Vertaaldag  Archief

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

'Dat onse tale geenzins lijden en kan’

Machteld de Vos

Onder invloed van verschillende ideeën en gebeurtenissen, waaronder de uitvinding van de drukpers, kwam in het midden van de zestiende eeuw in Nederland het idee op dat er een standaardtaal moest komen (zie bijvoorbeeld Van der Wal 1995 en Van der Sijs 2004). Verscheidene mannen – wellicht waagden ook vrouwen zich hieraan, maar enkel de werken van de mannen zijn overgeleverd – begonnen voorzichtig gedachten en regels te formuleren over hoe dat Standaardnederlands eruit moest gaan zien. P.C. Hooft, bijvoorbeeld, noteerde meerdere ‘Waernemingen op de Hollandsche tael’ (geschreven tussen 1635 en 1641), en leden van de rederijkerskamer De Eglantier publiceerden een complete grammatica van het Nederlands – toen vaak het ‘Nederduits’ genoemd: de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584). Voor mijn promotieonderzoek naar de verspreiding van het Standaardnederlands in de zeventiende eeuw bestudeer ik de werken van deze ‘spraakkunstenaars’, die het Standaardnederlands uitstippelden. Ik breng in kaart welke onderwerpen binnen de Nederlandse spelling en grammatica erin behandeld worden, wat daar precies over wordt beweerd, en welke keuzes voor het Nederlands erin gemaakt worden. Het gaat in deze werken echter lang niet altijd alleen maar over kwesties als het gebruik van ‘als’ of ‘dan’ of ‘hen’ of ‘hun’. Ook bredere onderwerpen die met de Nederlandse taal te maken hebben komen aan bod. Zo liep ik toevallig tegen het onderwerp vertalen aan.

De publicatie van een nieuwe vertaling gaf regelmatig aanleiding tot overwegingen over het Standaardnederlands. Het bekendste voorbeeld hiervan vormen de ‘Resolutiën’ van de vertalers van de eerste officiële Nederlandstalige Bijbelvertaling uit 1637: een later gepubliceerd overzicht van de (Latijnse!) notulen van de vergaderingen van vertalers en revisoren, waarin besluiten werden genomen over de te volgen standaard. Maar zij waren niet de enige vertalers die zich in de discussie mengden: ook Antonis de Hubert nam in 1624 in zijn vertaling De Psalmen des Propheeten Davids een paar ‘Noodige waarschouwinge aan alle liefhebbers der Nederduijtze tale’ op, en Petrus Francius, die in 1699 een werk van Gregorius van Nazianze uit het Grieks vertaalde, stond in de ‘Voorreden’ daarvan stil bij de Nederlandse taal.

Dat vertalers zich geroepen voelden tot dergelijke beschouwingen is niet verwonderlijk: een vertaling is altijd een zoektocht naar de verhouding tussen bron- en doeltaal, en zeker als er voor die doeltaal nog geen standaard bestaat, moet je keuzes maken. Schrijf je ‘waar’ bijvoorbeeld met ‘aa’, of met ‘ae’? Bestaat er een verschil tussen ‘u’ en ‘uw’, of ‘mij’ en ‘mijn’ en, zo ja, wanneer gebruik je het een, en wanneer het ander? Vertalers van nu kunnen er bij twijfel het Groene boekje op naslaan, maar in de zeventiende eeuw bestond zo’n naslagwerk nog niet, en dus voelden vertalers als De Hubert, Francius en de makers van de Statenvertaling de behoefte hun gekozen standaard toe te lichten of zelfs te verantwoorden.

Soms gaan ze in deze verantwoordingen ook expliciet in op hun vertaalprincipes. Francius (1699: 57-60), bijvoorbeeld, wil graag uitleggen welke standaard (‘wat voet’) hij voor zijn vertaling heeft gehanteerd, maar merkt allereerst op ‘dat de natuur der stukken verscheiden is; die niet alle, op eenerlei wys, overgezet moeten worden’ – teksten verschillen, en dus verschilt ook de vertaalaanpak. Niet iedereen was die mening toegedaan, volgens vertaler Francius: ‘Als men den zin treft, meent men ’t genoeg te zijn.’ En hij vervolgt: ‘Genoeg is ’t voor anderen, maar voor deezen niet: die niet alleen getrouw, maar ook aardig en zwierig, overgebragt willen wezen.’ Aangezien hij het werk van Gregorius van Nazianze vertaalt, een groot redenaar, kan hij niet volstaan met een simpele vertaling van de inhoud (‘den zin’): net als bij poëzie, moet er in deze vertaling ook recht gedaan worden aan de vorm (‘de kragt der uitdrukselen’).

Dat is niet makkelijk – ‘de eene taal is rijker dan de andere: die persoon, bequaamer, en met meerder welsprekendheidt, dan deze, begaaft’ – maar hij heeft een poging gewaagd: ‘ten minsten heb ik het zoeken te doen, en ’t werk, zo veel my mogelijk, en, naar de eigenschap der beide taalen, doenlijk was, zijnen behoorlijken zwaay, en volkomene uitgestrektheidt pogen te geven.’ Hij verzoekt de lezer het toch vooral hem, en niet Gregorius aan te rekenen als deze zijn poging minder geslaagd vindt: ‘Zo hier iet aan hapert, gelijk het doen zal, men schrijve het my, niet Gregorius, toe; van wiens werk het mijne zo verre verscheelt, als een schaduw van ’t lichaam, als het Duitsch van ’t Grieks…’

Interessant is dat hij hier, wat implicieter, ook stilstaat bij de verhouding tussen doel- en brontaal: het Nederlands (of, zoals hij het noemt, ‘het Duitsch’) verschilt van het Grieks, maar hij heeft geprobeerd ‘naar de eigenschap der beide taalen’ te vertalen. De Hubert geeft in zijn ‘Noodige waarschouwinge’ blijk van een zelfde soort aanpak (1624: *6r):

De Hubert schrijft dat hij enerzijds ‘woorde te woorde’ de brontekst gevolgd heeft, maar anderzijds ‘ook in ’t besonder’ gelet heeft op de ‘aard ende eijgenschap’ van die ándere taal: de doeltaal. Zou het feit dat beide heren dit benadrukken, kunnen suggereren dat dat niet geheel vanzelfsprekend was in die tijd?

Dat laatste meen ik ook op te maken uit een – in de andere zestiende- en zeventiende-eeuwse werken over het Nederlands – veelbesproken taalprobleem: de kwestie of de genitivus in woordgroepen als ‘Psalmen Davids’ nu vóór of ná het zelfstandig naamwoord moest komen. Christiaen van Heule besteedt hier in zijn De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst uit 1625 bijvoorbeeld aandacht aan: hij noemt de woordvolgorde ‘Psalmen Davids’ een ‘quade gewoonte’ (1625: 87). Ook Samuel Ampzing, een andere zeventiende-eeuwse spraakkunstenaar, is in 1628 die mening toegedaan en duidt de taalfout zelfs specifiek als een vertaalprobleem:

Dit misbruyk gaet ook noch so verre, dat wy die eyge namen, die wy naer de Duytsche wijse in de gevallen buygen, evenwel op de Latijnsche maniere gebruyken, seggende: Het saed Abrahams, het huys Jakobs, de kinderen Israels, de Psalmen Davids, ende diergelijke, in plaetze van Abrahams saed, Jakobs huys, Israels kinderen, Davids Psalmen, dat onse tale geenzins lijden en kan: Want wy en seggen niet, het saed Jans, het huys Pieters, maer Jans saed, Pieters huys, ofte het saed van Jan, het huys van Pieter. (1628: A2v-A3r)

‘Psalmen Davids’ is ‘de Latijnsche maniere’, die binnen het Nederlands niet past. Ook Vollenhove maakt er in 1686 korte metten mee: ‘Geen Nederlander in de zeventien Lantschappen zou zeggen, dit is het huis Jakobs, of Jans, of Pieters’ (1686: 569). In de brontaal kan ‘Psalmen Davids’ dan een logische volgorde zijn geweest; in de doeltaal van het Standaardnederlands is die volgorde niet (meer) toegestaan (zie voor meer hierover bijvoorbeeld Van der Sijs 2004: 524).

Uiteraard bekijk ik hier slechts een selectie van teksten – geselecteerd met het oog op een ander doel – die niet primair over het onderwerp vertalen gaan, dus ferme conclusies laat ik graag aan historisch vertaalkundigen, maar het is leuk om te zien dat er al in de zeventiende eeuw over onderwerpen werd geschreven die voor hedendaagse vertalers heel herkenbaar zijn. Onderwerpen als: gaat het enkel om de inhoud, of ook om de vorm? Of: hoe strikt volg je de brontaal, en hoe buigzaam is dan de doeltaal? En het lijkt specifiek in deze teksten wel of de opkomst van het Standaardnederlands, die samenhing met een verhoogde aandacht voor, en daarmee status van, het Nederlands, tot gevolg heeft gehad dat men anders naar (Bijbel)vertalingen ging kijken. Waar voorheen de brontaal leidend en – in veel gevallen zelfs vrij letterlijk – heilig was, bekommerde men zich nu ook om het lot van het Nederlands. Die taal mocht niet langer geweld aangedaan worden, want, zoals Samuel Ampzing liefdevol zegt: ‘dat onse tale geenzins lijden en kan’.

 

 

Bronnen

Ampzing, S. 1628. ‘Nederlandsch tael-bericht’, in: idem, Beschrijvinge ende Lof der stad Haerlem. Haarlem: [Adriaen Rooman]. (heruitgeg. in Zwaan 1939: 135-191).

Francius, P. 1699. ‘Voorreden’, in: idem, Gregorius Nazianzenus. Van de mededeelzaamheidt, uit het Grieks in ’t Neêrlands overgebragt.Amsterdam: [Henr. Wetsteen].

Van Heule, Chr. 1625. De Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst. Leiden: [Daniel Roels] (heruitgeg. door W.J.H. Caron. Groningen/Djakarta: J.B. Wolters, 1953, 1971).

De Hubert, A. 1624. ‘Noodige waerschouwinge aan alle liefhebbers der Nederduijtze tale’. In: Idem, De psalmen des Propheeten Davids. Leiden: [Pieter Muller] (heruitgeg. in Zwaan 1939: 123-131).

Van der Sijs, N. 2004. Taal als mensenwerk: het ontstaan van het ABN. Den Haag: Sdu Uitgevers.

Spiegel, H.L. 1584. Twe-spraack vande Nederduitsche letterkonst. Leiden: Christoffel Plantijn. (heruitgeg. door G.R.W. Dibbets. Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1985).

Vollenhove, J. 1686. ‘Aan de Nederduitsche schryvers’, in: idem, Poëzy. Amsterdam: [Henrik Boom en de weduwe van Dirk Boom] (heruitgeg. door G.R.W. Dibbets. Vondels zoon en Vondels taal. Joannes Vollenhove en het Nederlands. Amsterdam: Stichting Neerlandistiek VU, 1991).

Van der Wal, M.J. 1995. De moedertaal centraal. Standaardisatie-aspecten in de Nederlanden omstreeks 1650. Nederlandse cultuur in Europese context, monografieën en studies no. 3. Den Haag: Sdu Uitgevers.

Zwaan, F.L. 1939. Uit de geschiedenis der Nederlandsche spraakkunst. Grammatische stukken van De Hubert, Ampzing, Statenvertalers en reviseurs, en Hooft, uitgegeeven, samengevat en toegelicht. Groningen/Batavia: J.B. Wolters’ Uitgevers-maatschappij N.V.

 

Machteld de Vos promoveert in de historische taalkunde aan de Radboud Universiteit en het Instituut voor de Nederlandse Taal. Ze onderzoekt hoe de normen en regels voor het zich ontwikkelende Standaardnederlands in de zeventiende eeuw verbreid en algemeen aanvaard raakten.

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl