Vertaaldag  Archief

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Het bevel van de kleine zegetocht

De vertaalvaardigheid van leerlingen Latijn en Oudgrieks

David Omar Cohen

Het altaar bevond zich onder het uitgebouwde, hogere deel van de achterwand, die werd gestut door twee porfieren zuilen. Op de lijst boven de vergulde kapitelen stond over de volle breedte: NON•EST•IN•TOTO•SANCTIOR•ORBE•LOCVS.
Hij wenkte zijn vader. ‘Hoe zou je dat vertalen?’ fluisterde hij.
‘Quinten,’ zei Onno streng, ‘je hebt vijf jaar gymnasium. Dat kun je best.’
‘Er is niet,’ probeerde Quinten, ‘in het geheel... heiliger... wereldplek?’
 – Harry Mulisch, De ontdekking van de hemel, p. 548

Het woord ‘proefvertaling’ heeft zéér uiteenlopende betekenissen en connotaties. De meeste beroepsvertalers horen het woord ‘proefvertaling’ en denken: Ach ja, logisch! Voordat ik een opdracht of een beurs toegewezen krijg, willen ze natuurlijk zien dat ik überhaupt in staat ben een stukje te vertalen. De meeste docenten Klassieke Talen horen het woord ‘proefvertaling’ en denken: Twaalf regels Latijn naar het Nederlands vertalen, waarom vinden ze dat nou zo moeilijk? Wat de meeste leerlingen bij het woord ‘proefvertaling’ denken – daar hoop ik zelf als leraar in de komende vier decennia achter te komen.

Een beetje context voor degenen die zelf een opleiding zonder Latijn en/of Oudgrieks hebben gevolgd. In de onderbouw worden leerlingen voorbereid op het doornemen van authentieke klassieke teksten in de respectieve brontaal. In de bovenbouw, wanneer ze (één van) beide talen hebben opgenomen in hun vakkenpakket, maken ze kennis met de beste, mooiste en belangrijkste werken uit de klassieke oudheid, bijvoorbeeld epische gedichten, toneelstukken, geschiedschrijving, gerechtsredevoeringen en filosofische bespiegelingen. In de zesde klas bereiden ze zich voor op een centraal schriftelijk eindexamen over één van deze werken: op stilus.nl staat een volledig overzicht van vroegere én toekomstige eindexamenauteurs. Op dat eindexamen is de helft van de punten te vergaren door inhoudelijke en grammaticale vragen over de behandelde teksten te beantwoorden (‘tekstverklaring’), en de helft door een onbehandeld fragment van dezelfde auteur te vertalen naar het Nederlands (‘proefvertaling’). Deze opgave heet ‘proefvertaling’ omdat de vertaling dient als lakmoesproef om de vertaalvaardigheid van een leerling te beoordelen.

Tot zover de stand van zaken, nu de probleemstelling. Ten eerste: met deze exercitie toetsen we een vaardigheid die de meeste leerlingen nooit van hun leven meer in de praktijk zullen brengen, namelijk het vermogen om in anderhalf uur tijd met een woordenboek een tekst uitermate nauwgezet naar het Nederlands om te zetten. Ik gebruik met opzet niet het woord ‘vertalen’. Wie pakweg, zoals Quinten in De ontdekking van de hemel het Sancta Sanctorum te Rome, of misschien iets waarschijnlijker, het Rijksmuseum te Amsterdam of het museum Plantijn/Moretus te Antwerpen bezoekt, heeft pas iets aan zes jaar klassiek onderwijs als de vele Latijnse teksten in dat museum zonder woordenboek kunnen worden gelezen. Een student kunstgeschiedenis die op het gymnasium heeft gezeten en tijdens de studie met een nooit vertaalde Latijnse bron te maken krijgt, zal die bron niet willen omzetten, maar lezen en begrijpen. Ook een gediplomeerd kunsthistoricus die de brontekst in een artikel wil opnemen en van een vlot lezende vertaling wil voorzien, zal de tekst dan vertalen en niet omzetten. Niettemin moeten docenten zich bij de beoordeling van de eindexamenopgaven zéér strikt aan het correctievoorschrift houden.

Gravure van een buste van Titus Livius uit de Speculum Romanae Magnificentiae, 1582 (bron: Wikipedia)

Een praktijkvoorbeeld om duidelijk te maken hoe strikt dat correctievoorschrift gehandhaafd wordt. Nota bene: ik heb zelf wel bovenbouwklassen, maar nog geen examenklassen gehad, en hoop maar dat ik overdrijf. In het examen Livius in 2017, eerste tijdvak, moest het volgende stukje naar het Nederlands worden omgezet, dat ik citeer in de vertaling van H.W.A. van Rooijen-Dijkman. De Romeinse bevelhebber Fabius legt uit waarom de Romeinen de Tweede Punische Oorlog kunnen winnen door geen actie tegen Hannibal te ondernemen:

Wij voeren oorlog in Italië, in onze eigen woonplaats, op eigen bodem. We worden omringd door massa’s burgers en bondgenoten, die ons met wapens, manschappen, paarden en proviand helpen en dat ook zullen blijven doen — dat blijk van trouw hebben ze ons in onze tegenspoed al gegeven. Naarmate de tijd verstrijkt worden we met de dag betere, wijzere, taaiere vechters. Hannibal daarentegen bevindt zich in een vreemd, vijandig land, te midden van uitsluitend vijanden en gevaren, ver van zijn huis en vaderland. Noch te land noch ter zee kent hij vrede; geen stad, geen ommuring neemt hem op. Nergens ziet hij iets dat van hemzelf is, hij leeft van dagelijkse roof. Nauwelijks een derde deel heeft hij over van het leger waarmee hij de Ebro is overgetrokken. Er zijn meer manschappen bezweken aan honger dan aan verwondingen, en voor dit kleine restant is geen voedsel meer voorhanden. Twijfelt u er dan nog aan dat we door stilzitten de overwinning zullen behalen op een man die met de dag zwakker wordt, die geen proviand, geen versterking en geen geld heeft?

H.W.A. van Rooijen-Dijkmans vertaling van Livius’ historische verslag is van hoge kwaliteit, maar als ze deze weergave van zijn tekst als omzetting had ingeleverd bij haar eindexamen, hadden we de rode pen ter hand moeten nemen:

  • ‘We worden omringd door massa’s burgers en bondgenoten’: in het correctievoorschrift staat: ‘Alles om ons heen is vol (van/met) (mede)burgers en bondgenoten’; indien omnia (‘alles’) niet is vertaald als het onderwerp, dan nul punten toekennen.
  • ‘Naarmate de tijd verstrijkt worden we met de dag betere, wijzere, taaiere vechters’: in het correctievoorschrift staat: ‘Het verstrijken van de tijd maakt ons beter, verstandiger (en) standvastiger / (van) ons betere, verstandigere (en) standvastigere mensen’. Van Rooijen-Dijkman heeft ‘maakt ons’ vertaald als ‘we worden’ en dus subject en object verwisseld: in een literaire vertaling een verdedigbare en vaak juiste ingreep, in een omzetting een doodzonde.
  • ‘Hij leeft van dagelijkse roof’: in het correctievoorschrift staat: ‘Hij leeft elke dag van roof/plundering / het geroofde’. Als een leerling in diem als ‘dagelijks’ vertaalt in plaats van ‘elke dag’, hangt het ervan af of de eigen docent, die het werk nakijkt, en de tweede corrector, die de eerste correctie corrigeert, genegen zijn dit goed te rekenen.

Het probleem is duidelijk: met elke wijziging in de constructie van de doeltekst ten opzichte van de brontekst begeeft de leerling zich op glad ijs. Dit heeft tot gevolg dat de leerling zich bij de omzetting van de Latijnse tekst moet bedienen van een uiterst rigide idioom dat in geen enkel ander genre dat de leerling tot zich neemt te vinden is. Hierdoor komen we bij het tweede, nog veel grotere probleem: leerlingen zetten onzin op papier. Letterlijk omgezet Latijn levert een taalgebruik op dat ze nergens anders tegenkomen, en mede daardoor lijkt de meerderheid van de leerlingen al vanaf de eerste klas te denken dat klassieke auteurs hun teksten in straalbezopen toestand op papier plachten te zetten. Hoe kom je er anders bij dat Vergilius in zijn onsterfelijke Aeneïs het volgende geschreven zou hebben?

De nakomeling leidt de vijandin van mij over de Tyrrheense zee naar Ilion in Italië, terwijl hij de overwinnaar en de huisgoden draagt. Jullie geven hem ongemengde kracht en vernietigen het achterdek of leid de Trojanen verschillende kanten op en vernielen het ruim op de Zwarte Zee.

(Volgens de doorgaans zeer betrouwbare M. d’Hane-Scheltema bedoelde Vergilius: ‘Een mij vijandig volk bevaart nu het Tyrrheense water / om Troje en zijn verslagen goden naar Italië / te voeren: zweep uw winden op en breng hun vloot tot zinken / of jaag de schepen uit elkaar, verspreid ze over zee.’)

Dit stukje is omgezet door een leerling van een gymnasium aan het eind van de vijfde klas, vlak voor het eindexamenjaar. Vijf jaar onderwijs in het Latijn lijkt geheel aan haar voorbij te zijn gegaan. Het is niet alsof er sprake is van enorme achteruitgang: zulke leerlingen zaten er al toen ik zelf op school zat en zullen er ook blijven in alle vier decennia waarin ik in het onderwijs werkzaam zal zijn.

Denk echter niet dat ik al na twee jaar in het schoolleven gefrustreerd en cynisch ben geworden. Integendeel, ik ben voornemens om deze ‘proefvertalingen’ te koesteren: de nonsens is vaak ongelooflijk grappig, en soms, heel soms ontstaan er door het hemeltergende onvermogen van de leerlingen de prachtigste, nooit door klassieke auteurs bedachte en toch magnifieke betekenissen die ons sterken in het dagelijks bestaan. Daarvan kan diezelfde gymnasiaste getuigen, want zij vertaalde de volgende regels uit het vierde boek van Vergilius’ Aeneis als volgt:

sequimur te, sancte deorum, quisquis es, imperioque iterum paremus ovantes.

Jij volgeling, gewijd aan de goden, iemand is, en wij gehoorzamen opnieuw het bevel van de kleine zegetocht.

Vergilius bedoelde ongeveer dit: ‘Wij volgen jou, heilige der goden, wie je ook bent, en juichend gehoorzamen we opnieuw je bevel.’ Niettemin heeft de leerling E.D. met haar volkomen incorrecte omzetting, geheel per ongeluk, een van mijn belangrijkste didactische overtuigingen onder woorden weten te brengen. Ook ik gehoorzaam immers als leraar elke werkdag opnieuw ‘het bevel van de kleine zegetocht’, wetende dat mijn leerlingen hooguit in heel kleine stappen vooruit zullen gaan, maar dat elke stap vooruit een kleine triomf vormt, die voor de uiteindelijke overwinning onontbeerlijk is.

 

David Omar Cohen (1994) is classicus, germanist, jiddisjist, leraar, vertaler en essayist.

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.