Goedenavond tesamen. Dat ik hier sta als vertaler van het boek om voor enig, vooral kortstondig inleidend vertier te zorgen is – als ik mij goed geïnformeerd heb – eigenlijk een godswonder op zich, waarvoor de vlag gerust uit mag.
Want vertalers – zo bereikten mij de afgelopen tijd berichten van collega-vertalers die dit aan den lijve ondervonden – lijken zelden tot nooit te worden uitgenodigd om op een literaire gelegenheid hun licht te laten schijnen over een boek naar aanleiding waarvan die literaire gelegenheid georganiseerd is, dat wil zeggen het boek waarover zij zo vele zweetdruppels uitgegutst hebben om het in alle ootmoed aan de voeten van het Nederlandstalig leespubliek neder te vlijen.
Neen! Laten wij dat niet doen! is het gedacht van de organiserende instanties, vertelden mijn vakbroeders en -zusters mij. Geen vertalers op onze openbare zoekende tasttochten! Geen feitelijkheden, geen praatjes die ergens over gaan, geen onderwerpen waar je nog eens wat aan hebt, die daadwerkelijk betrekking hebben op het boek, de stijl, het geschrevene. Neen! Geen lezingen met houvast, geen verhandelingen met wederwaardigheden over de tekst zelf! Alles, maar dat niet! Desnoods Bas Heijne maar weer! Bas Heijne? Bas Heijne! Maar die kan niet! Wat?! Die kan niet?! Rampspoed en onheil! Arnon Grunberg dan?
Aldus mijn collega’s, die zich, mag blijken enigszins gepasseerd voelden. Wordt er eens een avondje georganiseerd over een boek dat zij van de hoed tot de rand en van de poedel tot de krent kennen, en waarover zij als er iemand terzakekundig is terzakekundig zijn, mogen zij opnieuw de onzichtbare vertaler spelen en met de foulard overtrokken in de hal blijven staan of vanuit het publiek met de voorbinddildo op hun snufferd een woordje spuien, terwijl – o schrik, o gruwel – daar op het podium, zie, van toeten nog blazen wetende zich noemende schrijvers, publicisten, opniniemakers, eeneindwegfluencers in de gelegenheid wordt gesteld al femelende en fezelende hun miserabele ego wat op te krikken en te vijzelen.
Het gaat bij dergelijke gelegenheden – die waarover mijn collega’s repten en uitdrukkelijk niet deze hedenavondse bijeenkomst – helemaal niet om het boek dat net is uitgekomen in vertaling, het gaat erom reuring te maken, en de betreffende org en de uitgever begrijpen dat heel goed. Vandaar geen concrete uiteenzettingen over de stijl, de stem, de toon, de verhaalopbouw, de dingen die literatuur tot literatuur maken en niet tot een slap en doorsnee egodocumentair werkje, pulp, bleke recht Hollandse patat; niets over de uniciteit van het boek, de traditie desnoods, de plaats in het oeuvre, of – ik noem maar iets – de schrijver zelf – allemaal dingen waarover de vertalers het druppelende zweet hunnes aanschijns in kolkende stromen vergoten hebben en uit eigen ondervinding kunnen meepraten: ze zijn er immers elke regel, nee elk woord met de neus op mee geconfronteerd.

Nee, laat het vooral een niets kostend, tot niets verplichtend ouwehoergesprekje zijn tussen onnozele, nietswetende, vaak het boek zelfs niet gelezen hebbende halfanalfabete min of meer bekende schrijversters – ik heb het over de gelegenheden waarover mijn collega’s zich beklaagden, en niet over de bij uitstek terzake panels die hier hedenavond hun licht mogen laten schijnen over e.e.a. – die in het volle spotlicht (dit moest ik vooral letterlijk nemen) mogen komen getuigen van hun eigen en elkaars onkunde, onbegrip, desinteressse voor alles wat de prosodische kant van de literatuur betreft, hun lukraak rondzweven in een meta-universum van woorden over het boek (als je geluk hebt), hun steevast stuitend simplistische mens- en wereldbeeld, hun woordenschatlozigheid, hun gemier, hun geëmmer, hun gehakkel, hun gehuichel, hun grenzeloze braafheid, hun trivialiteit, hun interessantdoenerij, hun hoog van de toren blazerij, hun onbedwingbare neiging het altijd over zichzelf te hebben, hun als fonteinen des overvloeds flauwe meningen spuiende egomanie, hun inclusieve basheijenerigheid, hun ook maar opgetrommeld zijn dus wat wil je en het is goed voor hun naamsbekendheid en als je nee zegt dan vragen ze je de volgende keer niet meer, hun professoraten in de weetnietkunde, hun troefkaart armoede, in één woord het tegendeel van alles wat de vertaalde schrijver van het vertaalde boek wel heeft.
Niets van dat alles is van toepassing hier, vanavond, herhaal ik me te zeggen. Ik ben immers uitgenodigd, kijk maar, al was het op het laatste moment, bijna achteraf, als ‘o ja-Erlebnis’ en nog net niet vanuit het publiek, en natuurlijk zijn de hier verzamelde sprekers zonder uitzondering keien op hun veld.
Maar evengoed: als het werkelijk zo is als mijn collega's schetsen, dan is het natuurlijk een schande, en zou het uit solidariteit mijn eer te na zijn hier zelfs maar het puntje van mijn neus te laten zien. Ik zou hier nog niet eens naartoe moeten komen als ze me uitnodigden om op het podium wat te komen zeggen! Niet als het zo moet!
Bij wijze van spreken dan.
Maar ik moet me niet opwinden.
Ho-ho, zeg ik met Toshiro Mifune in Samurai Rebellion. Ho-ho.
De beste inleiding op het werk is het werk zelf, en er zijn gelukkig al passages uit Eindeloos vertier voorgelezen, maar het kan altijd meer. Maar welke passage? vroeg ik me af toen ik me dit had voorgenomen. Veel lezers, las ik ergens, die het opgegeven hebben, hebben de handdoek op 0,6 procent van het boek in de ring gegooid, dat wil zeggen op of rond bladzijde 75. Zal ik ze dan over die hobbel heenhelpen en bladzijde 76 voorlezen? Of gewoon bij het begin beginnen? En dan uitleggen waarom ik ‘lawijd’ heb gebruikt en ‘recipiëren’ en een houding die ‘overwogen overeenkomt’ met de vorm van een rigide stoel? Ook leuk zouden wat eindnoten zijn, vooral die met moeilijk uitspreekbare namen van chemische substanties. Of de filmografie van de vader van Hal Incandenza. Of ik neem een gesprek op de rotspunt boven Tucson tussen de rolstoelmoordenaar Marathe en geheim agent Hugh Steeply, in volle doch verfomfaaide glorie vermomd als Helen Steeply, met hoogst curieus Quebecs-Engels van de man zonder benen. Of het verslag van het partijtje Risk op de tennisbaan, Eschaton geheten, dat rampzalig afloopt. Of het misschien wel dramatische hoogtepunt van het boek, als Gately een bloedstollend handgemeen heeft met twee potige Quebecse bikers. Er zijn zoveel scènes die je bijblijven! En waarmee je ook nauwelijks kan ophouden te lezen, zo sleept de schijnbaar rotzooierige, onverzorgde, losse stijl je mee. Of ik sla het boek halverwege open op bladzijde 592 en lees ex ungue leonem een zin uit de scène kiezen met Randy Lenz die op de plee tijdens een verplichte bijeenkomst bij een collega-groep afkickers een lijntje cocaïne (‘Bing’) neemt, ‘ten behoeve van’ zoals hij het noemt ‘de nuchterheid en de geestelijke groei als zodanig’. Komt ie.
Dus Lenz bevochtigt zeg maar strategisch, op de woensdagse Brookline Jonge Mensen-Bijeenkomst aan Beacon nabij de Newton-lijn, tijdens de tombolapauze om 21:09u., zijn halve peuk die hij zorgvuldig terugsteekt in het pakje en gaapt en rekt zich uit en voelt snel zijn pols en staat op en kuiert nonchalant de gehandicaptenplee in met de afsluitbare deur en de soort van wieg rond de schijter voor gehandicapte neerdaling op de pot en doet zeg misschien twee, misschien drie ruimbemeten lijntjes Bing vanaf de stortbak, en veegt de bovenkant van de stortbak zowel voor als na met natte papieren handdoekjes, en rolt grappig genoeg hetzelfde knisperende dollarbiljet op dat hij voor de vanavondse collecte had meegebracht dat hij nu gebruikte en grondig met zijn vinger schoonmaakte en met zijn vinger over zijn tandvlees wreef en zijn hoofd in zijn nek legde om in de spiegel de niervormige neusgaten van zijn smalle adelsneus te checken op aanklevend bewijsmateriaal in de trilhaartjes ter plekke en hij de bittere druppel achterin zijn bevroren keel voelt en de schoongemaakte opgerolde dollar pakt en ontrolt en gladstrijkt en op de rand van de wasbak plet met zijn vuist en netjes opvouwt tot de helft van de helft van de oorspronkelijke door de Schatkist uitgegeven omvang zodat alle bewijs dat iemand ook maar ooit het idee had gehad om het tot een smal hard kokertje op te rollen zeg maar geanjelierd is. Kuierde vervolgens terug volledig van krommenaas en alsof zijn neus bloedt gebarend, wist steevast precies waar hij moest kijken en schikte nonchalant zijn scrotum alvorens weer te gaan zitten.
Smaakt naar meer? Smaakt naar meer. Moge dit boek tot steun zijn bij het lezen ervan. Dank u.
***
De toespraak is tevens terug te zien op het YouTube-kanaal van De Balie, en wel hier: https://www.youtube.com/live/A-lNI057AZ4?si=uJA9w52E8VbQAtGa, te beginnen op 1:02:44. Op het screenshot: moment uit de beantwoording van vragen uit het publiek na afloop, van tzum geplukt, hier: https://www.tzum.info/2026/03/filmpje-robbert-jan-henkes-maartje-wortel-en-nadia-de-vries-in-deel-1-van-drieluik-over-eindeloos-vertier/ met v.l.n.r. Hans Schnitzler, Allard den Dulk, Robbert-Jan Henkes, Nadia de Vries en Maartje Wortel.
