Geprikkeld door twee referenties in Lieneke Frerichs’ biografie van Nescio zocht ik in de catalogus van het Literatuurmuseum naar een door haar genoemde vroege Duitse vertaling van Nescio’s beroemde verhaal ‘De uitvreter’, gemaakt door een zekere Rudolf Lonnes. Ik deed dat met het vaag omschreven idee voor ogen om bij wijze van afstudeerproject een analyse te maken van deze ongepubliceerde versie uit 1933 in een vergelijking met de versie die zestig jaar later in Duitsland bij uitgeverij Ammann is verschenen (Nescio 1993). Maar een bijvangst van maar liefst tweeëntachtig brieven van diezelfde Lonnes, aan Nescio en negen andere Nederlandse auteurs1, alsmede achttien geaccordeerde vertalingen van zijn hand in typoscript2, gooide mijn plan overhoop. De zoektocht naar een nieuwe koers was begonnen.
Er zijn onderwerpen denkbaar die zich makkelijker in het strakke keurslijf van een masterscriptie laten persen, onderwerpen die duidelijk aan één bepaalde theorie en methode kunnen worden gekoppeld zonder dat er een bont pakket van verschillende, elkaar aanvullende disciplines op losgelaten hoeft te worden. Mijn gewroet in de diverse deelgebieden die de vertaalwetenschap rijk is en die ik in de colleges had zien langskomen leverde een mollenveldje op dat met een goed doortimmerd theoretisch kader begaanbaar diende te worden gemaakt, een activiteit die wel iets wegheeft van het vergeefse draaien aan zo’n lastige Rubik’s Cube.
Een volslagen onbekende vertaler
Een eerste ronde door de catalogi wees uit dat Lonnes en zijn werk in academische kring tot nu toe zo goed als onopgemerkt waren gebleven. Ik was gestuit op een praktisch volslagen onbekende, jonge Duitse vertaler, die in de turbulente jaren tussen 1928 en 1933 contact had met tien Nederlandse schrijvers, waarvan de meeste rond 1930 nog maar aan het begin van hun schrijverscarrière stonden maar wel al snel, bijvoorbeeld via een (hoofd-)redacteurschap bij een krant of tijdschrift aan invloed wonnen in het Nederlandse literaire veld. Een voorbeeld is Anthonie Donker (pseudoniem van Nico Donkersloot), met wie Lonnes in 1931 een intensief samenwerkingsverband aanging om een tweede bloemlezing met vertaald Nederlands proza in Duitsland uitgegeven te krijgen.3
Wat ik bij mijn eerste bezoek aan het Literatuurmuseum in Den Haag op 27 juni 2023 op het lemma ‘Lonnes’ aan ruw bronmateriaal aantrof, was in zijn gelaagdheid en verpletterende hoeveelheid nogal een ramp voor een studente die alle collegestof van het voorafgaande overvolle studiejaar weliswaar had geabsorbeerd, maar nog lang niet had verwerkt. Maar de vondst bleek tegelijkertijd ook een zegen. Ik was wel weer eens toe aan wat in het voorlaatste Filter-nummer een ‘aandachtsoase’ wordt genoemd: aan het grondig ter hand nemen van een onderwerp dat nog helemaal braak lag, me direct zeer nieuwsgierig maakte en me uitdaagde om eens von Grund auf met de nog maar onlangs verworven vertaalwetenschappelijke kennis aan de gang te gaan.
