Vertaaldag  Archief

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Vom Flachmann verführt worden

Bert de Waart

Nog een blog. De taalkundige Jaap Hoepelman – uit wat ik bij elkaar gegoogled heb maak ik op dat hij syntacticus is, met, zoals dat hoort, lijntjes naar logica en semantiek, en recenter ook naar digitale gegevensverwerking, en dat hij in Duitsland werkt of heeft gewerkt en daar ook woont – heeft sinds januari vorig jaar een blog, Olla Vogalan geheten, met Duitse vertalingen van Nederlandstalige gedichten. Die zijn steeds voorzien van precies de juiste biografische en (literair-)historische informatie, en de brontekst wordt geciteerd of er wordt naar gelinkt. Dit zegt hij er zelf van:

Dichter aus Belgien und den Niederlanden sind im deutschen Sprachgebiet wenig bekannt. Ich werde versuchen hin und wieder ein Gedicht aus Belgien oder den Niederlanden so zu übersetzen, dass es im Deutschen etwas vom Flair der Poesie aus den Niederen Landen zum Ausdruck bringt. (Hoepelman, passim)

Vertalingen die de flair van onze laaglandse poëzie laten zien dus. Hij heeft dan ook een voorkeur voor meer of minder ironische, mild kritische dichters als Van Schagen, De Genestet, Haverschmidt en Schmidt, en ‘plezierdichters’. Van de uitvinder van deze term, Drs. P., vertaalt Hoepelman een ollekebolleke:1

Dagelijks voorstelling!
Wreedheden! Bloedbaden!
Roofdieren! Christenen!
Actie! mimiek!

Ware juweeltjes van
Liefhebberijtoneel
Voor het geachte
Romeinse publiek!

Drs. P. 1993

Tägliche Darbietung!
Grausamkeit! Blutlachen!
Raubtiere! Märtyrer!
Tötungsgeschick!

Richtige Perlen von
Amateurschauspielkunst
Plaudite Cives! So
Schön fast wie Krieg! 

Hoepelman 21. März 2018

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Frei nach Drs. P,’ staat erbij, maar bij plezierdichten gaat het nu juist alleen om de het precieze volgen van de vormvoorschriften, en het plezier dat je daarvan hebt, en de vertaling is een vormvast ollekebolleke.2

Pluimen aan de einder

Daarnaast vertaalt Hoepelman regelmatig klassieke, serieuze Nederlandse gedichten, hoewel hij ook hierbij de flair niet vergeet. Bijvoorbeeld niet alleen ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman, maar ook twee van de talrijke parodieën op dat gedicht. Hoepelmans vertaling blijft vrij dicht bij de brontekst, maar behoudt vooral het metrum, en overtuigt mijmeer dan die van de professionele vertaalster Ira Wilhelm. De eerste helft:

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land, (…) 

Marsman 1982: 110

Denkend an Holland
seh' ich breite Gewässer
träge durch endloses
Flachland gehen,
Reihen unfassbar
hingehauchte Pappeln
wie hohe Fahnen
in der Ferne stehen;
und in der gewaltigen
Weite versunken
die Bauernhöfe
verteilt übers Land, (…)

 Hoepelman 27. Juni 2019

Denk ich an Holland
seh’ich mächtige Ströme
träge durch endloses
Flachland sich winden,
Zeilen unfassbar
zierlicher Pappeln
wie hohe Federbüsche
vorm Horzont sich befinden;
und inmitten der herrlichen
Weite standen
die Höfe der Bauern
verteilt übers Land, (…)

Wilhelm 2016: 18

‘Der Fluß geht durch das Land’ is inderdaad ongebruikelijker dan ‘Der Fluß fließt durch das Land’, maar in deze context is ook het Nederlandse gaan minder gebruikelijk dan stromen. En nog een sterker argument voor gehen – stehen: er zijn twee hoofdlijnen in dit gedicht, de horizontale van de rivieren en de verzonken boerderijen en de verticale van de bomen en verderop de (kerk)torens; het rijmpaar gaan – staan stelt die direct tegenover elkaar. Die traag stromende rivieren bepalen ook het monotone metrum van het gedicht, en daarom vind ik Fahnen en Ferne betere vertalingen voor pluimen en einder dan Federbüsche en Horizont, die inhoudelijk correcter zijn, maar hopeloos uit de maat lopen. En vanaf een rivierdijk gezien staan boerderijen niet, ze liggen, dus niet stehen. En al helemaal niet standen, ook al heet het gedicht ‘Herinnering’. Waar de ‘ik’ aan denkt (en waarschijnlijk niet alleen nu, maar vaker) is er nog steeds; het gedicht heeft vier persoonsvormen: behalve zie in r. 2 hangt, wordt en wordt.

