De Celestijnse belofte: voorbeeld van wanbeleid uitgevers    2-5

Brigit Kooijman

Abstract: Het gemeenschappelijk thema van de vier vertaalkritieken aan het begin van dit nummer is de invloed van het marktmechanisme op vertalingen: het gaat in alle stukken om vertalingen van goed verkopende lowbrow-boeken. Kooijman stelt de missers van de, door uitgevers opgejaagde, vertalers aan de kaak.

 

In de tien jaar dat ik mij met vertalen bezighoud, heb ik me vaak verbaasd over de onwaarschijnlijk slechte vertalingen van (vooral Amerikaanse) bestsellers. Bij nadere analyse bleken ze zonder uitzondering slordig, vol fouten en stilistisch zo beroerd dat geen uitgever erover gepiekerd zou hebben ze op de markt te brengen als het oorspronkelijke Nederlandse werken waren geweest.

Vertaalbesprekingen in dagbladen en tijdschriften betreffen meestal bijzondere prestaties, waarvoor als criterium de moeilijkheidsgraad dan wel de klassieke status van het origineel geldt. Er wordt meer aandacht besteed aan prestigieuze projecten bedoeld voor een kleine lezerskring dan aan het boeken-top-tien-werk van het type Wilde Zwanen.

Mijn indruk is dat uitgevers er misbruik van maken dat verreweg de meeste vertaalde boeken in de media (schijnbaar of daadwerkelijk) worden beoordeeld op grond van het oorspronkelijke werk. De populariteit die een bepaald boek in het land van herkomst geniet, snelt de vertaling als het ware vooruit en leidt vaak automatisch tot een verkoopsucces in Nederland.

Met een klein aantal imposante vertalingen in hun buitenlandse fonds ‒ meestal literair proza van klassieke of in elk geval gevestigde auteurs, vertaald door vertalers van naam (Nijhoffprijswinnaars) die op grond van hun reputatie en de status van het origineel veelal een werkbeurs toegekend hebben gekregen ‒ profileren de uitgeverijen zich en houden ze hun imago van gewichtige cultuurdragers hoog. Maar er moet ook winst gemaakt worden; hoe, dat geeft kennelijk niet.

De buitenlandse bestsellers waarvan de rechten voor tienduizenden guldens zijn gekocht, moeten zo gauw mogelijk na het uitkomen van het origineel in het Nederlands worden omgezet. Altijd is er wel een reden voor haast: Sinterklaas nadert, de Boekenweek is in zicht, de auteur komt op toernee in Nederland. Het komt regelmatig voor dat een vertaling zelfs gelijktijdig verschijnt met het origineel. Verwonderlijk is de jammerlijke kwaliteit van deze Nederlandse versies dus niet.

Een typisch (hoewel willekeurig) voorbeeld van zo’n uitgave is de Celestijnse Belofte van James Redfield, uitgegeven door De Boekerij en vertaald door Jaap van Spanje. In Amerika is dit New Age-boek een rage, en ook in Nederland mogen de ‘Negen Inzichten’ zich in een grote populariteit verheugen. Over de literaire (en spirituele) verdiensten van The Celestine Prophecy kan getwist worden, maar de auteur heeft in elk geval zijn boodschap in normaal, begrijpelijk Engels gegoten. De vertaling is echter één lange aaneenschakeling van lelijke, nodeloos ingewikkelde en ronduit onbegrijpelijke zinnen. Een kleine greep (alleen uit de eerste helft, want toen had ik het wel gezien):

Dat wij aan het einde van het tweede millennium ‒ nu dus ‒ die hele periode als één geheel kunnen zien, ook de speciale preoccupatie die zich in de tweede helft van dat millennium ontwikkeld heeft, namelijk in wat de Moderne Tijd wordt genoemd. (p. 30)

En de inzichten die ik in dit alles krijg, en hoe dat met mijn werk te maken heeft, zijn verbazingwekkend. (p. 65)

Als we de beweging van die energie systematisch kunnen observeren, hebben we een middel om te begrijpen wat mensen ontvangen als ze concurreren en ruzie maken en elkaar beschadigen. (p. 80)

‘Alles om ons heen,’ vervolgde hij, ‘bevat energie. Maar alles heeft zijn eigen soort. Daarom versterken sommige plekken de energie meer dan andere. Dat hangt af van hoe je vorm bij de energie daar past.’ (p. 114) 

Soms lijkt het alsof de vertaling in het allereerste kladstadium is blijven steken. Het is immers ondenkbaar dat er een weloverwogen keuze ten grondslag ligt aan zinnen als deze:

Misschien is de basisoperatie van het universum mechanisch (...). (p. 60)

Regelrechte vertaalfouten verraden een fundamenteel gebrek aan vakmanschap. Enige kennis van de brontaal is immers onmisbaar bij het vertalen:

Ik wilde me alleen nog maar overgeven aan het gevoel in een ruimte te drijven die zich in alle richtingen voortzette. (p. 101)

‘Float’ betekent behalve ‘drijven’ ook ‘zweven’, maar zelfs als je dat niet weet (en je hebt ook geen woordenboek), zou je common sense je voor dit soort absurditeiten moeten behoeden. Datzelfde geldt voor de volgende voorbeelden.

‘Dat is de vriend over wie ik je vertelde, de man die vermoord is.’ [who was killed]
(...)
‘Wat is er met hem gebeurd?’
‘Hij is vermoord.’ [He was murdered] (p. 41)

‘Be killed’ kan ‘vermoord worden’ betekenen, maar is ook vaak gewoon ‘omkomen’. De vertaler gebruikte zijn verstand niet, en produceerde een dialogue de sourds.

‘You’re a dinosaur’ is alleen in Jurassic Park-achtige contexten ‘u bent een dinosaurus’ (p. 67). Meestal (zo ook hier) betekent het ‘u bent hopeloos ouderwets’, eventueel te vertalen met ‘u bent een fossiel’ of ‘u leeft in het jaar nul’.

Veel onduidelijkheden in de vertaling komen voort uit een verkeerd begrip van de grammaticale tijden (alweer niet gecompenseerd door logisch denkvermogen). In het Engels wordt de present perfect, anders dan de Nederlandse voltooid tegenwoordige tijd, ook gebruikt wanneer een handeling deels betrekking heeft op het heden:

‘Hebt u die energie zelf weleens gezien?’
‘Ik heb iets gezien, maar dat hangt echt af van wat ik gegeten heb.’ (p. 59)

Hier had natuurlijk iets moeten staan als: ‘Jawel, maar of ik iets zie hangt af van wat ik gegeten heb.’

De vertaler moet vermijden dat de lezer voortdurend het gevoel heeft een slap aftreksel van het origineel in handen te hebben. Dit betekent dat hij zich in zijn woordkeus moet laten leiden door de grammaticale, lexicale en idiomatische conventies van de doeltaal. In De Celestijnse belofte zijn zelfs de simpelste spreektaalzinnetjes onnederlands. ‘Call me Will’ wordt vertaald met ‘Noem me maar Wil’ (p. 40), terwijl normaal Nederlands zou zijn: ‘Zeg maar Wil’. Een neutraal bevestigend antwoord op de vraag ‘Weet u waar de proeftuinen zijn?’ zou moeten luiden: ‘Ja’, en niet ‘Natuurlijk’ (een anglicisme als vertaling van ‘Sure’). ‘So what’s happening?’ is in vlotte Nederlandse spreektaal: ‘Wat is er nu eigenlijk aan de hand?’ en niet: ‘Wat is er dus aan de hand?’ (p. 69).

Vooral deze laatste voorbeelden zijn missers die door een ervaren redacteur in een handomdraai verbeterd hadden kunnen worden, zonder dat hij het origineel had hoeven raadplegen. Weinig vertalers zullen in staat zijn goed werk af te leveren onder de gebruikelijke tijdsdruk, maar laat de uitgevers dan op zijn minst zorgen voor een intelligente eindredactie en hun budget en planning daaraan aanpassen.

Het wordt tijd dat uitgevers worden afgestraft voor hun beleid ten aanzien van vertaalde boeken in de vorm van openbare aanklachten in de media. In de Volkskrant van 6 december 1991 noemde Michaël Zeeman de slechte redactie van Melancholische dwaalwegen van W.G. Sebald ‘moord op een boek’. Door het grote aantal zetfouten was de Nederlandse editie van Schwindel, Gefühle praktisch onleesbaar. In een reactie gaf uitgeverij Van Gennep toe: ‘Het komt door de snelheid van produceren. De druk om het nog voor Sinterklaas uit te brengen was groot.’ Het boek werd uit de handel genomen. Een broddelvertaling is natuurlijk even moordend als een boek vol zetfouten. De uitgevers die zich daaraan schuldig maken, gaan echter meestal vrijuit. Omdat buitenlandse bestsellers voor een niet gering aantal van hen de kurk zijn waar hun winkel op drijft, kan alleen een permanente dreiging dat hun producten als ondeugdelijk aan de schandpaal worden genageld, de uitgevers wellicht uit hun zelfgenoegzaamheid wekken. 

Lees meer over: