Vertaaldag  Archief

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Amandelbloesem boven de wieg

Cees Koster

Onlangs verscheen (van de hand van Hans Luijten, onderzoeker bij het Van Gogh Museum) een kloeke biografie van Jo van Gogh-Bongers (1862–1925), de weduwe van Theo van Gogh, de broer van Vincent die iedereen kent. Haar claim to fame is dat zij er goeddeels in haar eentje voor heeft gezorgd dat Vincent na zijn dood kon uitgroeien tot de wereldberoemde schilder die hij nu is door onvermoeibaar zijn werk te promoten en verspreiden en door de briefwisseling tussen de broers voor een groot publiek te ontsluiten. Aanvankelijk leidde zij het leven van een jonge Amsterdamse vrouw uit de middenklasse, maar door haar huwelijk met Theo van Gogh kwam ze in aanraking met de Parijse kunstwereld. Na zijn dood in 1891 bleef ze op 28-jarige leeftijd min of meer ontredderd achter als alleenstaande moeder en keerde ze samen met haar eenjarige zoon (Vincent Willem genaamd, naar zijn oom) terug naar Nederland in het bezit van een onnoemelijke hoeveelheid kisten en mappen met schilderijen en tekeningen. Alles voor Vincent heet de biografie en die naam verwijst zowel naar de zoon als naar de zwager.

Jo van Gogh-Bongers door Isaac Israëls (1925)

Enerzijds leidde ze een tragisch leven (op 49-jarige leeftijd werd ze voor de tweede keer weduwe na het overlijden van de kunstschilder Johan Cohen Gosschalk met wie ze in 1901 hertrouwd was) anderzijds een rijk leven, dat haar over de hele wereld in contact bracht met schilders, kunstcritici, kunsthandelaren en museumdirecteuren. Vertaling speelde in bepaalde fases in dat leven een belangrijke rol, eigenlijk op een heel vanzelfsprekende manier. 

Je zou kunnen zeggen dat Jo Bongers opgroeide in de hogere regionen van de kleine burgerij, de middenklasse. Haar vader was medevennoot van een assurantiebedrijf waarvan hij later directeur werd. Bij een dergelijk milieu hoorde in de tweede helft van de negentiende eeuw een opvoeding waarin ook voor meisjes een degelijke opleiding niet ongewoon was. Van haar vijftiende tot haar achttiende doorliep ze de driejarige Hogere Burger School voor meisjes, waar bleek dat ze een bijzonder talent had voor talen. De HBS was bij de onderwijsherzieningen van 1863 ingesteld om te voorzien in de behoefte aan praktisch onderwijs ten behoeve van handel en industrie met vakken als boekhouden, handelskennis en ook moderne vreemde talen. Voor een jonge vrouw lag het dan voor de hand dat een HBS-opleiding tot een kantoorbaan opleidde. In het gezin Bongers heerste echter een cultuur waarin ook voor meisjes een vervolgopleiding wenselijk werd geacht. Na het behalen van haar diploma in 1880 kon Jo dan ook verder studeren en in 1883 haalde ze, na haar M.O. A-akte, haar M.O. B-akte Engels. De studie daarvoor was grotendeels een kwestie van zelfwerkzaamheid, met summiere begeleiding van een repetitor. De studie omvatte ook een verblijf van twee maanden in Londen, waar ze in de leeszaal van het British Museum onder meer werk van Shelley bestudeerde. Voor een jonge vrouw met haar achtergrond en opleiding lagen meerdere wegen open. Lesgeven uiteraard, maar ook vertalen, dat als werk- en examenvorm in het M.O.-onderwijs veel voorkwam. Onder de literair vertalers in die tijd kon men dan ook veel M.O.-afgestudeerden vinden. Kantoorwerk behoorde ook nog steeds tot de mogelijkheden, wat uiteraard ook gold voor een huwelijk, dat dan meestal het einde van elke professionele werkzaamheid betekende.

Haar gevoeligheid en onzekerheid maakten dat geen van deze mogelijkheden een vanzelfsprekende keuze was en de jaren na haar studie tonen een beeld van een onzekere, zoekende jonge vrouw, thuiswonend, die van alles probeerde zonder dat het uiteindelijk volledig bevredigde. Ze gaf een aantal jaren les aan diverse meisjesscholen, maar voelde zich buitenshuis slecht op haar gemak en kreeg gezondheidsproblemen. Daarnaast vertaalde ze geregeld literaire teksten voor het dagblad De Amsterdammer. Opdrachten kreeg ze van redacteur Justus van Maurik, die ze vermoedelijk via een van haar repetitoren had leren kennen. Ze vertaalde onder meer werk van Wilkie Collins en de Duitse schrijver Ossip Schubin. Die werken werden aanvankelijk als feuilleton in De Amsterdammer gepubliceerd. Haar vertaling van Collins’ roman ‘Neen’. Antwoord op eene liefdesverklaring werd later ook in boekvorm uitgegeven. Voor de klus ontving ze 150 gulden honorarium. Ook deze onderneming liep om onduidelijke redenen spaak, hoewel ze vaak complimenten kreeg voor haar vertalingen.

Uiteindelijk koos ze toch bewust voor een huwelijk; bewust, want na afwijzing van een eerder aanzoek van Theo van Gogh, dat kwam nadat ze in totaal ongeveer drie dagen in elkaars nabijheid hadden verkeerd, nam ze zelf het initiatief om de banden weer aan te halen.

Het was allemaal in een zucht voorbij. Op 9 februari 1889 verloofde het stel zich, op 4 april traden zij in het huwelijk, op 31 januari 1890 werd zoon Vincent Willem geboren, op 29 juli stierf Vincent, al dan niet door eigen hand, op 25 januari 1891 gevolgd door Theo, die na de dood van Vincent eigenlijk niet meer echt aanspreekbaar was geweest. Later zou zij dit huwelijk en de korte aanloop ertoe de gelukkigste tijd van haar leven noemen, maar het waren twee jaren van voornamelijk ellende en ziekte geweest – de ellende van Vincents situatie, die vlak na de verloving in St. Remy in een inrichting was opgenomen, en de ziekte van Theo (waarschijnlijk het gevolg van een verwaarloosde syfilisbesmetting) die mettertijd ernstiger werd en uitmondde in een ‘acute maniakale opwindingstoestand’ waarna ook hij in een inrichting moest worden opgenomen. Het geluk zal tussendoor in het Parijse leven beleefd zijn, in het vooruitzicht op een nieuw, zelfstandig leven, de intimiteit van het contact met elkaar, de omgang met de kunstenaars die Theo vertegenwoordigde en het contact met Vincent nadat die min of meer hersteld dicht bij Parijs in Auvers-sur-Oise was komen wonen. En natuurlijk de blijdschap om de geboorte van hun zoon, die de rest van haar leven haar anker zou zijn, zoals zij het zelf noemde. Ter ere van zijn geboorte had zijn naamgenoot Amandelbloesem geschilderd, dat in de slaapkamer boven de wieg kwam te hangen. 

Amandelbloesem (1890)

In mei 1891 verhuisde Jo, 28 jaar op dat moment, van Parijs naar Bussum, waar zij een pension begon. Het was niet ongebruikelijk voor weduwes om op die manier in hun inkomen te voorzien. Om het wat ruimer te krijgen, begon ze na enige tijd ook weer met het vertalen van romans in feuilletonvorm, ditmaal voor het tijdschrift De kroniek van P.L. Tak, die eerder al bij De Amsterdammer had gewerkt. Ze zal daar binnengekomen zijn via redacteur Jan Veth, schilder en kunstcriticus, die getrouwd was met haar jeugdvriendin Anna Dirks. Via hen kwam ze ook in contact met de kringen rond De Tachtigers, waarin meestal waarderend werd gesproken over het werk van Vincent.

Nadere gegevens over de vertalingen zelf ontbreken goeddeels, omdat vertalers in het tijdschrift niet werden vermeld. Wel is bekend dat ze uit het Frans, Duits en Engels vertaalde. Het Engels beheerste ze natuurlijk uitstekend door haar opleiding. Frans had ze op de middelbare school geleerd en die taal was als cultuurtaal nog steeds erg in zwang, ze las veel eigentijdse literatuur in het Frans, en had het veel gesproken in de Parijse tijd, zelfs in gesprekken met Vincent en Theo. Dat vond ze zelf nogal eigenaardig, maar de broers correspondeerden sinds Vincent naar Arles was vertrokken met elkaar in het Frans, hoewel Vincent de taal verre van goed beheerste. Hoe ze zich het Duits eigen had gemaakt is niet duidelijk.

Uit de briefwisseling met Tak blijkt wel dat ze op een goed moment het verhaal ‘Chômage’ van Zola heeft vertaald; een week na de opdracht, daar draaide ze haar hand dus niet voor om, verscheen het onder de titel ‘Werkloozen’ in De kroniek. Andermaal was een redacteur buitengewoon complimenteus: Tak vond dat ze ‘zoveel beter vertaal[de] dan die andere dames’. Dat vertalen iets voor erbij was, mag ook blijken uit de inkomsten die ze eraan overhield, 750 gulden in vijf jaar tijd. Vooralsnog nam het vertalen dan ook geen hoge vlucht in haar leven. Ze begon daarnaast zelf te schrijven, over maatschappelijke, feministische thema’s in het blad Belang en Recht: Orgaan van de Vereeniging tot Verbetering van den Maatschappelijken en den Rechtstoestand der Vrouw in Nederland. Zo nu en dan publiceerde ze ook vertalingen in het blad. In de loop van de tijd zou ze zich ontwikkelen tot een actief voorvechtster van vrouwenrechten, vooral binnen de toen net opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.

Ondertussen was ze toen al het grootste deel van haar tijd kwijt met de promotie en de verspreiding van het werk van Vincent, waardoor zij in kunstkringen steeds grotere bekendheid verwierf. Zij zag daarin een manier om de nalatenschap van haar man en diens broer te eren en gaf zich er zeer betrokken aan over. Vanaf de eerste weken van haar weduwschap werd ze gevraagd om werken uit te lenen voor tentoonstellingen, waar ze altijd graag op inging; dat zou tot haar dood blijven doorgaan. Samen met de aanvragers koos ze de uitleningen, zelf bepaalde ze de prijs van wat er te koop was; de beste stukken waren nooit te koop. Aanvankelijk kwamen de verzoeken vooral uit Frankrijk en Nederland, later ook Duitsland en uiteindelijk Engeland en Amerika. In Nederland had ze zelf in 1905 een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam georganiseerd, meer dan 480 werken hingen er, een grotere tentoonstelling is er nooit meer geweest.

Theo van Gogh (1888)

Voor de catalogi bij al die tentoonstellingen was documentatie nodig. Tijdgenoten die nog persoonlijk met Vincent te maken hadden gehad, Franse avant-garde schilders vooral, konden die wel verschaffen, maar de belangrijkste bron daarvoor waren toch de brieven die tot Theo’s nalatenschap behoorden. Het ging vooral om brieven van Vincent aan Theo, honderden waren dat er. Vincent zelf had niet het soort leven geleid waarin hij brieven van Theo netjes bewaarde – 41 zijn er overgebleven. Al die brieven waren nu in het bezit van Jo, die grote moeite had om orde te scheppen in de chaos van de honderden ongenummerde en ongedateerde velletjes met daarop het nogal slordige handschrift van haar overleden zwager. Niettemin ging ze dat monnikenwerk van chronologiseren en transcriberen aan, in de volle overtuiging dat de brieven grote documentaire waarde hadden. Het hielp haar tijdens die eerste jaren ook door de vele episodes van rouw en depressie heen.

Delen van de briefwisseling vonden al gauw hun weg naar toonaangevende avant-gardistische tijdschriften. Vanaf eind 1892 werd een aantal Franse brieven aan Theo, samen met de briefwisseling tussen Vincent en de Franse post-impressionistische schilder Emile Bernard, in vijf afleveringen in Mercure de France gepubliceerd. Bernard had familiekwesties en trivia weggeredigeerd, zodat alleen fragmenten met de kunstopvattingen overbleven. Bernard positioneerde Vincent als een van de wegbereiders van de moderne kunst, naast Paul Cézanne en Paul Gaugain – een visie die breed ingang vond en inmiddels onomstreden is. In Nederland hadden de bijdragen een grote resonantie; er werd uitgebreid over geschreven, bijvoorbeeld door Jan Veth begin 1893 in De Amsterdammer. In augustus 1893 wijdde het net opgerichte Vlaamse tijdschrift voor literatuur en kunst Van Nu en Straks het hele derde nummer aan ‘Brieven en platen van Vincent van Gogh’. Er werden zowel Nederlandstalige als Franstalige brieven in het nummer opgenomen.

Met de almaar groeiende belangstelling voor Vincent buiten Nederland en Frankrijk was het onvermijdelijk dat vertaling van de brieven in beeld zou komen. In Duitsland had Jo veel contact met de neven Paul en Bruno Cassirer, respectievelijk kunsthandelaar en uitgever. Paul beijverde zich zeer om het werk van Vincent in Duitsland verkocht te krijgen en Bruno wilde graag de brieven in vertaling uitgeven. Hij had ze gelezen in Mercure de France en zag de mogelijkheid om ze in zijn eigen tijdschrift Kunst und Künstler op te nemen. Jo stelde meer brieven beschikbaar, al ging het vooral om late, Franstalige brieven. In 1904 en 1905 verschenen vijftien afleveringen ‘Aus der Korrespondenz Vincent van Goghs’ in het tijdschrift en aansluitend werden ze in boekvorm uitgegeven. De vertaling was van de hand van Margarete Mauthner (geboren Alexander), die wel vaker voor Bruno Cassirer vertaalde. Zij hield zich ook bezig met kunstmecenaat en was verzamelaar; ze had een aantal Van Goghs in haar bezit. Deze uitgave heeft grote invloed gehad. Ze werd een aantal keer herdrukt, maar vormde ook de basis voor een Engelse uitgave in 1912 getiteld The Letters of a Post-impressionist; being the Familiar Correspondence of Vincent van Gogh door vertaler Anthony M. Ludovici, schrijver en vertaler uit het Duits, met name van het werk van Nietzsche. Jo was niet gelukkig met deze uitgave, omdat ze buiten haar om tot stand was gekomen. Voor haar was dat aanleiding om het plan op te vatten in de toekomst de brieven zelf maar te vertalen. De Engelse brievenbloemlezing was zelf overigens weer de basis voor twee vertalingen in het Japans, waaronder een in boekvorm door de schilder Shōhachi Kimura.

Vincent van Gogh, Zelfportret als schilder (1888)

In 1914 kwam het resultaat van jaren hard werk aan de ontsluiting van de brieven: de door Jo samengestelde en ingeleide (met een biografisch essay) driedelige Brieven aan zijn broeder. Uitgever was De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, die Jo als socialist een warm hart toedroeg. Min of meer tegelijkertijd, net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, kwam ook een nieuwe, uitgebreide editie van de Duitse vertaling uit, weer bij Bruno Cassirer, nu onder de titel Briefe an seinen Bruder. Twee vertalers hadden eraan gewerkt: voor de Nederlandse brieven Leo Klein-Diepold, een Duitse schilder die in Antwerpen had gestudeerd en lange tijd in Noordwijk had verbleven, en voor de Franse de kunsthistoricus en -criticus Carl Einstein, kennelijk voldeed de vertaling van Mauthner niet meer.

Het werk aan de uitgave had een goed deel van haar leven in beslag genomen, naast de verspreiding van de nalatenschap van Theo en Vincent. Het was allemaal niet voor niets geweest, Vincents werk was alom bekend en werd door progressieve kunstkenners als zeer waardevol beschouwd. De financiële waarde van de schilderijen en tekeningen was navenant gestegen, met een uitgekiend verkoopbeleid had ze een aardig vermogen opgebouwd en niettemin een groot deel van de collectie (die voor de helft aan haar zoon toebehoorde) in eigen bezit weten te houden. Ze had gedacht er een paar jaar over te doen om de hele correspondentie persklaar te krijgen, maar daar had ze zich dus lelijk op verkeken. Het gaf haar nu de gelegenheid om met het argument op de proppen te komen dat ze eerst de kunstwerken bekendheid had willen geven voordat de brieven uitgebracht werden, omdat de kunst toch het beeld van de schilder moest bepalen. De inleidende biografie wees overigens uit dat het haar vooral om de mensch Vincent van Gogh ging, dat voor haar toch de kennis over het leven, de kennis over de strijd die Vincent met de wereld en zichzelf had uitgevochten een rol kon spelen bij de waardering van het werk. Een visie die net als die van Emile Bernard nog steeds voortleeft, vooral bij het grote publiek.

Toch was ze er nog niet klaar mee, want ze nam nu inderdaad zelf de taak op zich om de brieven in het Engels te vertalen. Ze heeft daar nog elf jaar aan gewerkt, voor een deel in Amerika, waar ze tweeënhalf jaar heeft gewoond, tot haar overlijden op 2 september 1925. Ze heeft dus niet meer meegemaakt dat de brieven ook daadwerkelijk in het Engels verschenen, in 1927, bij uitgeverijen Constable & Co en Houghton Mifflin, in afzonderlijke Engelse en Amerikaanse edities dus.

In het kunsttijdschrift The Burlington Magazine for Connoisseurs verscheen een bespreking, met daarin de opmerking: ‘Apart from an occasional slip, the translation is extremely well done.’

In 1929 verscheen nog een derde deel met een vertaling van de Franse brieven door Cornelis de Dood, journalist en vertaler, die zij waarschijnlijk uit haar SDAP-netwerk kende. De vertaling is nog een aantal keren herdrukt, totdat deze in 1997 werd vervangen door de grote Penguin-bloemlezing in de vertaling van beroepsvertaler Arnold Pomerans, die nu overigens weer is geëclipseerd door de wetenschappelijke editie van alle brieven door en aan Vincent van Gogh, in het Nederlands, het Frans, het Duits, het Engels en zelfs het Chinees. De originele en Engelse versies zijn ook op internet gepubliceerd op http://vangoghletters.org/vg/letters.html.

Het geeft aan hoeveel belang altijd werd en nog steeds wordt gehecht aan de verspreiding van de brieven. Aan de basis daarvan stond al het werk dat Jo van Gogh-Bongers, kennelijk een geboren vertaalster, goeddeels in haar eentje heeft verricht.

 

Bibliografie

Luijten, Hans. 2019. Alles voor Vincent. Amsterdam: Prometheus.