Onder de titel 'Het concentratiekamp is nader dan je denkt' stond in de rubriek 'Dagboek' in de Volkskrant van 9 februari jl. een fragment uit het dagboek van Hermann Stresau gedateerd 10 februari 1935. Meer dan negentig jaar geleden dus. Stresau (1894-1965) was bibliothecaris en schrijver, zijn dagboeken uit de ‘innere Emigration’, Von den Nazis trennt mich eine Welt, verschenen in 2021 bij Klett-Cotta in twee delen en werden geschreven in de jaren 1933-1945. Ik had nog nooit van Stresau gehoord, maar het fragment maakte al meteen het een en ander duidelijk: de auteur distantieert zich van de nazi’s, hij is van Berlijn naar ‘buiten’ verhuisd, dat wil zeggen naar het landelijke Brandenburg, vlakbij Berlijn waar hij werkt en in 1933 wordt ontslagen vanwege een kritische opmerking over het regime. 'Persoonlijk overkomt ons niets. Zo lang wij ons bos niet verlaten, merken wij hier buiten niets van de Partij.'
Maar omdat hij toch geld moet verdienen (hij is nog maar begin veertig, en getrouwd), komt hij regelmatig in Berlijn voor zijn werk als freelance journalist, schrijver, redacteur en vertaler. Op 9 februari zit hij dus ’s avonds in een Berlijnse bus. Ik lees:
.. voor mij zit een kleine man, ik ken hem, hij is tuinman en werkt als nachtwaker. Een spraakzame, goedhartige man. Er stapt een grote, brede kerel in, met een zwarte bolhoed. Hij gaat naast de kleine man zitten en begroet hem, nadat hij eerst de hele bus een baritonaal ‘Heil Hitler’ heeft toegeroepen.
De twee praten over het weer, over de vorst, en de tuinier merkt geheel onschuldig op dat een strenge vorst niet lang regeert. Een zegswijze, die je in elke vorstperiode kunt horen.
Maar wat doet die dikke? Hij buigt zich naar zijn buurman toe, schraapt zijn keel en zegt met nadruk: 'Ik begrijp niet wat u daarmee bedoelt, meneer.'
De kleine had niet door dat hij al bijna in het concentratiekamp zat.
Ik krijg er koude rillingen van, zie de hele scène voor me, hoe vaak gebeurt het niet dat je in een bus of tram iets meemaakt, iets onbeschofts, agressiefs, angstaanjagends, en denkt: hoe moet ik hierop reageren, en je schaamt je omdat je niet weet hoe? Hoe zouden de andere passagiers hebben gereageerd, werden er blikken uitgewisseld, zat iedereen voor zich uit te kijken, in de hoop dat de bui over zou waaien?
Maar wat me vervolgens bezighoudt is het woordje vorst. De kleine en de dikke hebben het over het weer. Het is begin februari en er heerst vorst, het woord komt drie keer voor in twee zinnen, en de woordspeling is subliem: er heerst vorst, maar gelukkig regeert een strenge vorst nooit lang. Die dubbele bodem, dacht ik, geniaal! Tot ik besefte dat het woordje 'Frost' in het Duits die dubbele betekenis helemaal niet heeft, want 'Frost' betekent weliswaar 'vorst', maar een regerende vorst is in het Duits jammer genoeg 'ein regierender Fürst'. Wat zou er in het Duits hebben gestaan, vroeg ik me af, voegde de daad bij het woord en schreef Erik van den Berg die de rubriek 'Dagboek' beheert, een mailtje.
Al snel kreeg ik een antwoord: 'Door uw vraag zie ik nu dat ik de passage jammer genoeg iets te vrij heb vertaald. De zin luidt in het Duits: "und der kleine Gärtner meint ganz harmlos: gestrenge Herren regieren nicht lange".'
Daar was ik het nu weer faliekant mee oneens! Wat Van den Berg deed was zeker niet te vrij, integendeel: hij voegde iets toe aan de tekst door te putten uit de rijkdom van de Nederlandse taal. Een kans waarbij menig vertaler zich de vingers zou aflikken.
'Gestrenge Herren regieren nicht lange' – zou dit echt een Duitse zegswijze zijn, een spreekwoord dat je – zoals Stresau opmerkt – in elke vorstperiode kan horen? Of zou het juist een Nederlandse zegswijze zijn? Blijkt dat die zegswijze in het Nederlands helemaal niet bestaat, maar in het Duits wel, ook dit is nieuw voor mij, en het valt me ineens op dat die kleine tuinier, vast wel een ongeletterde man, zo’n prachtige zegswijze zo vanzelfsprekend gebruikt. 'Gestrenge Herren', is ook al bijzonder, wie zegt nou nog 'gestreng' in plaats van 'streng', ook destijds al niet meer gebruikelijk. Waarschijnlijk was de tuinman die die zegswijze zo vanzelfsprekend gebruikte er niet eens bewust van dat 'Gestrenge Herren' oorspronkelijk slaat op de IJsheiligen in mei, des te gevreesder dan in februari waarin je gewend bent aan vorst. En nog minder was hij zich misschien bewust van het feit dat de zegswijze dubbelzinnig zou kunnen worden opgevat. Maar wie weet was de kleine tuinier die zulke spreekwoorden 'auf Lager' had wel iets minder 'harmlos' dan hij op het eerste gezicht leek te zijn?
De sublieme vertaling van Erik van den Berg weet de situatie in ieder geval in al haar dubbelzinnigheid over te brengen.
Destijds heeft de kleine tuinman zich helaas vergist. Laten we hopen dat hij nu alsnog gelijk krijgt...