Vertaaldag  Archief

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

De dood komt de dood tegen

Ton Naaijkens

Het haalde de Nederlandse media nauwelijks, voor zover ik kon zien, maar op 81-jarige leeftijd overleed in haar woonplaats Milaan La Rossa de rode zangeres: Milva (1939-2021), die Brecht en Brel vertolkte, en Theodorakis en Piazolla. Hier zie je haar op het songfestival van Sanremo, in 1968:

Ik raak er aangedaan van, een vrouw toen van nog geen dertig, de stem van een persoonlijkheid, een persoonlijkheid van een stem. Ze werd er desalniettemin slechts derde mee. Het bewuste lied werd er ook gezongen door Adriano Celentano (*1938), blijkbaar een festival met een open oog voor versies. In beide gevallen is de lange pauze in het lied – over een liefde die voor de een voorbij is maar voor de ander juist niet – veelbetekenend. Celentano gaat (overeenkomstig de lijzige manier waarop hij zijn ‘Azzuro’ zingt) onverschillig tegen de piano hangen (https://www.youtube.com/watch?v=rK1ULPEgKDw); Milva zuigt het leven volledig in zich op. Temperamenten verschillen, net als interpretaties. Of vertalingen.

Hoeveel woorden zijn nodig om iemand te gedenken? Veel en geen, denk ik. Sommige mensen staan ver van je af.

Milva doe ik geen recht zo. Nochtans kreeg ze hier meer aandacht dan een gerenommeerd vertaler en bezorger van belangrijke vertalingen uit het Frans: Leo van Maris (1934-2021). Sleutelboeken mag je zijn vertalingen noemen. Zijn grootste succes moet het Dagboek van de gebroeders De Goncourt zijn geweest, een fameus, omvangrijk en veelgeprezen Privé-Domeindeel uit 1985. Van Maris maakte een keuze uit hun omvangrijke Journal (‘Het is niet anders, er moest gekozen worden,’ verzuchtte hij) en had een scherp oog voor het literaire geroddel, de talloze soupers met Flaubert, De Maupassant en Toergenjev, de sneren naar vrouwen, die er voor de gebroeders wel bij hoorden, zij het in gepaste, onvriendelijke rollen. Maar hij liet soms ook onbeduidende passages staan, zoals deze: ‘Vannacht boog zich in een droom het hoofd van een vrouw over mij heen met gouden glittertjes rond haar ogen en vergeet-mij-nietjes op de uiteinden van haar wimpers.’ Het is 1896, de foto van Man Ray (‘Larmes de Verre’, 1932) was nog niet gemaakt, Edmond de Goncourt stierf een half jaar na die aantekening, alsof die een heuse aanzegging betrof. Broer Jules was al in 1870 gestorven, Edmond had de dag het stervensverloop van minuut tot minuut bijgehouden. Op maandag 20 juni om 9 uur ’s morgens, veertig minuten voor het intreden van de dood, schreef hij: ‘In zijn omfloerste ogen verschijnt plotseling een vriendelijk licht en geruime tijd richt hij een wazige blik op me, die als het ware in de verte verdwijnt…’.1

Van Maris, een lange statige man, uiterst beminnelijk en schijnbaar verlegen in de paar gesprekken die ik met hem heb gewisseld, schreef een geweldig boek over Félicien Rops, zijn Leidse proefschrift over kunst, melancholie en perversiteit dat in 1982 bij De Arbeiderspers verscheen (ontdek de beroemdheden op de foto’s die Klaas Koppe van de promotie maakte: http://www.klaaskoppe.nl/index.htm?overzichtmaris). Bij leven werkte Van Maris bij de vakgroep Frans in Leiden en was hij onder meer bekend als secretaris van het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde. Van Maris heeft – ik herhaal het – bewonderenswaardige vertalingen op zijn naam staan: met zijn studenten vertaalde hij een boek van Perec, dat ze Wat voor brommertje met verchroomd stuur achter op de binnenplaats? doopten (1992); hij was de vertaler van Rousseau en publiceerde onder meer diens Bekentenissen (1996, een nog omvangrijker Privé-Domeindeel dan het voornoemde Dagboek); Belle van Zuylen vertegenwoordigde hij met haar Brieven uit Neuchâtel (1997). Hij droeg zorg voor de nagedachtenis van Sem Dresden, zijn promotor, maar tot hoogleraar schopte hij het niet. Prijzen voor zijn vertalingen behaalde hij evenmin, zelfs niet toen hij in 2007 tekende voor Lucien Leuwen van Stendhal (verschenen bij Atlas en opgedragen aan zijn ‘leermeester’ Dresden2). Hij kreeg een lintje voor zijn werk voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die stilstond bij zijn dood. Verder schreef niemand over hem – bijna niemand. Ileen Montijn deed dat wel: ‘Beminnelijk, correct, zeer geleerd (vooral in Franse zaken) – en iemand van wie je niet ’t idee had dat je hem kon kennen, althans ik niet,’ schrijft ze op haar ilog.3 Ze weet wel dat hij (ooit?) in een huisje ‘tegen de Pieterskerk aan’ woonde. Een druk en werkzaam leven moet hij gehad hebben dat me toch een leven in stilte lijkt – juist door het vertalen en zorgvuldig bezorgen van omvangrijke boeken, waarvoor hij dunkt me te weinig geprezen is.

Hoeveel woorden zijn nodig om iemand te gedenken? Dat schoot ook door me heen toen onlangs ook Walter van der Star overleed (1954-2021), iemand van wie ik nog minder weet dan van Van Maris, iemand ook die ik nooit ontmoet heb. Toch kende ik zijn naam. Zijn versie van Michel Foucaults Les mot et les choses (De woorden en de dingen, in 2006 verschenen bij Boom) werd bij de allereerste Filter Vertaalprijs in 2007 genoemd als een lovenswaardige prestatie. Walter van der Star vertaalde vooral filosofisch werk, Derrida, Deleuze, De Rancière. Rokus Hofstede kende hem goed en herdacht hem gepast: ‘Van der Star was van vele markten thuis. Hij draaide zijn hand niet om voor hondsmoeilijke filosofische teksten maar evenmin voor essays over film of beeldende kunst, geschiedschrijving of theologie. Ik kende hem als een eenpitter, al vertaalde hij dikwijls samen met anderen; hij zocht geen erkenning, hij kreeg geen werkbeurzen van het Letterenfonds, hij leefde bij de gratie van hemelse dauw en shag van Van Nelle.’4 Kijk je in de KB naar wat hij allemaal gedaan heeft dan duizelt het je. Ter nagedachtenis van hem blader ik door een van zijn vertalingen, zijn Foucault, die eindigt met de verwachting ‘dat de mens zal verdwijnen, als een gezicht in het zand op de vloedlijn van de zee’. Om Walter van der Star recht te doen zijn meer zinnen nodig, meer aandacht, meer lof.

Wie – net als de zangeres Milva – wel gezegend was met eer, lof en prijzen, en dat op jonge leeftijd al, was de schrijver Hafid Bouazza (1970-2021), die zeer onlangs overleed. Hij werd alom herdacht en betreurd en dat hij ook vertaler was werd niet vergeten. In 2012 voltooide hij onder meer een vierdelige poëziereeks in zijn eigen particuliere Arabische Bibliotheek bij Prometheus: Niets dan zonde: liefde, lyriek & liederlijkheid. De jury van de Filter Vertaalprijs 2013 nomineerde hem toen, ik interviewde hem bij de prijsuitreiking en sprak hem voor- en achteraf. Hij was blij met de aandacht en bijzonder in zijn opvattingen. De jury prees hem voor de onorthodoxe manier waarop hij in een omvangrijke bloemlezing poëzie van meer dan duizend jaar geleden uit de Arabische wereld ontsloten had: ‘Door de regels van het Nederlands regelmatig aan zijn laars te lappen rekt hij de grenzen van de taal op. Hij prikkelt de verbeelding en stelt alle vragen aan een vertaling die maar denkbaar zijn,’ luidde het. Een proeve die dat oprekken van het Nederlands door Bouazza toont: ‘Was je in staat te gedaanteverwisselen zodat je / Je lieftallige achterste naar de voorkant bracht / En de voorkant die volvormig is / Ferm en glooiend naar achteren – had je dat betracht / Dan was je zo o ‘Ubaiyda de mooiste / Onder de mensen met het mooiste achterste ooit voortgebracht.’  Er was hier sprake van een waar vertaalfeest, zei men.5 Frank Albers was jaren daarvoor minder onder de indruk geweest van Bouazza’s vertaallef toen hij de gearabiseerde versie van Othello (2004) besprak.6 Je moet maar durven, schreef ik toen ik vier jaar later Bouazza’s vertaling van Shakespeares Venus en Adonis besprak (2017).7 Ik was een fan en ben het nog.

Graag citeer ik Bouazza als hij zijn manier van vertalen verantwoordt, laverend tussen vrij zijn en trouw zijn, op een geheel eigen manier: ‘Dit is niet een letterlijke vertaling [Othello, tn] en hoewel zij misschien vrijer is dan ik wenselijk acht, heb ik afgezien van parafrasen. En geen enkele poging is ondernomen om de jambische pentameter van Shakespeare te imiteren. Uiteindelijk was ik in dienst van de opdrachtgever, Ivo van Hove, en omdat deze regisseur een duidelijk beeld had van het soort vertaling dat hij wilde hebben, moest ik, aangezien ik niet de vrijheid van getrouwheid genoot, mijn vrijheden elders zoeken.’8 Die vrijheden bestonden uit Arabische toevoegingen en bijzondere variaties op de benaming van de Moor als ‘glimmende kachelpijp’, ‘kameel’ en ‘Maghrebijn’. Ik blader de boekuitgave door en sta nog eens verbaasd over de volstrekt eigenzinnige voetnoten die Bouazza aanbrengt. Je ziet de toe-eigeningen, die de vertaler naderbij brengen. Ook staan er vier appendixen in en vooral de laatste is interessant omdat Bouazza daar verwoordt welke flarden Arabische poëzie hij in zijn Othello opgenomen heeft. Dan duiken Soehaym de slaaf van Baoue Hashaas (‘gest. 658’) en Antara Ibn Shaddaad (‘gest. 600’) op, zwarte dichters, zwarte slaven die Shakespeare niet kende. En Guido Gezelle, wiens gedicht ‘De Mandelbeke’ Bouazza gebruikte ter vertaling van het wilgenlied van Desdemona: ‘Waarom, droeve Wilgenboom, / Staat gij op den oeverstroom?’. Het idioom dat Bouazza ter beschikking stond, was even indrukwekkend als enorm.

 

Noten
1 Aan het eind van dat noodlottige jaar (1870) schrijft Edmond de Goncourt: ‘In de straten van Parijs komt de dood de dood tegen, de vrachtwagen van de begrafenisondernemer kruist er de lijkkoets. Bij het hek van de Madeleine zag ik drie doodskisten, waar lange jassen van de mobiele garde overheen lagen met een krans van strobloemen erop.’ De actualiteit van Brazilië of het Italiaanse voorjaar van 1920 komen daar als beelden overheen. ‘Uit nieuwsgierigheid ging ik bij Roos binnen, de Engelse slager van de boulevard Hausmann. Ik zag er allerlei soorten eigenaardige resten,’ vervolgt hij. ‘Aan de muur hing op een ereplaats de gevilde slurf van de jonge Pollux, de olifant uit de dierentuin; en tussen allerlei onbekend vlees en zonderlinge horens, werden er door een jongen kameelnieren aangeboden.’

2 In een woord van dank (p. 607) spreekt hij zijn bewondering en dankbaarheid uit als hij terugdenkt aan Dresden, die blijkbaar in een college Lucien Leuwen een heel modern boek had genoemd, onder meer omdat ‘de held al in de eerste dertig bladzijden van zijn paard viel. Dat was in de Franse letterkunde nog niet eerder vertoond. Het maakte op de aanwezige eerstejaarsstudenten, die net het Chanson de Roland aan het lezen waren, diepe indruk.’ Net als het De Goncourt-dagboek lees ik als hommage aan Van Maris in zijn Leuwen, dat begint met drie sensationele voorwoorden van Stendhal. Pas op p. 41 valt Lucien Leuwen inderdaad van zijn paard, voor de ogen van een vier- of vijfentwintigjarige asblonde schone die zich verschuilt achter een gordijn ‘over alles’ vrolijk lijkt te maken. ‘“Toch is het een flinke vent,” zei een oude wachtmeester met een grijze snor.’

3 https://ileenmontijn.nl/ilog/leo-van-maris/, 23 april 2021.

4 https://www.hofhaan.nl/2021/rokus-hofstede/walter-van-der-star-1954-2021/, 6 april 2021.

5 https://www.tijdschrift-filter.nl/filter-vertaalprijs/2013/nominaties-filter-vertaalprijs-2013/

6 https://www.tijdschrift-filter.nl/jaargangen/2004/111/bedenkingen-bij-bouazzas-othello-38-40/

7 https://www.tijdschrift-filter.nl/jaargangen/2017/241/duivelse-erotiek-59-61/

8 ‘Woord vooraf’, in: William Shakespeare, Othello. Vertaald en van commentaar voorzien door Hafid Bouazza. Amsterdam: Prometheus 2003, p. 8.