Vertaaldag  Archief

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Als de dooier in het ei

Marianne Molenaar

Het mooiste van vertalen vond ik altijd het handwerk op zich: zoeken naar het juiste woord of de juiste uitdrukking, puzzelen, proberen, verwerpen, een andere richting inslaan en nog eens proberen. Je afvragen of de oplossing de juiste betekenis heeft, de juiste associaties, connotaties, klank, kleur, sfeer etcetera. Wijkt de vertaling niet te veel af van het origineel? Of moet ze juist nog verder afwijken om in de doeltaal te functioneren? Het is een proces, van een eerste grove versie naar een tweede bewerkte door middel van hakken en beitelen, schaven en polijsten, en vervolgens naar een bijna uiteindelijke waarna de afwerking volgt en de tekst als een puur Nederlandse kan worden geredigeerd. Vooral bij Knausgård met zijn lange, meanderende zinnen en zijn uiteenlopende onderwerpen was dit een genot en kon ik me heerlijk uitleven.

Hoe anders bij De andere naam van Jon Fosse! Ik had al eerder twee korte romans van hem vertaald, Ochtend en avond en Slapeloos, beide verschenen bij De Wereldbibliotheek, en kende zijn bijzondere stijl: zijn langzame proza met de typerende herhalingen waardoor de tekst die heel eigen cadans en melodie krijgt. Ik was dus voorbereid op een soberder aanpak, maar na lezing van Det andre namnet besefte ik dat ik met deze verstilde roman nog voorzichtiger te werk moest gaan dan bij zijn vorige boeken. Ik besloot het regulerende mechanisme uit te schakelen dat zich meestal tijdens de eerste vertaalronde al doet gelden: met overwegingen als ‘nee, dit zeggen we zo in niet het Nederlands’ en met corrigerende automatismen, zoals het weglaten van het veelvoorkomende Noorse modale hulpwerkwoord ‘kunnen’. Ik besloot me volledig aan het origineel over te leveren en het eerste het beste wat in me opkwam op te schrijven zonder in te grijpen. En dat ging me heel goed af. Ik liet me kalm meedrijven op het ritme en de melodie van de tekst en het werd een heerlijk ontspannen proces. Ik keek uit naar de uren achter mijn computer, die traag voortstroomden en helemaal niets gemeen hadden met de stress uit de tijd van Knausgårds dikke pillen. Ik liet me het verhaal binnenzuigen, reed mee over de besneeuwde weg van Dylgja naar Bjørgvin, liep in de sneeuw door de stad, kortom, ik heb nog nooit zo dicht op de huid van een personage gezeten.

En het was verbazend hoe goed dat proces uitpakte. De eerste grove vertaling bleek verrassend bruikbaar en de bijzonderheden van het origineel, zoals het veelvuldig voorkomende woordje ‘ja’ en de wat ongebruikelijke woordvolgorde hier en daar, bleken het ook in de Nederlandse tekst goed te doen. Bovendien had mijn werkwijze een leuk neveneffect: ergens verstopt in mijn hersenen bleken bronnen te zijn aangeboord met uitdrukkingen en woorden die ik bij mijn weten zelf al decennia niet had gebruikt of gehoord, zoals ‘omkukelen’ bijvoorbeeld. (Nu woon ik in Duitsland…). En die pasten naar mijn gevoel zo goed in deze ietwat ouderwets aandoende tekst dat ik helemaal onder de indruk was. Waar kwamen ze vandaan? Ik ben niet naar ze op zoek gegaan, ik heb geen synoniemenwoordenboeken opgeslagen, ze plopten zomaar uit het ‘niets’ tevoorschijn leek het wel.

Het deed me denken aan de ervaring die je als meertalige wel eens hebt tijdens een gesprek wanneer je een woord of uitdrukking zoekt en je de perfecte oplossing vindt, maar in de verkeerde taal. Mij is dat een keer overkomen tijdens een gesprek in het Nederlands met een Noorse uitdrukking. Ik wilde iemand vertellen dat ik me ergens helemaal thuis voelde, helemaal op mijn plek, helemaal in mijn element en ‘plop’, voordat er een Nederlandse omschrijving opdook, rolden de woorden som plomma i egget oftewel ‘als de dooier in het ei’ uit mijn mond. Je ziet het voor je: dat beschermende, beschuttende, dat nergens anders heen willen (niet eens kunnen, natuurlijk), associaties die geen van de Nederlandse equivalenten heeft: In je knollentuin zitten…, Je als een vis in het water voelen… Niets mis mee, wij doen het er al ik weet niet hoe lang mee, maar dat ene element van intimiteit zit er niet in en juist dat speelde op dat moment door mijn hoofd. Ook tijdens het vertalen gebeurt het wel dat zich een Duits woord als oplossing aan me opdringt in plaats van een Nederlands en vaak is dat een beter equivalent voor het origineel dan het Nederlands kan bieden. Ik ben dan altijd een beetje bang dat ik verduits, dat mijn talen door elkaar gaan lopen, anderzijds krijg je daardoor soms een heel ander perspectief op het vertaalprobleem en biedt zich vanuit een verrassende hoek een heel mooie oplossing aan.

Dit onbewuste `vinden’ van oplossingen ondergraaft enigszins mijn oorspronkelijke beeld van de actief zoekende, puzzelende, verwerpende vertaler. En als ik bedenk hoe snel het vertalen op zich soms gaat lijkt het alsof er op een onderliggend, onbewust niveau al heel veel wordt beslist voordat de vertaler ‘zelf’ actief ingrijpt. Alsof niet de woorden de beelden oproepen, maar de beelden de woorden. En dat maakt mij dan weer zo nieuwsgierig naar het proces van vertalen op zich: wat gebeurt er precies daarbinnen, wat zoekt wat, wat roept wat op, welke interacties zijn daar gaande, wat speelt er allemaal een rol? Dat niet alleen naar woorden en uitdrukkingen wordt gezocht lijkt duidelijk. Maar hoe en wat en welke interacties zijn erbij betrokken? Ik zou zo graag eens bewust meesurfen op zo’n proces: van een associatie naar een herinnering naar een beeld, een geur, een connotatie, hé, wat een verrassende wending en plotseling staat het gezochte woord voor je! In mijn volgend leven hoop ik met een dikke wiskundeknobbel geboren te worden zodat ik neuroloog/taalwetenschapper kan worden om dat allemaal eens nader te kunnen onderzoeken. Maar in het leven dáárna word ik lekker weer ‘gewoon’ vertaler om te kunnen genieten van al die verrassingen die je tijdens dat wonderbaarlijke proces beleeft!

 

Marianne Molenaar was met de vertaling van De andere naam genomineerd voor de Filter Vertaalprijs 2020

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.