Vertaaldag  Archief

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Betrekkelijks

Bert de Waart

In mijn vorige column vroeg ik me af waarom Ton Naaijkens in de nieuwe uitgave van zijn Celanvertaling (Celan 2020) ‘Silbermünze’ vertaalt met ‘zilverling’. Ik zocht die verklaring in de context, en daarvoor nam ik de vierde cyclus van de bundel Die Niemandsrose, p. 334-367. In die zeventien pagina’s tekst en zeventien pagina’s vertaling is nog een andere, subtiele, vertaaluitdaging te bestuderen: de bijvoeglijke of betrekkelijke bijzin. Eens zien of een stukje traditionele schoolgrammatica mij kan helpen een weggetje te vinden in deze complexe poëzie en deze geraffineerde vertaling.

wohin mir das Wort, das unsterblich war, fiel:
in die Himmelsschlucht hinter der Stirn,
dahin geht, geleitet von Speichel und Müll,
der Siebenstern, der mit mir lebt.

Im Nachthaus die Reime, der Atem in Kot,
das Auge ein Bilderknecht –
Und dennoch: ein aufrechtes Schweigen, ein Stein,
der die Teufelsstiege umgeht.

waar het woord, dat niet sterven kon, heen viel:
achter mijn ogen, de hemelkloof in,
vergezeld van spuug en puin, vergaat
het zevengesternte dat met mij leeft.

In het nachthuis de rijmen, mijn adem in drek,
het oog een beeldenknecht.
En toch: een pal staand zwijgen, een steen,
die de duivelstree mijdt. (p. 338/9)

Een stukje grammatica dus. Dit korte gedicht bevat drie bijvoeglijke bijzinnen, drie Relativsätze: ‘das unsterblich war’ (4, mijn nummering), ‘der mit mir lebt’ (5) en ‘der die Teufelsstiege umgeht’ (6). In het Duits wordt zo’n Relativsatz altijd voorafgegaan door een komma, maar in het Nederlands alleen als het een uitbreidende (bijvoeglijke) bijzin betreft, een die dient om extra informatie te geven over wat er in de hoofdzin wordt verteld, een verklaring bijvoorbeeld. Zo’n bijvoeglijke bijzin dient dus niet om preciezer vast te stellen wie of wat wordt bedoeld met het antecedent, dat is datgene waar de bijzin een bepaling bij is; dat laatste doen beperkende (bijvoeglijke) bijzinnen: die bepalen wél dat antecedent nader. Voor een beperkende bijzin mag geen komma staan (voorbeeld in de noot1).

38 Relativsätze
Celans gedichten kennen veel van die Relativsätze, altijd met een komma ervoor, want de spelling en interpunctie van de Duitse tekst is onberispelijk. De cyclus die ik heb doorgevlooid bevat er 382, die ik voor het gemak heb genummerd. Naaijkens’ vertaling houdt zich, voor zover ik kan zien, aan de gebruikelijke Nederlandse conventies, ook als zo’n kwestieuze plek waar een komma zou moeten komen, of niet, samenvalt met het regeleinde. Hij heeft dus telkens moeten kiezen met wat voor Relativsatz hij te maken had. Van de drie hierboven genoemde heeft hij (4) en (6) als uitbreidend opgevat en (5) als beperkend. Dat lijkt mij terecht.

(4): Deze bijzin slaat op ‘het woord’ en welk woord dat is, is ook zonder die onsterfelijkheid duidelijk, al was het maar uit de voorgaande gedichten, en misschien is heel Celans oeuvre wel een worsteling met dat onuitspreekbare. Het gaat immers niet voorbij, staat er hier in de bijzin bij, en je zou dat kunnen verduidelijken door ja of halt toe te voegen; ‘das ja unsterblich ist’. Dat brengt dan wel het gedicht om zeep, dus we halen het meteen weer weg.

(5): Een frequent motief bij Celan is het contrast, of tenminste het samen voorkomen, van boven en onder, van hemel en aarde, van sterren(beelden) en (berg)landschap. Maar we hebben hier niet zomaar het sterrenbeeld Zevengesternte: dat vergaat niet. Wat vergaat is dat zevengesternte dat ‘met mij leeft’, dat zich misschien achter de ogen bevindt. Ik waag me niet aan een interpretatie, maar het is duidelijk dat de bijzin de reikwijdte van het woord ‘Siebenstern’ sterk beperkt.

(6): ‘Ein Stein’ is een bijstelling bij ‘ein aufrechtes Schweigen’. Mooie vertaling: ‘een pal staand zwijgen’, die beide betekenissen van aufrecht, ‘rechtop’ en ‘oprecht’, omvat, en een beeld oproept van een onverzettelijke, monumentale menhir 3 in dat berglandschap. De steen is dus identiek aan dat zwijgen, en kan niet eens nader gepreciseerd worden: de bijzin is inderdaad uitbreidend.

Welke extra informatie die bijzin dan geeft is niet gemakkelijk te begrijpen. Een Stiege is volgens het DWDS in Zuid-Duitsland en Oostenrijk een trap of een traptrede. Ik stel me een smalle, oplopende kloof tussen twee bergwanden voor, waarover je naar boven kunt klauteren. Waarom dan ‘Teufelsstiege’? Misschien omdat hij tot helemaal beneden leidt, tot in de hel? Maar nu sla ik er echt een slag naar. Bovenaan staat die steen, en die rolt niet naar beneden, wat immers veel geluid zou veroorzaken en zo het zwijgen zou verbreken. In de openingsstrofe van de cyclus die ik gelezen heb, die ik ook in mijn vorige column citeerde, gebeurt dat juist wel:

was geschah? Der Stein trat aus dem Berge.
Wer erwachte? Du und ich.
Sprache, Sprache. […]

wat geschiedde? De steen brak uit de berg.
Wie ontwaakte? Jij en ik.
Taal, taal. […] (p. 334/5)

Een duivelstrap dus, maar niet in de betekenis ‘wat je krijgt als de duivel je trapt’, want dat zou in het Duits Teufelstritt zijn. Misschien vertaalt Naaijkens daarom ‘duivelstree’, maar dat is nog lastiger te begrijpen: een duivelstrap van één trede? En de Nederlandse duivelstree bij uitstek bevindt zich, zoals je kunt lezen bij Staring (1995), in een plavuis in de Librije te Zutphen (Thalmaray 2018): des duivels pootafdruk. Die intertextualiteit wil je nu juist niet.

5 van de 38
Bij 33 van de 38 gevallen interpreteer ik dezelfde Relativsätze in het Duits als uitbreidend dan wel beperkend als Naaijkens dat blijkens zijn komma’s doet.4 De andere vijf beschouw ik als uitbreidend, maar vat de vertaler op als beperkend en zet er dus in de vertaling geen komma voor. Het zijn de nummers (10), (13), (24), (32) en (33).

Zwarte hagel
Het gedicht ‘Hüttenfenster’ verwijst naar de joodse geschiedenis en naar degenen die destijds, in de vroege jaren zestig, in de Bondsrepubliek niet meer aan de Shoah wilden worden herinnerd.

(10): […]etwas,

- ein Atem? ein Name? -

geht im Verwaisten umher,
[…]
kopf-
lastig getrimmt
vom Schwarzhagel, der
auch dort fiel, in Witebsk,

[…]iets,

- een adem? een naam? –

waart rond in het verweesde,
[…]
kop-
lastig getrimd
door de zwarte hagel die
daar ook viel, in Vitebsk. (p. 344/5)

In het door Fliedl, Rauchenbacher en Wolf uitgegegeven Handbuch der Kunstzitate (2011: 143) wordt het woord ‘Schwarzhagel’ een beeldreminiscentie genoemd aan een schilderij van de in Vitebsk geboren Marc Chagall, namelijk het schilderij ‘Witte kruisiging’, dat Christus verbeeldt als joodse martelaar te midden van de vervolging van de Europese joden in de jaren dertig (Art Institute of Chicago). Hugo Bekker (2008: 90) interpreteert ‘Schwartzhagel’ als kogels. Er vielen dus ook kogels in Vitebsk. Maar waren dat andere kogels dan elders, en dient dus bijzin (10) om duidelijk te maken door welke kogels precies dat ‘iets getrimd’ werd? Ik geloof dat de betere lezing hier is: ‘iets’ werd ‘getrimd’ door kogels, want die waren daar ook, in Vitebsk, met een uitbreidende bijzin.5

Huis
(13): Verderop in ‘Hüttenfenster’ is ‘etwas’ een ‘er’ geworden, die rondgaat in de joodse geschiedenis:

– da steht er,
unsichtbar, steht
bei Alpha und Aleph, bei Jud,
bei den andern, bei
allen: in
dir,

Beth, –  das ist
das Haus, wo der Tisch steht mit

dem Licht und dem Licht.

– daar staat hij,
onzichtbaar, staat
bij alfa en alef, bij joet,
bij de andere6, bij
alle, in jou,

Beth – dat is
het huis waar de tafel staat met

het licht en het licht. (p. 346-347)

‘Beth’ is de tweede letter van het Hebreeuwse alfabet, en het Hebreeuwse woord beth betekent ‘huis’. Na het streepje staat eerst de woordverklaring ‘beth = huis’. Als we de daarop volgende bijzin (13) als beperkend opvatten levert dat een veel striktere interpretatie van ‘huis’ op; dan is de woordverklaring ‘beth = huis-met-tafel-met-licht-en-licht’. Dat geloof ik niet; ik lees de drie laatste regels van deze strofe (en van het gedicht) als: ‘beth = huis, en in dat huis staat de tafel met het licht en het licht’. Ik beschouw (13) als een uitbreidende bijzin.

Het meikeverlied
Ook eerste twee bijvoeglijke bijzinnen in ‘In der Luft’ zijn volgens mij uitbreidend. De tweede strofe:

(32): Groß
geht der Verbannte dort oben, der
Verbrannte: ein Pommer, zuhause
im Maikäferlied, das mütterlich blieb, sommerlich, hell-
blütig am Rand
aller schroffen,
winterhart kalten
Silben.

Groot
loopt daarboven de balling, de
verbrande: een Pommer, thuis
in het meikeverlied dat moederlijk bleef, zomers, helder
bloeiend aan de rand
van alle barse,
winterbar-koude
woorden. (p. 364/5)7

Terzijde: ik schreef al dat Naaijkens het woord ‘Silbe’ in deze vierde cyclus van De niemandsroos driemaal anders vertaalt. Dat heeft, geloof ik, niet alleen te maken met de onhandige lengte van het woord ‘lettergreep’, maar ook met andere klankkwaliteiten. In het Duits wordt in de laatste vier regels, na de heldere uu- en ie-klank van ‘blütig’, de grauwere wereld van de ‘winterwoorden’ opgeroepen, en wel met vijf doffe a-klanken, één doffe o-klank, en toch nog twee heldere ie-klanken – ik laat de sjwa’s, de stomme e’s, buiten beschouwing. Dat kan in het Nederlands beter, moet Naaijkens gedacht hebben. De oe van ‘bloeiend’ is doffer dan de uu van ‘blütig’, maar de aa van ‘aan’ is helderder dan de a van ‘am’. Maar dan: zeven winterse klanken: vijf maal a, eenmaal ou en de gerekte o in ‘woorden’. Verder is de i in ‘winterbar’ minder helder dan de ie in ‘winterhart’, en kennen wij geen harde, maar een barre koude, wat weer allitereert met ‘barse’.

Nu de Pommer. Die is ‘thuis’ in het ‘lied van de meikevers’. Ik denk: het geluid van de meikevers doet hem, te midden van wat hem hier wordt toegesnauwd, denken aan vroeger, thuis in Pommern. De bijzin ‘dat moederlijk bleef […] woorden’ ‘bepaalt’ niet ‘nader’ welk geluid dat is, maar verklaart waarom het bij de Pommer die emotie oproept. Dat kun je ook expliciet maken: ‘das ja [BdW] mütterlich blieb, […]’ > ‘dat immers moederlijk bleef […]’. (32) is een uitbreidende bijzin.

Zongeleide smart
Het begin van de derde strofe van ‘In der Luft’:

(33): Mit ihm
wandern die Meridiane:
an-
gesogen von seinem
sonnengesteuerten Schmerz, der die Länder verbrüdert nach
dem Mittagsspruch einer
liebenden
Ferne.

Met hem mee
dwalen de meridianen:
aan-
gezogen door zijn
zongeleide smart die de landen verbroedert na
de middagspreuk van
een liefhebbende
verte. (p. 364/5)

Die ‘ihm’ > ‘hem’ is de verbannen, verbrande Pommer die in de vorige strofe ‘daarboven loopt’, nadat in strofe 1 ‘je wortel / in de lucht [blijft]’, ‘waar het aardse zich balt, van aarde, / adem-en-leem’. Hier dus weer Celans hemel-en-aardemotief: de meridianen dwalen met de Pommer mee en zijn smart wordt door de zon geleid. Dat is zijn enige zongeleide smart; ik kan mij tenminste geen interpretatie voorstellen waarin hij er diverse heeft, alle zongeleid, maar slechts één landenverbroederend na de middagspreuk enzovoort. Bijzin (33), ‘der die Länder verbrüdert […] Ferne’ > ‘die de landen verbroedert […] verte’ preciseert niet, maar geeft een tegenstelling: ‘der aber [BdW] die Länder verbrüdert […]’ > ‘die echter de landen verbroedert […]’. (33) is een uitbreidende bijzin.

Pak van Sjaalman
‘Und mit dem Buch aus Tarussa’ oogt als de inhoudsopgave van een ouderwets boek: een opsomming van de items – het Nederlandse woord ‘onderwerp’ zou in een stuk over spraakkunst verwarrend zijn – die in dat boek aan de orde komen. Een Nederlandse lezer denkt natuurlijk meteen aan Havelaars pak van Sjaalman (Multatuli 1992: 22-27). Tien van de elf8 strofen beginnen met ‘Von’, en ook in de strofen staat, in totaal elfmaal, ‘von’. Dat wordt bijna overal vertaald met ‘over’. Na ieder ‘von’ volgt een zelfstandig naamwoord – het aangekondigde item –, en de meeste daarvan worden nader bepaald, alsof preciezer wordt vermeld waarover het desbetreffende hoofdstuk van het boek zal gaan; dat is de inhoud van de strofen van ‘Und mit dem Buch aus Tarussa’. Negen van die nadere bepalingen zijn – dus beperkende – bijzinnen. De derde strofe verdient wat commentaar.

(23): Von
(24): Wahr- und Voraus- und Vorüber-zu-dir,
von
Hinaufgesagtem,
das dort bereitliegt, einem
der eigenen Herzsteine gleich, die man ausspie
mitsamt ihrem un-
verwüstlichen Uhrwerk, hinaus
in Unland und Uhrzeit.

Over
wat is waargezegd, voorspeld en over wat langs je heen,
over wat
ten hemel gesproken is,
dat daar klaarligt, net als een
van de eigen hartstenen die men uitspoog
samen met hun on-
verwoestbare uurwerk, ver weg
onland, ontij in. (p. 360/1)

Dit is één zin, beginnend met zo’n ‘Von’, waar als item het zelfstandig gebruikte voltooid deelwoord ‘Hinaufgesagtem’ op volgt, of eigenlijk ‘Wahr- und Voraus- und Vorüber-zu-dir Hinaufgesagtem’, onderbroken door een extra ‘von’. ‘Hinaufgesagtem’ is dan antecedent van een lange bijvoeglijke bijzin, nummer (23), ‘das dort bereitliegt, […] Uhrzeit’, en binnen (23) is ‘Herzsteine’ antecedent van een bijvoeglijke bijzin binnen een bijzin (een van de tweede graad, heet dat), nummer (24), ‘die man ausspie […] Uhrzeit’.

Naaijkens heeft dat ‘Von Wahr- und Voraus- und Vorüber-zu-dir von Hinaufgesagtem’ niet op zijn boerenfluitjes vertaald als ‘Over iets waar- en vooruit- en aan-je-voorbij- over omhooggezegds’, maar hij heeft het ten dienste van de Nederlandse lezer ontvlochten: van de vier samengetrokken deelwoorden heeft hij er één door een synoniem, ‘voorspeld’, vervangen en drie door een bijzin met ingesloten antecedent (m.i.a.), met nog één extra ‘over’. De komma na ‘over wat ten hemel gesproken is’ staat daar omdat bijvoeglijke bijzinnen m.i.a. tussen komma’s staan, en niet omdat (23) een uitbreidende bijzin zou zijn. (23) is een beperkende bijzin, net als alle andere bijvoeglijke bijzinnen die in dit gedicht een item inperken.

Met (24) zit het anders. In de context van het uurwerk twee regels verder vat ik de ‘Herzsteine’ > ‘hartstenen’ op als de lagerstenen (Van der Luit 2012) in het binnenwerk, het hart van een horloge, waar de asjes in draaien. Maar ook: een ‘eigen hartsteen’ komt uit het hart, zodat het uitspugen ervan, evenals het waar- t/m ten hemel spreken, als het luchten van het hart is. Het is denkbaar dat er veel van die ‘hartstenen die men uitspuugde enz.’ zijn – je lucht vaak genoeg je hart –, maar zonder komma na ‘hartstenen’ lijkt het alsof dat spreken net is als één van de eigen uitgespuugde hartstenen, en dan is het onbegrijpelijk waarom het niet net als de andere is. Met komma lukt het wel: dan is het waar- t/m ten hemel spreken net als één van de hartstenen, want die ene spoog men uit enz. (24) is een uitbreidende bijzin.

Vijf komma’s
Ik heb ruim 3000 woorden gebruikt om te pleiten voor het toevoegen van vijf komma’s aan de vertaling: zover heeft dit stukje grammatica mij gebracht. Als dat geen zuivere wetenschap is! Waarbij het goed mogelijk is dat Ton Naaijkens zich door heel andere overwegingen liet leiden bij zijn kommagebruik dan schoolgrammaticale; door de ritmiek van het vers bijvoorbeeld. Maar het bekijken van de kleinste details van een vertaling is een van de leukste dingen om te doen, vind ik, zeker als het een zo vakbekwame vertaling van een zo monumentale tekst betreft.

 

Noten
1 En wel het klassieke voorbeeld: ‘De jongens die te laat waren moeten nablijven’ bevat een beperkende bijzin, die preciezer aangeeft welke jongens moeten nablijven en welke andere dus niet. In ‘De jongens, die te laat waren, moeten nablijven’ staat een uitbreidende. In dit geval moeten de, dus alle, jongens nablijven, en de bijzin beperkt dat aantal niet. Deze uitbreidende bijzin motiveert het moeten nablijven: je kunt er ook een woord als ‘immers’ in invoegen. Of ‘echter’: ‘De meisjes, die echter te laat waren, krijgen geen straf’. Zul je altijd zien, die meiden worden ontzien, en allemaal, hè? Meer uitleg in de recent verschenen (elektronische) Algemene Nederlandse Spraakkunst, 14.5.8.3.iii, § 2.
2 Eigenlijk 39, want nummer (7) bevat twee van die relatiefzinnen: ‘Die / Geschlechterkette, / (7a) die hier bestattet liegt und / (7b) die hier noch hängt, im Äther, […]’ > ‘De / telgenketen / (7a) die hier begraven ligt en / (7b) die hier nog hangt, in de ether, […]’. Deze 38 zijn bijzinnen met een apart antecedent, als Geschlechterkette / telgenketen in de vorige zin. Bijvoeglijke bijzinnen m(et) i(ngesloten) a(ntecedent) heb ik niet bekeken; bijvoorbeeld: ‘du erzählst ihm, / was er schon weiß’ > ‘je vertelt hem / wat hij al weet’ (p. 354/5). Ook bijvoeglijke bijzinnen, al dan niet m.i.a., in de vertaling die corresponderen met iets anders dan een Relativsatz in de brontekst heb ik buiten beschouwing gelaten. Dat andere betreft dan een hoofdzin (op p. 352/3): ‘Am Anhalter / Bahnhof / floß deinen Blicken ein Rauch zu, der war schon von morgen’ > ‘op Anhalter / Bahnhof / stroomde er rook over je blik, die al van morgen was’; of het betreft zelfstandig gebruikte infinitieven of deelwoorden, als: ‘Vergessenes griff / nach Zu-Vergessendem’ > Wat vergeten was greep / naar wat vergeten / hoorde’ (p. 348/9), ‘Überzwerg, Affenvers, Schrägmaul / mimten Gelebtes’ > ‘Mafkees, Apenvers, Scheefbek / mimeden wat ooit leven was’ (p. 352/3) en ‘die / durch die Sternwüste Seele Geführten’> ‘zij / die gegidst werden door de / sterrenwoestijn ziel’ (p. 366/7). Nog een voorbeeld, ‘Hinaufgesagtem’ op p. 360/1, bespreek ik verderop, bij zin (23) en (24).
3 Nog zo’n monumentale rechtopstaande zwijgende steen: in ‘Und mit dem Buch aus Tarussa’ staat ‘im Bannkreis erreichter / Ziele und Stelen und Wiegen’> ‘binnen de banmijl van aangetroffen / doelen en stèles en wiegen’ (p. 358/9).
4 (14) ‘ein Du, totlos, / an dem alles Ich zu sich kam’ > ‘een jij, doodloos, / waaraan alle ik bij zinnen kwam’ (p. 348/9) en (30) ‘Von einem Wort, aus dem Haufen, / an dem er, der Tisch, / zur Ruderbank wurde, …’ > ‘Over een woord, uit die hoop, / waaraan hij, de tafel, / een roeibank werd, …’ (p. 362/3) hebben beide in het Duits een beperkende bijzin; de komma ervóór in de vertaling staat daar vanwege de bepaling die tussen het antecedent en de bijzin staat, en die ik hierboven gecursiveerd heb. Dergelijke nabepalingen staan in het Nederlands en in het Duits tussen komma’s. Met (23) is iets vergelijkbaars aan de hand: ook deze bijvoeglijke bijzin wordt voorafgegaan door een komma, maar niet omdat de bijzin uitbreidend zou zijn; ik kom daarop terug bij de bespreking van (24). De bijzinnen (14), (23) en (30) zijn ook in de vertaling beperkend.
5 En als ik nu eens niet ‘Schwarzhagel’ gegoogeld had, en niet al die informatie over dit gedicht had gevonden? Dan zou ik dat woord als ‘zwarte hagel’ geïnterpreteerd hebben, een vorm van neerslag die blijkbaar in Vitebsk en elders viel, en juist die ruime verspreiding maakt de zwarte hagel die (toevallig) in Vitebsk valt minder uniek.
6 De -n van ‘andern’ en ‘allen’ in het Duits is die van de derde naamval meervoud na ‘bei’; deze twee woorden kunnen dus naar de voorafgaande letternamen verwijzen, of meer algemeen ‘de anderen’ en ‘allen’ betekenen, en dan zouden ze op mensen kunnen slaan. Die laatste interpretatie is denkbaar omdat alef, joet en beth hier het jodendom vertegenwoordigen, en omdat beth even later wordt toegesproken. De Nederlandse spellingsregel maakt die ambiguïteit – letters of mensen – onmogelijk, ‘andere’ en ‘alle’ krijgen in het Nederlands alleen een -n als ze op mensen slaan. Daar heeft Naaijkens niet voor gekozen.
7 Het moet verleidelijk geweest zijn om de rijmende woordspeling ‘Verbannte -Verbrannte’ in de vertaling te handhaven. Maar ‘Verbannte’ vertalen met ‘verbande’ zou een germanisme zijn, en Naaijkens doet niet aan germanismen.
8 De elfde strofe bestaat uit het woord ‘Kolchis’.

 

Bibliografie
Algemene Nederlandse Spraakkunst, 14.5.3.8. iii: ‘Bijzinnen die ingeleid worden door een relativum’, § 2.

Art Institute of Chicago: ‘White Crucifixion’: https://www.artic.edu/artworks/59426/white-crucifixion

Bekker, Hugo. 2008. Paul Celan. Studies in his early Poetry. Amsterdamer Publikationen zur Sprache und Literatur, 157. Amsterdam - New York: Rodopi B.V.

Celan, Paul. 2020. Verzameld werk. Vertaald en toegelicht door Ton Naaijkens. Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep.

D(igitales) W(örterbuch) der d(eutschen) S(prache): https://www.dwds.de

Fliedl, Konstanze, Marina Rauchenbacher & Joanna Wolf (eds.). 2011. Handbuch der Kunstzitate. Malerei, Skulptur, Fotografie in der deutschsprachigen Literatur der Moderne. Berlin [u.a.]: Walter de Gruyter.

Luit, Paul van der. 2012. ‘Lagerstenen’, zie: Alles over horloges, 24 april 2012: https://allesoverhorloges.nl/lagerstenen/

Multatuli. 1992. Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy. Ed. Annemarie Kets). Assen/Maastricht: Van Gorcum, 1992. In DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/mult001maxh15_01/mult001maxh15_01_0006.php

Staring, A.C.W. 1995. ‘3. Jaromir te Zutphen’, in: Ruisend valt het graan. Amsterdam: Em. Querido’s Uitgeverij, p. 36-41. In DBNL: https://dbnl.org/tekst/star003ruis01_01/star003ruis01_01_0010.php

‘Stiege’, in: D(igitales) W(örterbuch) der d(eutschen) S(prache): https://www.dwds.de/wb/Stiege

Thalmaray. 2018. ‘De “Librije”: de behekste bibliotheek van het Nederlandse Zutphen’, zie: Recordatio.nl, 11 november 2018: https://recordatio.nl/2018/11/10/de-librije-de-behekste-bibliotheek-van-het-nederlandse-zutphen

Waart, Bert de. 2021. ‘Klinkende munt’, Webfilter: Vrijdag Vertaaldag, week 26:

https://www.tijdschrift-filter.nl/webfilter/vrijdag-vertaaldag.aspx