Frans Denissen: knecht van twee meesters    39-45

Emilia Menkveld

 J’écris pour les autres, comme je voudrais que les autres écrivent, s’ils écrivent pour moi.
- André Baillon

In ruim dertig jaar heeft literair vertaler Frans Denissen (1947) een stevig oeuvre opgebouwd. Hij vertaalde twintigste-eeuwse grootmeesters als Umberto Eco en Leonardo Sciascia, maar ook Boccaccio’s klassieker Decamerone. Hij maakte het Nederlandstalige publiek bekend met de duizelingwekkende romans van Carlo Emilio Gadda en het werk van de Franse Vlaming André Baillon. 

Die laatste inspireerde Denissen tot zijn lijfspreuk: vertalen voor de anderen zoals je zou willen dat de anderen zouden vertalen, als ze voor jou vertalen (2012). Het is een mooi en tegelijkertijd veelzeggend motto: bij Denissen staat de lezer uiteindelijk voorop. Van onvertaalbaarheid wil hij niets weten (2011: 261). De essentie overbrengen van wat de auteur heeft willen zeggen, daar gaat het hem om. 

Met zijn aanpak heeft Denissen veel waardering geoogst bij kritiek en publiek. Zijn vertalingen zijn alom geprezen en leverden hem in 2012 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs op – de kroon op een oeuvre dat overigens nog altijd aangroeit. 

Hoe heeft deze nestor onder de literair vertalers zijn positie verworven? Welke opvattingen houdt hij erop na en wat drijft hem bij zijn vertaalkeuzes?

Moeizame start
Frans Denissen wordt geboren op 7 september 1947 in het Vlaamse dorpje Hoevenen, in de provincie Antwerpen. In 1965 begint hij aan een studie Italiaans en Engels aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen. Vier jaar later studeert hij af met een scriptie over de neologismen in Carlo Emilio Gadda’s La cognizione del dolore (1963). 

Al op jonge leeftijd verkeert Denissen in de Antwerpse literaire kringen. Op vijftienjarige leeftijd debuteert hij met poëzie in Dietsche Warande & Belfort. Een jaar later raakt hij betrokken bij het experimentele literaire tijdschrift Labris, waarin regelmatig bijdragen van zijn hand verschijnen. Van 1968 tot 1973 maakt hij deel uit van de redactie, samen met onder anderen zijn studievriend Leonard Nolens. In diezelfde periode publiceert Denissen enkele ‘experimentele’ dichtbundels, onder meer in de reeks De bladen voor de poëzie.

Zo vroeg als zijn eigen literaire carrière van start gaat, zo lang duurt het voordat Denissen voet aan de grond krijgt in de vertaalwereld. Hoewel hij al jong weet dat hij van literair vertalen zijn beroep wil maken, zal het jaren duren voordat die wens in vervulling gaat. Na zijn afstuderen werkt hij onder meer als ondertitelaar bij de Belgische publieke omroep, vertaalt hij studies over de Belgische steenkoolindustrie voor het Institut National des Industries Exactives in Luik en is hij werkzaam bij de vertaaldienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. 

In 1972 kan Denissen aan de slag als docent Italiaans en vertaalkunde aan de Katholieke Vlaamse Hogeschool (nu onderdeel van de KU Leuven) in Antwerpen. De vertaalopleiding was vooral gericht op het bedrijfsleven en overheidsinstellingen, voor het literair vertalen was er slechts een marginale rol – het was een keuzevak voor de studenten uit de hoogste jaren (Denissen 2001). 

Naast zijn voltijdbaan als docent blijft Denissen eigen werk publiceren in tijdschriften als Labris en Dietsche Warande & Belfort. In 1974 volgt de verhalenbundel De gekastreerde engel, verschenen bij de kleine uitgeverij Johan Sonneville in Brugge. Vertalingen maakt hij ook: korte Italiaanse teksten voor Labris, een ‘flutromannetje’ uit het Engels, een essaybundel van de Italiaanse architect Manfredo Tafuri. Van een echte vertaalloopbaan is nog geen sprake.

Toevalstreffer
Dat verandert begin jaren tachtig als Denissen Boccaccio’s meesterwerk Decamerone mag vertalen voor uitgeverij Manteau. Oorspronkelijk wilde directeur Julien Weverbergh de vertaling laten maken door Leonard Nolens, maar die schuift de klus door naar zijn vriend, wiens Italiaans beter is. Als twee beoogde medevertalers afhaken, besluit Denissen het gigantische karwei in zijn eentje te klaren – naast zijn docentenbaan aan de hogeschool. 

Later zou hij toegeven dat hij het werk flink had onderschat. Vooral de verhalen die hij in een vroeg stadium had omgezet, bleken naar eigen zeggen ‘zwakke’ vertalingen.1 Als Denissen twintig jaar later de tekst mag herzien voor een nieuwe uitgave, vertaalt hij uiteindelijk het hele boek opnieuw. In een interview met de Volkskrant uit 2011 zei hij daarover: ‘Ik bleek er inmiddels een hele nieuwe vertaalopvatting op na te houden. Boccaccio schreef voor de burgerij, gewone mensen: ik moest mijn te latiniserende vertaling soepeler maken, in normaler Nederlands’ (Peters).

Geslaagde vertaling of niet, die eerste Decamerone opent deuren voor Denissen. Ineens weten de Amsterdamse uitgevers hem te vinden. Dat had ook te maken met het succes van auteurs als Umberto Eco en Italo Calvino in die jaren. Vooral Eco’s De naam van de roos brak alle verkooprecords. Het leidde tot een heuse doorbraak van de Italiaanse literatuur in Nederland (Van Passen & Peeters). Er was simpelweg een tekort aan vertalers. 

Denissen mag zich wagen aan grote namen als Umberto Eco, Eugenio Montale en Cesare Pavese. Erg kieskeurig was hij in die tijd overigens niet: soms nam hij ook werk aan van auteurs die hem weinig deden, zoals Marta Morazzoni. Dat was vooral om een ‘basis’ te leggen voor zijn verdere loopbaan, zei hij in een interview met De Standaard uit 1998 (Verbeken).

In dezelfde periode komt van de Haarlemse uitgeverij In de Knipscheer het verzoek nu eens geen Italiaanse, maar een Franse tekst te vertalen – iets wat Denissen nooit eerder had gedaan. Het ging om twee novellen van de Franstalige Vlaming André Baillon (1875–1932), die op dat moment volslagen onbekend was in het Nederlandse taalgebied – ook bij Denissen zelf. Al snel raakt hij gegrepen door deze auteur. Na Waanzinnen (1985) volgt er een tweede Baillon bij In de Knipscheer, en in de loop der jaren vertaalt hij (alleen of met een vertaalpartner) een groot deel van diens oeuvre. 

Ook schrijft Denissen De gigolo van Irma Ideaal (1998), een biografie van André Baillon, waarin hij zijn ervaringen met de auteur als lezer, biograaf én vertaler verwerkt. Zo legt hij uit hoe het vertalen van Baillon zijn vroegere schrijfambities weer aanwakkerde:

Ik had – toen ik die schrijversdroom nog koesterde – steeds een strenge scheidslijn getrokken tussen schrijven en vertalen: schrijven als kunst, vertalen als ambacht. Zo veel maanden schrijven, daarna zo veel maanden vertalen, en liefst een vakantie ertussenin, want de twee zaten elkaar in de weg. En kijk: sinds ik met Baillon begonnen ben, is die scheidslijn almaar meer vervaagd, is schrijven almaar meer een ambacht geworden, en vertalen almaar meer een kunst, tot ze onmerkbaar in elkaar overvloeiden. (161)

Juist in de periode dat Denissen werkt aan Baillons Waanzinnen ontstaat zijn eerste roman, De belijdenissen van J.B. Hemelryckx. Het boek verschijnt bij Bert Bakker, de uitgeverij die Denissen vanaf 1985 al met enige regelmaat vertaalopdrachten bezorgde. Volgens de auteur is Baillons stijl als het ware te proeven in zijn romandebuut: schrijven en vertalen liepen op dat moment haast letterlijk in elkaar over. Het werk van André Baillon is niet alleen belangrijk geweest voor Denissens ontwikkeling als literair vertaler, maar heeft ook een cruciale rol gespeeld in zijn eigen oeuvre. 

Met een biografie, acht boekvertalingen en vele andere inspanningen om diens werk levend te houden,2 is Denissen zonder twijfel te beschouwen als dé Baillonkenner in Nederland en Vlaanderen.

Een andere pijler van zijn vertaaloeuvre is het werk van de Italiaan Carlo Emilio Gadda (1893–1973). De auteur geldt in eigen land als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw, maar bleef daarbuiten lange tijd relatief onbekend, wellicht vanwege zijn complexe (en moeilijk vertaalbare) taalgebruik. In een poging de chaotische werkelijkheid te vangen in de taal, trekt Gadda bijna letterlijk alle registers open. Hij vermengt talen en dialecten, gebruikt archaïsmen en neologismen, hij strooit met technisch, wetenschappelijk en militair jargon – niet alleen in hetzelfde hoofdstuk, maar ook in dezelfde alinea of dezelfde zin.

In 1998 verschijnt er voor het eerst in Nederland werk van Carlo Emilio Gadda in boekvorm: de verhalenbundel Gepaard met verstand. Er werken verschillende vertalers aan mee, Frans Denissen verzorgt de inleiding. Vervolgens mag hij zich – na vijfentwintig jaar leuren bij uitgevers – wagen aan de ‘antidetective’ Quer pasticciaccio brutto de via Merulana (1957) voor Athenaeum–Polak & Van Gennep. De vertaling Die gore klerezooi in de Via Merulana (2000) maakt Gadda voor het eerst bekend bij een groter Nederlandstalig publiek.

Elf jaar later volgt een tweede grote Gaddavertaling, De leerschool van het lijden. Het werk vormt de directe aanleiding voor de toekenning van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs aan Frans Denissen in 2012 en geldt als het magnum opus van zijn vertaaloeuvre (Coster et al.). Nadien kondigt Denissen aan dat hij zijn carrière als literair vertaler wil afsluiten. Met de vertaling van La cognizione del dolore – ooit zijn scriptieonderwerp – is de cirkel rond (Albers). Blijkbaar blijft het toch kriebelen, want eind 2015 verschijnt er weer een gloednieuwe vertaling: Candido van Leonardo Sciascia (vertaald met Hilda Schraa). 

Vertaalonderwijs
Tweede rode draad door Denissens loopbaan is het vertaalonderwijs. Bij de instelling waar hij in 1972 begon als docent Italiaans en vertaalkunde blijft hij tot 2002 in dienst – eerst fulltime, later parttime. Tussendoor neemt hij soms een periode onbetaald verlof op, om tijd vrij te maken voor grotere projecten. 

Al tijdens zijn dienstverband in Antwerpen begeleidt hij een aantal van zijn studenten ‘onofficieel’ als duovertaler. In Filter legt hij later uit dat hij zich aan deze projecten waagde vanwege zijn heilige geloof in het nut van individuele begeleiding voor het opleiden van literair vertalers. Bovendien hoopte hij zo de ‘lange en ontmoedigende weg’ die hij zelf heeft moeten afleggen iets voor hen te verkorten en zijn beste studenten te bieden ‘wat ik zelf node had gemist’ (2001: 51). 

Ook na zijn afscheid van de hogeschool blijft Denissen beginnende vertalers begeleiden – inmiddels mét mentoraatsbeurs.Daarnaast geeft hij les aan onder meer de Vertalersvakschool in Amsterdam, en houdt hij lezingen over het vertaalvak. Voor de dbnl  maakt Denissen een overzicht van alle Nederlandse vertalingen van Italiaanse literatuur die tussen 1800 en 2000 zijn verschenen (2015). Zo draagt hij ook als bibliograaf bij aan de (historische) kennis over vertalen in Nederland.

Het mag duidelijk zijn dat Denissen veel waarde hecht aan goed vertaalonderwijs, aan het doorgeven van de expertise in zijn vakgebied. Minstens zo belangrijk is dat hij door zijn onderwijsbaan nooit financieel afhankelijk is geweest van schrijven of vertalen. Lesgeven was voor Denissen niet alleen een nobele taak, maar óók de manier om in zijn onderhoud te voorzien. 

Dit verklaart onder meer zijn relatief lage vertaalproductie, met gemiddeld één of twee boeken per jaar. Tegelijkertijd zorgde zijn vaste inkomen ervoor dat hij niet iedere opdracht hoefde aan te nemen. Ook na zijn afscheid van de hogeschool behield Denissen die luxepositie: nog altijd kan hij zelf bepalen wanneer, wat en voor wie hij vertaalt. Hij lijkt een voorkeur te hebben voor complexe teksten, die veel van zijn creatieve vermogens eisen. Daarbij vertaalt hij nooit tegen de klok, maar neemt hij ruim de tijd om het gewenste resultaat te bereiken. Voor iets minder dan de helft van zijn vertalingen heeft hij subsidie ontvangen van de Nederlandse en Vlaamse letterenfondsen, maar ook daarvan is hij nooit financieel afhankelijk geweest.

De creatieve vertaler-bewerker 
Die professionele autonomie klinkt ook door in zijn vertaalopvattingen. In de loop der jaren heeft Denissen veelvuldig over het vak geschreven. In essays, recensies, nawoorden en interviews heeft hij zijn vertaalkeuzes, zijn twijfels en bezwaren toegelicht. Altijd bevlogen, nooit bang om heilige huisjes omver te werpen.

Een van zijn controversieelste teksten is ‘Staat er wat er staat?’ (2000), een polemisch essay in het Vlaamse Nieuw Wereldtijdschrift. In het artikel beziet Denissen de rol van de vertaler vanuit een historisch perspectief. Hij beschrijft hoe men de vertaler-bewerker tot diep in de achttiende eeuw minstens als de evenknie van de oorspronkelijke auteur beschouwde. Daar kwam met het ontstaan van het auteursrecht en de opkomst van het kunstenaarsgenie in de negentiende eeuw een einde aan. De vertaler was voortaan een dienaar die zich zo veel mogelijk onzichtbaar maakte. Zo is het gebleven. Volgens de huidige vertaalnormen dient de vertaler zijn tekst complete and unabridged over te zetten, zonder iets toe te voegen of weg te laten. Anders is het geen vertaling maar een bewerking, en dat is een vies woord in vertaalland.

Doodzonde, vindt Denissen. ‘Wordt het niet hoog tijd dat ook de literaire vertalers het nu al jaren vigerende, eerder door “vertaalkundigen” dan door vertalers uitgevaardige bevel “Vertalen wat er staat!” naast zich neerleggen, hun verbeelding uit het cachot halen waarin ze die zelf hebben gestopt, en weer de schrijvers worden die ze in de literatuurgeschiedenis eeuwenlang zijn geweest?’ (77).

Denissen zou zich als vertaler veel vrijer tussen bron- en doeltekst willen bewegen, de tekst naar eigen inzicht willen ‘herscheppen’ als dat het tekstplezier van de lezer vergroot.4 Bij het vertalen van Quer pasticcaccio brutto de via Merulana speelde hij zelfs met het idee om de roman in zijn geheel naar Antwerpen te verplaatsen. Alleen zo zou hij de barokke tekst met al zijn historische illusies overtuigend kunnen overbrengen op de Nederlandstalige lezer. Natuurlijk was dit niet mogelijk. Vanwege het auteursrecht en de huidige vertaalopvattingen zou de uitgever het nooit accepteren. Toch piekerde hij er niet over de opdracht af te wijzen: ‘Gadda’s boek bood me als vertaler zoveel uitdagingen dat ook het werk eraan binnen de grenzen van die conventie dag in, dag uit een spannend avontuur was’ (75). Zo stelt Denissen praktische overwegingen uiteindelijk boven vertaalidealen. In Die gore klerezooi in de Via Merulana zoekt de vertaler voortdurend zijn vrijheid op, maar wel binnen de grenzen van het acceptabele.5

Met het essay in Nieuw Wereldtijdschrift zet Denissen kwaad bloed bij de ‘vertaalkundigen’. Deze ‘lieden’ zouden geen oog hebben voor de determinerende omstandigheden waaronder veel vertalingen tot stand komen, ze zouden alleen met een beschuldigend vingertje wijzen als er iets is toegevoegd of weggelaten. En tot overmaat van ramp schrijven ze de vertaler ook nog dictaten voor als ‘Vertalen wat er staat!’, waarmee ze hem reduceren tot een onzichtbare knecht (70).

De fikse aanval zorgt voor een heuse vertaalpolemiek in Vlaanderen, die tot in de landelijke pers wordt uitgevochten. Na een furieuze reactie van vertaalwetenschapper Henri Bloemen in het tijdschrift PEN-Tijdingen en een weerwoord van Denissen in hetzelfde blad, mengt ook onderzoeker Luc Van Doorslaer zich in de discussie, maar dan in De Standaard.6 Net als Bloemen benadrukt hij dat Denissen een hopeloos achterhaald beeld van de vertaalwetenschap heeft, terwijl juist praktijkvertalers zoveel baat zouden kunnen hebben bij vertaalreflectie – als ze er maar voor openstaan. Een week later volgt Denissens reactie in dezelfde krant:

Vertaalwetenschappers, vertaalkundigen, vertaaltheoretici, vertaalfilosofen: ze mogen kwekken wat ze willen, maar ze moeten wél hun plaats kennen. Ze bestaan slechts bij de gratie van de vertaling, en dus bij de gratie van de vertaalkunstenaar, zoals de literatuurwetenschapper slechts bestaat bij de gratie van de literaire tekst en dus bij de gratie van de schrijver die deze heeft gemaakt.

De zaak loopt met een sisser af. Als Bloemen er een paar jaar later op terugkomt in Filter, noemt hij de aanvaring een ‘zwakke herhaling’ van Peter Verstegens conflict met de vertaalwetenschap in 1993. Zijn eigen reactie bestempelt hij inmiddels als ‘wat vehement’ (2006). Tussen Denissen en de vertaalwetenschap kwam het nooit meer helemaal goed.

Vertalen als Vlaming
In een vertaalsector waar het Noord-Nederlands nog altijd de norm is, moeten Vlamingen vaak net wat harder werken. De meeste belangrijke uitgeverijen staan nu eenmaal over de grens, en daar zijn vlamismen uit den boze – althans in vertaalde literatuur. 

Ook bij Frans Denissen zal zijn Vlaamse afkomst hem aanvankelijk vooral hebben tegengezeten. Het duurde lang voordat de uitgevers in de Randstad hem wisten te vinden. Bovendien waren de voorzieningen voor vertalers in Vlaanderen lange tijd zeer beperkt: het Vlaams Fonds voor de Letteren is pas opgericht in het jaar 2000, een officieel vertalershuis bestaat nu sinds een jaar of zeven en een modelcontract is er in België nog steeds niet.

Hoewel Denissen de Hollandse onverdraagzaamheid voor het Vlaams en de ‘linguïstische eenheidsworst’ in de letteren betreurt (2005), ziet hij de toenadering van Vlaamse vertalers tot Nederland ook als iets onvermijdelijks. In een interview met Knack uit 2011 zei hij daarover: ‘Ik vind dat Vlaamse vertalers vaak nogal makkelijk klagen. Ik heb mezelf al vrij vroeg rekenschap gegeven van het feit dat ik aan mijn Nederlands moest werken om als literair vertaler aan de slag te kunnen. Als je je vertaalactiviteit tot Vlaanderen beperkt, dan weet je dat je vertalingen nauwelijks de grens over komen’ (Albers). 

Dat het Nederlands voor hem ‘een halve vreemde taal’ is, ziet Denissen niet als nadeel. ‘Ik ben ervan overtuigd dat ik langer werk aan een vertaling dan een Nederlandse collega. Ik controleer meer. Ik ben een Vlaming. Maar die zorgvuldigheid komt de kwaliteit van je vertaling ten goede’ (Verhoeven). 

Deze visie is kenmerkend voor de flexibele, haast pragmatische manier waarop Denissen zich tot de literaire vertaalwereld verhoudt. Hij laveert tussen de partijen, sluit compromissen zonder zijn opvattingen te verloochenen. Hij is in alle opzichten onafhankelijk, maar lapt de regels niet aan zijn laars. Met zijn stukken zoekt hij graag de controverse, maar zijn vertalingen blijven binnen de grenzen van de conventie. Zijn ambivalente rol heeft hij misschien het best verwoord in het dankwoord bij de Martinus Nijhoff Vertaalprijs:

Tegenover mijn studenten heb ik als metafoor voor het vertalen vaak verwezen naar het commedia dell’arte-stuk van Carlo Goldoni De knecht van twee meesters. Daarin komt het personage Truffaldino terecht in een situatie waarin hij tegelijk twee heren moet dienen, iets waarvoor hij heel wat kunst- en vliegwerk nodig heeft. Ook de vertaler moet twee heren dienen: aan de ene kant de oorspronkelijke auteur, aan de andere zijn toekomstige, zijn gedroomde lezer. En ook hij kan dat niet zonder kunst- en vliegwerk. Maar wie de komedie van Goldoni kent, weet wie de eigenlijke leider van het spel is: de knecht, alias de vertaler.

Dit artikel is gebaseerd op de masterscriptie ‘Knecht van twee meesters. Een vertalersprofiel van Frans Denissen’, geschreven ter afsluiting van de researchmaster Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht. Het portret van Frans Denissen is uitgewerkt aan de hand van het model van Cees Koster en Ton Naaijkens voor een ‘vertalersprofiel’ (2011; verder uitgewerkt in Naaijkens 2012; 2014).

 

Noten
1 Tijdens het schrijven van mijn masterscriptie heb ik uitgebreid met Frans Denissen kunnen corresponderen. Alle uitlatingen van de vertaler die zonder verdere bronvermelding in dit artikel zijn opgenomen, komen voort uit deze persoonlijke correspondentie. 
2 Sinds de oprichting in 2003 maakt Denissen deel uit van de redactie van Les Nouveaux Cahiers André Baillon, een jaarboek gewijd aan de Frans-Vlaamse auteur. Ook werkte hij mee aan een bibliografie van André Baillon en publiceerde hij veelvuldig over diens leven en werk.
3 Denissen begeleidde twee vertalingen met een (gedeeltelijke) beurs van het Expertisecentrum Literair Vertalen (ELV). Ook mijn eigen vertaaldebuut, De rode anjer van Elio Vittorini (2016), kwam tot stand onder begeleiding van Frans Denissen – in dit geval dankzij een Talentbeurs van de Master Literair Vertalen gefinancierd door het Nederlands Letterenfonds. 
4 Deze wens heeft Denissen vaker geuit in onder meer vertaalverantwoordingen (2011) en interviews (De Keyzer; Albers), zij het in minder sterke bewoordingen dan in ‘Staat er wat er staat?’. 
5 In de masterscriptie die de basis vormt voor dit artikel is een uitgebreide casestudy opgenomen naar de vertaalstrategieën in Die gore klerezooi in de Via Merulana.
6 Pikant detail: zowel Henri Bloemen als Luc Van Doorslaer waren destijds collega’s van Frans Denissen aan de Katholieke Vlaamse Hogeschool in Antwerpen (al was Denissen op dat moment met onbetaald verlof). Ook binnen de hogeschool leidde de publicatie tot veel onrust – vooral bij de Departementale Onderzoeksgroep Vertaalwetenschap, die hierover een brief stuurde naar collega’s en directie.
 

Bibliografie
Albers, Joost. 2011. ‘“Het gaat mij om het tekstplezier van de lezer”’, Knack, p. 72, 25 mei 2011. 

Bloemen, Henri. 2001. ‘In alle -schappelijkheid: een antwoord aan Frans Denissen’, PEN-Tijdingen, 1, p. 43–63.

Bloemen, Henri. 2006. ‘Over de nieuwste poging tot opstand in Vertalië’Filter, 13:1, p. 3–17.

Denissen, Frans. 2000. ‘Staat er wat er staat?’, Nieuw Wereldtijdschrift, 17:10, p. 68–77.

Denissen, Frans. 2001. ‘Een ‘intuïtief’ mentoraatsexperiment’Filter, 8:2, p. 50–55.

Denissen, Frans. 2001. ‘“Puur vanuit de imaginatie en met de grootste stelligheid”’, PEN-Tijdingen, 1, p. 64–69. 

Denissen, Frans. 2001. ‘Pleindrang & Pleinvrees’, De Standaard, 30 augustus 2001.

Denissen, Frans. 2005. ‘Een auteur vertalen in zijn eigen moedertaal?’Filter, 12:3, p. 33–37.

Denissen, Frans. 2011. ‘Verantwoording’, in: Carlo Emilio Gadda. De leerschool van het lijden. Vertaald door Frans Denissen. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep, p. 261–266.

Denissen, Frans. 2012. ‘Dankwoord Martinus Nijhoffprijs’ (ongepubliceerd).

Denissen, Frans. 2015. De Nederlandse vertalingen van Italiaanse literatuur (1800–2000). DBNL. http://www.dbnl.org/tekst/deni002nede01_01/ [geraadpleegd op 12 december 2016]

Keyzer, Tom de. 2001. ‘De Gaddiaanse knoop in de zakdoek’, De Tijd, p. 23–24.

Koster, Cees & Ton Naaijkens. 2011. ‘Poetics Revisited. Profiling Translators in Dutch History’. Congres: ‘Research Models in Translation II’, Centre for Translation and Intercultural Studies. University of Manchester. 

Koster, Cees et al. 2012. ‘Juryrapport Martinus Nijhoff Prijs’Filter, 19:1, p. 49–51.

Menkveld, Emilia. 2016. ‘Knecht van twee meesters. Een vertalersprofiel van Frans Denissen’. Masterscriptie. Universiteit Utrecht (Raadpleegbaar op: dspace.library.uu.nl/handle/1874/327476).

Naaijkens, Ton. 2012. ‘Der Literaturübersetzer’, in: Alois Wierlacher (ed.), Jahrbuch Deutsch als Fremdsprache, Vol. 38, p. 143–156.

Naaijkens, Ton. 2014. ‘Homo interpres. Der Literaturübersetzer als Mensch und Format’ (lezing). Johannes Gutenburg-Universität Mainz, Germersheim, 14 november 2014.

Peeters, Frank & Anne-Marie Van Passen. 1986. ‘Het Italiaanse boek in Nederlandse vertaling: 1946–1982’, Ons Erfdeel, 29, p. 371–380.

Peters, Arjan. 2011. ‘Competición. In gesprek met Frans Denissen, winnaar van de Martinus Nijhoff Prijs’, de Volkskrant, 18 november 2011.

Van Doorslaer, Luc. 2001. ‘De pleinvrees van de vertaler’, De Standaard, 23 augustus 2001. 

Verbeken, Pascal. 1998. ‘Vreemdgaan met Baillon’, De Standaard, 22 oktober 1998.

Verhoeven, Karel. 2007. ‘Literaire calimero’s’, De Standaard, 26 januari 2007.

Bijlage 1: oeuvre Frans Denissen, vertalingen (selectie)
1978           Manfredo Tafuri. Ontwerp en utopie: Architectuur en ontwikkeling van het kapitalisme
                  (met Umberto S. Barbieri, Cees Boekraad en Kees Vollemans). Nijmegen: SUN
1982           Giovanni Boccaccio. Decamerone. Antwerpen: Manteau
1984           Eugenio Montale. De roos in de kermistent
                  (met Frans van Dooren en Michel Bartosik; samenstelling: Jacques Hamelink). Vianen: Kwadraat
1984           Cesare Pavese. Werken is vermoeiend (met Leonard Nolens). Gent: Masereelfonds
1985           André Baillon. Waanzinnen. Haarlem: In de Knipscheer
1987           André Baillon. Het boek van Marie (met Gisèle van Dongen). Haarlem: In de Knipscheer
1987           Curzio Malaparte. Techniek van de staatsgreep (met Peter Westerlaken). Antwerpen: Manteau
1989           Umberto Eco. Kunst en schoonheid in de Middeleeuwen (met Carlo Depreytere). Amsterdam: Bert Bakker
1990           Niccolò Machiavelli. Machiavelli, een autobiografie in brieven (met Carlo Depreytere). Amsterdam: Bert Bakker
1990           André Baillon. Doodzonde (met Gisèle van Dongen). Antwerpen: Dedalus
1991           André Baillon. Op klompen (met Hilde Rits). Antwerpen: Dedalus
1991           Giacomo Casanova. Hollands avontuur. Amsterdam: Prometheus
1992           André Baillon. Jojo Pingping: Londense straatmeid. Antwerpen: Manteau
1994           Leonardo Sciascia. De ridder en de dood (met Hilde Rits). Rijswijk: Goossens
1994           André Baillon. Een doodeenvoudig man (met Hilde Rits). Antwerpen: Dedalus/Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar
1996           André Baillon. In de piepzak. Antwerpen: Dedalus/Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar
1998           André Baillon. Het neefje van Mademoiselle Autorité (met Hilde Rits). Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar
2000           Carlo Emilio Gadda. Die gore klerezooi in de Via Merulana. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep
2003           Giovanni Boccaccio. Decamerone. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep
2005           Leonardo Sciascia. De raad van Egypte (met Tom de Keyzer). Amsterdam: Serena Libri
2007           Leonardo Sciascia. De dood van Raymond Roussel. Het theater van het geheugen (met Tom de Keyzer). Amsterdam: Serena Libri
2011           Carlo Emilio Gadda. De leerschool van het lijden. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep
2015           Leonardo Sciascia. Candido oftewel een droom die ontstond op Sicilië (met Hilda Schraa). Amsterdam: Serena Libri

Bijlage 2: oeuvre Frans Denissen, oorspronkelijk werk (selectie)
1974           De gekastreerde engel. Brugge: Johan Sonneville
1987           De belijdenissen van J.B. Hemelryckx. Amsterdam: Bert Bakker
1991           De schuld van Newton. Gent: Poëziecentrum
1992           De thuisreis. Amsterdam: Prometheus
1998           De gigolo van Irma Ideaal. André Baillon, of een geschreven leven. Amsterdam: Prometheus
2007           De vrouwen van Mussolini. Achter de façade van het fascisme. Amsterdam: Bert Bakker

Lees meer over: