Vertaaldag  Archief

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Contrast

Hedda Martens

Wie buitenlandse literatuur het liefst in een goede vertaling leest, zal niet zelden te horen krijgen dat hij of zij heel wat mist. Je kunt zelfs verdacht worden van gemakzucht want ja, het kost wel wat extra moeite om al die verfijningen en nuances van het origineel te doorgronden; en toch zou dat de enige manier zijn om echt te begrijpen wat een auteur al schrijvend heeft bezield. – Een belangrijke vraag is dan wel hoe diep dat kan gaan; want je beleeft natuurlijk van alles aan een vreemde taal, maar is dat dan ook wat de schrijver bedoelde?

In de eerste plaats moet je grondig in zo’n taal thuis zijn, wil je er al lezend meer vat op krijgen dan een doorgewinterde vertaler. En dan nog: hoe goed je ook bent, toch zal altijd een andere, subtielere reden meespelen om zo’n vereenzelviging in twijfel te trekken. Die reden is niet in die vreemde of in de eigen taal te vinden maar in het contrast tussenbeide; tussen de wal en het schip, als het ware. Het begint er al mee dat  iedereen aan zijn moedertaal een ordening van begrippen en associaties ontleent die in andere talen telkens anders zal uitpakken: de klank, de structuur, de woordgrenzen… neem het bekende voorbeeld van de Inuit, die hun sneeuw benoemen met een diversiteit waar wij amper uit wijs worden. Maar naast naamwoorden zijn er vooral talloze variaties in tijdswaarneming, vormverwantschap, nadruk of gevoelswaarde die, associaties en al, in de ene taal  veel te zeggen hebben terwijl ze in de andere niet eens voorkomen. Met als gevolg dat iemand die vanuit zijn moedertaal zo’n andere taal leert kennen, niet zelden betekenissen zal ervaren die uitsluitend functie zijn van dat verschil; neem alleen al de klank en vorm waardoor bijvoorbeeld een woord als ‘dreckig’ voor ons een stuk onaangenamer klinkt dan ‘vies’: een geboren Duitser zal dat niet zo voelen. En als wij over  ‘l’ amour’ horen praten, zit daar toch al gauw wat extra romantiek in, we zeggen het om die reden soms expres op z’n Frans.

Of neem de Griek die op een bankje in de zon zit: “De zon ziet mij”, zegt hij tevreden; een uitspraak die in het Nederlands heel poëtisch aandoet, terwijl hijzelf  simpelweg bedoelt dat hij lekker in de zon zit. Zo zeg je dat nu eenmaal, in het Grieks. Al helemaal onnavolgbaar wordt het wanneer, in datzelfde Grieks, een gebeurtenis uit het verleden als toekomstig wordt aangeduid, ‘ik heb je binnenkort nog gezien’, terwijl dat bijvoorbeeld eergisteren was; een tijdsgevoel waar je vanuit onze en de meeste andere talen toch vreemd van ophoort (1)  – Overigens zal de Griek misschien weer verbaasd staan van onze mededeling dat wij in de zon zeggen te zitten; een beetje zoals het mannetje in de maan.

Ook het lezen-in-het-origineel krijgt hier uiteraard mee te maken, al zal iemand die gewoon de krant wil doornemen of een praatje maken er niet veel van merken, omdat informatie dan de hoofdzaak is. Maar de precieze manier waarop iets gezegd wordt, de toon, stijl, gevoelswaarde: als het daar juist om draait, zoals bij literatuur en poëzie, dan is het maar de vraag of lezing van het origineel je echt dichterbij de bedoelingen van de schrijver brengt. Want juist dan zal dat contrast zijn speciale rol gaan spelen, net als bij de Griek en zijn zon – niet omdat ‘de zon ziet mij’ niet prachtig is, maar juist omdat de vertaling heel gewoon zou kunnen zijn: ‘Ik zit in de zon’. Want zo is het, voor de Griek, en hij zal onze ontroering over wat hij daar zegt flink overdreven vinden.

Zo zal de taal waarin je de wereld leert begrijpen niet alleen je waarneming kleuren, je idee van de sneeuw, van de tijd, maar ook je ontmoeting met alle andere talen daarna: eigenlijk een soort extra zintuig, met zijn eigen grenzen en mogelijkheden. Wanneer iemand bijvoorbeeld Proust in het origineel leest, dan kan hij zich heerlijk  mee laten deinen op de stroom van diens taal, maar tegelijk zal hij heel wat begrippen en nuances flink anders waarnemen; en als zijn moedertaal Engels is, laat staan Chinees, dan zal zo’n effect opnieuw heel verschillend uitpakken. Ook kun je vanwege datzelfde contrast andermans taal als nogal weerbarstig of juist smeuiig, pittig of licht beleven, en misschien lees je bepaalde poëzie juist daarom zo graag in het origineel; iets waar de dichter zelf onmogelijk op uit kan zijn geweest. Pas als hij op zijn beurt een vreemde taal gaat gebruiken kan dat contrast hem een speciaal plezier geven, nog los van alle verspringende klanken en betekenissen; zoals ook voor ons in het dagelijks leven ‘all right’ of ‘merci’ meteen iets joviaals krijgen waar een geboren Engels- of Fransman geen notie van heeft. – In een werkelijk goede vertaling zal het aandeel van het contrast trouwens spoorloos verdwijnen, wat soms, zoals bij de Griek in de zon, ook wel weer jammer is; maar wordt het al te zichtbaar, dan voelt dat al gauw als een matige vertaling, en een middenweg is er bijna niet.

Toch zal de behoudende literatuurliefhebber vaak moeilijk afscheid kunnen nemen van zijn overtuiging dat je echt het origineel moet lezen: alleen zo immers zou je de schrijver werkelijk recht doen, samen ondergedompeld in dezelfde taal. Een heerlijk gevoel, als een vis in het water van een gekoesterde wereld... net als die van de Griek hierboven, op zijn bankje in de zon. Een illusie dus. Maar wel een fijne.

Niettemin bestaan talen natuurlijk ook volmaakt op zichzelf; ze kunnen aangeleerd worden door wie dat maar wil, en het contrast zal heus niet verhinderen dat een vreemde taal je heel dierbaar wordt. Een nabijheid die je al helemaal niet wilt missen bij het lezen van gedichten, omdat de taal daar des te meer bijdraagt aan de melodie van het gevoel; juist dan, illusie of niet, wil je het origineel er toch echt bij hebben. Nog altijd zal een geboren Engelsman ‘Shall I compare thee to a Summer’s day’ alleen al vanwege het taalcontrast niet op dezelfde manier mooi vinden als wij, maar vaak levert dat ook wel weer winst op – niet voor niets voel je je vaak zeldzaam goed begrepen door manieren van zeggen waar je met je verstand net niet helemaal bij kan.


Ook bijvoorbeeld het nonsensgedicht Jabberwocky van Lewis Carroll zal, naast een doolhof van losgezongen betekenissen, een speciaal Engelse, ‘peculiar’ geestigheid hebben die een Engelsman minder opvalt dan zijn vertaler. En toch, wat geeft het; deels omdat je diverse aspecten van het contrast toch al voor lief moet nemen, maar ook omdat het gedicht inmiddels tot meer dan vijftig vertalingen heeft geleid met minstens zo fascinerende verschillen. De ene versie is nog  wonderlijker en knapper dan de andere, met bij vlagen misschien zelfs mooiere vondsten dan in het origineel… je zou je bijna gaan afvragen waar je zo’n origineel dan eigenlijk nog voor nodig hebt.

 

 (1) Met dank aan: Frans van Hasselt, Griekse Tijd, Querido 1985

 

  Reageren? info@tijdschrift-filter.nl