In de brief van Lonnes aan Nescio (dd. 9 juli 1933), waarin ook de door Frerichs in haar biografie genoemde vertaling van ‘De uitvreter’, getiteld ‘Der Schmarotzer’ zit, doet hij zijn werkwijze uit de doeken. Zo schrijft hij over zijn gewoonte zijn vertalingen altijd ter goedkeuring aan de auteur voor te leggen. Vertalingen zijn in zijn ogen pas echt geslaagd als de auteurs hun eigen werk voldoende in de vertaling terugzien. Hij laat Nescio weten open te staan voor eventuele verbeteringen, waarna hij speciale aandacht vraagt voor de manier waarop hij is omgegaan met het Amsterdamse dialect dat in ‘De uitvreter’ wordt gebezigd. Tevens verontschuldigt hij zich voor het hier en daar weglaten van woordjes ‘denen im Laufe der Handlung keine Bedeutung zukommt’ [die in de loop van het verhaal geen betekenis hebben]. Deze ingrepen zijn gedaan, schrijft Lonnes, om te voorkomen dat een deel van het Duitse lezerspubliek misschien in onbegrip zou afhaken.
Voor mij waren dit krachtige signaalzinnen — veelzeggend in hun beknoptheid en directe formuleertrant — die tot gevolg hadden dat mijn aandacht van ‘Der Schmarotzer’ verschoof naar de man achter deze vertaling. Hier leek een zelfbewuste persoonlijkheid aan het woord te zijn, geen bescheiden vertaler die geruisloos achter het origineel wenst te verdwijnen, maar iemand die zijn eigen vakmanschap serieus neemt en tegelijkertijd nadrukkelijk de auteur van het origineel als toetssteen wil gebruiken.
Rudolf Lonnes (1902–1933) bleek een Duitse dichter, vertaler en literair bemiddelaar uit Neuss (Nordrhein-Westfalen) te zijn, die in de paar jaar vóór zijn vroege dood (hij stierf 27 oktober 1933 op eenendertigjarige leeftijd aan de gevolgen van tbc, na een lijdensweg die veertien jaar daarvoor was begonnen) een opmerkelijke poging deed om Nederlandse en Vlaamse literatuur in Duitsland te introduceren. Op Albert Vigoleis Thelen na4 lijkt geen enkele andere vertaler en/of uitgever (dan de Deutsche Brücke-Verlag) in Duitsland geïnteresseerd te zijn geweest in de schrijvers die Lonnes in zijn debuut en tevens belangrijkste publicatie, de bloemlezing Niederland. Ein Buch junger flämischer und holländischer Dichtung uit 1930 opnam.5
Zijn belangstelling ging in eerste instantie zeker niet uit naar de geijkte namen, maar juist naar het werk van jonge auteurs van dezelfde aanstormende generatie als hijzelf: mensen als Anthonie Donker, Roel Houwink (1899-1987), Anton van Duinkerken, Jan Engelman, Jan Slauerhoff en Theun de Vries. Vermoedelijk bouwde Lonnes, die uit een katholiek nest kwam, zijn Hollandse netwerk uit via zijn eerste contact Albert Kuyle, destijds voorman van de katholieke schrijversgroep De Gemeenschap in Utrecht.6 Niederland werd Lonnes’ belangrijkste publicatie, waarin (zoals de titel aan aangeeft) werk van zowel Vlamingen als van bovengenoemde auteurs is opgenomen.7
Inmiddels wijzer geworden (met dank aan scriptiebegeleider Haidee Kotze, hoogleraar Vertaalwetenschap aan de Universiteit Utrecht) besefte ik dat mijn joekel van een hoofdvraag ‘WIE WAS LONNES?’ misschien te breed geformuleerd was. De vraag diende met de nodige theoretische inzichten in de aanslag te worden ingeperkt. Het zal duidelijk zijn dat het iemand die nog maar net komt kijken in de vertaalwetenschap heel wat hoofdbrekens heeft gekost om op de volgende draaikubusformule uit te komen:
Methodisch sluit de studie aan bij micro-historisch onderzoek, vertaalsociologie, cultuurtransferstudies en Bourdieus veldtheorie. De begrippen habitus, cultureel, economisch, sociaal en symbolisch kapitaal worden gebruikt om Lonnes’ positie tussen het Hollandse en Duitse literaire veld te analyseren. De thematische analyse concentreert zich op twee hoofdvragen: wat de brieven onthullen over Lonnes’ persoonlijke geschiedenis (zijn culturele kapitaal: taalvaardigheid, milieu, loopbaan, fysieke gesteldheid, politieke dispositie, vertaalopvatting en bemiddelaarsrol); en wat zij laten zien over zijn verhouding tot Wilhelm Bachmann (1890-1958) en Carl Hanns Erkelenz (1907-1993), zijnde de mannen achter de Deutsche Brücke-Verlag.
Bij de studie naar een bemiddelaar als Lonnes ontkom je klaarblijkelijk niet aan zo’n flink beladen methodologische gereedschapskist, een die in dit onderzoek naar Lonnes’ habitus overigens bijzonder vruchtbaar is gebleken.
Wát hij bemiddelde (jonge, Nederlandse schrijvers die nog maar nauwelijks naam in eigen land hadden gemaakt) en de blinde energie waarmee hij dat deed — beperkt door een slopende ziekte, gebonden aan een uitgeverij met een geheel ander programma in een op dat moment fors instortende Duitse boekenmarkt — maakt van Lonnes een opvallende figuur, die nieuwsgierig maakt naar zijn biografie en vraagt om een casestudy naar een aantal aspecten die zijn habitus hebben gevormd.
Luctor et Emergo
Door brieven als kernbron een centrale plaats te geven en de inhoud ervan als gids voor mijn onderzoek te laten fungeren kon ik eindelijk met het ‘echte werk’ beginnen: de thematische analyse van de brieven. Vertalersbrieven zijn goudmijnen voor ‘mijn’ soort onderzoek, waarin de vertaler als handelend persoon centraal staat. Ze geven een indicatie van de periode waarin Lonnes als bemiddelaar actief was: van ongeveer 1928 tot enkele weken voor zijn dood op 27 oktober 1933. Ze bieden een uniek inkijkje in de beroepspraktijk van een vertaler in de overgangsfase naar de nationaalsocialistische dictatuur. In het geval van Lonnes laten ze zien hoe culturele bemiddeling concreet in zijn werk ging: via aanbevelingen van derden, het indienen van proefvertalingen, de omgang met correcties van auteurs, kostenramingen, contacten met uitgeverijen, de ontvangst van Lonnes’ vertaalwerk in bron- en doelcultuur en zijn soms ongezouten reacties daar weer op.
Uit Lonnes’ brieven blijkt tevens hoe moeilijk het voor hem moet zijn geweest om in persoonlijk, economisch én politiek steeds ongunstiger omstandigheden zijn werk als vertaler en cultuurbemiddelaar voort te zetten. Ook het literaire klimaat waarin hij opereerde veranderde snel. Herbert Van Uffelen laat in zijn artikel ‘Vom Lückenbüsser zum Bestseller’ en in zijn Moderne niederländische Literatur im deutschen Sprachraum 1830-1990 zien dat de receptie van Nederlandstalige literatuur in Duitsland in de loop van de jaren twintig steeds sterker onder invloed kwam te staan van nationale en völkische denkbeelden (zie Enklaar & Ester 1995: 11-12 en Van Uffelen 1993, hoofdstuk 3). Daarbij moet ‘Nederlandstalige literatuur’ hier nadrukkelijk ruim worden opgevat: in de Duitse kritiek werden de literaturen uit Nederland en Vlaanderen dikwijls gezamenlijk, alsof het om één en dezelfde cultuur ging, besproken. Tegen deze achtergrond krijgt ook de Vlaamse component van Lonnes’ bloemlezing Niederland betekenis. De bundel, die in mei 1930 verscheen onder de ondertitel Ein Buch junger flämischer und holländischer Dichtung, presenteerde bewust literatuur uit zowel Vlaanderen als Nederland. Dat sloot aan bij een Duitse receptietraditie waarin beide delen van het Nederlandse taalgebied vaak gezamenlijk werden beschouwd.
Tegen het einde van het decennium gingen in Duitsland culturele verwantschap, Volkstum en de vermeende Germaanse verbondenheid steeds zwaarder wegen. Het nationaalsocialistische literatuurbeleid, dat al lang vóór Hitlers machtsovername in januari 1933 aan belang won in de literaire kritiek, beïnvloedde de import van buitenlandse literatuur in negatieve zin. De nationaalsocialisten vreesden dat het Duitse volk, als het zich op grote schaal tot buitenlandse auteurs zou wenden, “geistig und sogar rein biologisch“ ten onder zou kunnen gaan. Voor degenen die zich beroepsmatig bezighielden met literaire vertalingen, was dat geen goed nieuws. Met zijn in mei 1930 verschenen bloemlezing Niederland was Rudolf Lonnes de enige destijds in Duitsland werkzame vertaler die van deze tijdelijke bewegingsvrijheid wist te profiteren en een bloemlezing vol onbekende literatuur uit Nederland en Vlaanderen presenteerde.
Zonder zijn twee uitgevers Wilhelm Bachmann en Carl Hanns Erkelenz, die aan het hoofd stonden van de Deutsche Brücke-Verlag, zouden Lonnes’ projecten waarschijnlijk nauwelijks de weg naar de drukkerij hebben gevonden. De uitgeverij bood hem een institutioneel kader en profileringsmogelijkheid, een programma, een mogelijkheid om te publiceren. Maar behalve dat de uitgeverij financieel op omvallen stond, was zijn relatie met de Deutsche Brücke ook om inhoudelijke redenen gecompliceerd. Als men het (beperkte) titeloverzicht bekijkt, wordt duidelijk dat de uitgeverij aansloot bij de destijds zeer sterk gevoelde romantiek van het ‘Rijnland’ en ernaar streefde de Nederrijnse identiteit — misschien wel de puurste vorm van de Germaanse identiteit, zo werd graag gedacht — een literair podium te bieden. Lonnes’ eerste werk werd weliswaar onder de titel Niederland gepubliceerd, maar wel in een reeks met de naam Dichtung deutscher Landschaften. Waar Lonnes juist de eigenheid van de door hem vertaalde Nederlandse literatuur benadrukte, deed zijn uitgeverij precies het omgekeerde. Lonnes, die het project nota bene grotendeels zelf had gefinancierd, accepteerde dit niet en protesteerde hier met succes tegen. In latere uitgeverscatalogi worden zijn titels, overeenkomstig zijn uitdrukkelijke wens, vermeld onder de rubriek ‘Nederlandse letterkunde’.
Kind van zijn tijd
Tegelijkertijd was Lonnes, net als uitgever Erkelenz, kind van zijn tijd. Ook in zijn brieven zijn sporen te vinden van politieke affiniteit met het nieuwe Duitsland. De bezorgdheid die de boekverbrandingen van mei 1933 in Nederland teweegbrengen, doet hij af als sterk overdreven. Ze zijn weliswaar betreurenswaardig, maar zogezegd niet meer dan het werk van enkele opgewonden studenten, waaraan (aldus Lonnes) dankzij allerlei kwaadaardig nepnieuws veel te veel belang wordt gehecht.
Als Lonnes langer had geleefd dan tot 27 oktober 1933, dan zou hij zeker in toenemende mate hebben geleden onder een regering die juist het vertalen en publiceren van veel van zijn favoriete moderne Nederlandstalige auteurs zou hebben beperkt of onmogelijk gemaakt. Lonnes wilde jonge Nederlandse en Vlaamse literatuur in Duitsland bekendmaken, juist omdat hij deze literatuur als zelfstandig, modern en verrijkend beschouwde. Maar vanaf 1933 werd literatuur uit het buitenland steeds sterker beoordeeld op politieke bruikbaarheid, nationale verwantschap en ideologische onschadelijkheid. Nederlandse en Vlaamse literatuur kon weliswaar nog worden toegelaten als ze als ‘verwandt’ of ‘germanisch’ werd gepresenteerd, maar de open, nieuwsgierige, niet-annexerende bemiddelingspraktijk waar Lonnes voor stond, was steeds moeilijker te verzoenen met de nieuwe culturele wind van het regime.
Voor literaire vertalers in Duitsland betekende de opkomst van het nationaalsocialisme niet dat vertaalde literatuur onmiddellijk verdween, maar wel dat het vertalen vanaf 1933 onder directe cultuurpolitieke controle kwam te staan. Met de oprichting van de Reichskulturkammer en de Reichsschrifttumskammer enkele weken na de dood van Lonnes werd de literaire sector, inclusief uitgeverijen, boekhandel, bibliotheken, tijdschriften en vertalers, ingepast in een centraal gestuurd systeem. Hierdoor verloor de vertaler een groot deel van zijn autonomie: De keuze van auteurs, teksten, brontalen en publicatiekanalen werd steeds sterker afhankelijk van de ideologische toelaatbaarheid. Joodse, antinazistische en politiek ongewenste auteurs, vertalers en uitgevers werden uit het literaire veld verwijderd, terwijl bepaalde vertaalvormen die als onschadelijk of ideologisch bruikbaar werden beschouwd, mochten blijven circuleren. Voor een bemiddelaar als Lonnes zou dit waarschijnlijk fataal zijn geweest – het zou ongetwijfeld zijn ondergang hebben betekend.
Vervolgonderzoek
In cultuurtransferonderzoek wordt wel gewerkt met het model van selectie, transport en integratie (zie Jordan & Kortländer 1995). Mijn onderzoek betrof vooral die middelste fase: het transport. Bij Lonnes is transport een enerverend, arbeidsintensief proces. Hij voert een drukke correspondentie, vertaalt, dringt aan, sust, onderhandelt, trekt als het moet de eigen portemonnee, vraagt auteurs om informatie, stuurt teksten naar uitgevers, ergert zich aan vertragingen, regelt recensies en probeert via de radio publiek en een afzetmarkt te vinden. Hij is redacteur, literair agent, vertaler en pleitbezorger tegelijk.
Hier komt Jaap Graves artikel ‘Literarische Vermittler in Theorie und Praxis’ (Grave 2004) in beeld, dat voor mijn slothoofdstuk een nuttige, maar ook licht intimiderende spiegel vormt. Grave waarschuwt dat onderzoek naar literaire bemiddelaars pas echt waarde krijgt wanneer het niet blijft steken in prikkelende levensschetsen of losse receptiefeitjes. De onderzoeker moet het literaire veld verdubbelen – in het geval van Lonnes zelfs verdrievoudigen – om het vervolgens als één veld te benaderen. Grave wijst bovendien op het belang van internationale samenwerking. Dat is geen academische luxe, maar bij dit type onderzoek bijna een voorwaarde. De bronnen liggen in Nederland, Duitsland en ongetwijfeld ook in België.8
Een bemiddelaar bestaat immers alleen in relatie tot zijn positie in de velden waarin hij opereert. Zijn smaak krijgt betekenis in verhouding tot de smaak van anderen. Zijn succes krijgt betekenis als je het kunt afzetten tegen de ideeën, mogelijkheden en beperkingen van uitgevers en tijdschriften die hem dat succes gunnen of met hem in zee gaan. Zijn vertaalpoëtica krijgt pas werkelijk reliëf wanneer we die naast zijn vertaalpraktijk en liefst ook naast dat van zijn contemporaine collega-vertalers leggen.
Vervolgonderzoek zou minstens nog vier richtingen uit kunnen. Eén: Lonnes’ selectiecriteria. Welke auteurs koos hij, waarom juist zij, en hoe verhield zijn keuze zich tot literaire modes, katholieke netwerken, modernisme, Vlaamse beweging, Nederlandse canonvorming en Duitse verwachtingen? Zijn brieven geven aanwijzingen, maar de reconstructie van die smaak vraagt om vervolgonderzoek. Daarvoor dienen ook zijn periteksten, voorwoorden, tijdschriftcontexten, contacten in Vlaanderen, Duitse debatten over Nederlandse en Vlaamse literatuur en zijn verhouding tot andere bemiddelaars te worden geanalyseerd. Twee: zijn positie in de doelcultuur. En hoe verhield Lonnes zich tot andere vertalers en bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland? Wat valt er te zeggen over zijn positie in het Duitse literaire veld? Drie: de vertalingen zelf. Hoe vertaalde hij concreet? Kloppen zijn uitspraken over ritme, toon, ’Nachdichten’, dialect, weglatingen en Duitse leesbaarheid met wat hij feitelijk afleverde? Vier: integratie. We weten dat zijn werk besproken werd, dat Nederlandse auteurs hem prezen, dat Duitse recensenten hem opmerkten, dat hij voor maar ook na zijn dood erkenning kreeg. Maar hoe landden zijn vertalingen werkelijk in het Duitse literaire veld? Wie las ze? Werden ze gekocht? Stonden ze in bibliotheken? Werkten ze door in Duitse kennis van Nederlandse literatuur? Welke rol speelden regionale en landelijke kranten?
Kortom, met Rudolf Lonnes kunnen we nog wel even voort.
Noten
1 De meestal handgeschreven brieven van Lonnes zijn in de loop der tijd druppelsgewijs in het Literatuurmuseum beland (de briefwisseling met Ritter jr. wordt bewaard in de Universiteitsbibliotheek Utrecht). Niet omdat iemand ooit heeft gedacht: laten wij de correspondentie van deze Duitse vertaler veiligstellen — zelfs zijn eigen familie is dat uiteindelijk niet gelukt — maar omdat de tien Nederlandse auteurs met wie Lonnes contact had bij hun dood, inmiddels tot de literaire canon behorend, archiefwaardig genoeg zijn bevonden.
2 Het gaat om teksten van Ina Boudier-Bakker (1875-1966), Antonie Donker (1902-1965), Jan Engelman (1900-1972), Reinier van Genderen Stort (1886-1942), Albert Kuyle (1904-1958), Aart van der Leeuw (1876-1931), Albert Helman, 1903-1996, Emmy van Lokhorst (1891-1970), Jacobus van Looy (1855-1930), Hendrik Marsman (1899-1940), Kees Meekel (1883-1953), Johan de Meester (1860-1931), Eddy du Perron (1899-1940), Rik Roland Holst (1868-1938), Jan Slauerhoff (1898-1936), Arthur van Schendel (1874-1946) en Beb Vuyk (1905-1991).
3 Het is dankzij deze samenwerking dat de in het Literatuurmuseum bewaarde nalatenschap van Donkersloot ook de manuscripten van vijftien van Lonnes’ vertalingen bevat die op zeker moment voor een plek in deze bloemlezing in aanmerking kwamen. Getuige de werktitel Zwölf holländischer Erzähler. Herausgegeben von Anthonie Donker und Rudolf Lonnes (zie ook brief dd. 23 maart 1931 aan Nico Donkersloot, in vertaling te vinden in de bij de scriptie (zie bijlage V: 114 opgenomen geannoteerde editie van alle drieëntwintig brieven die Lonnes aan Donkersloot schreef) hadden ze in eerste instantie twaalf, later vijftien verhalen van evenzovele auteurs in gedachten.
4 Beide heren kenden elkaar, maar de vraag is of ze van elkaar wisten dat ze bezig waren hetzelfde boek te vertalen, namelijk het in 1932 bij Nijgh & Van Ditmar verschenen Het verboden rijk van Jan Slauerhoff. Lonnes leefde te kort om er in politiek-economisch betere tijden de boer mee op te gaan, de vertaling van Thelen (1903-1989) verscheen onder de naam Das verbotene Reich in Duitsland pas in 1986. Thelen liet zich in zijn eerste ‘Holländische(r) Brief’ over de laatste ontwikkelingen in het Nederlandstalige literaire veld positief over Niederland uit (Die Literatur. Monatschrift für Literaturfreunde dd. 1 augustus 1931, pp. 645-647). Hoewel het boek al een jaar eerder verscheen, bekent hij het zelf nog niet gelezen te hebben en zijn gunstige oordeel louter te baseren op de inhoudsopgave van de aanbiedingsfolder van de Deutsche Brücke-Verlag: ‘alles Dichter, die mit Recht verdienen, in Deutschland gelesen zu werden. Hinzu kommt noch, daß sie repräsentativ sind für die jüngste literarische Bewegung in den Niederlanden. Solchem Vermittlertum werden auch die hiesigen zünftigen Kreise ihren Dank gewiß nicht vorenthalten.‘
5 Behalve Theun de Vries, die met een aantal bijdragen in Lonnes’ Niederland is vertegenwoordigd, is geen van de door Lonnes in vertaling uitgegeven Hollandse schrijvers in de periode 1925-1935 door anderen dan door hemzelf vertaald of uitgegeven. En over Van Duinkerken, Donker, Helman, Houwink en P.H. Ritter jr. kan worden opgemerkt dat Duitse uitgevers ook na 1935 überhaupt nooit brood in deze schrijvers hebben gezien (Uffelen, Herbert Van. 1993. Bibliographie der modernen niederländischen Literatur in deutscher Übersetzung 1830-1990. Niederlande-Studien 7. Münster/Hamburg: LIT Verlag).
6 Lonnes schrijft op 5 april 1930 aan Nico Donkersloot dat hij al in 1926 contact heeft gehad met Albert Kuyle. Dat is twee jaar vóór de oudst bewaarde brief van Lonnes, die gedateerd is op 29 december 1928.
7 Daarnaast verschenen bij de dezelfde uitgeverij Deutscher Brücke-Verlag van zijn hand nog afzonderlijk drie titels met werk van respectievelijk P.H. Ritter jr., Marnix Gijsen (1899-1984) en Roel Houwink.
8 Zo’n onderzoek zou wellicht mooi passen in het door NWO gefinancierd onderzoeksproject MAPPI-NED, dat o.m. via vertalers en archiefstukken beoogt transnationale literaire netwerken in kaart te brengen.
Bibliografie
Enklaar, Jattie & Hans Ester. 1995. Wechseltausch. Übersetzen als Kulturvermittlung: Deutschland und die Niederlande. Amsterdam/Atlanta: Rodopi.
Frerichs, Lieneke. 2021. Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh. Amsterdam: Van Oorschot, 373 en 518.
Grave, Jaap. 2004. ‘Literarische Vermittler in Theorie und Praxis‘, in: Leopold Decloedt, Herbert Van Uffelen & M. Elisabeth Weissenböck (eds.), Rezeption, Interaktion und Integration. Niederländischsprachige und deutschsprachige Literatur im Kontext. Wiener Schriften zur niederländischen Sprache und Kultur, Band 3. Wien: Edition Praesens, Verlag für Literatur- und Sprachwissenschaft, 45-64.
Jordan, Lothar & Bernd Kortländer (eds.). 1995. Nationale Grenzen und internationaler Austausch: Studien zum Kultur- und Wissenschaftstransfer in Europa. Tübingen: Niemeyer.
Nescio. 1993. Kleine Titanen. Erzählungen. Zürich: Ammann Verlag.
Uffelen, Herbert Van. 1993. Moderne niederländische Literatur im deutschen Sprachraum 1830-1990. Niederlande-Studien 6. Münster/Hamburg: LIT Verlag, hoofdstuk 3: ‘Der Zeitraum 1914-1945’.
De scriptie van Machteld Bouman is getiteld Was Briefe nicht alles vermitteln können! Rudolf Lonnes (1902-1933): vertaler met een missie.