Van sommige dichters maakt Hoepelman meer werk. Van Vroman plaatst hij in één keer 15 gedichten, Andreus komt steeds weer terug, en van Nijhoff staan in Olla Vogalan ‘De moeder de vrouw’, ‘Het lied der dwaze bijen’, ‘Het uur U’ en ‘Awater’.

Awater

Dankzij het Internationaal Literatuur Festival in de Unesco City of Literature Utrecht hebben we intussen al een hele verzameling vertalingen van ‘Awater’. De Duitse, van Ard Posthuma, is van 2013 (Posthuma 2013). De Nijhoffse, de Hoepelmanse en de Posthumase eerste strofe:

Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
en Jonas preekt, maar niet te Ninive. 

Nijhoff 1963: 216

Sei hier zugegen, allererster Geist,
der über den Gewässern von Anfang streichst.
Dein gutes Auge möge über diese Arbeit weiden,
die wüst und leer ist, der Welt insoweit gleich.
Sie will nicht wie die letzte Ära sein,
Trümmerhaufen sehend von Schönwetter leiern,
denn Singen, das ist Leidenschaft, die eitert
und das, was ist, konnten nie Trümmer sein.
Kein erster Stein, der einfach liegen bleibt.
Das Wort schöpft neu die Stille, wenn es sie zerreißt.
All was geschieht, geschieht zum ersten Mal einstweilen.
Gepriesen! Noah baut, doch Archen baut er keine,
und Jona predigt, doch wird zu Ninive nicht prophezeit. 

Hoepelman 15. November 2018

Komm, allererster Geist, Du, der Du schwebst
über der Urflut, und sei hier anwesend.
Erblicke dieses Werk, damit es werde.
Es ist, wie diese Welt auch, öde und leer.
Es will nicht unbeschwert wie eh und je
Schönwetter singen und rings Trümmer sehen,
denn Singen ist nichts als ein heißes Weh,
und nimmer hat es Trümmer je gegeben.
Ein erster Stein ward eben erst gelegt.
Wer spricht, stellt neu die Stille wieder her.
Gepriesen! Neu sei alles, was geschehe.
Sieh: Noah baut, doch keine Arche mehr,
und Jona mahnt, doch nicht in Ninive. 

Posthuma 2013: 139


R. 5 en 6 is een beginselverklaring, in twee opzichten. Het werk wil geen puinhopen zien en zingen van mooi weer. Het wil vooral geen puinhopen zien,4 en die zijn er ook niet, want dit werk is een nieuw begin, en beschrijft een nieuwe wereld, woest en leeg. De laatste vijf zinnen zeggen vijfmaal hetzelfde: er is niets en alles is telkens weer nieuw. De eerste steen ligt bijvoorbeeld ‘nauwelijks terneer’, wat kan betekenen dat hij er nog maar pas ligt, zoals Posthuma vertaalt, of dat hij nog niet stil ligt, zoals Hoepelman interpreteert. Hij was allicht ook op jacht naar ei-klanken; ik kom daarop terug.

‘Awater’ heeft zoals bekend in elke strofe een andere dominante klank, die vaak in het midden van regels voorkomt, en waar ook alle regels op rijmen, zij het niet met volrijm maar met assonantie. In strofe 1 zijn er eigenlijk twee dominante klanken: de ee van meel en die van meer: daar kun je als dichter aardig mee uit de voeten. Evenals bij Marsman blijft Hoepelman ook hier vrij dicht bij de brontekst, maar hier pakt dat minder goed uit. Hij vertaalt r. 1 en 2 vrij letterlijk, en zadelt zichzelf daardoor op met het veel lastigere rijm ei van Geist, en met een lettergreep te veel in r. 2. Posthuma heeft met een tamelijk eenvoudige ingreep in de volgorde zichzelf van dezelfde rijmen als Nijhoff voorzien, en met het goed Duitse Urflut voor wateren van aanvang ruimte gewonnen. Eenmaal gebonden aan het ei-rijm vindt Hoepelman soms bewonderenswaardige oplossingen: über diese Arbeit weiden voor dit werk toe keren, leiern,5 ‘een gedicht opdreunen’ voor zingen, Leidenschaft, die eitert, ‘ettert’,voor hartstocht van een zweer, maar heeft in andere gevallen extra woorden nodig, met langere regels en een onregelmatig metrum als gevolg, zoals in de laatste regel van deze strofe.6

Dat vijfjambische metrum is een belangrijk vormelement van dit gedicht, en Posthuma houdt het consequent aan, en vertaalt zonodig wat minder letterlijk. Wie eh und je is algemener dan als geheel een vorige eeuw, maar het toegevoegde unbeschwert stoort inhoudelijk niet. Er staat in het Nederlands niet dat er nooit puin geweest is, maar alleen dat de thans bestaande gebouwde omgeving niet ooit puin geweest is.7 Door, ten slotte, Gepriesen uit de voorlaatste regel naar die erboven te verplaatsen en te vervangen door Sieh wint Posthuma ook hier ruimte.

En in die derde regel van onderen eveneens door geschiedt nog voor het eerst te vertalen met Neu sei. Niet Neu ist alles, was geschieht, want het rijm vroeg hier een ee-klank, en de ene Konjunktiv nam de andere mee. Dat geeft wel nogal een andere boodschap dan de bron: een principiële constatering over de in het gedicht beschreven wereld wordt een Leger-des-Heils-achtige bede. Dan had ik nog liever Neu ist alles, was besteht gelezen.

Een glaasje uit de Flachmann

Van Carmiggelt heeft Hoepelman een Kronkel vertaald, de enige prozavertaling tot nu toe in OllaVogalan, en één van Carmiggelts onder het pseudoniem Karel Bralleput geschreven parodieën op artistieke types en gewoonten, ‘Louter droefheid’. De eerste strofe:

Ik voel mij somber. Ei, wat zal ik doen?
Een platte geest dronk nu een glaasje.
Maar ik ben een poëtisch baasje
en ga mijn weemoed in een versje doen. 

Bralleput 1948: 27

Wie ist mir trübe! Ei! Was kann ich tun?
Ein flacher Geist nimmt jetzt den Flachmann.
Ich aber bin Poet und dichte, wenn ich kann,
und will die Wehmut jetzt in ein Gedichtlein tun 

Hoepelman 2. Juni 2019

Ik vind glaasje – baasje een zeer sterk rijm, en dodelijk zowel voor burgerlijke als voor would-be onburgerlijke types. Maar ik kan me ook voorstellen dat Hoepelman na die flache Geist de verleiding van de Flachmann, ‘heupflacon’ niet heeft kunnen weerstaan. Het is in elk geval doelcultuurgericht.

 

Noten
1 Drs. P. definieerde dit genre in de vorm van een ollekebolleke:

Dactylus! Dactylus!
Ollekebolleke
Tweemaal vier regels
Die rijmen aan ’t slot

Kreet, thema, één woord met
Zeslettergrepigheid
Moeilijk te maken
Maar wat een genot!

2 Als Amateurschauspielkunst tenminste een accent heeft op de eerste lettergreep, en als Tötungsgeschick rijmt op Krieg.
3 Ik betrap mij erop dat ik hier nu iets als toch of desondanks wil schrijven. Waarom eigenlijk?
4 Wil hij dan eventueel wel zingen van mooi weer? Ik denk het niet, want zingen is slechts hartstocht van een zweer. Maar om dat zeker te weten zou je eerst moeten begrijpen wat deze niet minder iconische zin betekent.
5 En als er nu iemand puinhopen zag en van mooi weer zong was het wel Schuberts Leiermann.
6 Bij het schrijven van mijn vorige column, over A.Z. Foreman, en deze merk ik dat ik blijkbaar het metrum in de vertaling van een metrisch gedicht niet missen wil. Als er behalve een dichters- en een vertalerspoëtica ook een lezers-van-vertaalde-poëziepoëtica bestaat, dan staat in de mijne metrum handhaven! nogal bovenaan.
7 Waarmee een open deur wordt ingetrapt, maar dat doet Nijhoff, groothandelaar als hij is in de betere tegeltjeswijsheden, wel vaker. ‘Het toeval neemt een binnenweg naar ’t doel’. Ja, daar is het het toeval voor.

 

Bibliografie
Bralleput, Karel 1948. Het jammerhout. Met omslag en platen van Charles Boost. Amsterdam: N.V. De Arbeiderspers

Drs. P. 1993. ‘Dagelijks voorstelling!’ In: Ons Erfdeel, jg. 36, p. 265. Ook in de DBNL:  https://www.dbnl.org/tekst/_ons003199301_01/_ons003199301_01_0064.php

Hoepelman, Olla Vogalan https://jakobhoepelman.blogspot.com/

Marsman, H. 1982. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Em. Querido’s uitgeverij b.v. Ook in de DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/mars005verz03_01/mars005verz03_01_0084.php

Nijhoff, Martinus. 1963. Verzamelde gedichten. 2edr. Den Haag: Bert Bakker / Daamen n.v. Ook in de DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/nijh004awat01_01/nijh004awat01_01_0001.php

Posthuma, Ard (übers.). 2013. ‘Awater’ In: Het verhaal van twee steden: Lissabon en Berlijn. Festivalbloemlezing City2Cities 2013. Utrecht: Het Literatuurhuis, p. 139 - 146

Wilhelm, Ira (übers.) 2016, ‘Erinnerung an Holland’ In: Christoph Buchwald (ausgew. u. m. einem Nachw. von -), Wir sind abwechselnd Sonne und Meer. Berlin: Aufbau, p. 18

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.