Tylia, een onvoltooid portret    32-38

Mirjam de Veth

 

Vertalers hameren tegenwoordig terecht op naamsvermelding en zichtbaarheid. Maar wat als een vertaler, verscholen achter een pseudoniem, zichzelf zo goed als onzichtbaar heeft gemaakt, zoals de Franse vertaalster van Anne Frank? Tijd om haar te portretteren.

Geen Nederlands boek werd meer verkocht, gelezen en vertaald dan Het Achterhuis, Dagboekbrieven 12 juni 1942 – 1 augustus 1944. Het verscheen inmiddels in zeventig talen.

Otto Frank aarzelde aanvankelijk of hij het dagboek van zijn dochter al dan niet zou publiceren en liet de uitgetikte tekst ter beoordeling aan enkele vrienden lezen. Onder anderen aan Annie en Jan Romein; de laatste schreef er een gloedvol artikel over in Het Parool van 3 april 1946 onder de kop ‘Kinderstem’. Hij had het in één ruk uitgelezen, meldde hij. ‘Dit meisje zou, als niet alle voortekenen bedriegen, een begaafde schrijfster geworden zijn als zij was blijven leven.’ Ze schrijft ‘een benijdenswaardig zuiver en sober Nederlands’ en toont een ‘feilloos inzicht in de menselijke natuur’. 

Daarmee was de belangstelling van uitgevers gewekt en in 1947 verscheen het dagboek bij Contact onder de door Anne zelf gekozen titel Het Achterhuis.

De eerste vertaling verscheen in het Duits, als Das Tagebuch der Anne Frank. Die was van de hand van Anneliese Schütz, aan wie Otto Frank al eind 1945 had gevraagd om een paar passages te vertalen voor zijn moeder, die in Bazel woonde en geen Nederlands sprak. Anneliese Schütz was een Joodse journaliste uit Berlijn, die net als de Franks in de jaren dertig naar Amsterdam was uitgeweken. Ze was een huisvriendin van de familie, gaf Anne bijles en leidde een literatuurclubje Duitse klassieken, waar Margot aan deelnam. Tijdens de oorlog was ze gedeporteerd naar Theresienstadt, waaruit ze als een van de weinige overlevenden in de zomer van 1945 terugkeerde naar Amsterdam. Na die enkele fragmenten zette ze zich aan de volledige vertaling, die in 1950 verscheen.

Een paar maanden later in hetzelfde jaar verscheen bij Calmann-Lévy de Franse versie. Dat was relatief vroeg, het zou nog een paar jaar duren voor het dagboek in het Engels te lezen viel.

De zusjes Perlmutter
Voor de Franse vertaling tekenden Tylia Caren (aanvankelijk T. Caren) en Suzanne Lombard.

Tylia Caren is een pseudoniem van Tylia Perlmutter, die niet direct beantwoordt aan het profiel van de doorsnee-vertaalster. Zij en haar jongere zusje Bronia vormden een opmerkelijk duo in het Montparnasse van de années folles. Ze kwamen uit Amsterdam, waren jong, mooi, vrij en onafhankelijk. Geldgebrek pareerden ze door alleen of samen te poseren voor schilders als Marie Laurencin, Kisling, Foujita, Pascin en misschien ook voor Kees van Dongen (ik ben ervan overtuigd dat de twee zusjes model hebben gestaan voor zijn schilderij ‘Les Amies’ van 1922). Als Klein Duimpjes lieten ze hier en daar eveneens een bescheiden spoor achter in de literatuur.

Zo komen ze voor in het hoofdstuk ‘With Pascin at the Dome’ in A Moveable Feast van Hemingway (een roman die overigens in Frankrijk, waar hij Paris est une fête heet, sinds de aanslagen van 2015 ongekend populair is). Na een dag hard schrijven, stapte Hemingway in 1925 café de Dôme binnen. ‘Ik ging aan een tafeltje bij Pascin en twee modellen zitten, die zusters waren. [...] Pascin was een heel goed schilder en hij was dronken; voortdurend, opzettelijk dronken en toch bij zijn volle verstand. De beide modellen waren jong en knap. De ene was erg donker, klein, prachtig gebouwd en had iets bedrieglijk teers en verdorvens over zich. De ander was net een kind en saai maar heel knap op haar zo snel voorbijgaande kinderlijke manier. “De goede en de slechte zuster,” zei Pascin’ (vert. John Vandenbergh). 

In The Models Have Come to Town (1924) schrijft Djuna Barnes: ‘Uit Holland kwamen Bronia en Tylia, twee zusjes.’ En in Barnes’ The Grande Malade (1925) figureren ze als Moydia en Katya, voorbeelden van moderne kosmopolieten: ‘We are Polish when we are in Poland, and when in Holland we are Dutch, and now in France we are French, and one day we will go to America and we will be American.’ Gehuld in capes zitten ze aan de bar en drinken drankjes alleen vanwege de aantrekkelijke kleur.

Tylia was mooi, maar Bronia was pittiger. In de woorden van de Zweedse schrijfster Thora Dardel, getrouwd met de schilder Nils Dardel, voor wie Bronia onder anderen poseerde: ‘Ze kon tien verschillende personages tegelijk zijn – schattig als een klein katje, maar ook koel, cynisch, berekenend.’ 

Als Bronia een katje was, dan was Tylia een poes, ronder, zachter, een tikje indolent. Uiteindelijk werd Bronia bekender dan haar oudere zus: ze trouwde in 1926 met de Franse cineast René Clair en maakte van dat huwelijk vervolgens haar levensvervulling. Over haar wilde jaren bleef ze jarenlang heel discreet, tot ze op hoge leeftijd haar jeugdherinneringen deelde met scenarioschrijver Pierre Barillet.1 Haar relaas is gekleurd door de bril van de herinnering en tussen de regels schemert ook de gecompliceerde verhouding tussen de twee zusjes door, maar het geeft een schets van Tylia’s verleden.

Van het ene hotel naar het andere
Bronia werd in 1906 geboren in Brest-Litovsk, naar haar zeggen was Tylia zeven jaar ouder dan zij (volgens andere bronnen schelen ze slechts twee jaar).2 Hun moeder was Russisch-Joods, hun vader Pools-Joods. Rond 1909 vestigde het gezin zich in Amsterdam. Hun vader was een flierefluiter, die tegen de zin van haar familie met hun moeder was getrouwd; haar welgevulde bankrekening was niet vreemd aan zijn aanzoek. Hij rommelde in onduidelijke handeltjes met diamanten en was veel op reis, hij had een minnares in Wenen. Van zijn drie kinderen – ze hadden kennelijk ook nog een broertje – trok hij zich niets aan. In 1916 stierf hun moeder aan tbc; na haar dood werd Bronia naar een pensionaat in Wiesbaden gestuurd, Tylia ging na haar middelbare schoolopleiding naar Parijs, van het broertje weten we niets. Op een gegeven moment stelde Tylia hun vader voor om Bronia naar haar in Parijs te sturen, daarmee zou ze haar eigen toelage verhogen en voor hun vader zou het een besparing zijn. Die stemde dan ook gretig in met het plan. En zo arriveert Bronia, amper zestien, in februari 1922 in Parijs. Ze droomde van een carrière als pianiste. In Amsterdam had ze dagelijks les gehad. Tylia leefde min of meer onder de vleugels van een artistiekerig Nederlands echtpaar, van wie de man Bronia lesgaf op een gehuurde piano in hun pensionkamer. Tylia poseerde voor Marie Laurencin, had schrijftalent en wilde actrice worden, maar volgens Bronia ‘had ze een te sterk accent en was ook nogal lui’. 

