Week 12: Erik Lindner

Vertaaldag Archief

2026

2025

2024

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Daar is er maar een van

Erik Lindner

‘De hedendaagse Duitstalige poëzie is bonter, misschien ook wilder, in ieder geval eigenzinniger dan de Nederlandse,’ schrijft Ton Naaijkens in de door hem vertaalde en samengestelde bloemlezing Mondruimtes & matroesjka’s. Actuele Duitse poëzie (m10boeken, 2026). Je zou de poëzie die hij bijeen verzamelde licht experimenteel kunnen noemen, zonder angst voor het experiment. Behalve de aard van de poëzie is er de receptie: terwijl experiment voor de een staat voor open en toegankelijk, staat het voor de ander voor hermetisch en gesloten. Maar experiment kan de dingen open wrikken, provoceren, zaken toegankelijk maken. Kan speels en licht zijn.

In het algeheel heeft de Duitse poëzie een vrolijk karakter maar ze is zeker niet, de Duitser eigen, gespeend van ernst.

Ik heb de Duitse poëzie ervaren als gastvrij, minder competitief, minder in hokjes opgedeeld. De Ierse dichter Matthew Sweeney zei dat het voordeel van Berlijn is dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen mainstream en avant-garde, wat ook betekent dat je vanuit de mainstream niet als avant-gardist wordt weggezet, dat er een open interesse in het werk bestaat. Nog een groot voordeel: er is geen gedichtendag, geen poëzieweek, geen stadsdichter en geen dichter der Nederlanden. Poëzie is van alle mensen, dus je hoeft niet lid te zijn van een poëzieclub, geen wollen truien met buttons erop te dragen, niet met je hoofd op een kussensloop met Paul van Ostaijen-citaat te liggen. Je hoeft er geen poëziemens te zijn om een gedicht te mogen lezen. Het is niet beperkt tot een doelgroep. Ik heb er journalisten ontmoet die een open interesse en goede kennis hadden van hedendaagse poëzie, verstand hadden van de dichters die in deze bloemlezing staan die helemaal niet zo eenvoudig zijn.

Dit zijn natuurlijk algemeenheden die ik hier sta te debiteren. Ik verbleef een jaar in Berlijn, 2012, te gast in het mooie Berliner Künstlerprogramm. We werden er zo goed onthaald dat je zou kunnen zeggen dat we niet in Berlijn maar in een ruimteschip boven de stad verbleven. Het pacifisme van de actuele Duitse poëzie werd vooral gepersonifieerd door een man die wel iets weg heeft van de Berlijnse beer, Ulf Stolterfoht. Ulf schrijft voornamelijk in Fachsprachen, lingo’s, jargon, langlopende regels, altijd gedichten in negenvoud, elk in vier strofen van zes regels. Een aanrader is holzrauch über heslach, een bundel die zich afspeelt in de wijk van Stuttgart waar hij is opgegroeid Eigenlijk een soort proza, het is alsof je hem hoort praten, maar dan zo hilarisch en vindingrijk dat het wel degelijk poëzie is. Naaijkens nam een reeks op over vertaalwetenschappen die hij vertaalde als ‘Dik doen in Dalhem’, vernoemd naar de villawijk in het zuiden van Berlijn. Een soort ‘Weelderig wedijveren in Wassenaar’.

Niet alleen vertalen veel dichters, er is ook solidariteit. Ulrike Draesner gaf Elke Erb het collegiale advies om in vijf minuten zoveel op te schrijven als je maar kan bedenken. Weet je niets meer, dan herhaal je gewoon het laatste woord dat je is ingevallen tot je daarop vanzelf verder associeert. De gedichten zijn wel degelijk buiten de vijf minuten om bewerkt, maar het materiaal is met de eierwekker aan ontstaan. Het is volgens Elke Erb zoiets als het zo diep mogelijk uitspitten van een gang, waarbij het wroeten zelf en de aarde die erdoor opgeworpen wordt al even belangrijk zijn. Ze heeft het over de principiële vertaktheid van elk woord. Een woord is persoonlijk en plaatsgebonden: de vogel die van het ene naar het andere stadsdeel vliegt en in beiden wordt waargenomen, ook toen de stad nog uit twee steden bestond. Sonanz, heet haar laatste bundel, vijf minuten sonates, ook wel sonatines genoemd.

Verlangen

Hem overhalen. Groeten. Als vogel van je laten horen.
Niet dralen. Monden met hem. Rites. Net als kussen

landen met hem. Vogelvlucht. Trekvogelvlucht.
De groeve, archaïsch, leidt naar de doden.

Zo is het firmament ferm. Het is
gewis. Niet zonder eigenheid. De maandag

is tekenen. De rivier gehoorzaam.
Bovenaards groeit gras.

 Mij is altijd de relatie tussen West-Berlijn en Rotterdam opgevallen, de overeenkomsten ook. In de jaren tachtig had je bandjes en kunstenaars die constant in bestelbusjes geluidsinstallaties en kunstwerken heen en weer reden.

Guido Graf noemde in het Berlijnnummer van Terras uit 2013 de stad een sociale sculptuur die je middels het werk van de dichters die er wonen en werken leert lezen, die je bijeensprokkelt uit hun gedichten: genereert. ‘Genereren betekent hier ook: verzamelen, jagen, buitmaken. Uit deze woorden en zinnen kun je altijd wel iets gebruiken, lijkt het wel. Dat lijkt echter alleen maar zo omdat er nooit buit is. Altijd is ze weer weg, niet schuw, maar vluchtig.’

Elke Erb, in het poëticaboek Helm aus Phlox: ‘een tijd lang begreep ik woorden als buit, verzamelde en spietste ze voor later gebruik. Maar zo gemakkelijk laten woorden zich niet conserveren. Natuurlijk kun je ze prepareren, reanimeren – maar nuttig worden ze pas als ze weer verdwenen zijn, plaatsmaken voor nieuwe buit. Hun betekenis ligt in het jagen en verzamelen. Dat was alsof je ’s nachts in het pikkedonker op konijnen staat te schieten op een plek waar er helemaal geen konijnen zijn, en een geweer heb je ook al niet.’

Katharina Narbutovic, poëzievertaler uit het Wit-Russisch en toenmalig Leiterin van het Berliner Künstlerprogramm, onthaalde me in Berlijn met de woorden ‘This used to be a poor city.’ Op een foto-expositie in het huis van Sibylle Bergemann en Arno Fischer aan de Schiffbauerdamm ontmoette ze Elke Erb, die ook haar huis in het centrum van de stad moest verlaten omdat die na een renovatie onbetaalbaar werd, net als het echtpaar dat hun huis voor exposities openstelde. De Schiffbauerdamm vormde de grens tussen Oost en West, als een spelend kind in de Spree viel en niet kon zwemmen, kon het niet gered worden omdat wie zich in het spergebied waagde meteen door mitrailleurvuur zou worden geraakt.

In Matroesjka’s & mondruimtes vind je de archeologie van de dichters die samen de sociale sculptuur van de actuele Duitse poëzie vormen, hun invloeden. Je treft er Paul Celan, Oskar Pastior, Elke Erb en Friederike Mayröcker.

Er zijn dichters die ontbreken: Marion Poschmann, Jan Wagner, Norbert Hummelt, Ann Cotten, Dieter M. Gräf.

Behalve de vertaalbaarheid van een gedicht, is er de aanpreekbaarheid van de vertaler. Er is wel Steffen Popp, maar ik mis Hendrik Jackson en Norbert Lange.

Je kunt je afvragen of Dürs Grunbein en Raoul Schrott nog introductie in het Nederlands behoeven, maar waarom ook niet? Gewoon omdat deze vertaler ze vertaald heeft en er zin in had ze op te nemen. Mondruimtes & matroesjka’s is namelijk geen canonieke bloemlezing, het gaat er niet om welke dichters er met hoeveel gedichten in staan. Het boek is veel leuker dan dat. Het is een avontuurlijke verkenningstocht van iemand die vijftig jaar van zijn leven aan de Duitstalige poëzie heeft besteed – en daar is er maar een van.

Tot slot valt mij op hoe lyrisch en melodisch veel van de gedichten vertaald zijn, vooral de vrouwelijke stemmen van Monika Rinck, Ulrike Almut Sandig en Uljana Wolf. Ter illustratie, Ton Naaijkens hertaalde een van de Honingprotokolle van Monica Rinck, natuurlijk dat over vertalen, als volgt:

Moet je horen, honen honingprotocollen, je vertaalde je –
of niet soms? – overal naar binnen. Je vertaalde je hemmetjes,
je kruimeltjes mee de grote heerlijkheid in, alwaar ze verdwenen,
niet hielpen, niets beletten. Je staarde naar de heerlijkheid omhoog,
je sprong ertegenop, maar je sprongkracht was te zwak
voor wat je woog. Sapperloot. Heerlijkheid was met de sneltram
in nog geen tien tellen te halen, maar niet door jou. Iedereen weet
dat je ernaast zat. Er stond olifantensmoel, en jij vertaalde met
waaierstaart. Kreeg de welkome gast dadels aangeboden,
wat had je dan opgeschreven? Rendez-vous alsjeblieft uitroeien.
Je was bereid, je was niet goed, dat wist je, in de war was je.
Wolkengrote verliezen, geen erge per slotsom, op afstand gezet
en lichter wordend: vervolgens druk doende te verdwijnen.