Vertaaldag  Archief

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Dialogisme, stijl en vertalen

Hoe klinkt de stem van de beroemde Mrs. Dalloway?

Lenore Lampens

Ik open met een misschien niet zomaar aanvaardbare stelling, één die wat meer uitleg nodig heeft: een vertaling is geen volledig neutrale herhaling van een boodschap of, zo men wil, van een taaluiting, maar biedt in plaats daarvan een antwoord op die boodschap. Ik laat de stem van de vertaler dus niet samenvallen met die van de auteur, zoals wel vaak gebeurt in het traditionele denken over vertalen en wat mij onmogelijk lijkt. Het lijkt me correcter, en vruchtbaarder voor de vertaalwetenschap, om de twee stemmen in een dialogische relatie te plaatsen. Ik heb me hiervoor geïnspireerd op Bakhtin. Toen ik begon na te denken over de vraag of vertalers een eigen stem hebben, moest ik meteen aan deze Russische filosoof, literatuurcriticus en semioloog denken. Volgens Bakhtin immers is elke taaluiting (ook de literaire tekst) gericht op een antwoord, een reactie van de ontvanger. Deze gerichtheid van het woord is een vorm van wat Bakhtin het dialogisme noemde, het begrip waarmee hij wees op de fundamenteel interactieve – ofwel ‘dialogische’ – manier waarop taal functioneert in literaire teksten en de sociale werkelijkheid (Bakhtin: 2004). Taal is volgens Bakhtin niet transparant: woorden houden geen betekenissen gevangen. Hij stelt in plaats daarvan dat de conceptuele horizon van de ontvanger de taaluiting binnendringt en zo, eigenlijk al bij voorbaat, de boodschap van een taaluiting beïnvloedt. En juist daarom, zo stelt Bakhtin, is elke taaluiting afgestemd op en gevormd rond een respons.

Bakthins theorie over het dialogisme is volgens mij heel vruchtbaar voor de vertaalwetenschap, en omschrijft precies wat de taak van de vertaler inhoudt. Dat is bijzonder want Bakhtin heeft zelf niet over vertalen geschreven. Ik leg even uit waarom zijn theorieën dan wel zoveel over het vertalen lijken te vertellen. Een belangrijk aspect van het dialogisme, de interactieve dimensie van taal, is volgens Bakthin zijn ethische lading: dialogisme signaleert een openheid naar de ander. Het open perspectief, dat nodig is wil men dialogisch denken en spreken, is een manier van denken die afziet van de hegemonie van de eigen ervaring en context, en poogt de ervaring van de ander niet te subordineren maar die mee te laten klinken. Alleen zo kan het eigen begrip van de wereld groter worden. Geen ‘monologische’ zelfbetrokkenheid, maar het vreemde perspectief van het ‘buitenstaanderschap’ (‘outsidedness’ in de Engelse vertaling) is nodig voor een vertaler om de tekst en de ander te begrijpen (Bakhtin: 1986). Ook de vertaler moet die openheid naar de ander behouden wil hij ethisch vertalen, wil hij de betekenissen die in de brontekst zitten geen ‘geweld’ aandoen. Het vreemde perspectief van het buitenstaanderschap houdt eigenlijk twee zaken in. Enerzijds komt het erop aan een morele houding in te nemen ten opzichte van de ander. Anderzijds beklemtoont het begrip dat de ontvanger van een taaluiting een buitenstaander is, en dat zijn stem niet kan samenvallen met de stem van de zender. Met andere woorden: de ontvanger biedt altijd een antwoord op de taaluiting, en die is op haar beurt afgestemd op een respons. De ene kan niet in de huid van de ander kruipen, maar ze kunnen wel hun best doen om met elkaar een dialoog aan te gaan, en begrip op te brengen voor het andere.

Mijn stelling over het vertalerschap is dus dat vertalingen een antwoord vormen op de literaire tekst die als taaluiting geldt. Een vertaler raakt tijdens het lees- en vertaalproces verwikkeld in een aantal dialogische relaties: met de stem van de auteur, de verteller, de personages in het boek etc. Hij leest namelijk de tekst vanuit een welbepaald standpunt, dat nooit helemaal kan samenvallen met dat van de auteur of andere stemmen die in de literaire tekst aan bod komen. Hij behoudt wel een openheid naar de ander, maar kan daarbij de eigen positie en stem nooit helemaal uitwissen. Ik ga dit na aan de hand van een korte casestudy.

 

Virginia Woolfs Mrs. Dalloway, een korte casestudy
Ik begin met een fragment uit de tekst:

So she [Clarissa] would still find herself arguing in St James’s Park, still making out that she had been right – and she had too – not to marry him [Peter]. For in marriage a little licence, a little independence there must be between people living together day in day out in the same house […] (Woolf: 7)

Het hoofdpersonage Clarissa Dalloway is diep in gedachten verzonken. Ze denkt terug aan haar verleden, meer bepaald aan het moment waarop ze besloot niet in te gaan op de romantische toenaderingen van haar goede vriend Peter. Een tweede spreker, een gesprekspartner, is in dit fragment niet aanwezig. Maar je kunt wel stellen dat Clarissa zélf al in een dialogische relatie verwikkeld is en dat het dialogisme in deze roman niet botst op de grenzen van de individuele psyche: het ‘ik nu’ gaat een dialoog aan met het ‘ik toen’. Clarissa verkeert met zichzelf in een dialogische relatie in een poging de huidige stand van zaken in haar leven haar goedkeuring te geven. Ook de wenselijkheid van het leven dat Clarissa leidt staat hier ter discussie. Op die manier is de zin een voorbeeld van een in het verhaal opgebouwd patroon: in de roman denkt het hoofdpersonage voortdurend terug aan haar verleden om betekenis te kunnen geven aan het leven dat ze vandaag leidt. Tijdens die dialogische gesprekken met zichzelf neemt Clarissa ook voortdurend een houding in ten opzichte van haar leefwereld.

De vele modale werkwoordsvormen en andere woorden met modale betekenis die Clarrisa’s taalgebruik kleuren (would, had been right, must etc.) zijn in dit opzicht belangrijk. Aan de hand van die woorden nemen sprekers een houding in ten opzichte van wat ze zeggen of denken. Die houding heeft betrekking op de werkelijkheidswaarde of de gevoelswaarde of de wenselijkheid van de genoemde stand van zaken. Modale woorden zijn bijvoorbeeld modale hulpwerkwoorden (kunnen, zouden, moeten, willen), modale bijwoorden (misschien, toch, waarschijnlijk, ongetwijfeld), voegwoorden (‘zoals bekend’) of bijvoegelijke naamwoorden (‘dat stomme document’, ‘die hoopvolle zomer’). Voor de lezer/vertaler hebben die modale woorden een belangrijke functie: omdat ze de subjectieve houding en zienswijze van een spreker weergeven, dragen ze bij tot de karakterisering van het personage, en zelfs tot de ideologie die op een hoger niveau in de roman zit gestopt. Elke tekst biedt de lezer ‘ideologische’ posities aan. Belangrijk hierbij is dat die ideologieën in een tekst en de zienswijze van sprekers dus ook uitgedrukt worden aan de hand van ‘manieren van spreken’ ofwel: de stijl of vormelementen van een taaluiting. Die vormelementen – de sprekersstijl van personages en de schrijversstijl van een roman – nodigen de lezer uit om vanuit een welbepaald perspectief naar de fictieve wereld in de roman te kijken, en mogelijk ook met een nieuw paar ogen de éigen leefwereld in beschouwing te nemen. Ook vormelementen zoals perspectivering bieden taalgebruikers een manier aan om hun taaluitingen af te stemmen en te vormen rond een respons. De uitnodiging aan het adres van de ontvanger om met de zender mee te kijken zal de ‘ethische vertaler’, in Bakhtiaanse zin, zeker niet afslaan.

Dat Clarissa heel vaak modale werkwoorden gebruikt, zoals in het voorbeeld, is een belangrijk stijlkenmerk van haar taalgebruik. De modale woorden drukken vaak vertwijfeling uit, en weerspiegelen zo Clarissa’s denkwijze. De ‘denkwereld’ waar het taalgebruik van een spreker uiting aan geeft, wordt ook wel de mind style van de spreker genoemd. De modale woorden die Clarissa gebruikt wijzen erop dat de wereld waarin zij leeft onzeker is: zij kijkt niet naar de wereld alsof daar ultieme waarheden te vinden zijn. Tegelijkertijd denkt ze voortdurend na over hoe een leven hóórt te zijn. Maar lees je de volledige roman, dan merk je meteen dat die gedachten vluchtig zijn en onderhevig aan de context waarin Clarissa zich bevindt. Mrs. Dalloway speelt zich zo goed als volledig af in de hoofden van de personages, waaruit moet blijken dat het menselijk denken vluchtig, onzeker en instabiel is.

Op deze wijze wordt de lezer op zijn beurt uitgenodigd om mee te kijken met Clarissa en zich haar denkwijze zo goed mogelijk voor te stellen. Het begrip stijl zoals ik het hier bedoel – een manier van kijken – wordt dus als een dialogisch begrip benaderd: stijl is georiënteerd op een ontvanger, het anticipeert een antwoord. Zo zal als gevolg van Clarissa’s mind style, de lezer zich vast niet voorstellen dat Clarissa denkt dat ze in het leven een duidelijk uitgestippeld pad volgt. De lezer/vertaler probeert zich namelijk echt voor te stellen hoe Clarissa in het leven staat. Hij neemt dus het vreemde perspectief van het ‘buitenstaanderschap’ in (Bakhtin: 1986). Toch laten de vertalingen van de roman die ik hieronder bespreek zien dat Clarissa’s manier van kijken enigszins ‘gecalibreerd’ wordt, en dat de stem van de vertalers dus niet volledig samenvalt met die van auteur, of met de stemmen van de personages in de tekst. Die stemmen van de personages zijn bovendien vaak al meerstemmig in de brontekst, waardoor de vertaler voor een extra uitdaging komt te staan wil hij de stemmen op een ethische manier overbrengen. De roman werd drie keer vertaald, hieronder de vertalingen:

Zo was ze nog steeds aan het redeneren met zichzelf in St. James’s Park, steeds vaststellend dat ze gelijk had gehad – en dat had ze ook – door niet met hem te trouwen. Want in het huwelijk moest er wat vrijheid, wat onafhankelijkheid zijn tussen mensen […] (Brunt 1981: 10)

Zo bleef ze nog steeds met zichzelf aan het redeneren in St. James Park – nog steeds ervan overtuigd dat ze gelijk had gehad – en dat had ze ook – door niet met hem te trouwen. Want in het huwelijk moest er wat vrijheid, wat onafhankelijkheid zijn tussen mensen […] (Brunt 2011: 17)

Zo stond ze hier in St. James’s Park nog altijd strijd te voeren, nog altijd te betogen dat ze er goed aan had gedaan – en dat had ze ook – niet met hem te trouwen. Want binnen het huwelijk moet er een zekere mate van vrijheid, een zekere mate van onafhankelijkheid zijn […] (Verheij 2017: 9)

Een aantal verschillen kan worden opgemerkt. In Brunts eerste vertaling is Clarissa ‘aan het redeneren’ en ‘stelt ze vast’ dat ze gelijk had. Clarissa wordt voorgesteld als iemand die eerder op een rationele manier het hoofd biedt aan haar twijfels, ze lijkt op een rustige manier tot de conclusie te komen dat haar beslissing om niet met Peter te trouwen de juiste was. In Brunts tweede vertaling is Clarissa nog steeds ‘overtuigd’ van haar beslissing, ook al introduceert dit lexicale werkwoord een subjectiever standpunt dan het werkwoord ‘vaststellen’. In Verheijs vertaling is Clarissa opvallend emotioneler. Ze is niet langer aan het ‘redeneren’ met haar ‘ik toen’ maar ‘voert een strijd’ met haar verleden. Ze voert ook een betoog, en wordt dus verondersteld veelal subjectieve argumenten te geven om haar stelling te verdedigen. De vertalers hebben dus een verschillend beeld van Clarissa’s mind style.

Het is voor een vertaler niet eenvoudig te achterhalen hoe de ‘tijdloze’ werkwoordsvorm must in de tweede zin moet worden geïnterpreteerd. De structuur van de zin dringt zich niet zomaar op. Mogelijk weet Clarissa zelf niet helemaal wat ze bedoelt. Zoals ik al aangaf zijn haar ‘ik toen’ en ‘ik nu’ hier in een dialogische relatie verwikkeld. Clarissa’s gedachten worden met andere woorden ‘doorboord’ door meerdere perspectieven en stemmen. In een vertaling wordt daar nog een perspectief, nog een stem aan toegevoegd: de stem van de vertaler. Zo wordt voor Verheij in de zin een universele waarheid verkondigt, een ideologie. Ze gebruikt de onvoltooid tegenwoordige tijd om een gevoel van directheid in de tekst te bewerkstelligen: ‘Want binnen het huwelijk moet er een zekere mate van vrijheid, een zekere mate van onafhankelijkheid zijn […]’ (Verheij 2017: 9). Brunt gebruikt daarentegen de onvoltooid verleden tijd: ‘Want in het huwelijk moest er wat vrijheid, wat onafhankelijkheid zijn tussen mensen […]’ (Brunt 1948: 10 en Brunt 2011: 17, mijn onderstreping). Brunt vindt het mogelijk belangrijker dat het fragment in de stream of consciousness-techniek geschreven werd, dat Clarissa’s gedachten vaak vluchtig zijn, dan dat zij uiting geeft aan een ideologisch standpunt. Gedachten dwarrelen door Clarrisa’s hoofd. Of ze later op de dag hier nog op dezelfde manier over zal denken is voor Brunt niet zeker.

De stem van de vertaler valt dus niet gewoon samen met die van de personages en de auteur. Ook al heeft de stijl van de tekst, en van de individuele sprekers in die tekst, vermoedelijk het denken van de vertaler gestuurd, toch zijn de vertalingen allemaal een beetje anders.

Enerzijds plaatst de vertaler zich in de positie van de ander (de personages en de auteur), om zo op een ethische manier de woorden van de ander te begrijpen en te interpreteren, wat Bakhtin outsideness of ‘buitenstaanderschap’ noemde (Bakhtin: 1986). Anderzijds moet een vertaler, om zijn taak te volbrengen (het effectief schrijven van een vertaling), steeds terugkeren naar zijn eigen positie. Bakhtin stelde dat ontvangers van tekst en die teksten vanuit de eigen ‘evaluatieve positie’ benaderen (Bakhtin: 1986). Vanuit die positie evalueren ontvangers de taaluitingen van de ander en voegen een eigen accent toe aan de taaluiting, wat hij re-accentuation noemde (Bakhtin: 1986). De voorbeelden illustreren dat ook vertalers een nieuw accent toevoegen aan teksten. Die ‘toevoegingen’ veranderen in zekere mate het gevoel dat lezers hebben bij een tekst. Hoe strijdvaardig is Clarissa? Hoe zelfverzekerd is ze? Die gevoelswaarde van de tekst zit niet gewoon in de brontekst gestopt, maar ook in de interactie die lezers hebben met een literaire tekst. En dat laatste is volgens mij ook zo bedoeld. Het is de rijkdom van literatuur lezen, en van literatuur schrijven.

 

Bibliografie
Brunt, Nini. 1948. Mrs. Dalloway. Amsterdam: G.A. Van Oorschot.

Brunt, Nini. 2011 [1980]. Mrs Dalloway. Voorwoord: Erwin Mortier. Amsterdam: De Bezige Bij.

Verheij, Boukje. 2017 [2013]. Mevrouw Dalloway. Nawoord: Joke J. Hermsen. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Woolf, Virginia. 2009 [1925]. Mrs Dalloway. Ed. David Bradshaw. Oxford: Oxford University Press.

Bakhtin, M.M. 2004 [1975]. ‘Discourse in the Novel.’ The Dialogic Imagination: Four Essays by M.M. Bakhtin. Ed. Michael Holquist. Trans. Caryl Emerson and Michael Holquist. Austin: University of Texas Press, p. 259–422.

Bakthin, M.M. 1986 [1979]. ‘The Problem of Speech Genres.’ Speech Genres and Other Late Essays. Eds. Caryl Emerson & Michael Holquist. Trans. Vern W. McGee. Austin: University of Texas Press.

 

Lenore Lampens studeerde Engelse en Italiaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit Gent, vervolgens behaalde ze een mastertitel in Culturele Studies aan de KU Leuven. Op dit moment volgt ze het postgraduaat Literair Vertalen aan de KU Leuven.

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.