De wrevel tegen haar oudere zus valt wel te begrijpen als je weet dat toen hun vader een aantal maanden later ineens hun toelage stopzette omdat hij vond dat ze oud genoeg waren om zichzelf te redden, Tylia doodleuk met het bevriende Nederlandse echtpaar naar Nederland vertrok en haar zusje alleen achterliet op hun hotelkamer met een paar maanden huurschuld. Gelukkig was daar Marc Allégret, de latere filmer (en geliefde van André Gide), die ze via Tylia had leren kennen. Hoewel Tylia eigenlijk meer van vrouwen hield, maakte ze een uitzondering voor de knappe Marc. Maar toen ze eens te laat kwam op een afspraak, had Bronia hem ingepalmd. Marc en Gide hielpen Bronia ’s nachts stiekem het hotel te verlaten en te verhuizen naar Hôtel des Écoles in de rue Delambre. Daar woonde onder anderen de Poolse schilder Moïse Kisling, voor wie ze begon te poseren als naaktmodel – ideaal werk als je de taal niet sprak. Na een paar maanden komt Tylia weer naar Parijs en ze vervolgen hun leven samen in de tintelende feestroes van die jaren. Urenlang rondhangen in cafés als Le Dôme, La Coupole, de Dingo Bar en ’s nachts dansen in le Bal Bullier, een prachtige danstent, die in de oorlog was gevorderd voor de productie van legeruniformen, maar sinds een jaar weer open was. Iedereen kwam daar: Cocteau, Cendrars, Tzara, Man Ray en veel schilders met hun modellen. Daar leerde Bronia voorjaar 1923 de jonge schrijver Raymond Radiguet kennen. Hij was direct beroemd geworden na de publicatie van zijn geruchtmakende roman Le diable au corps en stond bekend als versierder. Cocteau was dol op hem, wat hij zich graag liet aanleunen, maar hij viel op meisjes. Iedereen was onder de indruk van dit weinig spraakzame wonderkind met een door drank, drugs en bijziendheid mysterieus wazige blik. Hij vertoonde zich graag geflankeerd door de zusjes Perlmutter, die hij ‘mijn twee Chineesjes’ noemde. Uiteindelijk koos hij onomwonden voor Bronia, met wie hij ging samenwonen op zijn kamer in hotel Foyot, rue de Tournon. Tegen een vriend, de musicus Auric, zei hij: ‘Ik ga trouwen. En je weet wel met wie.’ Dat najaar stelde hij Bronia aan zijn ouders voor als zijn verloofde. Maar het liep anders: Radiguet werd ernstig ziek en belandde in het ziekenhuis. Cocteau verbood Bronia hem te bezoeken en dreigde zelfs haar bij de politie aan te geven om haar het land uit te laten zetten – ze had geen verblijfsvergunning. Wanneer ze uiteindelijk toch met Tylia naar het ziekenhuis gaat, is Radiguet al dood. Na deze klap krabbelt ze overeind, ze moet wel: de twee zusjes figureren of spelen kleine rolletjes in films, onder andere in La galérie des monstres uit 1924, een stomme film van Jacque Catelain, waarbij Tylia niet gehinderd wordt door haar accent. Bronia vindt werk als mannequin bij Poiret en Lanvin, en treedt op in een ‘Cinésketch’ met Marcel Duchamp: ze staan naar een schilderij van Cranach als Adam & Eva naakt op de planken (Duchamp weliswaar gekleed in vijgenblad en polshorloge). In 1926 trouwt ze met de cineast René Clair. 

Tylia beweegt zich in de kringen van vrijgevochten Amerikaanse vrouwen in Parijs. In 1925 krijgt ze een verhouding met de Amerikaanse fotografe Berenice Abbott, die een gevoelig portret van haar maakt. Maar wanneer de jaren twintig ten einde lopen verdwijnt Tylia uit beeld.

‘Verhipt moeilijk’
Tot ze onder de naam Tylia Caren jaren later in 1950 opduikt als de vertaalster van Het Achterhuis van Anne Frank.3 Volgens Bronia zou haar zus Otto Frank zelfs hebben overgehaald om het dagboek te publiceren. Kenden Otto Frank en Tylia elkaar al eerder, maakte ze misschien deel uit van de groep vrienden aan wie Otto in 1946 het manuscript liet lezen? Ik vind daar nergens een bevestiging van. Mogelijk kende Tylia Otto Frank via zijn neef Jean-Michel Frank, die in Parijs woonde. Deze was tijdens het interbellum een bekend décorateur en bewoog zich in dezelfde avant-gardekringen als Tylia. Maar dit is pure speculatie.

Van Suzanne Lombard kon ik achterhalen dat ze vertaalde uit het Engels, ze maakte vooral toneelbewerkingen. De taakverdeling tussen beide vertaalsters wordt niet verantwoord, maar het ligt voor de hand dat Tylia, die als enige van de twee Nederlands las, de vertaling maakte en in het Frans nu en dan werd bijgestuurd door native speaker Suzanne Lombard.

Ik heb de vertaling gelegd naast die van Philippe Noble en Isabelle Rosselin, uit 1986, gebaseerd op de volledige, onverkorte tekst van het dagboek, die ook bij Calmann-Lévy uitkwam.4 Ondanks die nieuwe, uitstekende vertaling staat die van Tylia Caren en Isabelle Lombard nog steeds op vele bibliotheekplanken in Frankrijk. De ruimte ontbreekt hier om nader in te gaan op de uitgeefgeschiedenis van het dagboek en de maatschappelijke context van de twee vertalingen.5 Ik beperk mij tot mijn eigen observaties. 

Het eerste wat opvalt is de verschillende titel: Journal de Anne Frank (C/L) versus Le Journal d’Anne Frank (N/R). De eerste duidt op een dagboek van een meisje dat Anne Frank heet, terwijl de tweede al een begrip lijkt. 

Anne schrijft heel spontaan en fris, gebruikt zelfgemaakte woorden als ‘Achterhuizers’ of ‘Achterfort’. C/L houden het bij een neutrale vertaling, N/R geven zelfgemaakte equivalenten als ‘Annexiens’ en ‘Annexe-forteresse’.

Soms lijken C/L Annes zelfgemaakte woorden niet te begrijpen: ‘om je verder nog iets van mijn “dagdoodvakken” te vertellen’, wordt: ‘mes études pendant les jours de tombeau’ (C/L); mes activités ‘à tuer le temps’ (N/R). 

Of zo’n zelfgemaakt woord wordt weggemoffeld: Anne noemt de radio, die moet worden ingeleverd, een ‘moedhoudbron’; ‘pour remplacer celui que les autorités réclament’ (C/L); ‘source de réconfort’ (N/R).

De radio is ook aanleiding tot een merkwaardige vertaling van ‘radio Oranje’ bij C/L, wat bij hen ‘la Hollande d’outre-mer’ wordt, waardoor je eerder denkt aan een Surinaamse zender. N/R lossen het op door de eerste keer een noot te geven en het verder te hebben over ‘Radio Orange’. 

Anne bewonderde Cissy van Marxveldt en gebruikt nu en dan jolige Joop ter Heultaal. ‘Verhipt moeilijk’ wordt bij C/L ‘quel boulot’, bij N/R ‘fichtrement difficile’. ‘Knalberichten!’ respectievelijk ‘Des nouvelles incroyables!’ (C/L) en ‘Superbes nouvelles!’ (N/R).

C/L doen vaak moeite de lezer te helpen door extra informatie in te lassen, bijvoorbeeld door de naam van een schrijver toe te voegen achter een boektitel. Soms is hun toevoeging onjuist, zoals wanneer Anne schrijft dat ze een paar dagen ‘een glazen weckpot’ als po moeten gebruiken. C/L vullen aan: ‘deux grands bocaux en verre du laboratoire’; N/R houden het bij ‘un bocal en verre’. 

En wanneer ‘onze lieve en dierbare Westertorenklok blijkbaar is weggehaald voor fabrieksgebruik’ leggen C/L uit: ‘l’horloge de notre cher et fidèle Westertoren a été enlevée sans doute pour la fonte des métaux destinés au matériel de guerre’. N/R vertalen wat er staat: ‘parce que notre cher et précieux carrillon de la Westertoren a été apparemment enlevé pour usage industriel’.

Over het eten schrijft Anne: ‘Maar we leven nog en het is zelfs vaak nog lekker!’ Dat wordt bij C/L ‘Non seulement nous sommes encore en vie, mais il nous arrive même de nous délecter de notre repas frugal.’ N/R vertalen bondig: ‘Mais nous sommes encore en vie, et c’est souvent bon, même!’

Een enkele keer voegen C/L iets toe op grond van wat zij buiten de tekst om weten. ‘In deze dagen, nu Kerstmis nog maar één dag voorbij is, moet ik aldoor aan Pim denken en wat hij me verleden jaar verteld heeft’ wordt ‘Ce lendemain de Noël me rappelle tout particulièrement l’histoire d’un amour de jeunesse que Pim m’a racontée l’an dernier à la même époque’ (C/L).

Anne maakt zich geregeld vrolijk om het met Duits doorspekte Nederlands van de Achterhuizers, vooral dat van de door haar gehate tandarts Dussel. Bij het aardappelschillen: ‘Anne, kaik mal, ick neem het mesje zo in mein hand, krab van boven toe onder! Nein, so nicht... maar so!’ C/L vertalen het neutraal, N/R zijn vindingrijk en brengen de gewenste Allô-allô-stijl over: ‘Anne, rekarde, che prends le couteau gomme za tans ma main, kratte te haut ten pas! Nein, so nicht... mais so.’

Dezelfde Dussel laat iedereen wachten omdat hij de wc te lang bezet houdt: ‘Stoort hij zich eraan? Niks hoor.’ C/L laten ineens een Nederlands woord binnenglippen: ‘Tu penses qu’il s’en fait? Niks, il s’en fiche.’ N/R: ‘Tu crois qu’il s’en soucie? Penses-tu.’

Soms gebruikt Anne woorden die getuigen van haar liefde voor mythologie. Over Peter van Daan schrijft ze: ‘Wat eetlust betreft: een Danaïdenvat.’ Dat wordt bij C/L: ‘Quant à son appétit, il dévore à la Van Daan.’ N/R: ‘Et quant à l’appétit: un vrai tonneau des Danaïdes.’

Het verjaardagsgedicht dat haar vader voor Anneke heeft gemaakt (en door Margot mooi uit het Duits is vertaald) krijgen C/L niet helemaal rijmend, ze voegen een moedeloze noot toe: ‘Les traductrices ont fait leur possible.’

Dat lijkt in het algemeen te gelden voor hun vertaling en dat past ook in de vertaalopvatting van die tijd. Het ging vooral om de inhoud, niet om de vorm. De vergelijking tussen de twee Anne Frankvertalingen illustreert de verschuiving van de opvatting dat de lezer in de eerste plaats gediend is met een zo goed mogelijke weergave van de betekenis (voor zover dat toen althans mogelijk was binnen de tijdsdruk en de beperkte bronnen om dingen op te zoeken) in de richting van de vertaling als kunstwerk, waarbij geprobeerd wordt de stilistische finesses recht te doen. 

Na 1950 is er over Tylia als vertaalster weinig bekend. In de catalogus van de Bibliothèque nationale vond ik nog een door haar gemaakte vertaling van Astrid van Royens Voor MonicaPour Monica (Fasquelle, 1954). Een boek over ‘seksueel ontwaken, lesbianisme en maatschappelijke afkeuring’. En in 1959 vertaalde ze Maria Dermoûts De tienduizend dingen onder de titel Les Dix Mille Choses, in samenwerking met Denyse van Moppès, een Franse schrijfster en vertaalster uit het Engels, ook bekend als Denise of Mme Butler (1902–1968). 

Tylia wordt nog even vermeld in een stuk van J.J. Oversteegen, waarin hij herinneringen ophaalt aan zijn tijd bij de Stichting voor Vertalingen (Raster no.76, 1996). Hij noemt haar als vertaalster Frans halverwege de jaren vijftig, ‘Tylia Perlmutter, gezegd Caren’.

Ze vertaalde ook mee aan een bundel Nederlandse novellen uit 1965 met verhalen van onder anderen Hugo Claus, W. Elsschot, G.K. van het Reve en J.J. Slauerhoff.6

Maar dat zijn de enige snippers informatie. Hoe meer ik weet hoe meer ik niet weet. Vertaalde Tylia misschien al vóór 1950, voornamelijk uit het Engels? Of is ze via Anne Frank de vertalerij binnengerold? Heeft ze meer commerciële dan literaire vertalingen gemaakt? Het blijft gissen.

Breekbaar
In een artikel in Libération van 26 oktober 2012 herinnert de literair criticus en uitgever Raphaël Sorin zich Tylia Caren-Perlmutter als een van de vriendinnen van zijn moeder, die hij vaak bij hen thuis zag. ‘Visage de chat, rousse, doigts jaunis par la nicotine.’ In een recent telefoongesprek haalt hij meer herinneringen op.7

Sorins moeder was veeltalig (ze was een nicht van Elias Canetti) en werkte als vertaalster, onder andere uit het Engels en Duits. De twee vrouwen kenden elkaar van een soort ‘vakbondsgroepje’. Ze werden goede vriendinnen en gingen vaak samen naar de film. Omdat Tylia alleen was kwam ze een paar keer kerst bij hen vieren. Dat moet eind jaren vijftig zijn geweest. Als jongen van een jaar of vijftien was Sorin gefascineerd door haar bohémienjaren; de zusjes waren ‘de lievelingetjes van Montparnasse’, maar de verhouding tussen de twee was op dat moment stroef en ingewikkeld. Tylia was kennelijk minder gesloten over haar wilde tijd dan Bronia, die de brieven van Radiguet op verzoek van René Clair verbrandde. Tylia vertelde hem dat zij ook een verhouding had gehad met Radiguet. Anders dan Bronia was Tylia wél gesteld op Cocteau en op zijn minst gefascineerd door Maurice Sachs. Hij beschrijft haar als ‘breekbaar en angstig’. Mijn vraag over hoe ze de oorlog was doorgekomen (ze was anders dan Bronia immers niet beschermd door een ‘gemengd huwelijk’), laat hij onbeantwoord: zijn familie van moederskant werd direct getroffen, hijzelf is van 1942. De oorlog, daar had je het gewoon niet over, de jaren vijftig waren de jaren van het grote zwijgen. Over eventuele contacten met Otto Frank vóór de totstandkoming van de vertaling weet hij niets.

Tylia is zeker niet rijk geworden van haar Anne Frankvertaling: van rechten hadden ze destijds nooit gehoord, je kreeg een bedrag cash en verder niets. Haar bestaan als vertaalster was precair, ze werkte zich net als Sorins moeder kapot. Dat ze als vertaalster koos voor een pseudoniem was volgens hem niet om een scheiding aan te brengen tussen haar tumultueuze leven in de jaren twintig en een serieus imago als vertaalster, maar gewoon omdat Perlmutter voor Fransen moeilijk uit te spreken is. 

Tylia was een groot filmliefhebster, net als Sorin zelf. Ze hadden het ook over literaire helden: hij is haar nog steeds dankbaar voor de ontdekking van Emmanuel Bove. Over haar geboortedatum kan hij niets met zekerheid zeggen, over een sterfdatum evenmin. Hij herinnert zich wel dat ze broodmager was, rookte als een ketter en uiteindelijk is gestorven aan longkanker. Bronia stuurde een handgeschreven overlijdensbericht aan zijn moeder, die in 1980 overleed; het moet ergens in de jaren zeventig zijn geweest.

Zo blijft er over de geboorte- en sterfdatum van Tylia een zweem van geheim hangen. Tylia’s leven was kleurrijk, maar haar portret is onvoltooid.

 

Noten
1 Pierre Barillet werkte als scenarioschrijver voor René Clair. Diens vrouw Bronia leerde hij in 1950 kennen. Ze was altijd nogal gereserveerd over haar verleden. Jaren later wil ze ineens wel vertellen. Barillet noteert haar verhaal in 1996. Op het laatste moment trekt ze haar toestemming om het te publiceren in. In 2012 besluit hij de tekst alsnog naar buiten te brengen. Bronia is inmiddels overleden, ze werd bijna honderd. Pierre Barillet, Bronia, dernier amour de Raymond Radiguet (La Tour Verte, 2012).
Op YouTube staat een interview met Bronia Perlmutter uit 1998 (tik in: “Madame René Clair”), naar aanleiding van de honderdste geboortedag van René Clair. Ze is dan al ruim negentig en vertelt een kwartier lang over haar jeugdjaren als model, hoe ze René Clair leerde kennen, en haar leven daarna.
Ze zegt dat haar zus mooier was dan zij, en in eerste instantie werd gevraagd voor de Cinésketch naar Cranach met Duchamp. Tylia weigerde en Bronia deed het wel omdat ze het geld hard nodig hadden om de kamerhuur te betalen.
On Friendship and Freedom: The Correspondence of Ignazio Silone and Marcel Fleischmann, bezorgd door Maria Nicola Paynter (University of Toronto Press, 2016) , noot 120: ‘The well-known artist’s model Tylia Perlmutter (1904 –1972) [data onzeker; MdV]. Under the pseudonym Tylia Caren she translated Anne Franks Diary. Her identity was kindly confirmed by Eithne Laracy [de zus van Darina Laracy, de vrouw van Silone; MdV], who was in Paris in 1949 and became well aquainted with Perlmutter.’
In Berenice Abbott, portraits parisiens, 1925–1930 (Steidl, 2016) staat bij Tylia’s portret ‘Polonaise 1904 – 1979?’ [met een groot vraagteken dus, de geboortedatum klopt zeker niet; MdV]
Journal de Anne Frank, préface de Daniel-Rops [een conservatieve katholieke historicus; MdV], par T. Caren et Suzanne Lombard (Calmann-Lévy, 1950).
Le Journal d’Anne Frank, texte établi par Otto H. Frank et Mirjam Pressler, par Philippe Noble et Isabelle Rosselin (Calmann-Lévy et Le Livre de Poche, 1989).
5 Daarvoor verwijs ik graag naar: Philippe Noble, ‘Wat staat er eigenlijk in de tekst. Een vertaler en zijn onbehagen’, Filter 20:3 (ook op: http://www.tijdschrift-filter.nl/jaargangen/2013/203/wat-staat-er-eigenlijk-in-de-tekst-3-11.aspx) en het proefschrift van Simone Schroth, Das Tagebuch The Diary Le journal. Anne Franks ‘Het Achterhuis’ als Gegenstand eines kritischen Übersetzungsvergleichs (Waxmann, 2006). Schroth maakt een uitgebreide vergelijking tussen de verschillende vertalingen. Een bespreking van dit proefschrift door Els Snick verscheen in Filter 15:4 (ook op: http://www.tijdschrift-filter.nl/jaargangen/2008/154/wetenschap-als-verhaal-48-51.aspx).
Nouvelles néerlandaises des Flandres et des Pays Bas, 1965, Séghers, coll. Unesco, auteurs contemporains.
7 Telefoongesprek met Raphaël Sorin, 16 november 2016.

Lees meer over: