Vertaaldag  Archief

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Het en zijn de woorden niet

Robbert-Jan Henkes

Vertalen lijkt verdacht veel op schrijven. Zelf schrijven bedoel ik. Schrijven uit het eigen hoofd in plaats van uit andermans hoofd. Of in andermans hoofd. Of uit in andermans hoofd. In de zin van: er eens helemaal uit in andermans hoofd. Vooral fijn als je niet wil of kan of mag reizen.

Het lijkt misschien of schrijven het rijk van de vrijheid is en vertalen het gevang van de dwang. Dat schrijven inspiratie is en vertalen transpiratie. Dat schrijvers de lusten hebben en vertalers de lasten. Dat het eigenlijk veel makkelijker is om iets te verzinnen dan om iets te vertalen. Veel makkelijker om iets zomaar op het papier te kwakken dan om het fideel en getrouwelijk en volgens de regelen der kunst om te zetten in een vreemde maar zo bekend voorkomende taal.

Het lijkt dus misschien dat schrijven makkelijk is en vertalen moeilijk. Vooral als er bij het vertalen weer een culturele connotatie in zee dreigt te verdwijnen. Als er liedjes vertaald moeten worden. Of dialecten. Woordspelingen. O schrik! O gruwel! Daar gaat m’n kilometrage! Daar gaat m’n prijs-kwantiteitverhouding!

En na wat hartgrondig maar obligaat vloeken en tieren en zuchten en steunen stroopt de veelgeplaagde vertaler heur mouwen op, spuugt zich in de klauwen, en zet zich onder het zingen van het bekende Houthakkerslied aan den arbeid.

Het enige houvast is de kust die in zicht is. Want een vertaler heeft altijd het aankomstpunt in het vizier. Hoe ver weg zich dat ook mag bevinden. Hoeveel cyclonen, pandemieën en zwarte gaten er ook op de weg liggen, het eindpunt is bekend. Laatste bladzijde in zicht! Laatste regel! Laatste woord! Het anker kan uit.

Wat een leven.

Het is hard werk. Maar ondankbaar werk.

Want het is nooit goed of het deugt niet. Vertalers zijn zich altijd meer bewust van wat ze verkeerd hebben gedaan dan goed. Van wat ze niet konden dan van wat ze er gelukkigerwijs van gebrouwen hebben. Van de spaanders dan van het hout.

Geen wonder dat ze dan wel eens nijdig opzijkijken naar die flierefluitende nonvaleurs wier werk zij uitverkoren zijn geweest te mogen presenteren in een fris taaleigen.

Die zakkenwassers wie het allemaal maar komt aanwaaien.

Terwijl zij nooit eens de vrijheid hebben een heel andere kant op te gaan, eens lekker uit te pakken, een ander vertelperspectief te nemen, een paar personages te introduceren, of beter nog te schrappen. Zij zitten geketend aan de tekst die voor ze ligt.

Maar schijn bedriegt. (Daar is het schijn voor, om te bedriegen.)

Want het komt de schrijvers niet altijd maar aanwaaien. Schrijvers moeten soms ook denken over wat ze opschrijven. Schrijven is ook zweten. (De vieze varkens niet tenagesproken, natuurlijk.) Ook de vrijzwevende intelligentia’s die zich schrijvers noemen kunnen niet alles maar uit heur duim zuigen.

Ook zij moeten luisteren naar de tekst. En doen wat die van ze wil.

Als de eerstebeste vertaler dus eigenlijk.

Ik heb daar een casus voor, een zelf meegemaakte proefondervindelijke uit eigen koker.

Ik schreef, en het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat ik schreef, maar het was een verhaaltje in een reeks verhaaltjes en die hadden een ik-persoon als verteller en die ik-persoon was een meisje van een jaar of negen of tien, Lieke.

Illustratie door Aart Clerkx,
uit: De bende van Lieke van Robbert-Jan Henkes (Querido 2020)

En toen zei of vertelde Lieke op een gegeven moment dat ze met een van haar vriendinnen (Amira) heel goed samen een boek kon lezen, in tegenstelling tot met een andere vriendin (Sara). En Lieke denkt daaraan, hoe onmogelijk het was om samen een boek met Sara te lezen, en roept dan uit:

Dat moet je met Sara proberen!

Want zo was het zoals ik het opschreef. Maar toen dacht ik: zeg je dat wel zo? Wat de gedachte is die vertalers voortdurend door het hoofd speelt natuurlijk, want hun zinnen moeten wel Nederlands zijn, en Nederlands in de zin van: zo zeg je dat in het Nederlands.

En ik dacht, moet er niet gemoduleerd worden? Moeten er geen modaliteitwoordjes in? Modale partikels? Zoals:

Dat moet je eens met Sara proberen!
Dat zou je eens met Sara moeten proberen!
Dat zou je eens een keer met Sara moeten proberen!

Wat het allemaal in plaats van soepeler – waarvoor je denkt dat die sfeerbepalende woordjes zijn – juist stroever maakt, vreemd genoeg. (Misschien worden modale partikels ernstig overschat in Vertalië.)

De vraag ‘Hoe zeg je dat?’ wordt hier natuurlijk sterk bepaald door ‘Hoe zegt Lieke dat?’ Dus door de hele context. Door wat ervoor komt en wat erna komt. De hele aanloop dus en de hele afloop daarna, die ik weliswaar nog niet helemaal had uitgetekend, maar waar ik al wel een paar ideeën over had.

Ik kon het ook korter proberen te maken:

Probeer dat met Sara!
Probeer dat eens met Sara!
Probeer dat maar eens met Sara!

In Liekes uitroep hoorde het ‘moeten’ er wel bij. Dat gaf duidelijk de sjeu, de verontwaardiging bij het zich voorstellen. Je kon erachteraan denken: ‘Het idee alleen al!’

En toen dacht ik: gesteld dat het in een andere taal was geschreven, en ik moest het vertalen, wat zou ik dan schrijven? Hoe zeg je dat ‘normaal’ in het Nederlands?

En toen kwam ik tot mijn eigen onuitsprekelijke verbazing en afschuw uit op:

Dat hoef je met Sara niet te proberen!

Zo werkt dat dus met vertalen! Daar kom je op uit als je als vertaler naar dingen op zoek gaat ‘hoe ze (nu eenmaal) gezegd worden’. Op dit soort slappe, pedagogiserende, het met een knipoog het vingertje heffende, grappig bedoelde maar niet grappig zijnde, neerbuigende, neerknielende, in één woord walgelijke frases!

‘Nee, daar hoef je bij Sara natuurlijk niet mee aan te komen!’

Vertaler, waar is uw blos!

Nou, die blos had ik.

Maar ik besefte ook hoe makkelijk het is om op die pasklare frases uit te komen, en hoe moeilijk het is om er iets werkelijk levends van te maken.

Als schrijver en als vertaler.

Moraal van dit verhaal: het en zijn de woorden niet. In Schrijvië niet en in Vertalië niet.

Het is luisteren naar waar het verhaal heen wil. Luisteren wat het verhaal wil dat jij gaat zeggen. En dat geldt evenzeer voor de verzinners als voor de omzetters.

Het zijn niet de woorden die het werk doen, maar de combinaties van woorden. De zinnen, clauses, frases. Het is de muziek.

En net zoals schrijvers moeten luisteren naar hoe iets gezegd wil worden, zouden vertalers ook eens wat vaker verder mogen kijken dan hun vocabulaire smal is en hun idee van ‘hoe je het zegt’ beperkt.

Ik ook.

 

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.