aanbesteding als B2-toelating, te schrappen en de tarieven flink te verhogen. Op 16 juni, ten slotte, werden de moties van Van Nispen verworpen, waarmee het politieke spel waarschijnlijk is uitgespeeld. Enkele moties van de regeringscoalitie met palliatieve maatregelen werden wel aangenomen. En er is misschien nog een kort geding mogelijk, maar de kansen op succes lijken klein.

Ik hoop dat ik nu de aandacht van de lezer nog heb, want het begint saai te worden. De minister blijft dezelfde argumenten stug herhalen, hoe vaak ze ook al ontkracht zijn, terwijl deze argumenten in Duitsland en Frankrijk, waar dezelfde aanbestedingsregels gelden als in Nederland, niet overtuigend worden bevonden. In Nederland dendert de aanbestedingstrein gestaag door. De kritische waarnemer begint te vermoeden dat er een andere reden is voor de aanbesteding. Maar welke?

Intussen worden de gevolgen van de coronacrisis duidelijk. Er zijn wekenlang geen rechtszittingen geweest en die worden nu mondjesmaat hervat. Daarbij wordt natuurlijk geprobeerd het aantal aanwezigen in de rechtszalen zo veel mogelijk te beperken, zodat vaak telefonisch wordt getolkt. De tolken zijn lange tijd inkomsten misgelopen en nu de strafrechtketen en de asielketen weer beginnen te draaien, moeten ze het vaak stellen zonder reiskostenvergoeding en voorrijkosten – de enige goede elementen in de betalingsregeling van Justitie. Bovendien komen lang niet alle tolken en vertalers in aanmerking voor de inkomenscompensatieregelingen van de overheid. De situatie is zo nijpend geworden dat bijna de helft van de tolken en vertalers overweegt op zoek te gaan naar een andere baan (enquête in Advocatenblad).  Desondanks lijkt de actiebereidheid wederom groot, althans onder de tolken. De komende weken zal duidelijk worden of de lopende werkweigeringsacties worden uitgebreid.

Giuseppe Pellizza da Volpedo Il cammino dei lavoratori (1901)

 

Een nieuwe beroepsorganisatie?
Uit een enquête onder tolken en vertalers, georganiseerd door de zogenaamde Stuurgroep (die het initiatief voor het ‘Manifest van Culemborg’ heeft genomen), blijkt dat veel vakgenoten lid zijn van het Nederlands Genootschap van Tolken en Vertalers (NGTV). Sommigen, onder wie ikzelf, hebben hun lidmaatschap opgezegd uit ontevredenheid over de gebrekkige inspanningen van het NGTV om de plannen van Justitie tegen te houden of bij te sturen. In de publicaties van het NGTV werd opvallend weinig aandacht besteed aan de aanbestedingsproblematiek en soms liet het NGTV zich zelfs positief uit over de plannen. Na mijn opzegging werd ik gebeld door een bestuurslid van het NGTV die uitlegde dat het genootschap veel moeite heeft gedaan om Justitie op andere gedachten te brengen, maar dat dat onbegonnen werk was.

Behalve het NGTV telt Nederland nog een aantal kleinere vakorganisaties als de Vereniging Zelfstandige Vertalers (VZV), de Nederlandse Unie van Beëdigde Tolken en Vertalers in het Publieke Domein (Nubveto) en de Stichting Vrouwennetwerk Vertalers en Tolken (SVVT). Vroeger was er ook nog de Stichting Registertolken en Vertalers. Blijkbaar heeft geen van deze organisaties tijdens gesprekken met het ministerie van Justitie voldoende gewicht in de schaal gelegd om de minister van zijn plannen af te brengen.

De Nederlandse overheid heeft de lofwaardige gewoonte om regelgeving en beleid voor economische sectoren te bepalen in goed overleg met de beroepsorganisaties die die sectoren vertegenwoordigen. Voor de tolken en vertalers blijkt dit niet het geval. Er is wel overleg geweest met de vakorganisaties, maar kennelijk worden die niet serieus genomen, misschien omdat ze te klein zijn, misschien omdat ze geen effectieve weerstand hebben geboden aan de plannen. De overheid lijkt te hebben geconcludeerd dat het de voorkeur verdient om dan maar ‘betrouwbare’ partners te zoeken in het bedrijfsleven.

Wij, de tolken en vertalers, kunnen de aanhoudende financieel-economische via crucis van onze beroepsgroep niet geheel wijten aan het ministerie van Justitie, aan de heersende neoliberale neiging om grote bedrijven vrij baan te geven bij de gunning van overheidsopdrachten, of aan het 3PO-syndroom. We moeten de hand ook in eigen boezem steken. Ondanks de gezellige borrels van onze beroepsverenigingen, de lezingen en seminars waar we elkaar zien en de laatste tijd ook de protestbijeenkomsten, vormen we een verzameling individualisten die maar moeilijk tot effectieve samenwerking komen, laat staan effectief tegenwicht kunnen bieden aan door de wol geverfde beleidsmakers die snode plannen met ons hebben.

Oorzaken van de verdeeldheid
We zijn een relatief kleine beroepsgroep van enkele duizenden mensen, die bovendien nog in verschillende subgroepen kan worden onderverdeeld. Er zijn literair vertalers, boekvertalers en technisch vertalers en tolken die zijn gespecialiseerd in uiteenlopende vakgebieden als financiën en verzekeringen, verschillende rechtsgebieden, baggertechniek, olieplatforms, gezondheidszorg en ga zo maar door. Er zijn ondertitelaars van films en televisieprogramma’s, gesprekstolken, politietolken (verhoortolken en taptolken), conferentietolken en rechtbanktolken. Velen van hen werken thuis of vanuit huis. Daardoor zijn ze relatief geïsoleerd en komen ze niet vaak collega’s tegen. Beroepsgroepen met een vergelijkbaar opleidingsniveau zoals leraren hebben veel meer contact omdat ze elkaar dagelijks zien, wat merkbaar is aan hun onderlinge solidariteit. Een kleine groep vertalers, ten slotte, werkt in loondienst. Deze groep identificeert zich vaak meer met de sector waarin ze werkzaam is dan met vakgenoten.

Een ander belangrijk punt is roeping; de mate waarin je je identificeert met je beroepsgroep wordt er sterk door bepaald. Helaas is er een groeiende groep die het tolk- en vertaalwerk beschouwt als een welkome bijverdienste bij gebrek aan ‘beter werk’. Dit is, zo stel ik mij voor, de groep die zich graag inschrijft bij bemiddelingsbureaus om voor veel te lage tarieven opdrachten uit te voeren. Ook sommige beter gekwalificeerde vertalers en tolken zullen zich inschrijven bij de commerciële bemiddelaars, maar met tegenzin en gedwongen door de nieuwe omstandigheden.

De meest coherente groepen binnen de sector zijn de taalgroepen: groepen van vertalers en tolken die in en uit dezelfde vreemde taal vertalen. Als een tolk of vertaler al contact heeft met vakgenoten, dan is dat vaak binnen de taalgroep. We helpen elkaar met terminologie, nemen af en toe een opdracht van elkaar over wanneer we het te druk hebben en laten een vertaling over irrigatiesystemen voor champignons liever over aan een vakgenoot die zich hierin heeft gespecialiseerd. Hierbij speelt natuurlijk ook mee dat tolken en vertalers Somalisch, bijvoorbeeld, zelf meestal van Somalische afkomst zijn en elkaar kennen uit de Somalische gemeenschap, terwijl hun Franse vakgenoten de taal meestal gestudeerd hebben aan een Nederlandse of Vlaamse universiteit en elkaar kennen van hun opleiding.

De plannen van Justitie hebben één positief effect: er is binnen de beroepsgroep meer saamhorigheid dan ooit. Tijdens de bijeenkomst in december 2019 in Culemborg bleek er brede bereidheid te zijn om verregaande stappen te nemen, zoals werkweigering. We moeten het ijzer smeden nu het heet is: het is tijd om de verdeeldheid en het isolement achter ons te laten en een nieuwe, brede beroepsorganisatie op te richten die de belangen van alle tolken en vertalers behartigt. Het recht op een redelijk inkomen voor al deze vakmensen wordt bedreigd en dat geldt niet alleen voor de beëdigde tolken en vertalers van het register.

 

Andere bronnen
https://www.lc.nl/friesland/Tolkenstrijd-met-een-teleurstellend-slot-25747729.html?harvest_referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

 

Roemer Leushuis, tolk Spaans, vertaler Engels, Frans, Roemeens en Spaans, werkzaam voor politie, Justitie en Defensie, Amsterdam.

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.