Als vertalers elkaar ontmoeten, hoe bevriend ze ook zijn, gaat het gesprek toch vroeg of later over vertalen. Onlangs gebeurde dat in Gent. En ging het eigenlijk wel over vertalen?
Ik was er met mijn co-vertaler Herbert neergestreken bij Désirée en Philippe, oude vrienden en collega-vertalers, de aanleiding was de emeritaats-viering van een andere oude vriend, neo-latinist. We hadden nog twee uurtjes te besteden voor onze trein weer zou vertrekken en D. stelde een wandeling naar een Begijnhof vlakbij voor dat we nog niet kenden. Het was een prachtige herfstdag, nazomers mild en licht. Om het grote grasveld heen, zeker vijf keer zo groot als dat van het Amsterdamse begijnhofje, net als het hofje zelf ook, stonden de lindebomen goudgeel te verkleuren. Geen mens te zien, alleen een poes lag languit op een stoep te zonnebaden. Anders dan in Amsterdam verstoppen de voortuintjes in Gent zich achter hoge wit gekalkte muren. Van de tuinen zie je dus eigenlijk niets, behalve: ‘Kijk!’, riep Désirée, ‘The last rose of summer!’
We keken op en zagen een rode roos in volle bloei net boven de muur uit piepen. Wat mooi, riep ik en vulde aan: ‘Bloeien de laatste rozen niet in november’, zoiets staat me bij, en het is nog maar begin oktober. Zegt Judith Herzberg dat niet ergens?’
We gingen op een bankje op het grasveld zitten. Herbert zocht het even op, en ja hoor, het staat in een gedicht gepubliceerd in 1980 in Tirade, en later in de bundel Botshol waaruit ik een klein aantal gedichten in het Duits had vertaald. ‘Het ziet er heel anders uit, zo op de telefoon met regels die anders zijn afgebroken,’ zei ik en memoreerde het belang dat Herzberg hecht aan veel wit rond elk gedicht. ‘Heb je dit vertaald’, vroeg Désirée. Nee, antwoordde ik, ‘ik vermoed dat er te veel binnenrijm in zat waar ik me geen raad mee wist...’
‘Trouwens’, zei Désirée na een tijdje, ‘wisten jullie dat Erwin M. hier woont?’
‘Echt waar?’, zei ik, ‘ik dacht dat hij ergens buiten de stad woonde. Onlangs nog heb ik met hem gecorrespondeerd, het is lang geleden dat ik nog iets van hem vertaalde!’
Ooit had ik zijn roman Godenslaap met Herbert vertaald, een van de mooiste vertaalopdrachten ever, en ik had er de Else Ottenprijs voor gekregen, uitgereikt in Berlijn, opgeluisterd door de aanwezigheid van de auteur. Later vertaalde ik af en toe kortere teksten van hem, altijd boeiend en een genoegen. Tot hij een dialoog voor Johan Simons had geschreven die ik zou vertalen, en ik zo naïef was geweest om geen contract van Simons te eisen. Het was in de Coronatijd, het stuk werd niet opgevoerd, en Simons stelde de vertaling uit. Ik had geen poot om op te staan... en nam het Erwin kwalijk...
‘Ach’, zei Désirée, ‘jij en ik, we zijn inmiddels toch oude rotten in het vak, en toch overkomt het ons nog steeds dat we ons niet weerbaar genoeg opstellen!’ Zelf had ze onlangs nog vervelende perikelen met een opdrachtgever gehad. Zal de vertaler altijd een quantité négligeable blijven, vroegen we ons af. We kennen het allemaal, en meestal staan we op onze strepen, ik herinner me zelfs dat ik ooit een advocaat van de (Duitse) vakbond in de arm heb genomen, en gelijk kreeg, dat wil zeggen een ruime schadevergoeding, voor het feit dat mijn naam bij de herdruk van een door mij vertaald boek niet was overgenomen. Toch zijn er steeds weer van die valkuilen waar je intrapt als je even niet alert bent!
Gelukkig heelt de tijd wonden. Toen ik recentelijk in een Vlaams dorpje voor een restaurant stond met de naam Het Mortierken, besefte ik dat er van mijn kwaadheid weinig meer over was. Temeer daar aan de overkant van het restaurant de zwaluwen, in Amsterdam nog maar mondjesmaat te zien, met tientallen tegelijk onder de dakgoot nestelden. Mijn contact met Erwin stond niets meer in de weg.
Toen Désirée net nog een laatste foto van de laatste roos wilde nemen, ging in de witte muur naast ons bankje een deurtje open, een man en een vrouw kwamen naar buiten en bleven daar al pratend met elkaar staan. Ik dacht: ‘Maar die man, die lijkt toch sprekend... het zal toch niet?’, en Désirée riep: ‘Bent u niet Erwin Mortier?’
‘Jazeker’, zei hij, ‘dat ben ik.’
Herbert liep naar de man en de vrouw toe, was het echt zo lang geleden?
‘Gisteravond heb ik hier in de kapel nog mijn laatste boek gepresenteerd’, zei Mortier, verdween naar binnen en kwam even later terug met twee exemplaren van zijn nieuwe roman Gustave en wij die hij ons overhandigde.
Weg kwaadheid, een nieuwe dag lag voor ons, weerbaar als de laatste roos van de zomer.
Het wordt tijd dat ik weer aan het vertalen sla.
THE LAST ROSE OF SUMMER
Judith Herzberg
De laatste roos van deze zomer staat in November, rose,
voor het raam, en maakt dat ik me schaam. Waarom?
De onbekommerdheid, het voor-chaotische, dat het woord
roos alleen al tot een overtreding maakt.
Het vers-achtige, het zachte, waarnaar ik streef
en dat ik haat. Kijk naar de kaalte achter je
je bent misplaatst. Maak dat je gauw verdort, verrot,
maak haast, de krant voorspelt vanavond vorst.