Over Nederlandse vertalingen wereldwijd: kleine landen en mondialisering van Johan Heilbron    88-89

Diederik Grit

Johan Heilbron, ‘Nederlandse vertalingen wereldwijd: kleine landen en culturele mondialisering’. In: J. Heilbron e.a. (red.), Waarin een klein land: Nederlandse cultuur in internationaal verband. Amsterdam: Prometheus, 1995, p. 206-252. ISBN 90-5333-385-1.

Verscholen in een essaybundel is onlangs een belangwekkende studie verschenen over het vertalen in en uit het Nederlands. Waarin een klein land bevat gepopulariseerde onderzoeksverslagen over internationale verhoudingen waarin de Nederlandse cultuur is ingebed. Zo passeren de mondiale Rembrandt-verzamelingen, het aankoopbeleid van Nederlandse musea, de Nederlandse positie in de klassieke-muziekwereld en Nederlandse films op internationale festivals de revue. Het laatste essay betreft een kwantitatief onderzoek van de socioloog Johan Heilbron (Amsterdamse School voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek) naar het vertalen van boeken en naar de internationale positie van Nederland op dat gebied.

Heilbron wijst erop dat sociologisch onderzoek naar wereldwijde netwerken zich concentreert op sociaal-economische betrekkingen. Er bestaan echter ook culturele netwerken, die niet zomaar kunnen worden herleid tot bijverschijnsel van de economische. De vraag is daarom welke landen kunnen worden gerekend tot het centrum van het ‘wereldcultuurstelsel’ en welke tot de periferie. Heilbron probeert deze vraag te beantwoorden door na te gaan vanuit welke talen in het Nederlands is en wordt vertaald, en vice versa.

Statistische gegevens over vertalingen zijn wel beschikbaar, maar zijn nauwelijks gerelateerd of geanalyseerd, althans niet voor meer dan een taal tegelijk. Vooral voor niet-literaire vertalingen bestaat weinig wetenschappelijke belangstelling. Er zijn kwantitatieve gegevens van uitgevers en boekhandelaren, maar dat zijn absolute getallen, die pas in hun relatie tot ander cijfermateriaal interessant worden.

Twee onderzoeksmaatstaven zijn volgens Heilbron belangrijk. De eerste is het aantal boekvertalingen in een taal ten opzichte van het aantal vertalingen uit die taal. Betrouwbare gegevens hierover zijn echter nauwelijks voorhanden. Daarom is een tweede maatstaf geschikter: het percentage vertalingen in de nationale boekproductie.

Na een kort historisch overzicht van vertalingen in het Nederlands presenteert Heilbron de resultaten van zijn primaire onderzoek. Allereerst geeft hij percentages vertalingen uit het Engels, Frans en overige talen op de totale titelproductie in de periode 1946-1990 (over 1990 nog eens uitgesplitst naar rubrieken en talen). Dan komt een korte historische schets van vertalingen uit het Nederlands, gevolgd door kwantitatieve gegevens over aantallen en percentages literaire vertalingen in de periode 1900-1957, en over aantallen, percentages en soorten van literaire èn niet-literaire vertalingen in de periode 1958-1990, mede uitgesplitst naar meest vertaalde auteurs.

Uit de resultaten blijkt een sterke internationaliseringstrend. Momenteel is een kwart van alle in Nederland uitgegeven boeken een vertaling, tegenover minder dan tien procent vlak na de oorlog. Twee derde van de vertalingen heeft Engels als brontaal ‒ viermaal zoveel als het Duits en achtmaal zoveel als het Frans. Deze drie talen nemen 90% van alle vertalingen voor hun rekening. Daarbij blijkt een relatie aanwezig tussen handelspositie en geografische ligging enerzijds en vertalingen anderzijds: zo is het vertaalverkeer tussen Nederland en Duitstalige landen relatief intensiever dan dat tussen Nederland en Zuideuropese landen.

Overigens betekent toenemende mondialisering niet per se verdere marginalisering van perifere taalgroepen. Het aantal vertalingen uit het Nederlands neemt niet alleen relatief toe, maar ondervindt ook een groeiende erkenning. Kinderboeken, letterkunde en godsdienstige werken zijn het meest gewaardeerd. Wel blijkt dat de Nederlandse vertalingen in toenemende mate verschijnen uit de drie grote supranationale talen (Engels, Frans en Duits), ten nadele van bijvoorbeeld de Scandinavische talen.

Heilbrons onderzoek is belangwekkend doordat erin voor het eerst een poging wordt ondernomen om het beschikbare kwantitatieve materiaal (gegevens van de Stichting Speurwerk betreffende het Boek en uit Brinkman’s Catalogus, Bibliographia Neerlandica en Het Nederlandse Boek in Vertaling) uit te splitsen en te analyseren. Men mag Heilbron dankbaar zijn dat hij al het telwerk op zich heeft genomen dat nodig is om tot zijn interessante resultaten te komen. Hoewel ik Bibliographia Neerlandica in de kast heb staan en mij uitvoerig met de vertalingen in en uit de Scandinavische talen heb beziggehouden, was het voor mij een verrassing dat het Scandinavisch taalgebied na het Duitse de tweede markt was voor vertalingen van Nederlandse literatuur in de periode 1900-1957.

Toch blijft er wel wat te wensen over. Heilbrons gegevens zijn namelijk niet overal vergelijkbaar. Zo geeft hij voor de vertalingen in het Nederlands alleen gedetaiJJeerde gegevens van na 1946, speciaal over 1990, terwijl hij over de vertalingen uit het Nederlands cijfers verschaft over de periode 1900-1990. Deze laatste gegevens betreffen voor de periode 1900-1957 alleen fictie van schrijvers uit Nederland, terwijl de gegevens over de jaren daarna ook andere genres en werk van Vlaamse auteurs betreffen.

Deze onevenwichtigheid hangt samen met de bibliografieën waarop Heilbron zich baseert: Bibliographia Neerlandica (1900-1957) geeft alleen fictie, Het Nederlandse Boek in Vertaling (1958-heden) ook non-fictie en werk van Vlamingen. De door Heilbron genoemde populariteit van Streuvels en Timmermans in het vooroorlogse Duitsland wordt nu niet met cijfers gestaafd. De bibliografieën van P. Arents, De Vlaamsche schrijvers in vertaling (1931), G. Hermanowski, Zuidnederlandse literatuur in vertaling (1961) en H. van Uffelen, Bibliographie der modernen niederiändischen Literatur in deutscher Übersetzung (1993) hadden hier, ondanks de onvolledigheid van de eerste twee, uitkomst kunnen bieden.

Een ander punt is dat bibliografieën die een zo breed terrein bestrijken, per definitie onvolledig zijn en dat dus aanvullend onderzoek nodig is. Zo noemt Heilbron voor de periode 1900-1930 elf literaire vertalingen Nederlands-Deens (inclusief herdrukken), terwijl mijn dissertatie-onderzoek er ruim drie keer zoveel opleverde: 36 (eveneens inclusief herdrukken).

Dit vermeld ik uiteraard niet om Heilbron af te troeven, maar om aan te geven dat zijn werk een aanzet vormt, zoals hij zelf ook zegt. Ik hoop dat hij zijn belangwekkende aanzet verder uitwerkt en dat anderen zich geïnspireerd zullen voelen om hem daarin bij te staan. 

Lees meer over: