Het vertaaljaar 2013, een inleiding    3-15

Ton Naaijkens

De eigen traditie getrouw bezie ik het afgelopen vertaaljaar en pak ik er bijvoorbeeld de lijstjes en jaaroverzichten bij waarin krantenredacties het jaar doorlichten, verklaren dat de literaire porno passé is en nu de klassiekers ‘hun weg vinden’ naar het publiek. Het was een trend die zich al enige jaren aftekende, maar ze zette in 2013 goed door: Stiller van Max Frisch (bij Van Gennep, door Margot Klaarhamer), De vreemdeling van Camus (De Bezige Bij, door Peter Verstegen), maar vooral natuurlijk Stoner van John Williams. Er werd in de jaaroverzichten weinig moderns genoemd. Je zou aan cultureel terugplooien in tijden van herbezinning kunnen denken, maar er is een plastischer verklaring voor: terugvallen op het bekende en gebruikmaken van eerdere vertalingen is goedkoper. En dan is het mooi dat er relatief snel een vertaling van The Pale King van David Foster Wallace verscheen (door Daniël Rovers en Iannis Goerlandt voor Meulenhoff) of dat de Wereldbibliotheek het aandurfde om De droom van Baudelaire van Roberto Calasso te laten vertalen door Els van der Pluijm.1 In 2013 domineert de herontdekking van de klassieker, je zou het het Schwobeffect kunnen noemen, naar het initiatief van het Nederlands Letterenfonds om ‘samen met vertalers, uitgevers en lezers’ op zoek te gaan naar ‘de beste onbekende boeken uit heel Europa uit de twintigste eeuw’. De Groene Amsterdammer wijdde er een special aan, verstandig en deskundig ingeleid door Pieter Steinz, die er de O-factor introduceerde: onbekend, onvertaald, onvergetelijk. ‘De exploitatie van het O-factor-boek is de zoveelste verschijningsvorm van de honger naar klassieken, die zich voor het eerst manifesteerde in de Renaissance.’2 Steinz verzwijgt niet dat er met dit soort uitgeefbeleid winst te behalen valt, wat inherent is aan de Schwobregeling die ten goede komt aan uitgevers. Toch is de middelste o de moeilijkste van de drie adjectieven die je sowieso omhelst: ‘onbekend, onvertaald, onvergetelijk’. Je zou willen dat de regeling leidt tot nieuwe vertalingen, zoals je in de Perpetuareeks sneller een boek aanschaft waarop de sticker ‘nieuwe vertaling’ is geplakt. Het beschikbaar stellen van oude vertalingen lijkt mij eerder makkelijke input voor e-books, liefst dan van het keurmerk van een uitgever voorzien die weet welke vertaling haar kwaliteit nog altijd waard is. Maar het uitgeven van vertalingen blijft een vak apart. De naam Gérard de Villiers is wellicht minder bekend maar de Franse schrijver, die in 2013 overleed (1929–2013), was overal ter wereld een bestsellerauteur. Ook in Nederland en Vlaanderen. Hij schreef vijf (foute) thrillers per jaar en de hoofdpersoon van de SAS-reeks (SAS staat voor Son Altesse Sérénissime, Zijne Doorluchtigheid) dook in zijn boeken op waar de wereld in brand stond. ‘Begin dit jaar was hij nog in Kabul met zijn rollator,’ aldus Peter Giesen in de Volkskrant van 2 november 2013. De thrillers werden bij ons uitgegeven als Zwarte Beertjes, over het algemeen met voorop Son Altesse Malko vergezeld van een vrouw met willekeurig ontblote borsten. Diverse vertalers kwamen eraan te pas: Janboel in Istanboel (zoals een fameuze titel uit 1968 luidt) werd vertaald door G.J. Van Wagensveld; meer recent tekende Maarten Meeuwes voor Brandhaard: Irak (2006) en Dubbelspel in Pakistan (2008). De meest curieuze vertaler is die van Missie Cuba (2007): die heet namelijk van haarzelf ook Missie Cuba. Misschien is het wachten op een boek waarvan zowel titel, auteur als vertaler naadloos met elkaar samenvallen. Bespaart problemen.

Halve Zoolstra in het vriendschapsjaar
Op de vraag aan Wouter van Oorschot of hij anno 2013 nog eens zou beginnen aan de Russische Bibliotheek antwoordde hij dat je er dan de vaart in moet houden, dat het een investering van een miljoen zou kosten en dat je een stel zeer getalenteerde vertalers nodig hebt ‘die in de loop der jaren alle de Martinus Nijhoff Prijs voor vertalingen krijgen, wat op jouw reeks afstraalt’.3 De Russische Bibliotheek bestond zestig jaar, er verschenen nieuwe delen, nieuwe vertalingen ook, de aandacht was behoorlijk groot. Je zou medelijden kunnen krijgen met vertalingen uit het Russisch die elders verschenen, maar ook die stonden in de belangstelling, los van (denk ik) het feit dat 2013 het Russisch-Nederlandse vriendschapsjaar was. Maar de Jeseninvertalingen van Kees Jiskoot (voor Pegasus) en de door Anne Stoffel vertaalde gedichten van Boris Ryzji (Hoogland & Van Klaveren) kregen alle aandacht.4 Hans Boland presenteerde het zevende deel van het Verzameld werk van Alexandr Poesjkin, een uitzonderlijke prestatie, niet alleen van hem maar ook van uitgeverij Papieren Tijger.5 Boland blijft toch een geval apart. Hij werd aangepakt door Joost Zwagerman, die zich afvroeg wat we in de huidige tijd nog aan moeten met het door Athenaeum – Polak & Van Gennep met een voorwoord van Arnon Grunberg uitgebrachte Tolstojpamflet Wat is kunst? ‘Zelfs vertaler Hans Boland lijkt het pamflet met lange tanden te hebben geconsumeerd. Bij hoofdstuk 3 permitteert Boland zich een voetnoot: “Tolstojs dringende advies om hoofdstuk 3 niet over te slaan, mag de lezer op gezag van de vertaler naast zich neerleggen.”’ Ja ja, het stond er echt, en het werd door Boland in een ingezonden brief nog even aangedikt: ‘Mijn eerste reactie op het voorstel van de uitgever om dit even onzinnige als hilarische gefoeter op de kunst te publiceren, luidde woordelijk: “Willen jullie hiermee soms een postuum eerbewijs brengen aan Halve Zoolstra? Nooit eerder heeft een vertaling me zoveel moeite gekost. Ik heb het stuk vier maal min of meer from scratch doorgewerkt. De laatste keer heb ik een kleine 20 procent van de tekst… doodleuk geschrapt. Dat is natuurlijk een halsmisdrijf voor een literair vertaler. Niettemin voelde ik me genoopt tot zo’n ingreep over te gaan en wel uit puur mededogen met de ijverige en geïnteresseerde lezer die de moeite zou nemen Tolstojs “opinies” over kunst te doorgronden.’6 Boland heeft een baldadige vertaalgeest, even baldadig als Bolands held Poesjkin dat is, althans volgens Maria Barnas.7

Spetterend Russisch vuurwerk werd ontstoken voor een berg hervertalingen voor Van Oorschots Russische Bibliotheek. Ik bedoel ook dat alle kranten popelden om uitgebreid te reageren en de publicaties te fêteren. Het gaat overigens wel zowat om historische momenten, van betekenis voor de vertaalgeschiedenis. Het tijdperk van Charles B. Timmer, die de Russische Bibliotheekvertaler belichaamde, is voorbij. Dat wordt het duidelijkst geïllustreerd door de nieuwe vertaling van de ‘krankzinnige soaproman’ De idioot: Arthur Langeveld is de maker en Michel Krielaars noemde zijn versie ‘swingend’,8 met de curieuze toevoeging dat diens ‘briljante [vertaling] [...] alleen maar een extraatje [is] om de kronkelwegen van Dostojevki’s getroebleerde brein beter te kunnen betreden’. Ik meen te mogen stellen dat Langevelds poëtica neerkomt op een diametrale weerlegging van wat Timmer wilde.9 Nieuwe vertalers, zoals Froukje Slofstra, lijken daarin mee te gaan. Zij vertaalde de eerder al bijzonder succesvolle verhalen van Isaak Babel opnieuw. De Timmerversie (bij Meulenhoff opvallend genoeg, maar vermoedelijk stokte de oude Van Oorschot zoals steeds bij de drempel naar de twintigste eeuw) blijft veel gelezen.10 Bijzonder was zeker het verschijnen van alle toneelteksten van Tsjechov, in een vertaling van Yolanda Bloemen en Marja Wiebes, volgens Daniël Rovers even subliem uitgegeven als vertaald (De Groene van 11 april 2013). Hij werd enigszins bijgevallen door Sjeng Schreijen, die deze vertaling in een fraai stuk in de Volkskrant afzet tegen die van Timmer. Hij vindt ze ‘erg precies en erg voorzichtig’. En ‘veel bondiger en trouwer aan het origineel dan Timmers vertaling’. Wat Schreijen betreft zou het ‘wat gedurfder mogen’, maar ‘de trouw aan de tekst geeft in ieder geval de basis voor een veel rijker begrip van Tsjechovs drama’.11 De nieuwere delen in de Russische Bibliotheek lijken tekstueel preciezer, maar ze zijn ook braver, nuchterder, minder bevlogen dan zoals Timmer het deed. 2013 was het jaar van de Russisch-Nederlandse vriendschap. Je zou aan de Russisch-Nederlandse vertaaltraditie met gemak trends kunnen aanwijzen en kunnen gadeslaan hoe slavisten zich meten met vuistvechters als Boland en Charles B.

Bij alle negentiende-eeuwse geweld zou je haast vergeten dat er ook zoiets als moderne Russische literatuur bestaat. En dan bedoel ik niet direct de zogenaamde ‘internationale herontdekking’ van de boeken van Gazdanov, waar drie uitgevers om vochten.12 Nee, ik bedoel de Onvoltooide liefdesbrieven van Michaïl Sjisjkin waarvan Marjoleine de Vos de ‘onwaarschijnlijk prachtige toon en stijl’ roemde, te danken aan vertaler Gerard Cruys.13 Ook in andere dag- en weekbladen veel lof voor dit boek en voor de vertaler, ook van niet-slavisten: ‘Leesgenot van het allerhoogste niveau: speels, intelligent, meeslepend en tot huilens toe ontroerend.’14 Knap vertaalwerk in dit boek: ‘En wat gebeurt er dan? Julie, die sufferd, stuurt hem ijverig brieven, maar de hardvochtige Saint-Preux maakt zich er met grappige epistels van af, soms in versvorm, waarbij hij bokking laat rijmen op mokkel, ammunitie op sublimatie, kont op de glimlach van La Joconde (à propos, weet jij waar zij om glimlacht? – ik denk dat ik het weet), snot op God? Lieveling! Waarom heb je dat gedaan?’ Wie maakt zich nog druk over de vraag hoe een Rus kont en snot noemt?

Verweesd achterblijven
Elke terugblik op een jaar is verbonden met overledenen. Op het heengaan van Jacq Vogelaar (1944–2013) en zijn belang als vertaler hebben we in Webfilter uitgebreid gewezen. Als vertaler werd hij in de dag- en weekbladen niet uitgebreid herdacht. Nicolaas Matsier eerde hem als het kloppend hart van Raster, vermeldde dat Vogelaar vertalingen als integraal deel van onze literatuur beschouwde en geen principieel onderscheid wenste te maken tussen lezen, vertalen en schrijven. ‘Lezen wordt vanzelf terugschrijven of doorschrijven.’15 In 1969 werd Olga Krijtová (1931–2013) onderscheiden met de Martinus Nijhoff Prijs. Ze ontsloot talloze Nederlandstalige boeken voor de Tsjechen en Slowaken en leidde als docent aan de Praagse Karelsuniversiteit generaties vertalers op. In november 2013 overleed ze en liet de Tsjechische neerlandistiek, zoals Madla de Bruin schreef, ‘verweesd achter’.16 In 2013 overleed ook Michel van der Plas (1927–2013), schrijver en journalist, bekend van zijn bijdragen aan cabarets van onder meer Wim Zonneveld. Maar hij vertaalde ook, romans van Heinrich Böll bijvoorbeeld of nieuwe versies van de Psalmen en gedichten van Paul Claudel in de beroemde Amboreeks van Wim Bronzwaer. Pieter van Oudheusden (1957–2013) overleed, hij was scenarist, maker van strips en iemand die als vertaler voor een groot aantal uitgeverijen in Nederland en België heeft gewerkt. Hij vertaalde zo’n duizend strips, waaronder albums van De Smurfen, de Thorgal-reeks of het mooie Tamara Drewe. Hanna ’t Hart-Waslicka (1955–2013), een geëngageerd vertaalster uit het Pools, was vooral werkzaam in het bedrijfsleven en bemiddelde op verschillende manieren in de contacten met Polen. Edith van Dijk (1932–2013) vertaalde onder meer de Weg der geesten-trilogie van Pat Barker en boeken van Carol Shields. Uitgeverij Luitingh-Sijthoff herdacht in een advertentie de vertaler Hugo Kuipers (1954–2013), die boeken van Grisham, Ludlum en Stephen King vertaalde. Zijn eerste vertaling stamt van 1976, in de KB-catalogus beloopt zijn oeuvre maar liefst 686 vermeldingen.

Een opmerkelijk en belangrijk persoon in het Nederlandse literaire bedrijf was Christiane Hardy (1950–2013). Zij studeerde ooit voor vertaler/tolk, maar werd uiteindelijk vooral literair redacteur. Toen ze opklom bij Van Gennep, waar ze eerst boeken verkocht en vervolgens redacteur werd, bouwde ze een indrukwekkend fonds op, vooral van auteurs uit het Duitse taalgebied en Midden- en Oost-Europa: Christa Wolf, Elfriede Jelinek, Imre Kertész, Györgi Konrád, Ismail Kadare. Tekstschrijver Joris van Groningen (1963–2013) overleed op vijftigjarige leeftijd. Hij was een drijvende kracht bij Perdu, dat hem gepast herdacht, ook als bemiddelaar voor vertalingen: ‘In de tijd dat hij uitgever was, is er dankzij zijn onstuitbare werkdrift en enthousiasme een eerbiedwaardig aantal bundels en vertalingen verschenen, maar zijn meest opmerkelijke prestatie is wel de uitgave van de vertaling van Nobodaddy’s Kinder, een trilogie van de Duitse schrijver Arno Schmidt. Onvermoeibaar en met zwier schreef Joris alle mogelijke fondsen en instituties aan, in binnen- en buitenland, om geld te krijgen voor de vertaling en de uitgave van die boeken die hij zelf zo prachtig vond.’17 Gerd Weyers (1950–2013) was een kleurrijk letterkundige en ondernemer, jarenlang actief in het Maastrichtse als docent Duits aan de vertaalopleiding aldaar. Hij was juridisch vertaler, revisor, auteur en bijzonder betrokken bij het hele vertaalgebeuren. Aan het eind van zijn leven was hij vooral directeur van het vertaalbureau Balance, dat behalve in Maastricht ook een vestiging had in Amsterdam. In 2013 overleed de bij insiders bekende vertaalwetenschapper Martha Cheung (1953–2013) uit Hong Kong, die begonnen was het Chinese gedachtegoed over vertalen voor het Westen te ontsluiten.

Met chirurgische precisie
Aan deze jaarlijkse verplichting, mezelf opgelegd, werk ik veelal door knipsels en kopieën te sorteren en dan stapels te maken van waaruit waarnemingen gedaan kunnen worden – een riskante en willekeurige operatie uiteraard, maar de traditie wil ook iets. Gedurende de jaren is de stapel van de prijzen erg gegroeid, dit jaar was het van alle de grootste. De Europese Literatuurprijs ging naar Emmanuel Carrère en zijn Limonov, vertaald door Katelijne De Vuyst en Katrien Vandenberghe, die deelden in de eer voor de schrijver. Reina Dokter nam de Martinus Nijhoff Prijs 2013 in ontvangst, Hilde Pach werd aangekondigd als winnaar van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2014 voor haar vertalingen vanuit het modern Hebreeuws, met name voor de boeken van Amos Oz. De eerste Vlaamse Cultuurprijs voor vertaling werd toegekend aan Patrick Lateur voor zijn vertaling van de Ilias. De Aleida Schotprijs 2013 werd gewonnen door Kees Jiskoot voor zijn Jeseninvertalingen. Karol Lesman was de winnaar van de Poolse Transatlantyk Award, die hij ontving uit handen van de Poolse minister van cultuur en erfgoed Bogdan Zdrojewski. Janny Middelbeek-Oortgiesen ontving de Svenska Akademiens tolkningspris voor haar vele vertalingen uit het Zweeds. De Filter Vertaalprijs 2013 ging naar Aai Prins voor het eerste deel van haar Gogolvertalingen. De Vertaalduivel was voor de Taalunie, als ‘uitnodiging om de komende jaren op het rechte spellingpad te blijven’, de Vertaalengel voor Kees Holierhoek, bestuurder van de onvolprezen Stichting Lira, voor zijn jarenlange inspanningen ten behoeve van vertalers.

De bekroningen en uitreikingen waren tweemaal aanleiding voor statements, duidelijk op eigen initiatief. Uitzonderlijk was uiteraard de toekenning van een eredoctoraat door de Universiteit Leiden aan Rien Verhoef op 8 februari 2013. Bij de uitreiking van de Nijhoff Prijs aan Reina Dokter herinnerde Henk Pröpper hier op elegante manier aan in een toespraak getiteld ‘De vertaler als taalsmid’:

En terwijl Rien op deze wijze pompa en eenvoud schitterend samenbracht als een legering, zei hij iets wezenlijks over het vertalen zelf. De vertaler als smid. We kennen dit beeld uiteraard naast allerlei andere die iets van de activiteit van de vertaler beschrijven: de veerman, de bemiddelaar etc. Wat al deze beelden gemeen hebben is dat verschillende werelden, verschillende materialen worden verbonden en in een zinvol, fraai verband worden gebracht. Dat lijkt vanzelfsprekend en zo wordt die activiteit in ons land op dit moment ook gewaardeerd, maar dat is het niet. [...] ooit schreef Umberto Eco: De taal van Europa heet vertalen. Elders gelooft men dat nog, soms zelfs heilig, maar hier zijn we dat idee kwijt, en het is mijn stellige overtuiging dat we daarmee niet het beeld en de positie van Europa in de wereld maar in de eerste plaats ook onze eigen cultuur ondergraven. Toegang tot kennis en ideeën is niet vanzelfsprekend, en democratie is geen staat maar een proces dat telkens opnieuw voeding nodig heeft – en daarom is het werk van de voerlui, de smeden, de bemiddelaars, de grensgangers zo wezenlijk.

Op dezelfde dag, 24 maart 2013, toen Brussel nagenoeg was dichtgesneeuwd, werd bij de uitreiking van de eerste Vlaamse Cultuurprijs voor vertaling een al even belangwekkende toespraak uitgesproken door de Vlaamse minister Schauvliege: 

Vertalers gaan met een chirurgische precisie de tekst te lijf en maken met een indrukwekkend arsenaal aan vertalingswapens een reconstructie. Ze zijn de schildknapen van het wederzijds begrip. Cultuurbemiddelaars, die door hun inspanningen het thuispubliek laten kennismaken met een tekst uit een andere taal en cultuur. Soms, maar niet altijd, leven de vertalers in een soort permanent hybride denken, zoals de echte Brusselaars die in deze stad geen twee zinnen kunnen uitspreken zonder Frans en Nederlands door elkaar te mengen.

Haar politieke statement mocht er zijn, vooral toen ze nadrukkelijk uitsprak dat er meer dan ooit behoefte is aan opleiding en permanente bijscholing. Ze betoonde zich opgetogen met de nieuwe transnationale master en met de samenwerking die de literaire fondsen en de Taalunie realiseren in het Expertisecentrum Literair Vertalen.

Marie Hooghe ontving de Prix du Meilleur Livre Étranger voor haar Psaumes Balbutiés van Erwin Mortier; de laatste gaf bij de uitreiking uitdrukkelijk blijk van zijn dankbaarheid aan zijn vertaalster. Alain van Crugten won de Phares du Nord voor zijn vertaling van Tom Lanoyes Sprakeloos, maar de jury loofde hem ook voor zijn voortreffelijke vertalingen van Lanoyes toneelwerk. Tot verbazing van velen, met name de critici alhier en ook de auteur zelf, ontving de Nederlandse debutant Toine Heijmans de Prix Médicis étranger voor Op zee, vertaald door Daniel Losman als En mer. Stéphanie Vanasten won de Prix scientifique de la Compagnie du Bois Sauvage 2012–2013, ingesteld door de Université catholique de Louvain, voor haar onderzoeksvoorstel over de vertalingen van Hugo Claus in het Frans. De Vondel Translation Prize 2013 ging naar David Colmer voor zijn vertaling van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. Hij deelde ook in de fraaie IMPAC Dublin Literary Award die gewonnen werd door Gerbrand Bakker en diens The Detour. De Brockway Prize, een tweejaarlijkse prijs voor poëzievertalers uit het Nederlands, ging naar Judith Wilkinson voor vertalingen van werk van Miriam Van hee en Toon Tellegen. Joke van Leeuwen won in Duitsland de James Krüss Preis voor kinder- en jeugdliteratuur; veel van haar boeken werden in het Duits vertaald, de vertaalsters Hanni Ehlers en Mirjam Pressler deelden in de eer. Aino Roscher, die Nederlandse literatuur in het Deens vertaalt, was de winnaar van de Dansk Oversætter Forbunds ÆRESPRIS 2012, Anne-Gine Goemans won de Duitse M Pionier Preis voor literaire nieuwkomers voor Glijvlucht, dat door Andreas Ecke vertaald werd als Gleitflug.

Tirtini di birri di kikihuiti
Ja, vertalers uit het Nederlands waren zichtbaar succesvol in het buitenland, althans: als je dat bekijkt vanuit een vaderlandse stoel. De impact ter plekke is moeilijker in te schatten, maar zal in hart, verstand en beurs van de uitgevers wel gevoeld worden. Er lijken uitzonderingen te zijn, zoals ‘de heldenontvangst’ die Tonke Dragts De brief voor de koning (uit 1962) te beurt viel in het Engelse taalgebied dankzij The Letter for the King van Laura Watkinson. Het boek werd opgenomen in een nieuw fonds voor klassieke kinderboeken uit de gehele wereld, Pushkin Children’s Books, en in de Britse publiciteit rond de oprichting ging de aandacht van de pers vooral uit naar dit boek, dat elders allang vertaald is. Ook Iep! van Joke van Leeuwen is intussen in elf talen vertaald; in 2013 verscheen het in het Chinees (via het Engels vertaald door Ting Pan). Marlies Hoff van het Nederlands Letterenfonds maakte er fraai attent op met een aantal vertalingen van de fameuze zin ‘Ik miet un bieteriemetje mit pindekies’:

Vill in tris di pi imb xiquiliti! = I weent a seendweech weeth peeneet beettee = Ich micht Bitterbrit mit Mirmelide = Tirtini di birri di kikihuiti = Pirpiciri, fittidipini chilli nitilli = Ridi bi rizini krihi z mirmilidi = Fistik izmili ikmik istiyim.

Er waren meer eclatante successen, voorop The Dinner van Herman Koch, een vertaling door Sam Garrett. ‘Vertalen is een vorm van acteren waarmee je de lezer een vergelijkbare ervaring geeft als de oorspronkelijke lezer,’ liet hij weten.18 Dat Cate Blanchett de verfilming gaat regisseren zal geholpen hebben, maar het boek is intussen in 37 landen uitgebracht, waaronder Ethiopië. In een boeiend verhaal in Vrij Nederland (19 oktober 2013) vertelt Kochs uitgever Chris Herschdorfer hoe een geraffineerde marketingcampagne werd opgezet vanaf het terras van het Amsterdamse restaurant Dauphine, waar men overigens ook de rode kreeft kan eten die de kaft van het boek zo opvallend siert. Op 20 september 2013 werd Het diner op de website van de NOS tot ‘de meest vertaalde Nederlandstalige roman ooit’ gebombardeerd.

Het lijkt een paradox, maar succes in het buitenland wordt in ons taalgebied breeduit gevierd, neem bijvoorbeeld de grote advertenties die De Bezige Bij her en der plaatste met felicitaties voor David van Reybrouck en diens Congo. Dit gaat steeds volgens een vast stramien: een lovend citaat van een wereldberoemd auteur (hier: Peter Sloterdijk in de Süddeutsche Zeitung), het aantal vertalingen noemen (9) en het aantal prijzen dat het boek in korte tijd behaalde (9, daarvan twee in 2013, de Prix Aujourd’hui en de Prix Mahogany Essai). Hier en daar komt wel een kritisch geluid op, omdat het succes voor een groot deel ook steunt op de investeringen van de Letterenfondsen.19 Men lonkt naar de wereldmarkt, opvallend is dat steeds meer uitgevers te onzent willen publiceren in het buitenland. De Bezige Bij probeert het met In my Father’s Garden van Jan Siebelink, althans: aldus De Morgen van 13 maart 2013, maar het boek is niet te vinden via internetboekhandels.20 Naast De Bezige Bij begaf zich in 2013 ook De Geus op de Engelstalige markt met een buitenlands fonds dat World Editions is gedoopt en waarin behalve eigen auteurs ook de Scandinavische stal present zal zijn.

Mooi waren het eerbetoon van de Spaanse uitgeverij Candaya ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Cees Nooteboom (Universo Nooteboom, samengesteld door Astrid Roig Palanques en Erik Haasnoot), de publicatie van Luceberts The Collected Poems, volume 1 (door Diane Butterman, zie elders in deze Filter) en de uitgebreide selectie die David Colmer maakte van de gedichten van Hugo Claus (Even now bij Archipelago Books).21 Er zijn onmiddellijk talloze dubbele lagen zichtbaar, door Colmer in zijn verantwoording alert opgemerkt, met dit als bijzonderheid: het Engels ligt soms ook voor de hand omdat Claus in zijn gedichten soms teruggreep op Engelse bronnen. Claus’ poëzie was dus als het ware al vertaald, iets dat deze niet echt verborg, zie bijvoorbeeld de kleine uitleg die voorafgaat aan de titelreeks van deze bloemlezing: ‘The four-lined stanzas are based / on a selection from the Sanskrit / poem the Chaurapanchasika. Some of the commentary is / Paul Valéry’s.’ De carrousel van de talen draait er overuren.

Duitse prik, dames en hun hond
Twee nieuwe uitgevers hebben oog voor de Duitstalige literatuur: Parrèsia een beetje (het bracht prozastukjes van Robert Walser in vertaling uit; zie elders in dit nummer) en Leesmagazijn zeer ostentatief. De laatste uitgeverij meldde zich nadrukkelijk en met veel moed aan het uitgeeffront, en kwam met fraaie boeken: Deutschboden van Moritz von Uslar en (in een opvallende vormgeving) Het witte boek van Rafael Horzon, allebei vertaald door Willy Hemelrijk. Vaste Duitse prik was een aantal bijzondere filosofische werken: Vantilt bracht Max Webers Wetenschap als beroep & Politiek als beroep en Adorno’s Minima Moralia, allebei van de hand van Hans Driessen (zie verderop in deze Filter). Hans Driessen herzag ook de vertaling die Tinke Davids ooit maakte van Sloterdijks Kritiek van de cynische rede (Boom). Uitzonderlijke prestaties waren vooral Hegels Fenomenologie van de geest door Willem Visser (bij Boom) en de nieuwe vertaling door Ria van Hengel van Nietzsche: Zo sprak Zarathoestra (bij De Arbeiderspers en bij Athenaeum – Polak & Van Gennep).22 Jaap van Vredendaal kwam met een geheel nieuwe vertaling van Lessings toneelstuk Nathan der Weise, wat er ook op wijst dat uitgevers veel zien in het moeilijkere boek, of zoals gezegd in hervertalingen van moderne klassieken. Het waren er verrassend veel, soms geheel nieuw, soms geredigeerd: Elly Schippers kwam met Transit (Anna Seghers) bij Van Gennep, dat ook Stiller van Max Frisch opnieuw uitgaf (Margot Klaarhamer) en Bureau gevonden van Siegfried Lenz (Gerrit Bussink). Ook Cossee kwam met gecanoniseerde boeken van de jaren veertig en vijftig: Naakt onder wolven van Bruno Apitz (vertaald door Marten de Vries), In mijn vreemde land van Hans Fallada (diens gevangenisdagboek, door Anne Folkertsma) en De strijd om sergeant Grisja van Arnold Zweig (volledig herziene vertaling door Lilian Caris en Jantsje Post. Jaartallen van de boeken: 1944, 1954, 2003, 1958, 1944 en 1927. Het maakt de introductie van jongere schrijvers des te opvallender. Prachtig dus dat De Bezige Bij zich waagde aan de Sez Ner-trilogie van Arno Camenisch en het ook zo prachtig uitgaf (vertaald door Miek Zwamborn).

Het waren vooral vertalers met een grote staat van dienst aan wier persoon aandacht besteed werd, vooral als ze andere pijlen op hun boog hebben. Barber van de Pol bleek een zangeres en toen haar boek Zingen is geluk (De Bezige Bij) uitkwam werd dat meer dan eens in de media uitgemeten. Coot van Doesburgh vertelde over haar deugden en ondeugden in Vrij Nederlands rubriek Zin & Zonde:

Een paar jaar geleden vertaalde ik de musical Mamma Mia! en moest ik mijn tekst verdedigen tegenover een zakelijk leider en een secretaresse. Geen van beiden had enig taalgevoel en ze hielden vol dat de regels ‘dan zegt ze dat het vreselijk is / dat liefde ongeneeslijk is’ niet rijmden, omdat het allebei op ‘is’ eindigde. Als mensen dan volhouden, dan word ik gek. Zoveel domheid, daar kan ik niet tegen. En dan zeg ik gewoon: ‘Nou, daar kan ik dan kennelijk niet met jullie over praten.’ Dat is heel arrogant. Maar nodig. Want ik sta daar wel mijn kind te verdedigen.23 

Met Imme Dros werden door de krant een salade carpaccio en vers fruitsap genuttigd, met als resultaat deze fantastische zin: ‘Een vertaling ligt op je te wachten als een hond. Je aait hem even en hup, daar staat-ie naar je te kwispelen. Zit ik weer zes, zeven uur te werken.’ De uitspraak, hoe fraai ook, vloekt op een onverklaarbare manier met de door Imme Dros als zodanig gevoelde verplichting om te vertalen wat er staat: ‘Maar goed, het staat er, dus ik vertaal het wel. Want? Ik ben calvinistisch opgevoed. Het moet zoals het er staat. Van wie moet dat? Van mij.’24 Frida Vogels continueerde haar dagboeken, Hans Hom bracht een roman op de markt (Het eind van het lied, bij Atlas Contact), Theo Kars publiceerde het tweede deel van zijn Memoires van een slecht mens (Athenaeum – Polak & Van Gennep), de Duitser Friedrich Hlawatsch (65) werd geïnterviewd als vertaler van het Nederlandstalige lied – hij vertaalde bijvoorbeeld Troika van Drs. P.25

Vind de 1052 rivieren en de aanslibmethode
Seneca kende twee vertalers in 2013: Piet Schrijvers, volgens Piet Gerbrandy, ‘de gedroomde vertaler’ van zijn ‘draken van toneelstukken’26, en Vincent Hunink, die weer deeltjes levenslessen publiceerde (na De lengte van het leven nu Het ware geluk en Innerlijke rust, voor Athenaeum). Er was de nodige aandacht voor Het verhaal van Genji (zie elders in dit nummer bij de genomineerde boeken voor de jaarlijkse Filter Vertaalprijs). In de berg boeken uit het Engels wederom veel hervertalingen of werk uit de oudere doos: Zuidenwind van Norman Douglas (door Johan Hos) of Samuel Butlers De weg van alle vlees, vertaald door Nele Ysebaert, een boek dat een jaar na de dood van de auteur in 1903 gepubliceerd werd (allebei voor Van Oorschot). Van de herontdekte John Williams werd nu een boek over de bizonjacht gepubliceerd, wederom met een onvertaalde titel (Butcher’s Crossing, vertaling Edzard Mik voor Lebowski). Sylvia Witteman onthulde in dit verband haar gêne voor vertalingen in haar Volkskrant-column ‘Schaamte’ van 4 april 2013: ze kocht Stoner in vertaling voor haar jarige schoonmoeder en verontschuldigde zich bij de kassa dat ze het boek in vertaling kocht:

Waarom deed ik dat? Omdat ik niet wilde dat het kassameisje mij aanzag voor iemand die geen Engels kan lezen. Ja, zo kinderachtig ben ik, het is maar dat u het weet. Daarna liet ik het boek ook nog in de tram liggen zodat ik terug moest om een nieuw exemplaar te kopen, bij een andere boekhandel natuurlijk, want een gloednieuw boek in de tram laten liggen is nog oneindig veel beschamender dan verdacht worden van Nederlandse vertalingen lezen.

Je zou haar wat. Een geheel andere houding had collega-columnist Frits Abrahams. Toen de Nobelprijs dit jaar naar de Canadese schrijfster Alice Munro ging (bij ons eerst uitgegeven door Van Gennep, de laatste jaren door De Geus), besteedde hij aandacht aan haar vertaalster Pleuke Boyce. Hij geeft haar alle eer, zegt expliciet dat hij dankzij haar op Alice Munro is gestuit.27

Ooit vertaalde H.W.J. Schaap Graham Greenes A Burnt-Out Case onmiddellijk na verschijnen (in 1960 voor Contact als Genezen verklaard). ‘Je wilt ons toch helpen, nietwaar?’ vroeg de dokter vinnig. ‘Rycker ging hem over de veranda voor naar zijn kamer. De duisternis was vol rumoerig geluid van kikvorsen en lange tijd nadat zijn gastheer hem goedenacht had gezegd en verdwenen was, schenen zij al kwakend de holle frasen van Rycker te herhalen: genade; sacrament: plicht: liefde, liefde, liefde*,’ aldus Schaap, met inderdaad deze (al te bevestigende) noot: ‘*De klanknabootsing van kikkergekwaak door de herhaling van het woord “love” gaat in het Nederlands helaas verloren. – Vert.’ Peter Bergsma vertaalde de roman opnieuw, onder de titel Een opgebrand geval (De Bezige Bij) en hij koos voor een elegantere, stilzwijgende oplossing: ‘Rycker volgde hem via de veranda naar zijn kamer. De duisternis was luidruchtig van de kikkers en nog lang nadat zijn gastheer welterusten had gezegd en was weggegaan, leken ze Ryckers holle frasen na te kwaken: genade, sacrament, plicht, liefde, liefde, liefde.’ Mijn favoriete boek dat hervertaald werd is Richard Brautigans Trout Fishing in America (1967), vooral vanwege de goede herinneringen die ik heb aan de eerste vertaling uit 1967 van Helen Knopper (Uitgeverij De Boer).28

Joris Iven en Peter Flynn kwamen met een fraaie bloemlezing van ‘kopstukken van de naoorlogse Ierse poëzie’, De prangende verbeelding (voor Uitgeverij P, tweetalig met Nederlands, Engels en Keltisch). Van de grote Ier die afgelopen jaar overleed, Seamus Heaney (1939–2013), verscheen een nieuwe, weloverwogen, precieze en aansprekende vertaling van de bundel District and Circle, door Han van der Vegt en Onno Kosters (bij Meulenhoff; trouwe Filter-lezers kennen de beruchte discussie rond de ingetrokken vertaling uit 2009 van Hanz Mirck; Janita Monna’s stuk in Trouw, op 6 april 2013, kreeg de kop ‘Seamus Heaney’s District and Circle nu wél goed vertaald’29). Les Murray kreeg een monument met De planken kathedraal, bij De Harmonie, dankzij vertaler Maarten Elzinga (zie elders in deze Filter). Ike Cialona publiceerde Don Juan, een onvoltooid en omvangrijk werk van Lord Byron (1788–1824) dat volgens Busken-Huet op sommige plaatsen ‘een volmaaktheid bereikt, die alleen eigen is aan poëzie der hoogste orde’; zelf dankt de vertaler in haar verantwoording haar ‘allerdeskundigste collega Peter Verstegen, wiens hulp en adviezen onmisbaar waren’, terwijl de genoemde collega 18 bladzijden verderop de vertaling ‘een epochemachende prestatie’ noemt. Peter Verstegen presenteerde in 2013 een geheel nieuwe vertaling van Shakespeares Hamlet, in de Perpetuareeks, met een nawoord van steractrice Halina Reijn en een commentaar van acteur Gijs Scholten van Aschat bij een groot stuk in de krant; het is een van de weinige publicaties waarin goed ingegaan wordt op de vertaling – de directe gebruikers, de toneelspelers, spreken zich uit over de speelbaarheid van de tekst (‘toch minder makkelijk’), de recensent buigt zich goed over het dilemma van de vertaling:

In zijn voorwoord meldt hij [de vertaler] dat hij heeft geprobeerd een balans te vinden tussen te veel en te weinig respect. Dit is hem wonderlijk goed gelukt. Zijn vertaling is een triomf van rijp inhoudelijk inzicht, stilistische souplesse en feilloos gevoel voor vorm, vers en klank. Shakespeares ritme en timbre worden gevolgd: wie het origineel goed kent, hoort het oorspronkelijke Engels bij het lezen van de vertaling moeiteloos terug zonder dat de vergelijking pijn doet. Je leest welluidend en evocatief Nederlands. Verstegen verwerkt ook nog eens een aangenaam grote hoeveelheid ‘Hamletologie’ in het uiterst nuttige en accurate commentaar. Dit maakt deze editie nog waardevoller dan ze met de ongehoord virtuoze en briljante vertaling al zou zijn geweest.30

Rest een aantal bijzondere momenten in 2013 die de moeite waard zijn om nader te bekijken: Twee broers van Jhumpa Lahiri, een vertaling voor Meulenhoff van The Lowland door Ko Kooman; de voltooiing van de vijftiendelige fantasiecyclus The Wheel of Time van Robert Jordan en Brandon Sanderson – Het Rad des Tijds startte bij Luitingh in 1994, de laatste delen werden vertaald door Lia Belt;31 nadere aandacht zal bovendien nodig zijn voor Het Kraus-project van Jonathan Franzen – de enige vertaling ter wereld van deze Engelse vertaling van Duitse teksten van Karl Kraus door een bekend Amerikaans auteur (door Nelleke van Maaren en Barber van de Pol voor Prometheus) levert rijk materiaal voor de vertaalpraktijk en de reflectie daarover. De moeite waard is ook de herziene vertaling (in de serie Rainbow Essentials) van het bekendste verhaal uit Finnegans Wake van James Joyce, Anna Livia Plurabelle, door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes – het boekje heeft een leeslintje en dan kun je het bijvoorbeeld openslaan op p. 71, waar het commentaar begint. De vertalers presenteren zich daar als de specialisten die ze tijdens het vertalen zijn geworden en hun commentaar op de 108 fouten die ze bij de tot dan toe gepubliceerde bronversies ontdekten, in een goed werkende mix van speelsigheid en academisch evoluerende ernst. Het boekje bevat fragmenten van vertalingen in andere talen van de laatste alinea en eindigt met een lijst van de 1052 rivieren zoals die in de Nederlandse vertalingen zijn gaan stromen. ‘Vind ze allemaal,’ luidt de oproep van het bijzondere tweetal, dat steunt op de joyceaanse ‘herzien-&-vulaan-methode, ook wel accretive of aanslibmethode genoemd.’

Intelligentie gaat door de zintuigen
2013 was het jaar waarin een schizofrene tolk Obama’s toespraak ter gelegenheid van de dood van Nelson Mandela in alle vrijheid opluisterde (Thamsanqa Jantjie was zijn naam) en de vertalers van de nieuwste Dan Brown hun werk opgesloten in een bunker verricht hebben. The Inferno moest op 14 mei in zo veel mogelijk talen vertaald zijn, en de bunker – in werkelijkheid de kelder van de Italiaanse uitgever Mondadori – dwong de 21e-eeuwse vertaalslaven in een strak schema. Marion Drolsbach, Erica Feberwee en Yolande Ligterink leenden zich ervoor, Theo Veenhof van Luitingh-Sijthoff maakte het redactioneel af (voor zover bekend zijn er in de bunker geen Friezen aangetroffen, zie elders in dit nummer). Mooi was het pleidooi dat Erik Lindner in een blog over Berlijn hield voor Parallelle geschiedenissen van Peter Nádas, een boek waarin naar verluidt een honderd pagina’s durende seksscène voorkomt: ‘Dat boek is niet vertaald in het Nederlands. Hoe komt dat, is het uit tussen Nádas en Nederlands? Of heeft de uitgever het budget er niet meer voor? Het is een fikse roman. Misschien is Nádas minder in vogue, misschien is het vertaalbeleid van de Nederlandse uitgeverijen er niet meer naar.’32 Ja, het boekenvak maakt grote veranderingen door (boekhandels die sluiten, streaming e-books etc.), en vertalers merken dat ook. Overigens niet alleen de boekvertalers: het NGTV, de grootste vertalersvereniging in de Lage Landen, verspreidde een kaart met de slogan ‘tolken en vertalers verdienen beter in 2014’ en kwam met ambitieuze plannen om de situatie te verbeteren. De crisis die het vak doormaakt leek in grote tegenstelling te staan met het thema van de laatste Literaire Vertaaldagen, de vertaler als rentmeester, maar anderzijds is het goed om te blijven hameren op kwaliteit, taalzorg en het bewaken van het culturele erfgoed. Hoe nodig dat is, bleek toen een goede en betrouwbare krant als Trouw een reeks vertalingen uitgaf (als ‘Parels van de Europese literatuur’) zonder ook maar ergens de vertalers te noemen (terzijde: of te betalen?33). Sommigen maken het helemaal bont, bijvoorbeeld door ervoor te pleiten om meer Nederlandse oorspronkelijke literatuur uit te geven. Zo uitgever Marc van Gisbergen in Boekblad (van oktober 2013): ‘Als we met z’n allen in die globale of Europese kudde van vertaalde commerciële fictie blijven hangen, dan gaan we vanzelf over de dam en kun je je afvragen of er nog een weg terug is. […] Waarom Stoner als we Elsschot hebben, waarom Gazdanov als wij Vestdijk hebben?’ Natuurlijk: er sluiten boekhandels, er stoppen uitgevers (zoals Coppens & Frenks, dat jarenlang bijzondere vertalingen uitgaf), er zijn minder opdrachten. Maar het vertalen bloeit. Kijk naar wat Vertaalverhaal doet of Passa Porta, plaatsen waar steeds weer de noodzaak van het vertalen wordt bezworen, ook jegens een fenomeen als de geciteerde Van Gisbergen. Het blijft iets om trots op te zijn dat er een nieuwe transnationale master is opgericht, en het blijft mooi dat er nog steeds met vertalen gespeeld wordt, zoals bijvoorbeeld de curieuze vertaling in het Duits van de London Underground Map of dat je een chocolaatje kunt eten met aan de binnenkant van de wikkel het volgende vertaalspektakel: ‘There is nothing in our intelligence that has not passed by the senses,’ gepresenteerd als een uitspraak van Aristoteles. Vervolgens wordt via een Franse tussenstop – ‘Rien dans notre intelligence qui ne soit passé par nos sens’ – overgegaan tot het korte, misschien in essentie deprimerende ‘Intelligentie gaat door de zintuigen’. Los van het welbekende effect van chocola: is dat inderdaad toepasbaar op de verwarde manier waarop wij in ons taalgebied op de wereld reageren? Boze tongen beweren dat ‘we moeten stoppen met het opleiden van vertalers’ of in ieder geval ‘minder’ vertalers moeten opleiden. De markt zou te klein zijn voor nieuwe aanwas. Andere tongen verspreiden de opvatting dat de ‘zittende’ literair vertalers een aardig graantje meepikken in de scholing van nieuwe aanwas. De vertaalmarkt is een vrije markt met open concurrentie, maar het lijkt soms net de echte wereld, waar het niet altijd eerlijk aan toegaat. Ik heb in de loop der jaren te veel bijzondere vertaaltalenten voorbij zien komen die uiteindelijk niet voor het vak van vertaler kozen omdat ze geen kansen kregen, niet alleen omdat de markt zou zijn dichtgeslibd maar omdat de zittende vertalers geen openingen boden. Nu is dat heel begrijpelijk, maar geen reden om je geen zorgen te maken over nieuwe aanwas in het vertaalveld. Daar ging het ook om in het roemruchte Vertaalpleidooi van 2008: om de vertaalcultuur in de Lage Landen bloeiend te houden moest er beleid gemaakt worden, met name door een stevige impuls te geven aan deskundigheidsbevordering en opleiding. We moeten blijven opleiden en verbeteren, de taal op peil houden, boeken uitgeven. Michel Krielaars reageerde in zijn krant fel op de opheffing van een aantal kleinere talenopleidingen in Groningen, wat hij ‘de vernietiging van expertise’ noemde: ‘Sommigen zullen nu zeggen dat die romans [opsomming van geschrapte talen, hij noemt er zes, TN] dan maar uit het Engels vertaald moeten worden, omdat in die taal nu eenmaal de hele wereldliteratuur verschijnt. Maar tegen dat argument zal Huizinga postuum aanvoeren dat over diezelfde twintig jaar – dankzij die “vermarkting” van de hele samenleving – de beheersing van het literaire Engels waarschijnlijk zo is afgenomen dat afgestudeerde anglisten behalve een technische gebruiksaanwijzing geen zin van Shakespeare meer kunnen vertalen, ook omdat ze de achtergrondinformatie missen die je daarvoor nodig hebt.’34 Het Engels dat oprukt en het Nederlands dat verdrukt wordt, het is een interessant aspect van een culturele discussie waarin opleiding, vertaalkwaliteit, geld en beleid de bestekpalen vormen. Het is mooi dat Fokke & Sukke, moderne taalgebruikers bij uitstek, alles ook relativeren: ‘Alles swag met de kids? Ah, weet ik veel, yolo!’35

2013 was het jaar waarin een Koningslied gemaakt en verguisd werd, onder meer doordat het leek of de schrijver ervan de tekst met Google Translate uit het Hollywoods vertaald had.36 Belangrijker is dat er dwars tegen de vermarkting en verzakelijking in pleidooien worden gehouden voor inhoud en reflectie. Xandra Schutte gaf daarvan in 2013 het sterkste voorbeeld met een essay over de crisis van de literaire kritiek. Haar idee was dat we niet zo moeten zeuren: ‘Niet klagen dus, maar aan het werk. Kijk naar de kritische teksten die een ingrijpende invloed hebben gehad en bedenk dat die veelal gepubliceerd werden in tijdschriften of boeken voor een klein publiek. Het is de kracht van de beschouwing die telt, niet de oplage van het medium.’37 Op dat punt zijn we aanbeland, ook in onze vertaalcultuur die we bloeiend noemen – met alle aandacht voor wat nieuw is. Hoe er in 2013 in Nederland en Vlaanderen vertaald werd moge duidelijk worden uit de navolgende stukken waarin vooraanstaande lezers vertellen welke vertalingen hen zijn opgevallen, en waarom.

 

Noten
1 Ook Cyrille Offermans gaf de uitgever een pluim (in De Groene Amsterdammer van 1 augustus 2013).
2 In een bijlage bij De Groene Amsterdammer van 28 november 2013, p. 4.
3 In de Volkskrant van 20 juli 2013.
4 ‘Drank en droefheid overheersen, in een ongelukkig land’, zo vatte NRC Handelsblad de twee genoemde bundels op 28 juni 2013 samen.
5 ‘En dat allemaal voortreffelijk en virtuoos vertaald, al zou ik persoonlijk niet gauw de woorden “sociabel” of “op geld gefixeerd” bij Poesjkin gebruiken. Hoe modern hij ook was voor zijn tijd, in de vertaling moet hij mijns inziens vooral tijdloos blijven.’ (Sana Valiulina in De Groene Amsterdammer van 7 februari 2013).
6 In de Volkskrant van 8 november 2013.
7 ‘Alle ontsnappingspogingen ten spijt is elke koets en elke knol, iedere Masja en iedere Kozak, elk paleis en elke datsja van de balsturige geest van Alexandr Poesjkin doordrongen.’ In de Volkskrant van 23 maart 2013.
8 In NRC Handelsblad op 13 december 2013.
9 Zoals gebruikelijk doet Langeveld of het allemaal vanzelfsprekend is, en misschien overdrijft hij daar, bijvoorbeeld als hij in zijn nawoord bij de vertaling (op p. 682) dit zegt: ‘Dostojevski schept er behagen in om ons alle mogelijkheden van de taal te laten zien. De vertaler heeft deze eigenaardigheden zoveel mogelijk proberen te handhaven, en slechts ingegrepen als het Nederlands al te veel dreigde te ontsporen.’ Wat betekent dat, ‘slechts ingegrepen’? Grijpt een vertaler niet voortdurend in? Alles wordt toch grondig anders?
10 Timmer spreekt ook nog aan, getuige een lezersreactie in de ‘seksweek’ van De avonden (www.avondlog.nl, ingezien op 14 mei 2013), waarin het verhaal ‘Dante-straat’ ‘het meest onontkoombare verhaal over seks’ wordt genoemd. De versie van Froukje Slofstra, ‘Rue Dante’, is duidelijk meer ingehouden.
11 Op 23 maart 2013.
12 Uitgeverij Cossee samen met Lebowski versus Wereldbibliotheek, vgl. de Volkskrant van 7 september 2013.
13 Ze noemt hem daar abusievelijk Cruysse, NRC Handelsblad, 10 mei 2013.
14 Antoine Verbij in Trouw van 20 april 2013. Hij smeekt om nog een roman van dezelfde auteur: Venushaar.
15 In NRC Handelsblad, 16 december 2013.
16 In 2000 schreef Olga Krijtová voor Filter een artikel dat ‘De naam van de vertaler’ heet en waarin zij vertelt over de problemen van de Tsjechoslowaakse vertalers in de Sovjettijd. Op de site VPRO-boeken (geraadpleegd 17 december 2013) werd de bijzondere relatie van Olga Krijtová met de schrijfster Miep Diekmann geschetst – ‘Het samen verspreiden van de Nederlandse literatuur heeft Miep tot soulsister gemaakt van Olga Krijtová.’
17 Op www.perdu.nl, geraadpleegd 7 februari 2014.
18 In NRC Handelsblad, 19 april 2013.
19 Zo wierp Ineke de Jong uit Den Haag in een ingezonden brief in de Volkskrant van 4 april 2013 de vraag op waarom die steun nodig is: ‘Geboeid las ik het artikel “Diner met zes nullen” (V, 30 maart) over het succes van Herman Koch. Knap wat de heer “Kotsj” allemaal wereldwijd heeft bereikt met zijn boek. En verdiend! Wat mij echter frappeert in dit stuk was de terloopse, tussen haakjes geplaatste, toevoeging over een subsidie van het Nederlandse Letterenfonds voor de Duitse vertaling Angerichtet. Ik kan me voorstellen dat er zulke subsidies bestaan voor beginnende, nooddruftige schrijvers. Maar toch niet voor “Hurmen”? Of is deze subsidie teruggestort toen bleek dat de roman ook in Duitsland liep als een Zug?’
20 Wel talloze andere boeken met dezelfde titel, maar dat zijn echte tuinboeken, niet Knielen op een bed violen; de redelijke mysterieuze vertaling zal die van 2007 zijn, toen Paul Verhoeven een verfilming van het boek plande.
21 In de loop van dit jaar zal op Webfilter aandacht besteed worden aan Claus als vertaler, en dan zal ook op deze bijzondere bundel nader worden ingegaan.
22 Allebei de boeken werden uitgebreid en op een persoonlijke manier besproken door Arnon Grunberg.
23 Onder het kopje ‘Hoogmoed & IJdelheid’, 3 augustus 2013.
24 NRC Handelsblad, 13 juli 2013.
25 Het Parool, 10 mei 2013.
26 In de Volkskrant van 14 september 2013.
27 NRC Handelsblad, 14 oktober 2013.
28 De nieuwe vertaling bij Van Gennep is van de hand van Peter van Oers (Graa Boomsma schreef een fraai stuk over het boek in De Groene Amsterdammer van 30 mei 2013).
29 Overigens was er in de media weinig vertaalkritiek te bespeuren. Iets van een discussie was zichtbaar rond Luis de Góngora, Polyphemus en Galatea – en andere gedichten uit de Spaanse Gouden Eeuw (Papieren Tijger, Eric Coenen). De vertaling werd bekritiseerd door Maarten Steenmeijer (in de Volkskrant van 21 september 2013): ‘De worsteling van de vertaler die hier zichtbaar wordt, verstoort de mooie illusie die veel gedichten in deze bundel wekken: dat je geen vertaling leest maar soevereine poëzie.’ Ook Guus Middag (in NRC Handelsblad, 16 augustus 2013) vond ‘het hoofdgerecht’ (de poëzie van Góngora) toch ‘te kunstmatig en te barok allemaal, en te ingewikkeld ook’. Hij trof ‘te veel cultuurpoëzie, en te weinig gelegenheidspoëzie’ aan, maar had waardering voor de vertalingen van levendiger, alledaagser gedichten met daarin ‘de ergernis om vliegjes in de wijn [...], het chagrijn om deze druifparasieten en muskaatmuskieten’, waarin gesneerd wordt over de mode, over een ‘ bepaalde eenogige lichaamsopening (aan de achterkant) die bij nadere beschouwing veel overeenkomst blijkt te vertonen met het gezicht van een collega-dichter’.
30 Van David Rijser in NRC Handelsblad van 14 juni 2013.
31 Zie het artikel van Hendrik Spiering in NRC Handelsblad van 10 april 2013.
32 Via de site van De Revisor geraadpleegd op 1 oktober 2013.
33 Van minstens één vertaler is mij dat bekend.
34 NRC Handelsblad, 21 juni 2013.
35 Cartoon in NRC Handelsblad, 14 december 2013.
36 Aldus Ton den Boom in de Volkskrant van 20 april 2013 naar aanleiding van de beruchtste regel ‘de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier’, wat volgens hem te herleiden valt tot ‘the day you knew would come has finally arrived’.
37 In De Groene Amsterdammer van 26 september 2013.

Lees meer over: