Vertaaldag  Archief

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Vertalers heb je in soorten: verslag van een vertaalconsument

Floris Cohen

Onlangs heb ik in Webfilter Mark Polizzotti’s Vertaalmanifest besproken. Ik deed dat niet als vakman maar in mijn hoedanigheid van vertaalconsument. Weliswaar heb ik zelf wel eens wat strikt academisch proza vertaald, maar dan toch altijd in samenwerking of overleg met Engelstalige vakgenoten — het soort overleg waar Polizzotti niet naar lijkt te talen (link naar recensie). Maar goed, hij is vertaler van zijn vak, en wie weet kan zo iemand het misschien wel zonder enig collegiaal overleg af. Wat me intussen in het manifest van deze voltijds beroepsvertaler nog veel sterker opviel, is dat er van iets als vakbekwaamheid al evenmin enige sprake was. Is vakbekwaamheid dan soms ook al een aspect van vertalen waar de professional geen omkijken naar heeft? Met andere woorden, kan ik als auteur me daadwerkelijk veroorloven wat voor de meesten onder ons vanzelf lijkt te spreken, namelijk dat we blind menen te kunnen varen op het vakmanschap van de vertalers die, van de uitgever of van onszelf, ons werk onder handen krijgen? Deze column is gewijd aan mijn eigen ervaringen met de professionele vertaling van diverse betogende teksten, en ik doe dat als soms zielstevreden maar helaas ook nogal eens diep getergd vertaalconsument.

De tevredenheid voorop. Mijn eerste vertaler was wijlen Jop Spiekerman, een zeer begaafd leraar Engels en tegelijk beroepsvertaler, die uit vriendschap enkele van mijn stukjes heeft vertaald voordat hij me ertoe bracht mijn academisch proza voortaan zelf direct in het Engels te gaan schrijven. Wat ik bovenal van hem geleerd heb, is dat een vertaler geen machine is, niet een soort automaat waar je aan de bovenkant de oorspronkelijke tekst in giet en waar dan na wat draaien aan een wieltje en enig veelbelovend gerinkel de vertaalde tekst onderaan uit komt rollen. Wat ik verder van Jop leerde, is dat de auteur van een wetenschappelijk betoog er goed aan doet de vertaler al voordat die aan het werk gaat te voorzien van de in het betoog gehanteerde vaktermen.

Toen ik, decennia later, van het duo Andreas Ecke en Gregor Seferens de volledige concepttekst van Die Zweite Erschaffung der Welt (vertaling van De herschepping van de wereld) kreeg toegestuurd, was dat een bijzonder prettige ervaring. Van een stijlverschil tussen beide vertalers was niets te merken; beiden hadden zich heel goed in het Cohens, maar dan op zijn Duits, weten uit te drukken. Ze hadden verder in de oorspronkelijke tekst wat foutjes aangetroffen, met de vraag erbij of ik met verbetering akkoord ging; omgekeerd trof ik in hun vertaling pakweg om de bladzijde een vergissinkje of een onnauwkeurigheid aan, die zij op hun beurt corrigeerden zonder zich op hun teentjes getrapt te voelen. Zo hoort het, het was een plezier om met ze te werken, en het eindresultaat kon en kan gerust puik worden genoemd.1


Vanuit dat Duits is het boek vervolgens doorvertaald in het Chinees. Anders dan de twee Duitsers is deze vertaler, Zhang Butian geheten, zelf ook wetenschapshistoricus. Hij stelde zich in het bezit van een pdf van het oorspronkelijke boek, en algauw werd ik bekogeld met mailtjes van het type ‘Professor, ik ken wel geen Nederlands, maar in het Duits ziet dit woord of deze zin er heel anders uit dan in het Nederlands, klopt die Duitse vertaling wel?’ Soms moest ik erkennen dat zowel Ecke en Seferens als ikzelf in de Duitse vertaling een vergissinkje over het hoofd hadden gezien, en dat dus de Chinese vertaling nog weer beter was dan de Duitse (weliswaar kan ik dat niet zelf beoordelen, maar enkele sinologische collega’s hebben me verzekerd dat Zhang echt een heel betrouwbaar vertaler is).

Helaas is met dit drietal aan mijn onverdeeld goede ervaringen een eind gekomen. Ten tonele verschijnt thans de vertaaltrol, een term door mij geïntroduceerd enige tijd nadat mijn geliefde mij vroeg of ik eens wou kijken naar de haar in concept toegestuurde Engelse vertaling van een hoofdstuk waarvan zij het laatste, derde deel had geschreven. Het boek ging over de stad, het hoofdstuk ging over de literaire geschiedenis van de stad, met bijdragen van achtereenvolgens Herman Pleij, Lia van Gemert en Marita Mathijsen, alle drie bekend als schrijvers van glashelder proza. Maar aan de vertaalde tekst liet die eigenschap zich niet bepaald aflezen: er viel met de beste wil van de wereld geen touw aan vast te knopen. Ik zag in dat geen lezer door het ondoordringbaar koeterwaals waarin ook de eerste twee delen van het hoofdstuk waren vervat nog aan Marita’s bijdrage toe zou komen, en zo toog ik, in overleg met het trio, aan het hervertalen — een klus van een volle week, die (anders dan de stellig conform geldend tarief gehonoreerde vertaaltrol) uiteraard als liefdewerk geheel gratis diende te geschieden. Hieronder een kleine doch representatieve keuze:

Mathijsen (Bilderdijk samenvattend en op het eind citerend): ‘Jonker Edmond is te paard op weg van Brunswijk naar Hildesheim, door een moerasachtige heide. Zijn vrouw, zo stelt hij zich voor, is ongerust omdat ze hem ‘in den hollen donkren nacht / Op d’ijsbren weg verloren acht’.
Yeadell (Anna; ‘Freelance (Academic) Editor and Translator (Dutch to English); Lecturer in Professional Writing’): ‘Nobleman Edmond is on horseback on the way from Brunswijk to Hildesheim, through a marshy heathland. His wife, as he introduces her, is uneasy because “in the dead of night / On an ijsbren [?? AY] he loses his way”.’

Mathijsen (over Klaasje Zevenster): ‘Haar gezondheid keert terug als ze met haar teruggevonden moeder en grootvader op het platteland ...’
Yeadell: ‘Her health deteriorates when she moves back into an outhouse with her rediscovered mother and grandfather in the countryside.’

Pleij: ‘De stad had de op de wereld gerichte intellectueel geschapen, en om hem heen ...’
Yeadell: ‘The city focused on the intellectual world it created and surrounded itself with ...’

Pleij: ‘Bovenal is hij goed toegerust om gewassen te rooien en te hakken ...’
Yeadell: ‘Above all, he is well prepared to wash, to dig and to chop ...’
[zelfs in 2011 kon Google Vertalen het, ofschoon verre van foutloos, al beter: ‘Above all, he is well equipped to harvest crops and chopping ...’]

Kan het erger? Ja lezer, het kan erger. De vertaaltrol, niet in staat om ‘terugkeren’ met ‘to return’ te vertalen of ‘voorstellen’ en ‘zich voorstellen’ uit elkaar te houden, is het dan toch wel degelijk gelukt om ‘heide’ met ‘heath’ te vertalen. Maar er zijn ook beroepsvertalers, of er is er althans één, die ‘heide’ bij de auteur terugbezorgt als ‘meadow’. Zo kan het gaan als een vertaler, ditmaal een hij, nalaat met wie dan ook collegiaal overleg te plegen; verder met geen woord ooit ingaat op het toenemend bezorgde, kritisch commentaar van de auteur (onder heel erg veel meer dat een heide en een weide toch echt niet hetzelfde is); vervolgens, na door de auteur te zijn voorbereid op korting op de overeengekomen honorering wegens inmiddels ruimschoots gebleken wanprestatie, de correspondentie beëindigt en van het vertaalcontract misbruik maakt om per advocaat met een rechtszaak te dreigen in zijn woonplaats Rome, waar uiteraard geen rechter een zinnig oordeel kan vellen over wat wel en wat niet een adequate vertaling van een Nederlandstalige tekst is; en die tenslotte zichzelf in het afsluitend compromis-document door zijn advocaat laat omschrijven als ‘un esperto traduttore, specializzato in lavori di elevata qualità’. Nu mag de man zichzelf van mij best geweldig blijven vinden, alleen zou, na mij, geen auteur meer het slachtoffer van ’s mans geknoei moeten hoeven worden.

Ja, allicht heeft Peter Mason (want zo heet hij) niet alleen maar knoeiwerk geleverd; ik had hem niet zonder reden uitgekozen en er kwamen wel degelijk in zijn vertaalwerk enkele fraaie vondsten tevoorschijn.2 Ik schreef bijvoorbeeld: ‘Die recapitulatie loopt uit op de fameuze slot-alinea, een prachtige uitsmijter waarin Darwin op voor het eerst ietwat gezwollen toon over het schijnbaar zo bleke, kale beeld van verleden, heden en toekomst van het leven op Aarde dat uit het hele betoog oprijst een geur van hoger honing weet te hangen’, in mijn voor Mason bijgeleverde notities uitdrukkelijk vermeldend dat ik begreep dat je een toespeling op een gedicht van Nijhoff niet letterlijk kunt vertalen. Met dank aan Keats’ gedicht To Hope kwam de zin er, erg mooi, zo uit te zien: ‘That recapitulation culminates in the famous final paragraph, an almost poetic conclusion in which Darwin opts for a slightly more exalted language to shed an ethereal balm upon the seemingly bare heath of the past, present and future of life on earth that emanates from the whole argument.’

Maar hier stond wel erg veel tegenover, en dat bij een vertaler die maar liefst € 0,20 per woord rekent — dit op grond van zijn verheven kwaliteit en zijn uitstekende reputatie bij vakgenoten van me die (moest ik achteraf constateren) blind op zijn werk hebben gevaren en zijn blijven varen. Geregeld was de handeling van het lezen zelf al te lastig voor deze vertaler van verheven kwaliteit: toen ik, noodgedwongen, eenmaal aan het woord-voor-woord controleren was geslagen, kwam ik letterlijk tientallen over het hoofd geziene woorden, zinsneden, zinnen en zelfs tweemaal een onvertaald gelaten volle alinea tegen. Wat tal van toch echt niet zo rare, laat staan onopzoekbare Nederlandse woorden betekenen, kon ook te moeilijk voor hem wezen; zo onderging ‘de veldpredikant Borowski’ een metamorfose tot ‘itinerant preacher’, werd ‘aanprijzen’niet vertaald als ‘to advertise’ maar als ‘to praise’, en (het ergst van al) bleek voor meneer de vertaler het verschil tussen ‘toonbaar’ en ‘aantoonbaar’ te hoog gegrepen te zijn. Dit was daarom zo catastrofaal omdat de zinsnede in kwestie op het eind staat van een lang hoofdstuk over Kant, dat als hoofdstrekking heeft dat die erop uit was het geloof te onttrekken aan de sfeer van het bewijsbare. En zo kwam mijn zinsnede over een Kant die mogelijkerwijs niet van zins was ‘... zijn vrienden de voorpret of althans het kalme vertrouwen op een ietwat toonbaar hiernamaals te bederven’ eruit te zien als ‘a possible desire not to deprive his friends of the pleasurable anticipation or at least calm trust in a vaguely demonstrable afterlife’. Ja beste lezer, het spijt me heel erg, maar u hebt collega’s die van uw prachtige vak een potje maken en daarmee ons, auteurs, tot een waakzaamheid dwingen waar we het zoveel liever zonder zouden willen stellen.

En dan is er nog de Nederlandse grammatica. Toegegeven, ik schrijf soms lange zinnen, maar op hun pootjes terecht komen ze uiteindelijk altijd. Of is er iets mis met de zinsconstructie in ‘Aan die polarisatie droeg in hoge mate ook een vraag bij die soms openlijk werd gesteld maar vaker in de afwijzende beschouwingen geïmpliceerd bleef’? Dacht het niet. Toch kwam er in het Masons dit tevoorschijn: ‘That polarisation also made a major contribution to a question that was sometimes raised in the open but was more often implicit in negative reviews.’ Lezer, lust u nog peultjes? (‘reader, do you still lust after snow peas?’).

Een schrijver heeft ook nog een eigen stijl. Geen enkele moeite heeft Mason, anders dan het Duitse duo, gedaan daar ook maar iets van te handhaven. Erger nog, overal daar waar ik mik op terminologische consistentie (Kants ‘Grenzen = grenzen ’ overal als ‘boundaries’, en diens ‘Schranken = beperkingen’ overal als ‘limits’, zoals ik Mason van te voren uitdrukkelijk had laten weten) heeft hij maar raak nu eens de ene, dan weer de andere of zelfs een derde term gekozen. Varieerde ik er daarentegen ter stilistische afwisseling lustig op los, dan kwam hij keer op keer met exact dezelfde saaie term aanzetten. Over aangelegenheden als zinsmelodie en ritme zwijg ik nu maar — van zoiets lijkt de man, met zijn abonnement op duffe, slap aflopende zinnen, nog nooit te hebben gehoord.

Tja, lezer, wat moet u, als vakbekwaam vertaler, er nu mee aan dat er naast Spiekermannen, Eckes, Seferensen en Zhangs ook, en dat zonder waarschuwingsbordjes, Yeadells en Masons onder u verkeren? Laat me nog even terugkomen op dat vertaalmanifest van Polizzotti. Wat me er algauw zo in ging tegenstaan, is ’s mans welhaast potsierlijke zelfingenomenheid. Die bleek uit alles: geen woord besteed aan de wenselijkheid van collegiaal overleg of zelfs maar aan de eis van vakbekwaamheid, verder de nauw verholen zelf-felicitatie en bovenal de even overspannen als nodeloze pretentie, die de kern van zijn manifest uitmaakt, dat de vertaler eigenlijk creatief de evenknie is van de auteur zelf. Het is een fatale houding, mij pas goed duidelijk geworden door wat ik heb meegemaakt met die vertaler van verheven kwaliteit en hoe diens zelfingenomen incompetentie me minstens drie volle, uiteraard volledig onvergoede maanden heeft gekost om, woord voor woord en zin voor zin, me mijn eigen boek weer toe te eigenen. Beste lezer-vertaler, gelukkig weet ik maar al te goed dat het anders kan, en in de regel ook anders gaat. Maar ik kon de aandrang niet weerstaan u op de hoogte te stellen van de diverse soorten ervaring die althans één brandend in vertaalkwesties geïnteresseerd auteur, nu en dan ronddwalend in uw vakgebied, daar mettertijd heeft opgedaan.

 

Noten
1 De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard. Amsterdam: Bert Bakker (Prometheus), 2007; in het Duits vertaald als Die zweite Erschaffung der Welt. Wie die moderne Naturwissenschaft entstand. Frankfurt a/M: Campus Verlag, 2010.

2 Het knagende weten. Amsterdam: Bert Bakker (Prometheus), 2015; in het Engels vertaald onder de voorlopige titel ‘Unsettling Knowledge. Kepler to Einstein in Eleven Written Portraits’.

 

H.F. (Floris) Cohen is emeritus hoogleraar in de Vergelijkende Geschiedenis van de Natuurwetenschap aan de faculteit Geesteswetenschappen van de  Universiteit Utrecht. Hij is ook, als Society Editor van de History of Science Society, redacteur van het tijdschrift Isis.

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.