Week 6: Gys-Walt van Egdom

Vertaaldag Archief

2026

2025

2024

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Het lexicon van gevoelige woorden

Het e-woord

Gys-Walt van Egdom

I'll call you on your shit,

please call me on mine.

Then we can grow together,

make this shit-hole planet better,

in time.

(Propaghandi, Apparently, I’m a PC Fascist)

 

Een boek na jaren weer openslaan: het is altijd een vreemde ervaring. Zo staat me nog bij hoe ik Die Leiden des jungen Werthers een tiental jaar geleden meenam op reis, met de verwachting weer meegesleurd te worden in het rijke gevoelsleven van antiheld Werther. De ervaring was ontluisterend: waar ik rond mijn twintigste nog intens had meegeleefd met de hoofdpersoon, daar vond ik hem ruim een decennium later maar een poseur (of erger nog: een melodramatische karikatuur). Tijdens de kerstvakantie van 2025 had ik besloten La rebelión de las masas van José Ortega y Gasset1 een tweede kans te gunnen. De eerste keer dat ik dit werk las, voelde ik weerstand, tegen de boodschap en tegen de toon (het dedain). Jaren later had ik me weer op dit magnum opus van de Spaanse filosoof gestort, ditmaal tegen de achtergrond van een knisperend geopolitiek hellevuurtje. Tijdens het lezen merkte ik iets vreemds op: de toon bleef me wel tegenstaan, maar de boodschap vond een veel genegener oor.

 

Met enige goede wil zou je Ortega y Gassets gedachtegoed kunnen omschrijven als een neoplatoonse cultuurpolitiek. Hij plaatst een elite tegenover de hombre-masa (de massamens, de mensenmassa) en stelt dat de elite over meer invloed zou moeten beschikken. Het gedachtegoed wekte aanvankelijk weerstand op, omdat ik de opvattingen arrogant, anti-democratisch en zelfs gevaarlijk vond. Nu was ik deze eindejaarsperiode niet ineens om: Ortega y Gasset had niet ineens volkomen gelijk, maar de argumentatie klonk alleszins een stuk steekhoudender.

 

De toenemende waardering voor La rebelión de las masas heeft veel te maken met de overtuiging die vrij recent bij mij heeft postgevat: de overtuiging dat zowel het maatschappelijke als het vertaalwetenschappelijke vertoog bijdragen aan de verkwanseling van de literatuur.

 

In de eerste plaats zien we dat er maatschappelijk een democratisering van de literatuur heeft plaatsgevonden (en nog plaatsvindt). Op zich is die maatschappelijke tendens best begrijpelijk en in zekere zin ook te rechtvaardigen: bepaalde literatuurgenres zijn in het verleden stelselmatig weggezet als genres die (op grond van geuzennamen als driestuiverromannetjes, stationsromannetjes, pulp) nauwelijks bestaansrecht leken te hebben; enig verzet hiertegen was wel zo wenselijk. Toch heeft de democratisering, mijns inziens, gezorgd voor een soort collectieve allergie voor vormen van kunstenaarschap die geassocieerd worden met ‘hoge literatuur’ (waarin literaire middelen op vernuftige wijze worden ingezet om een stilistisch effect te bewerkstelligen).

 

Minstens zo problematisch vind ik de ontwikkelingen die ik opmerk binnen de wetenschap. We zien namelijk dat de marketingmachine van big tech op volle toeren draait en ons het idee geeft dat iedereen nu literatuur (in de meest democratische zin van het woord) kan ‘genereren’. Er zijn tal van handboeken voor wannabe-schrijvers die met behulp van AI hun langgekoesterde dromen kunnen verwezenlijken. Hetzelfde geldt voor vertaling: door de creativiteit van taalmodellen (‘large language models’ oftewel ‘LLMs’) kun je volgens de techies met een paar klikken een literair meesterwerk in je eigen taal beschikbaar maken.

 

Het is de taak van de wetenschap om enig tegenwicht te bieden door op objectieve wijze in kaart te brengen wat de taaltechnologie in werkelijkheid vermag. Door zich op verantwoorde wijze van die taak te kwijten, kunnen we een voorzichtig antwoord formuleren op de vraag: (literatuur) schrijven en vertalen met AI, moeten we dat wel willen? Het probleem is dus dat de wetenschap zich niet heel goed van die taak lijkt te kwijten.

 

Tijdens de ELV-masterclass ‘De zin en onzin van AI’ heb ik in december een opsomming gemaakt van factoren die mij het gevoel geven dat de (vertaal)wetenschap de literatuur te grabbel gooit. Bij elke factor verschaf ik nu een korte uitleg2:

 

·        Vooringenomenheid (bias): niet alle als wetenschappelijk onderzoek gepubliceerde artikelen worden onbevooroordeeld uitgevoerd; in bepaalde gevallen is onderzoek simpelweg gericht op bevestiging van ideeën over de kunde of onkunde van AI;

·        Expertise: sinds een jaar of tien buigen veel wetenschappers zonder letterkundige vorming zich over vraagstukken die zich bevinden op het snijvlak van technologie en literatuurvertaling;

·        Tekstselectie: menig onderzoek rond automatische vertaling van literatuur wordt uitgevoerd met fragmenten (losse zinnetjes) of korte teksten, vaak met (excusez les mots) beperkte literaire waarde;

·        Conceptualisering: in veel onderzoek, zeker onderzoek dat wordt uitgevoerd door onvoldoende onderlegde wetenschappers, wordt nauwelijks de moeite getroost om ‘literatuur’ conceptueel te kaderen en zo het verschil met niet-literaire vertaling inzichtelijk te maken, met als gevolg een simplistische kijk op literatuur en de vertaling ervan;

·        Meting: door beperkte conceptuele grip op literariteit wordt het construct ‘literatuur’ met gebrekkige instrumenten gemeten (literatuur wordt gereduceerd tot rijm, tropen en/of stijlfiguren, of zelfs tot idioom);

·        Beoordeling: bij de beoordeling van de prestaties van technologische tools speelt de (beperkte) deskundigheid de beoordelaars niet zelden parten. In bepaalde gevallen zijn het de onderzoekers zelf die (zonder gepaste vorming) naar de output kijken; in andere gevallen volstaat het om een blik tweetaligen open te trekken.3

 

Al deze factoren vormen, naar mijn overtuiging, een zeer giftige cocktail. Zoals ik de situatie nu gadesla, is de kans dat ‘de wetenschap’ op verkeerde gronden uitspraken doet over de literaire kwaliteit van vertaling enorm. Met alle gevolgen van dien.

 

Daarom denk ik dat, zeker in deze tijden van ’nieuw leiderschap‘, ook in de literatuur het e-woord weer van stal mag worden gehaald. Het is hoog tijd om in de bres te springen voor hernieuwd elitarisme in de literaire wereld. Ik heb het niet over ouderwets snobisme, maar, geheel in de geest van Ortega y Gasset, over een elitarisme geboren uit zorg. De filosoof stelt namelijk dat de mens de mens vanuit zijn wezen genoodzaakt is een hogere instantie (una instancia superior) te zoeken (2010, p. 62).4 Die inborst maakt de mens een nobel wezen: collectief streven we naar dit hoogste goed. Soms, zo stelt Ortega y Gasset, is een mens in staat om dat goed (in zich)zelfte vinden, maar lukt dat iemand niet, dan typeren we die persoon, als ‘massamens’. En de massamens heeft (soms zonder zich hiervan te vergewissen) behoefte aan sturing – sturing die de elite kan geven (‘ hij [de massamens] moet dat hogere goed ontvangen via die ander’ [die dat goed zelf heeft kunnen vinden]’ (ibid.). Ook in de literatuur moeten we misschien die orde(ning) weer nastreven.

 

Betekent dit dat we een onderscheid aanbrengen tussen superieure en inferieure mensen, tussen literatuurkenners en klapvee? Absoluut niet. Waar Ortega y Gasset ons op attendeert, is het feit dat het simpelweg onmogelijk is om overal een juist oordeel over te vormen. Daarom ziet hij de onderwerping van de hombre-masa ook als een nobele, noodzakelijke en bovenal autonome daad. ‘In een goed geordende samenleving handelt de massa niet zelf. Dat is niet haar taak. Ze is op de wereld om geleid, gevormd en vertegenwoordigd te worden en onderdeel te zijn van een groter geheel. – ja zelfs om de massa op den duur achter zich te laten, of hier ten minste naar te streven.’ (2010, p. 162, mijn cursivering). De woorden van Ortega y Gasset zijn ondubbelzinning: de massa kan op den duur zelfs oplossen, maar ze kan het hoogste goed niet bereiken zonder bemiddeling.

 

Zo kunnen we misschien ook naar de literatuur en literaire vertaling kijken. Als we de stem van mensen met een begrensde deskundigheid net zo zwaar laten meewegen in ons literatuurdiscours, dan gaan we weliswaar democratisch te werk, maar verdunt de literatuur. De ruimte van het vertoog zal zich vullen met lawaai, met meningen en andere vormen van zelfbevestiging. Het culturele debat zal verschralen. Maar als we weer ruimte vrijmaken en vrijhouden voor het oordeel van de minderheid met expertise, dan is er een kans dat de waardering voor literatuur weer opleeft, niet slechts in de enge kringen die we met de elite verenen, maar ook in de wetenschap en de maatschappij tout court. 

 

Noten

 

1 Als we Ortega y Gasset in deze context behandelen, dan kunnen we moeilijk voorbijgaan aan zijn vertaaltheoretische tekst ‘Miseria y esplendor de la traducción’ (1937). In dit essay thematiseert de filosoof de onmogelijkheid van de vertaling (de ‘miseria’). De slechte vertaler zal alles in het werk stellen om een evenbeeld van het origineel te scheppen. De goede vertaler probeert de afstand tussen de talen niet te slechten en pretendeert dus geen equivalent te bieden. De goede vertaler grijpt de afstand tussen de talen aan om de doeltaal op te rekken door vreemde elementen in de doeltekst binnen te smokkelen en zo een perspectief op het origineel te schetsen.

2 Een factor die ik hier niet benoem, is de zogenaamde ‘algoritmische instabiliteit’. Aangezien generatieve modellen altijd een ‘unieke’ tekst produceren, is het schier onmogelijk om sluitende uitspraken over literaire kwaliteit te doen. Zelfs als output de ene keer goed is, kan dezelfde opdracht de volgende keer onbruikbare rommel opleveren. In onderzoek wordt die instabiliteit nauwelijks als beperking benoemd.

3 In receptieonderzoek wordt in sommige gevallen de doorsneelezer betrokken. De doorsneelezer is immers de (gemiddelde) persoon die een boek zal lezen. Het gevaar bestaat echter dat de leeservaring van de gemiddelde lezer (al dan niet bewust) wordt gelijkgeschakeld aan een kwaliteitsoordeel over het product. Uitgevers zullen dit soort onderzoeken namelijk kunnen aangrijpen om te oordelen dat AI-vertaling, na een paar positieve leeservaringen van de consument, kwalitatief goed genoeg is om op de markt te brengen. Wat daarbij uit het oog wordt verloren, is dat de culturele verrijking niet primair voorkomt uit ‘positieve leeservaringen’ maar uit de (weergave van) literaire eigenschappen van de brontekst.

4 José Ortega y Gasset (2010) La rebelión de las masas. Guillotina: Mexico-Stad. Het betreft hier overigens een eigen vertaling. Er zijn wel Nederlandse vertalingen gepubliceerd. De laatste vertaling van La rebelion de las masas dateert van 2016. De opstand van de massamens (Uitgeverij Lemniscaat) is van de hand van huidig JA21-fractielid Diederik Boomsma.