Eigenlijk had ik voor Filter willen schrijven over een vertaling van een ernstig boek, het soort boek waarom de angstige tijd waarin we leven lijkt te vragen, ware het niet dat ik een paar weken geleden als een blok ben gevallen voor Eve Babitz (1943-2021), grafisch ontwerper, schrijver en bekende verschijning in de culturele elite van het Los Angeles van de jaren zestig en zeventig.
Beter gezegd viel ik als een blok voor de prachtige vertaling van Astrid Huisman die afgelopen jaar verscheen bij uitgeverij HetMoet. Het is een verhalenbundel die elke grasduiner meteen voor zich in moet nemen, met een paars omslag en daarop in gouden letters de veelbelovende titel Lome dagen, vluchtig gezelschap. De wereld, lust en LA. Het origineel verscheen in 1974. De Nederlandse vertaling oogt surreëel en een beetje decadent – de ontwerper gebruikt de oorspronkelijke Amerikaanse coverillustratie – en die belofte maken de verhalen, memoires eigenlijk, meer dan waar, maar goud en paars zijn ook de kleuren van de ogen van de ongenaakbare socialite Nikki Kroenberg in het verhaal ‘Palm Springs’ én het paars van de bloesem aan de door Eve geliefde jacaranda’s. En alsof die aandacht voor detail niet genoeg belooft, wordt de vertaler niet alleen vermeld op het omslag, er staat ook een biografietje achterin, gelijkwaardig aan en naast dat van de auteur.
Feilloos in de vingers
Eve Babitz genoot lange tijd vooral bekendheid als Hollywood-societyfiguur en ‘vriendin-van’ (ze had onder andere een relatie met Jim Morrison), en alleen al daarom is het prettig dat de Nederlandse ontwerper geen voor-de-hand-liggend omslag heeft gemaakt dat seks, drugs en rock-’n-roll suggereert, of in ieder geval seks en drugs, zoals de psychedelisch vervormde vrouwenfiguur op de Amerikaanse heruitgave uit 2016, of een voluptueuze Eve die in haar ondergoed met zonnehoed op zit te telefoneren op de Italiaanse vertaling uit 2017 (een foto waarop ze een beetje doet denken aan Sophia Loren in Ieri, Oggi, Domani). Die laatste zinspeelt misschien ook op de inmiddels iconische foto waarop Eve naakt zit te schaken met Marcel Duchamp. Later werd die als omslag gebruikt voor Play it as it lays van Joan Didion, die andere, bekendere literaire vrouw uit Californië.
Didion zou Babitz in haar beginperiode als schrijver helpen om haar werk gepubliceerd te krijgen, maar de twee dreven uit elkaar, en gezien hun verschillende interesses en stijl is dat niet gek. Waar Didion vooral geïnteresseerd is in de zelfkant van Californië, beperken de verhalen van Babitz zich vrijwel volledig tot de wereld van filmsterren, kunstenaars en rijke socialites.
Uit het verslag van haar belevenissen straalt een heerlijke, hedonistische levensliefde, als een weldadig, diffuus (door de smog) Californisch zonnetje. De toon is die van een vriendin die een ander een smeuïg verhaal vertelt, intiem en toch op een luchtige manier afstandelijk, wat belangrijk is als je de ander wil vermaken met je mislukkingen zonder ze op te zadelen met de bijbehorende ongelukkige gevoelens. Het is als lezer moeilijk om je niet meteen te laten inpakken door haar humoristische observaties en haar samenzweerderige charme.
Wat natuurlijk komt omdat de vertaler juist die toon van Babitz vanaf de eerste bladzijde feilloos in de vingers heeft. Dit is niet alleen een tekst waar de levenslust vanaf spat, maar ook puur vertaalplezier. Het titelverhaal, ‘Lome dagen’, begint meteen goed:
Ik ben in verschillende steden verliefd geweest op mensen en ideeën en ik ben erachter gekomen dat de minnaars die ik beminde en de ideeën die ik omhelsde afhingen van waar ik was, hoe koud het er was, en wat ik moest doen om het er uit te kunnen houden. In LA is het goed toeven, en daarom is het haast onvermijdelijk om er allerlei ideeën op na te houden, laat staan minnaars. (p. 9)
Of neem zomaar deze zin, in een verhaal over een scharrel met een druiventeler die blijk geeft van een raadselachtige literaire sensibiliteit: ‘Ik voelde me gerieflijk verwikkeld in een onoplosbaar mysterie, mijn lievelingsgevoel.’ (p. 27) Ik zou door kunnen gaan, maar de lijst is bijna een boek lang.
Haar tijd vooruit
Dat de vertaling van Slow Days, Fast Company nu verschijnt is waarschijnlijk niet toevallig. Een jaar of tien geleden begon een voorzichtige herwaardering van Babitz’ werk en werd het heruitgegeven en daarmee ontdekt door een nieuwe generatie lezers. Dat was voor een groot deel te danken aan haar biografe Lili Anolik, die vanaf het begin van de jaren tien in een reeks publicaties een lans brak voor Babitz, al worden haar methodes haar niet altijd in dank afgenomen (in besprekingen van haar recente boek vallen recensenten terecht over de door haar opgeklopte literaire vriendschap en rivaliteit tussen Babitz en Didion, een verdichtsel dat beide auteurs onrecht doet). Maar dat de hernieuwde interesse heeft doorgezet is in dit geval ongetwijfeld te danken aan veranderde tijden – wat namelijk meteen opvalt aan Babitz’ levenshouding en haar kijk op de wereld is hoe hedendáágs die aandoen. Ze was haar tijd vooruit, omdat ze zich aan die tijd simpelweg niets gelegen liet liggen. Als ze door een man wordt gevraagd hoe ze schrijft, antwoordt ze: ‘Op een typemachine als er ’s ochtends niets anders te doen is.’ (p. 173) Ze kon zich die houding dankzij de vrijzinnige kringen waartoe ze behoorde misschien veroorloven, maar de verhalen laten ook zien dat haar keuze om haar eigen koers te varen zelfs in haar eigen omgeving niet vanzelfsprekend was.
Het is daarom ook geen toeval dat de vertaler Babitz in het Nederlands een eenentwintigste-eeuwse stem geeft die wonderwel bij haar past. Als het regent, laat ze haar ‘cocoonen’ (p. 105) en verderop Palm Springs beschrijven als ‘het equivalent van Gucci-schoenen’ (p. 160). En Shawn is niet homo of homoseksueel, maar gewoon – anno nu – ‘gay’ (p. 182). Af en toe laat Babitz zich een ‘überhaupt’ ontvallen dat taalpuristen vast kromme tenen bezorgt, maar dat wel absoluut overtuigt uit de mond van een verteller die soms een anachronistisch buitenbeentje lijkt in haar omgeving. Het arsenaal aan registers en beelden dat Huisman aanwendt is er niet minder rijk en divers om. Om maar een paar voorbeelden te geven – allemaal uit één verhaal: peppillen worden op een gegeven moment door de elegante maar wat tuttige Mary eufemistisch beschreven als ‘doerakjes’ (p. 191) en bij hetzelfde personage ‘blikkerde er een tikje sarcasme’ (p. 208) in haar stem. Even eerder roept ze ‘Lieverd!’ terwijl ze ‘als een seringentros met uitgestoken ranke armen op me af kwam zwieren.’ (p. 199) De vertaling is soms een waar taalbuffet en als Eve daarom vraagt, schrikt de vertaler er niet voor terug de kaviaar naast de cola-light te zetten.
Buitengewoon grappig en geweldig
De verhalen zelf kennen een losse structuur en meanderen associatief en soms schijnbaar doelloos van anekdote naar anekdote, al weet Babitz de verschillende lijnen aan het einde meestal weer verrassend zinnig aan elkaar te knopen.
Bijna ieder verhaal wordt voorafgegaan door een cursieve notitie met een persoonlijke boodschap aan een vriendje dat Babitz hiermee aan het lezen hoopt te krijgen, zoals: ‘Ik weet dat je niets om de romankunst geeft, maar ik denk dat je het stukje over Forest Lawn wel kunt waarderen.’ (p. 8) In de inleiding moedigt ze de lezer – die niet haar vriendje is – aan deze ook maar te lezen, want ‘[i]k moet buitengewoon grappig en geweldig zijn om überhaupt enige aandacht van hem te krijgen en het zou zonde zijn om alles voor één persoon uit de kast te halen.’ (p. 6) Dat vriendje lijkt wel bijna een voorbode van het huidige ontleesde leespubliek waarmee je als schrijver wordt geacht rekening te houden, al durf ik niet te beweren dat Babitz in 1974 die ontwikkeling had zien aankomen.
Zelf beschrijft Babitz/Huisman haar boek als ‘een samenraapsel van details’, maar ‘misschien zal er, als al die details worden samengevoegd, een zeker ritme en gevoel van plaats ontstaan’. (p. 12)
Als het in de verhalen echt alleen zou gaan om een gevoel van plaats, en ook van een tijdsbestel, slaagt Babitz daar glansrijk in, van haar beschrijving van het weer (de Santa Ana is een terugkerend personage) tot rijke societyvrouwen, soapacteurs die de bons krijgen via een ‘coma’, en werkloze filmmakers die geen moeite doen om tussen de projecten door meubels te kopen voor hun huis. Ze besteedt ook ruim aandacht aan eten (Eve heeft een haat-liefdeverhouding met haar volle figuur) en haar tot mislukking gedoemde avonturen met verschillende mannen, zoals William, met wie ze een open relatie heeft, waarvan de andere vrouwen in zijn leven weinig begrijpen, tot hij op een rampzalige avond toch kiest voor een ander en ze prompt in de armen belandt van Shawn, een homoseksuele ontwerper met wie ze een langdurige verhouding krijgt. Dat ze het zo lang met hem volhoudt – meerdere verhalen lang – komt misschien vooral omdat hij in tegenstelling tot de meeste andere mannen in het boek niets van haar wil of verwacht. Dat is een ander, minder filmisch motief: de teloorgang van vrouwen die kiezen voor een man en een ‘serieus’ leven, wat in de wereld van Eve en van de meeste andere vrouwen uit haar tijd – rijk en glamoureus of niet – betekent: een leven waarin weinig ruimte meer is voor hun individualiteit.
Omslag van de recente Amerikaanse uitgave
En dat brengt me toch bij een ernstige noot, de soort gedachte die alleen in je opkomt als je net een serieus briljante vertaling hebt zitten lezen en in de vrieskou van de prille lente zit te typen, op een plek waar de Santa Anta nooit waait: namelijk dat het misschien wel moed vergt om, in tegenstelling tot vrouwelijke auteurs die hun best doen om hun problematische vrouwelijke aanwezigheid uit het verhaal te weren, om zich onkwetsbaar te maken door niets meer te zijn dan een observerend oog, je juist voor de lens te positioneren en je subjectiviteit niet onder stoelen of banken te steken. Wat in zekere zin misschien ook geldt voor vertalers (m/v/x).
‘Wat beklijft zijn de risico’s,’ schrijft Babitz/Huisman aan het slot van een verhaal over de zelfmoord van een vrouw die een leeg, onzichtbaar burgerlijk bestaan heeft geleid, en dat voelt als een vernietigend oordeel. Het roept ook een vraag op: als Babitz op dezelfde luchtige toon schrijft over haar liefdesperikelen en het genot van een sappige omelet als over de dood van mensen om haar heen aan heroïne of zelfmoord, is dat dan een bewijs van gedachteloos hedonisme of juist haar eigen vorm van onverschrokkenheid? Maar dat neigt naar de soort serieuze bespiegelingen die ze zelf niet zou kunnen uitstaan. Zij stortte zich liever in een volgend avontuur.
‘Vanaf het moment dat Babitz je haar boek intrekt, hoor je erbij en ben je bevangen door een enorme fear of missing out,’ schreef Dieuwertje Mertens afgelopen zomer in een recensie in het Parool, waarin ze, terloops maar wel opvallend, ook de vertaling prijst. Die FOMO bevangt ook de vertaler die Lome dagen openslaat – het is het gevoel dat je bekruipt als je een vertaling treft die zo plezierig leest dat je hem graag zelf had willen schrijven. Maar dat heb je natuurlijk niet, je hebt het feest gemist, en daarom zit er niets anders op dan wachten – en hopen – op Astrid Huismans volgende Babitz.
Eve Babitz, Lome dagen, vluchtig gezelschap. De wereld, lust en LA. Vertaald door Astrid Huisman. Amsterdam: HetMoet, 2024.
Bibliografie
Rachel Cooke, ‘Didion & Babitz by Lili Anolik review – the seductress and the sphinx,’ The Guardian 17-11-2024, online geraadpleegd op 04-03-2025.
Dieuwertje Mertens, ‘Eve Babitz beschrijft het hedonistische leven in het Los Angeles van de jaren zestig: er gebeurt weinig verheffends, maar je wilt geen moment missen,’ Het Parool 06-07-2024, online geraadpleegd op 04-03-2025.