Vertaaldag  Archief

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Typische Scheiße

Ton Naaijkens

Een zwakker zwak voor kunst en literatuur heb ik nooit gehad dan voor het werk van Dieter Roth (1930-1998). In de jaren zeventig stond ik als cultureel broekie paf van iemand die maar meteen begon met het uitventen van zijn Gesammelte Werke – in kloeke en vele delen nog wel en soms louter bestaande uit herhalingen of paginalange variaties van het papier waarop iets gedrukt stond. Later liep ik het kunstwerk Roth tegen het lijf in de diverse musea of als musea ingerichte fabriekshallen zoals die van het Hamburger Bahnhof in Berlijn. Nu de tijd verstrijkt en ik Roth wederom tegenkom via een boekje dat Time passes, so does life, it seems heet, heb ik spijt dat ik het tussen 1992 en 2004 veel te druk dacht te hebben met mezelf en het eigen leven. Ik begrijp dat intussen, wijs geworden, als een constructiefout in de manier waarop ik menselijke ervaring opdeed. Druk heb je het nooit, want als je iets anders gaat doen heb je het nog drukker (want iets erbij). In de genoemde periode had ik namelijk het schimmelmuseum moeten bezoeken dat Roth aan de Alsterchaussee in Hamburg had ingericht (gelukkig is er nog een beetje van gered, zie: https://www.dieterrothmuseum.org/en/moldmuseum/). Binnen moet het geroken hebben naar beschimmelde chocola, beschimmelde suiker en beschimmelde kruiden, materialen die Roth gebruikte in zijn installatie; het zich buiten ophopende tuinafval hoorde daar ook bij, begrijp ik. Ik kocht documentatie erover bij de meest bijzondere boekhandel van Nederland: Boekie Woekie in de Amsterdamse Berenstraat. De man die er aan het werk was verdween schielijk naar achteren toen ik te dichtbij kwam; de vrouw achter de ontbrekende kassa hielp me, op een langzame, ik zou nu zeggen: IJslandse manier. Het moeten Jan Voss en Rúna Thorkelsdóttir geweest zijn, vrienden van Roth die ongetwijfeld ook met hem gegeten moeten hebben in Chez Donati in Bazel: daar hing volop Roth-kunst, die vermoedelijk eveneens verdwenen is, maar het restaurant (‘een instituut’) is er nog. Ik zet het op mijn toedoelijstje, pal na IJsland, waar Roth woonde en eenmaal in het buitenland bij vrienden de koffie bestelde die daar exclusief te krijgen is – ‘To his regular orders for coffee from Iceland, Dieter Roth  occasionally added short phrases, such as: Time passes, so does life, it seems, okay?’ In goed Duits: ‘Die Zeit vergeht, das Leben selbst scheints ebenso, o.k.?’ De tijd vergaat, het leven ook, schijnt. En dan tot slot dat ‘o.k.’: alsof je er gewoon mee instemt – geen simpele berusting maar iets waarvoor je officieel tekent. Het heeft alles weg van een geloof.

In het bovenstaande sloeg ik aan het vertalen, op verschillende manieren zij het mondjesmaat. Ik vertelde in mijn taal wat ik in een andere taal las en zag; ik vertaalde ‘echt’ (comme il faut, entre nous); en ook vertaalde ik wat me overkwam in leefregels. Om dat laatste gaat het natuurlijk, maar zo nu en dan beperkt zich voor iemand als ik de blik tot boeken (het spijt me). Vertalen heb ik allemaal nooit gedaan met de meest historische bundel in mijn eigen leesleven: typische Scheiße (met in piepkleine lettertjes op de eerste editie van 1973: Frühe Schriften und). Ik zie nu dat dat eigenlijk een volkseditie is van het uitgebreidere Gesammelte Werke 13 (edition hans mayer: Stuttgart, London, Reykjavik 1972) dat als titel en ondertitel scheisse. vollständige sammlung der scheisse gedichte mit allen illustrationen draagt. En zo steeg van de weeromstuit mijn kennis van het Duits, al besefte ik pas later echt wat dat ‘typische’ betekende – een keuze uit de hele zooi, gemaakt door de inmiddels ook al overleden Oswald Wiener (1935-2021).1 Vreemd genoeg – en wat zegt dat over mij – herinner ik me van de scheisseteksten vooral de keurige het best: ‘ALLES IS HET / EN DIT NOG HET MEEST: ALLES / WORDT HET WEINIG / WORDT HET NOG WEINIGER DIT’, vertaal ik nu (zonder sic achter dat bij ons helaas verboden ‘weiniger’). En dit gedicht: ‘(Aan D.) // Dat daar, dat je daar hebt / doet me fernweh, / ofschoon ik gernsteh, / sterngeh ! / Dat ik je fernseh !’ Ik vertaal dat maar even halfbakken, afgeleid door de piepkleine lettertjes die in die bundel onder alle teksten staan en doorlopen – en een verhaal vertellen. Een grap allemaal, dacht ik destijds – en ik had een beetje gelijk maar vooral ongelijk. Ik zie ook nu pas dat ik een kunstwerk (‘Originalgrafik’) had kunnen bestellen (‘von D.R. en O.W.’) door 50 mark op te sturen naar O. Wiener, D – 1 Berlin 37, Beerenstrasse 48. Als ik dat geweten had, had ik de ernst vast ingezien en was ik wijzer geweest. Al met al denk ik dat ik meer dan ik besefte gegrepen werd door de onverbloemde creativiteit die zich daar mateloos ontvouwde. Dat het ook een grap was telt dus van geen kanten.

Hadden we als vertalers maar hetzelfde lef als Dieter (ook wel Diter, eigenlijk Karl-Dietrich) Roth, die Zwitser uit Reykjavik. Deden we maar meer met happenings en andere fluxusacties. Maakten we maar meer vertaalinstallaties en lieten die vervolgens beschimmelen of wegsmelten, wat dan ook. Hadden we maar wat meer lak aan wat lak verdient – maakten we maar gewoon wat we willen maken, hadden we maar gewoon plezier. Ik ga met mezelf op de loop: het vertaalgebeuren is één grote bondagesessie – we worden bij het leven ingesnoerd door strakke deadlines, scherpe tarieven en bindend uitgeversgedrag– en het is maar afwachten of het wellust opwekt in erogene zones of onze feromonen aanjaagt. Dit allemaal nodigt me spontaan uit tot hernieuwde aandacht voor de typische Scheiße en dus tot vertaling:

Daar boven

Op een coole berg,
tegen een huiswand,
achter een raam,
bij zonneschijn,
voelde ik me onpasselijk worden,
voelde ik me zoet worden,
en toen heeft hij me afgemaakt,
die innerlijke dwerg
met z’n gegym
tussen mijn oren.

Ja, die innerlijk dwerg ken ik goed. Hij leidt me naar een ander gedicht in de bundel, dat minder afleidt dan aan het denken zet:

Dat, als de zon nog eens schijnt,
de Weense liederen nog eens weerklinken,
en ons onder groen lover,
bij wijn,
de dood aankijkt
of toekijkt,
klein, uitgedroogd en kromgetrokken.

Juist die teksten zijn het die in me terugkomen van wat ik krap vijftig jaar geleden verbaasd maar aandachtig moet hebben gelezen. Wat dat zegt weet ik niet en is hoogstens interessant voor mezelf. Ik zie wel dat de bundel opent met een intrigerend statement: hoe ingewikkelder (samengestelder) een verschijnsel is, hoe zinvoller het is.2

 

Noten
1 ‘ausgewählt und mit einem Haufen Teilverdautes von O. Wiener’. Het is een uitgave in de reeks Sammlung Luchterhand
2 Geen idee van wie die zin is. Vermoedelijk van Wiener. Het is en blijft een merkwaardig boek, waaruit moeilijk controleerbaar te citeren is. Aan paginanummers doen Roth en Wiener in typische Scheiße niet.

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.