Vertaaldag  Archief

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

De vertalers Jan en Annie Romein

Hanneke Roodbeen

Een jaar geleden struikelde ik op het Waterlooplein over de memoires van Annie Romein die door een verkoper op de grond waren uitgestald. De twee banden van Omzien in verwondering waren in 1970 verschenen als prille nummer 17 in de serie Privédomein van de Arbeiderspers. De boeken gingen mee naar huis en toen ik een paar maanden geleden aan het eerste deel begon, bleek vertalen tot mijn verrassing ook een thema in de memoires. Annie Romein vertelt in het boek over een aantal bijzondere vertaalklussen die zij en haar man hebben gedaan in de tijd voordat Jan Romein hoogleraar geschiedenis werd aan de Universiteit van Amsterdam. Na het lezen van de anekdotes over hun vertaalwerk in de memoires leek het mij de moeite waard om hun vertaaloeuvre verder te verkennen. Ik ging op zoek in de literatuur over het echtpaar, speurde in hun bibliografieën en bezocht het archief van Jan Romein in Amsterdam.

Twee delen Omzien in verwondering

Jan en Annie Romein waren dus niet alleen historici en schrijvers, maar ook vertalers. Bij het verzamelen van hun vertaaltitels vond ik er vier op naam van Jan Romein, zes op naam van Annie Romein en één waaraan ze samen hebben gewerkt. Daarnaast heeft Annie Romein nog een aantal korte vertalingen in tijdschriften op haar naam staan. Het opvallendste is de veelzijdigheid van het bescheiden vertalersoeuvre. Om een beeld te krijgen van die veelzijdigheid is het de moeite waard om hun vertalingen hier op een rij te zetten.  Annie Romein vertaalde Het laatste hoofdstuk (1924) en Kinderen van hun tijd (1923) van Knut Hamsun. Curieus genoeg is de laatste titel onder de naam van Jan Romein uitgegeven. De aantekeningen van Jan Romein in zijn eigen exemplaar bewijzen echter dat Annie Romein de vertaler was.1 Uit het Noors vertaalde ze eveneens Maar het schip gaat verder van Nordahl Grieg (1927). Verder vertaalde ze Marie Grubbe van Jens Peter Jacobsen (1931) en een selectie Andersensprookjes voor een grotere uitgave (1941) uit het Deens en de novelle De zwarte monnik van Tsjechov (1927) uit het Russisch. Jan Romein vertaalde in zijn studententijd de tiendelige Jean Christophe van Romain Roland (1916–1917) uit het Frans. Later vertaalde hij uit dezelfde taal Crainquebille van Anatole France (1927). Daarnaast vertaalde hij historisch werk zoals de Marx-biografie van Franz Mehring (1921) uit het Duits, De Middeleeuwen naar Charles Seignobos (1925) uit het Frans, en samen met Annie Romein en een aantal anderen transformeerde hij de Harmsworth's universal history of the world in de Nieuwe geïllustreerde wereldgeschiedenis (1929–1932).2

Het laatste hoofdstuk in de vertaling van Annie Romein-Verschoor

Of Annie Romein al vertaalde voor de eerste korte publicaties in haar studententijd heb ik niet kunnen ontdekken. Achter de eerste grote vertaling van Jan Romein zit een bijzonder verhaal. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam bewaart zijn archief en daarin vond ik een notitieboekje met een complete vertaling van de Don Carlos van Schiller uit 1911. Romein was toen zeventien of achttien. Een essay over zijn jeugd heldert op hoe dit jeugdwerk tot stand kwam: ‘[uit die tijd herinnerde Romein zich] Jonker die Duits gaf en geen les kon geven. Romein, die het vertikt voor hem naamvallen te leren, belooft zijn leraar een vertaling van Don Carlos. Het bezorgt de man zowat een attaque en wanneer hij een week later de vertaling aanbiedt, is het enige wat hij zegt: “Sie sind doch ein ganz wunderlichen [sic] Mensch”.’3

Een minstens net zo sterk staaltje van deze ‘wunderlicher Mensch’ is de vertaling van Jean Christophe van Romain Rolland die Jan Romein in zijn studententijd maakte. Annie Romein schrijft in haar memoires dat hij dit ‘in de lange zomervakantie met Hans Kramers op Texel in ’15 had gedaan (128). Lange zomervakantie of niet, Jan Romein moet heel snel gewerkt hebben. In het Frans beslaat het werk, afhankelijk van de uitgave, ongeveer 1500 pagina’s en in het Nederlands verscheen het werk in tien banden. Frappant is dat Romein deze mammoetklus klaarde zonder er een honorarium voor te ontvangen. Zoals vandaag de dag (literair) vertalers erop aangekeken worden wanneer ze onder het vastgestelde tarief werken, was dat in die tijd niet anders. Annie Romein herinnert zich:

Later heeft een slecht betaalde vertaler om den brode hem eens terecht en bitter verweten, dat hij met zijn royaliteit tegenover de Brusse’s de markt had bedorven, nadat Em. Querido de man had voorgeworpen: ‘Romein, dat is nog eens een idealist, die heeft de hele Jean Christophe voor niets vertaald!’ (138–139)

Het echtpaar Romein in 1938

Wellicht nog kwalijker was dat de uitgever later probeerde Romein zijn (schamele) herdruk-honorarium te onthouden. Uiteindelijk werd het geld toch gestuurd, maar dat ging niet van harte. De uitkering kwam ‘[...] met een ingesloten kwitantie waarop van de gedrukte tekst: “het u toekomende honorarium” de eerste drie woorden waren weggeschrapt.’ (139)

Op de lange termijn kon het geld geen bijzaak blijven zoals bij de vertaling van Romain Rolland. Nadat ze hun studie hadden afgerond en een gezin hadden gesticht, moest er brood op de plank komen. Annie Romein herinnert zich dat ze vanaf 1925 vertaalwerk aannam dat weliswaar slecht betaalde, maar waarvan het voordeel was dat je het thuis kon doen (228). Qua datering komt dat niet helemaal overeen met de literaire vertalingen die van haar hand verschenen. Het is mogelijk dat de data hier door elkaar zijn geraakt of dat het ander werk betreft.

Annie Romein-Verschoor

Het vertalen bleef wel altijd verbonden met een inhoudelijke interesse. Dat is bijzonder zichtbaar in de manier waarop Jan Romein probeerde zijn vertalingen zo dicht mogelijk bij de lezer te brengen. Zo voorzag hij de vertaling van Jean Christophe van een uitgebreide inleiding en in de non-fictievertalingen die hij alleen of samen met Annie Romein maakte, is er altijd sprake van een toelichting of een ingrijpende bewerking. De Marxbiografie van Mehring voorzag Romein van een lange (en toegegeven, ietwat taaie) inleiding en het boek van Seignobos bewerkte hij uitvoerig om het een goede introductie tot de middeleeuwen te maken voor de Nederlandse lezer. Geïnteresseerden vinden een pdf van het laatste boek met de inleiding van ‘de bewerker’ op DBNL en ook de Jean Christophe-vertaling is daar te lezen.

Het sterkste staaltje vertalen en bewerken is de transformatie van de Harmsworth's universal history of the world in de Nieuwe geïllustreerde wereldgeschiedenis. Annie Romein herinnert zich hoe Jan Romein werd gevraagd het Engelse origineel te vertalen en ‘natuurlijk werd de vertaling slecht betaald, maar Jan hield van vertalen, had plezier in het boek [...]. Maar omdat de uitgave niet te lang mocht traineren, nam ik ook een paar hoofdstukken voor mijn rekening en werden er nog een paar vertalers bij betrokken.’ (223) Toen ze aan de slag gingen, bleek dat vertalen niet genoeg was om het boek van de Engelse naar de Nederlandse markt te verplanten. Uiteindelijk werkte het echtpaar Romein samen met een team collega’s aan de negendelige Nederlandse editie. Ze vertaalden, schreven nieuwe hoofdstukken die betrekking hadden op Nederland en Indië en zelfs de bijgeleverde literatuurlijsten werden uitgebreid.

Jan Romein, 1947

Het werk van Jan en Annie Romein is wellicht typisch voor het (literair) vertalen voordat het een specialisme werd. Vertalen was voor hen onderdeel van een breed spectrum van intellectuele taken waarmee zij als zelfstandige academici hun levensonderhoud verdienden totdat Jan Romein in 1939 hoogleraar werd in Amsterdam. Vanaf ongeveer diezelfde tijd kwamen ze aan de andere kant van het werk te staan toen hun eigen teksten vertaald werden. In het archief van Jan Romein liggen de manuscripten van een groot aantal vertalingen en ik kreeg de indruk dat Romein in ieder geval bij een deel van deze vertalingen betrokken was en ze zelf van opmerkingen voorzag. Eerst vertalen, dan vertaald worden: twee aparte en toch nauw verwante hoofdstukken in het leven van Jan en Annie Romein.

 

Noten
1 Posthumus 1990: 23.

2 Tijhuis e.a. 1963, Posthumus e.a. 1990.

3 Wiezer 1995: 199. 

 

Bibliografie
Posthumus, Claire, e.a. 1990. Annie Romein-Verschoor: Bibliografie 1910-1985. Amsterdam: Stichting Beheer IISG.

Romein-Verschoor, Annie. 1971. Omzien in verwondering I. Amsterdam: Arbeiderspers.

Tijhuis, A., e.a. 1963. Prof. Dr. Jan Romein. Bibliografie. Groningen: Wolters.

Wiezer, Jan. 1995. ‘Jan Romein over zijn jeugd’, in: Bart Hageraats (red.), Geloof niet wat geschiedschrijvers zeggen. Honderd jaar Jan Romein 1893-1993. Amsterdam: Stichting Beheer IISG, p. 183-211.

 

Hanneke Roodbeen (1996) studeerde Duits en Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en de Ludwig Maximilians-Universität München. Nu volgt ze de master Vertalen (literair) en de onderzoeksmaster Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en is ze student-assistent bij de vakgroep Duits en bij Prof. Frits van Oostrom.

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.