Scheef licht    44-53

Gender-stereotypen in vertalingen van Richteren 4

Anneke de Vries

Abstract: De Vries bespreekt vier moderne Nederlandse bijbelvertalingen van deze passage waarin de vrouwen Deborah en Jaël de hoofdrol spelen en constateert dat de vertalers hier en daar de brontekst negeren om het verhaal iets meer in overeenstemming te brengen met de stereotypen van vrouwen.

 

Bijbelvertalingen dragen, net als alle andere vertalingen, de sporen van de tijd en cultuur waarin zij ontstaan zijn. Verschuivingen ten aanzien van de brontekst kunnen vaak hieruit verklaard worden. Een voorbeeld van een tijd- en cultuurgebonden verschijnsel is het voorkomen van gender-stereotypen in vertalingen. Stereotypen zijn cognitieve structuren die veronderstellingen omtrent groepen en hun leden bevatten. Gender-stereotypen bevatten veronderstellingen met betrekking tot mannelijkheid en vrouwelijkheid. De werking verloopt in twee stadia: eerst worden vrouwen en mannen verondersteld op een bepaalde manier te denken en zich te gedragen, vervolgens worden zij geacht op die bepaalde manier te denken en zich te gedragen. Stereotypen beïnvloeden het denken en spreken op een onderbewust niveau, en zijn derhalve overal aan te treffen, ook in bijbelvertalingen.

Het zal de lezer niet verbazen dat voor vrouwen het volgende conglomeraat kenmerken geacht wordt stereotiep te zijn: zachtaardig/ vriendelijk/ emotioneel/ passief. Voor mannen gelden tegenovergestelde kenmerken als stereotiep: doortastend/ moedig/ rationeel/ actief (David Graddol & Joan Swann 1989). Uit deze algemene stereotypen zijn meer specifieke af te leiden, bijvoorbeeld met betrekking tot passend geachte taken en bezigheden. Hoewel deze stereotypen bezig zijn af te brokkelen, zijn ze in allerlei producten van cultuur nog wel degelijk aan te treffen.

Hier wil ik demonstreren dat deze en verwante stereotypen in vertalingen van het bijbelhoofdstuk Richteren 4 terug te vinden zijn: er treden tal van verschuivingen op die het gevolg lijken te zijn van onbewuste veronderstellingen bij de vertalers met betrekking tot gender. Hiermee wil niet gezegd zijn dat de brontekst geen gender-stereotypen zou bevatten. Ik beperk mij hier echter tot stereotypen in de vertalingen waartoe de brontekst mijns inziens niet direct aanleiding geeft.

De bijbelvertalingen die hier aan de orde zullen komen zijn de volgende. De Willibrordvertaling is een Rooms-Katholieke vertaling, gepubliceerd in de jaren zeventig. In 1995 verscheen een herziene uitgave, die hier wordt gebruikt. De vertaling houdt het midden tussen een letterlijke en vrije weergave. Groot Nieuws werd gepubliceerd in het begin van de jaren tachtig en was bedoeld voor mensen zonder religieuze achtergrond. Het is een tamelijk vrije vertaling, gebaseerd op de vertaalprincipes van Eugene Nida en Charles Taber (1974). Het Boek is eigenlijk een parafrase in eenvoudig Nederlands. Deze is gemaakt door de evangelische organisatie Living Bibles en is gepubliceerd eind jaren tachtig. Het meest opvallende kenmerk is dat Het Boek is gebaseerd op een aantal andere vertalingen. De Startbijbel is een vertaling van gedeelten van de bijbel en gemaakt voor jongeren. Hij volgt de brontekst vrij letterlijk. Het taalgebruik is eenvoudig met het oog op de lezersgroep. De vijfde editie is uitgekomen in 1994. Voor meer informatie verwijs ik naar Alfons Jaakke en Evert Tuinstra (1990) en Harm Hollander (1994).

Richteren 4
In het bijbelboek Richteren (Rechters) wordt de tijd beschreven waarin Israël werd geregeerd door zogeheten ‘richters’ of ‘rechters’. Dit waren mensen die in een bepaald gebied doeltreffend leiding hadden gegeven in een noodsituatie en daarna als een soort gezagdragers werden gezien. Voorbeelden zijn Simson, Gideon en Debora met in haar kielzog Barak. De rode draad door het boek is dat God bevrijding geeft: niet het eigen leger, maar God verdrijft de vijanden.

In hoofdstuk 4 roept de richteres Debora haar legeraanvoerder Barak bij zich. Zij zegt tegen hem dat God hem heeft bevolen een leger bijeen te roepen en naar de berg Tabor te gaan. God zal hem de vijand, het Kanaänitische leger van Sisera, in handen geven. Barak aarzelt: hij is alleen bereid te gaan als Debora ook gaat. Dat doet ze, maar ze kondigt aan dat niet hem de eer voor de overwinning te beurt zal vallen: God zal Sisera in handen geven van een vrouw. Uiteindelijk gaat Barak op pad.

Sisera trekt ook op met zijn leger. Dan brengt God verwarring over het leger van Sisera, en iedereen slaat op de vlucht. Sisera vlucht naar de tent van Jaël, de vrouw van een vriend van hem. Zij legt een deken over hem heen en geeft hem melk te drinken. Hij zegt haar op te letten dat er niemand binnen komt. Maar Jaël pakt een tentpin en een hamer, en slaat de pin door zijn geopende mond de grond in ‒ hij was in slaap gevallen ‒ en hij sterft. Vervolgens toont zij Barak de dode Sisera. Zo vernedert God de Kanaänieten.

In de brontekst treedt Debora naar voren als een krachtige vrouw die op de hoogte is van de plannen van God. Barak is een aarzelende figuur, die zonder Debora geen voet verzet. Bovendien is het God en niet het eigen leger die de vijand verslaat. Voor Barak is dus slechts een weinig eervolle rol weggelegd. Hetzelfde geldt voor Sisera, die op de vlucht slaat. Jaël daarentegen betoont zich een moedige vrouw. De hoofdfiguren worden dus getekend op een manier die niet helemaal overeenstemt met de heersende gender-stereotypen.

In de vertalingen treden op deze punten een paar verschuivingen op, die een scheef licht werpen op de personages. Debora’s krachtig optreden wordt enigszins afgezwakt, terwijl Barak en Sisera enigszins worden opgepoetst. Jaëls daad tenslotte komt in een negatiever daglicht te staan. De vertalingen brengen de personages dus meer in overeenstemming met de stereotypen.

Het is in dit verband van belang onderscheid te maken tussen twee lagen: de geschiedenis en het verhaal. Een geschiedenis is een serie chronologisch gerelateerde gebeurtenissen en een verhaal is een bepaalde presentatie van die geschiedenis (Mieke Bal 1990: 18-19). Hier zal ik een analyse van bijbelvertalingen geven die vooral betrekking heeft op de laag van het verhaal: het gaat mij niet zozeer om wat er gebeurd is, als wel om de beschrijving van de (veronderstelde) geschiedenis. Die beschrijving geeft namelijk de visie van de verteller weer op de gebeurtenissen en juist die visie is interessant.

Debora
Debora wordt in de brontekst (vers 4) uitgebreid geïntroduceerd als een profetes, en als ‘esjet lappidot ‒ ‘vrouw van’ lappidot.In onze vertalingen is dit laatste woord opgevat als een naam, dus: ‘vrouw van Lappidot’ (zo ook GB en BDB).2 Grammaticaal gezien kan echter ook heel goed vertaald worden: ‘van de fakkels’. In dat geval wordt lappidot gezien als vrouwelijke meervoudsvorm van lappid, ‘fakkel’. HAL houdt deze mogelijkheid uitdrukkelijk open. Ook gezien de context is dit een alleszins acceptabele optie: Debora is degene die tot tweemaal toe Barak aanvuurt om op te trekken met zijn mannen. In het volgende hoofdstuk (Richteren 5) treedt zij eveneens naar voren als een vurige vrouw. Ook Rashi, een zeer gezaghebbende joodse bijbeluitlegger uit de elfde eeuw, kiest voor een nominale interpretatie, zich daarbij baserend op oudere tradities. Hij meent, langs associatieve weg, dat het woord lappidot haar werkzaamheden aanduidt als producente van patilot ‒ ‘pitten’ (voor kaarsen of fakkels). Maar zoals gezegd, al onze vertalingen hebben lappidot geïnterpreteerd als aanduiding van de naam van de (overigens onbekende en verder ook nergens optredende) veronderstelde echtgenoot van Debora.

Daarmee is de introductie van Debora nog niet voltooid. De verteller vermeldt ook nog dat hi’ soptah ‘et yisrael ba’et hahi’ ‒ ‘zij richtte Israël in die tijd’. In Het Boek treedt hier direct al de neiging aan het licht Debora enigszins naar de achtergrond te manoeuvreren: ‘In die tijd werd Israël gericht door de profetes Debora.’ Debora, die in de brontekst subject en agens is, staat in Het Boek in een passieve ‘door’-bepaling, wat als een degradatie kan worden gezien (Susumu Kuno 1987: 205-206). De Willibrordvertaling heeft: ‘In die tijd was [...] Debora [...] rechter in Israël.’ De vertalers hebben de verbale zin uit de brontekst als een nominale zin weergegeven, waardoor ook hier Debora geen handelende persoon meer is.

In vers 6 richt Debora zich tot Barak, de legeraanvoerder, door middel van een retorische vraag: halo’ tsiwwah yhwh ‘elohey yisrael... ‒ ‘heeft niet de HEER, de God van Israël, bevolen...’ Debora treedt hier op als de compagnon van God, die Barak tot de orde roept, of hij nou nog steeds niet heeft gedaan wat hij toch weet dat God bevolen heeft. Retorische vragen zijn zeer krachtige formuleringen. Wellicht is dat de reden dat de Willibrordvertaling, Groot Nieuws, Het Boek en de Startbijbel de retorische vraag verwijderen. Daarvoor in de plaats treffen we zwakkere formuleringen die, anders dan de retorische vraag, Barak niet tot een bepaald (namelijk bevestigend) antwoord dwingen. Groot Nieuws geeft: ‘Dit is het bevel van de Heer’, de andere vertalingen hebben iets als ‘De Here, de God van Israël, geeft u dit bevel’.

Barak durft niet alleen te gaan en vraagt Debora om mee te gaan. Dit doet zij. Wanneer zij met tienduizend man op de berg Tabor vlak bij de vijandelijke troepen van Sisera zijn gekomen, is het opnieuw Debora die Barak moet aanzetten om verder te gaan. Zij zegt (vers 14): ‘Sta op, want dit is de dag, waarop de HEER Sisera in je hand geeft.’ halo’ yhwh yatsa’ lepaneka ‒ ‘trekt de HEER niet voor je uit.’ Opnieuw een retorische vraag, die Barak geen andere keus laat dan de berg af te dalen naar de vijand. Ook hier zwakken de vertalingen het verbaal krachtige optreden van Debora af. Willibrordvertaling, Groot Nieuws en Het Boek vertalen alle iets als ‘De Heer zelf gaat voor u uit.’ De Startbijbel geeft een iets krachtiger formulering: ‘Je weet dat de Heer voor je uit gaat.’

Barak
Barak is in de brontekst niet een erg overtuigende figuur: hij durft niet zonder Debora op pad, en als hij dan gaat, wordt zijn vijand, legeraanvoerder Sisera, niet door hem maar nota bene door een vrouw vermoord. De brontekst suggereert dat het niet aankomt op gevechtshandelingen van Barak, maar op het uitvoeren van het bevel van God. Dat wil zeggen: optrekken naar Tabor.

Dat het vooral dit is wat Barak moet doen, blijkt uit de overvloed van werkwoorden van ‘gaan’ (Ellen van Wolde 1995: 242) en de afwezigheid van werkwoorden van ‘vechten’ in de verzen 6-10 (de passage waarin het optrekken naar de berg Tabor wordt verteld). Ook wordt nergens gezegd dat Barak wapentuig meenam. Dit wordt wel gezegd van Sisera, die ‘zijn wagens en zijn leger’ meenam (vers 7), en ‘negenhonderd ijzeren wagens’ (vers 13).

Twee vertalingen lijken dit beeld van Barak wat te verfraaien door hem een grotere rol toe te kennen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in de verzen 6 en 7. Hier geeft Debora het bevel van God door, waarbij zij God sprekend opvoert: ‘Ga, trek naar de berg Tabor, en neem met je mee tienduizend man uit de Naftalieten en de Zebulonieten. Ik trek naar jou, naar de beek Kison, Sisera, de legeroverste van Jabin, en zijn wagens en zijn leger. Ik geef hem in jouw hand.’ Op de laag van de geschiedenis betekent dit dat Barak en niet Sisera als overwinnaar uit de strijd naar voren zal komen. Maar waar het om gaat is de presentatie van die geschiedenis: het verhaal. En daarin wordt God als handelende persoon voorgesteld en niet Barak. Het Boek legt een ander accent, waardoor Barak in die vertaling wel als handelende persoon optreedt en zo in belang toeneemt. God zegt door Debora volgens Het Boek tegen Barak: ‘trek naar de berg Tabor om te vechten [...] u zult hen daar verslaan.’

Vers 10 bevat een ander voorbeeld van hetzelfde verschijnsel. Barak doet inderdaad wat hem is opgedragen: wayaz’eq baraq ’et zebulon we’et naptali qedsjah - ‘en Barak riep Zebulon en Naftali naar Kedes.’ Op de laag van de geschiedenis heeft Barak zijn troepen natuurlijk opgeroepen tot de strijd tegen de Kanaänieten. Maar in het verhaal blijkt het daar niet om te gaan: de dominante visie in de brontekst is dat God de vijand in handen van Barak zal geven, en dus ontbreekt met opzet een expliciete vermelding van strijd. De Startbijbel geeft: ‘Toen riep Barak de mannen van Zebulon en Naftali op tot de strijd.’ Nu zou men kunnen denken dat het gebruikte werkwoord (z’q/hifil) deze nuancering impliceert, maar een blik in de vertaalwoordenboeken en in kat leert dat dit niet het geval is: indien er sprake is van een nuancering, is dat die van ‘bijeen roepen’.

Het derde voorbeeld dat ik hier wil geven, staat in vers 9. Als gevolg van zijn aarzeling om op pad te gaan zal Barak geen eer kunnen ontlenen aan de uitkomst: ki beyad ’isjah yimkor yhwh ‘et sisera’ ‒ ‘want in de hand van een vrouw zal de HEER Sisera verkopen.’ Het Boek suggereert echter, onder meer door weglating van de agens (te weten God), een toevallige gang van zaken: ‘de eer zal een vrouw te beurt vallen’, waardoor Barak minder ‘geblameerd’ naar voren komt.

Vers 15, tenslotte, bevat de beschrijving van het voorlopig beslissende moment. In de brontekst staat: wayaham yhwh ‘et sisera’... ‒ ‘En de HEER bracht Sisera [...] in verwarring.’ Dit ‘in verwarring brengen’ wordt in TWAT omschreven als ‘das Hervorrufen einer panischen Bestürzung, des sog. Gottesschreckens’ (onder het lemma hmm). Aangenomen wordt dat hiermee eerder op bedreigende natuurverschijnselen wordt geduid dan op wapengekletter. Pas nadat God de vijandelijke troepen in verwarring heeft gebracht en zij op de vlucht geslagen zijn, verschijnt Barak weer op het toneel als handelende persoon (vers 16): wbaraq radap ‘axare harekeb we’ axare hammaxaneh ‒ ‘En Barak joeg achter de wagens en achter het leger aan.’ Deze presentatie van Barak als agens duurt echter niet lang, want direct hierna is hij weer buiten beeld gemanoeuvreerd: ‘heel het leger van Sisera viel door het zwaard, niet één bleef over.’

In de vertalingen speelt Barak indirect een actievere rol, doordat er sprake is van een gevecht. De Startbijbel: ‘Toen het gevecht begon bracht de Heer Sisera [...] in paniek.’ Groot Nieuws: ‘Toen het tot een gewapend treffen kwam bracht de HEER Sisera met al zijn wagens en zijn hele leger zo in paniek dat ze voor Barak op de vlucht sloegen.’ Vooral de laatste formulering zwaait Barak impliciet beduidend meer lof toe dan de brontekst doet. Opnieuw: op de laag van de geschiedenis zal er een gevecht hebben plaatsgevonden en zal men inderdaad voor Barak gevlucht zijn, maar de brontekst concentreert zich op de beslissende interventie van God en laat het gevecht en dus ook Barak eenvoudigweg buiten beschouwing.

Sisera
De achtervolging door Barak en zijn troepen heeft succes: er bleef niemand van de vijand over. Behalve Sisera dan toch, althans voorlopig, want in vers 17 staat over hem: wesisera’ nas beraglaw ‒ ‘Sisera vluchtte te voet.’ Kennelijk vond hij het te riskant in zijn ongetwijfeld als legeraanvoerders-rijtuig herkenbare wagen te vluchten, dus hij zal er afgesprongen zijn om zijn kansen te vergroten. Wel een erg grote afgang (ook letterlijk), en Groot Nieuws maakt het dan ook iets minder erg: ‘Sisera vluchtte.’ De Willibrordvertaling doet het subtieler: ‘Hij probeerde te voet te ontkomen.’ ‘Vluchten’ en ‘ontkomen’ liggen dicht bij elkaar, maar er is een nuanceverschil: ‘vluchten’ heeft volgens wnt de connotatie van vrees, terwijl ‘ontkomen’ volgens sw de connotatie van succes heeft. Door de toevoeging van ‘proberen’ wordt weliswaar enige afbreuk gedaan aan de nuance van succes, maar deze verdwijnt niet volledig.

Sisera slaagt in zijn opzet en bereikt de tent van Jaël. Jaël maakt deel uit van een familie die bevriend is met Sisera, en zij laat hem binnen. Waar het daarna om Sisera gaat, roept de brontekst door de beschrijving het beeld op van een baby (Fokkelien van Dijk-Hemmes 1992: 235). Vers 18: wattekassehu bassemikah ‒ ‘ze bedekte hem met een deken’ en vers 19: wattiptax ‘et n’otod hexalab wattasjqehu wattekassehu ‒ ‘zij opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem toe.’ Deze beschrijving en de connotaties die ze oproept, hebben een duidelijke rol in het verhaal: de vernedering van de vijanden van God. Twee vertalingen verzachten deze voor Sisera pijnlijke presentatie enigszins. Groot Nieuws: ‘zij verborg hem achter een gordijn’; Startbijbel: ‘en zij verborg hem onder een deken.’ Dat ‘verbergen’ op de laag van de geschiedenis (ook) een doel was spreekt voor zich, maar als vertaling van ksh/pi’el is ‘verbergen’ zeer ongebruikelijk. Bovendien heeft het Hebreeuws een apart werkwoord voor ‘verbergen’: hb’/hifil. De gebruikelijke vertaling ‘bedekken’ lijkt hier meer voor de hand te liggen en derhalve is de keuze van de twee vertalingen significant. De keuze voor ‘gordijn’ in Groot Nieuws staat in ditzelfde kader.

Jaël
Nadat Sisera van de melk gedronken heeft, zegt hij tegen Jaël dat zij bij de opening van de tent moet gaan staan. Als er iemand komt vragen: ‘Is er hier een man?’ dan moet zij zeggen: ‘Nee.’ De dubbelzinnigheid van zijn eigen uitspraak, in het licht van wat volgt, zal Sisera wel ontgaan zijn. Jaël echter doet iets anders (vers 21): ‘Jaël [...] nam een tentpin, zij pakte de hamer in haar hand, kwam heimelijk naar hem toe, en dreef de pin in zijn open mond, tot hij de grond in ging ‒ hij sliep diep, hij was krachteloos ‒ en hij stierf.’

De vrouw Jaël vermoordt Sisera, de vijand van Israël. Niet haar vijand: haar familie is juist bevriend met de Kanaänieten. Deze wetenschap maakt haar daad nog moediger dan die toch al is. Bovendien bespaart haar daad de vrouwen van Israël verkrachting door de vijand wanneer deze overwonnen zou hebben, nu of later. In het volgende hoofdstuk, waar geschetst wordt hoe de moeder van Sisera nog uitgaat van zijn overwinning, wacht op zijn terugkomst, en overweegt waarom hij zo lang op zich laat wachten, heet het: ‘één schoot, twee schoten voor iedere man’ (vers 30). Des te treffender is het dat de beschrijving die gegeven wordt van de wijze waarop Jaël Sisera van het leven berooft, sterke connotaties heeft van een verkrachting (Van Dijk-Hemmes 1992: 236).

Van belang is de volgorde waarin de informatie wordt gegeven. Het is niet voor niets dat eerst Jaëls daad wordt beschreven, en pas daarna hoe dat zo kon gebeuren. De verteller houdt zo de spanning erin en laat al het licht vallen op wat Jaël doet. Bovendien wordt het slapen van Sisera, als enige werkwoord in deze passage, in een participium-vorm vermeld (nirdam). Dit wil zeggen dat deze informatie geen deel uitmaakt van de verhaallijn, maar op de achtergrond staat.

Wat doen de vertalingen met deze passage? Twee dingen vallen hier op. Allereerst veranderen Willibrord, Groot Nieuws, Het Boek en de Startbijbel alle de volgorde. Als voorbeeld citeer ik de Willibrordvertaling: ‘Toen Sisera van uitputting in slaap was gevallen, pakte Jaël...’ Eerst wordt vermeld dat Sisera sliep, vervolgens dat Jaël hem vermoordde. Op deze manier staat Sisera meer op de voorgrond dan in de brontekst, en komt het optreden van Jaël ook minder verrassend en moedig over. En verrassing en moed van de kant van Jaël is nu net hetgene waarop de brontekst, door zijn volgorde en gebruikte werkwoordstijden, de nadruk legt.

Het tweede punt is de weergave van wayamot ‒ ‘en hij stierf.’ De brontekst geeft geen aanvullende informatie: Jaëls actie was doeltreffend en aan de vijand worden niet meer woorden vuilgemaakt dan nodig. De Willibrordvertaling, Groot Nieuws en de Startbijbel voegen wel iets toe: ‘en hij was op slag dood.’ De aandacht wordt hier enigszins verlegd van zijn sterven naar de manier waarop hij stierf: niet langzaam en pijnlijk, maar direct zonder ‘lijdensweg’. Het Boek zegt: ‘Dit werd zijn dood.’ Deze vertaling leidt tot een iets minder definitieve interpretatie: de mogelijkheid wordt opengelaten dat hij niet direct stierf, maar na enige tijd, waarmee de actie van Jaël impliciet als minder doeltreffend is geschetst. In alle gevallen wordt er meer aandacht gegeven aan (de dood van) Sisera, en dus relatief minder aan Jaël.

Conclusie
Naast de hier geboden interpretatie van Richteren 4 en de daarmee verbonden analyse van een paar vertalingen zijn vanzelfsprekend andere mogelijk. Met deze korte beschrijving hoop ik duidelijk gemaakt te hebben dat de vertalers zich hier en daar, naar ik aanneem onbewust, hebben laten leiden door hun gender-stereotypen en zodoende de vier personages wat anders belichten dan de brontekst doet, namelijk meer in overeenstemming met die stereotypen. De ruimte hiervoor lijkt te zijn ontstaan doordat zij zich bij het vertalen in sterkere mate dan de brontekst op de laag van de geschiedenis hebben geconcentreerd.

 

Noten
1 Weergaven anders dan uit de besproken vertalingen zijn van mij.
2 De afkortingen verwijzen naar lexica en dergelijke, zie onderstaande bibliografie.

Bibliografie
Bal, Mieke. 19905. De theorie van vertellen en verhalen. Inleiding in de narratologie. Muiderberg: Coutinho.

Dijk-Hemmes, Fokkelien van. 1992. Sporen van vrouwenteksten in de Hebreeuwse bijbel [diss.]. Utrecht: Universiteit Utrecht, Faculteit der Godgeleerdheid.

Graddol, David & Joan Swann. 1989. Gender Voices. Oxford: Basil Blackwell.

Hollander, Harm W. (ed.). 1994. Spectrum van bijbelvertalingen. Een gids. Zoetermeer: Boekencentrum.

Jaakke, Alfons W.G. & Evert W. Tuinstra. 1990. Om een verstaanbare bijbel. Nederlandse bijbelvertalingen na de Statenbijbel. Haarlem: Nederlands Bijbelgenootschap/Brussel: Belgisch Bijbelgenootschap.

Kuno, Susumu. 1987. Functional Syntax. Anaphora, Discourse and Empathy. Chicago/London: The University of Chicago Press.

Nida, Eugene A. & Charles R. Taber. 1974. The Theory and Practice of Translation. Brill: Leiden. Jitschak, Schlomo ben (Rashi). Commentaar in Mikra’ot Gedolot. 1958. Jerusalem: Schocken. Wolde, Ellen van. 1995. ‘Ja’el in Judges 4’, Zeitschrift für die Alttestamentliche Wissenschaft 107:2, p. 240-246.

Lexica etc.
BDB ‒ Brown, Francis, S.R. Driver & Charles A. Briggs. 1975. A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament. Oxford: Oxford University Press.

GB ‒ Gesenius, Wilhelm & Franz Buhl. 191517 (herdruk 1962). Handwörterbuch liber das Alte Testament. Berlin etc: Springer.

HAL ‒ Hebräisches und Aramäisches Lexikon zum Alten Testament. 1967-1990. Leiden: Brill.

KAT ‒ Lisowsky, Gerhard. 1958. Kondordanz zum Hebräischen Alten Testament. Stuttgart: Württembergische Bibelanstalt.

SW ‒ Reinsma, Riemer. 1993. Synoniemen-woordenboek. Utrecht: Het Spectrum. 

TWAT ‒ Theologisches Wörterbuch zum Alten Testament. 1974-... Stuttgart: Kohlhammer.

WNT ‒ Woordenboek der Nederlandsche Taal. 1882-... Den Haag/ Leiden: Nijhoff & Sijthoff.

Brontekst
Elliger, Karl & Wilhelm Rudolph. 1967-77. Biblia Hebraica Stuttgartensia. Stuttgart: Deutsche Bibelgesellschaft.

Bijbelvertalingen
Groot Nieuws Bijbel. Vertaling in omgangstaal. 1983. Haarlem: Nederlands Bijbelgenootschap. Het Boek. 1988. Zevenhuizen: Stichting Living Bibles Holland/IBS

Startbijbel. 1994. Haarlem: Nederlands Bijbelgenootschap.

De Bijbel uit de grondtekst vertaald. Willibrordvertaling. 1995. ’s Hertogenbosch: Katholieke Bijbelstichting.

Lees meer over: