Het vertaaljaar 2015 - inleiding    17-30

Ton Naaijkens

Vanmorgen stond in de krant dat Leonardo DiCaprio in een nieuwe film zo gromt, schreeuwt, spuugt, gilt, piept, sist en kreunt dat het een op zichzelf staande soundtrack lijkt.1 Hij speelt een pelsjager, op de begeleidende foto is hij zo ingepakt in berenvel dat zijn borstomvang die van een volgroeide eik overtreft. Oscarrijp. Een bladzijde eerder staat dat de vsb Poëzieprijs toegekend werd voor een bundel die zingt, knarst, fabuleert, droomt en uit zijn voegen barst ‘van een nauwelijks te remmen dichterlijke droom’. Ook deze bekroonde Man (Ilja Leonard Pfeiffer) ziet eruit als een beer, woest, ongebreideld en door niets te stuiten. Ze staan symbool voor de cultuur van superlatieven waarin we zijn beland. Als er iets aan de man moet worden gebracht worden alle registers opengetrokken. Blijkbaar voldoet de eenvoudige superlatief niet meer en wordt effect alleen verwacht van een reeks kwalificaties die opgeteld en wel ‘pas echt bij je binnenkomen’. De Wereld Draait Door ontdekt avond na avond een ‘ultiem’ meesterwerk op het gebied van de kunst, de architectuur of de muziek en signaleert vrijwel dagelijks de ‘absoluut definitieve’ doorbraak in kankeronderzoek of de ‘sensationeelste’ verklaring voor de zwarte gaten in ons heelal. En het gebeurt ook in het klein, in letterenland. Eerder beweerde ik al eens dat uitgevers boeken al op de bestsellerlijsten plaatsen voordat ze verschenen zijn of aanprijzen op affiches en in advertenties als wereldschokkend en briljanter dan briljant. Het is deze ronkende flaptekststijl die in alle sectoren van de maatschappij om zich heen slaat, de twitterhype die heerst, de zucht om elke beleving direct en onmiddellijk te doen opkomen als een uniek en nooit tevoren beleefd orgasme. Niets tegen orgasmes tussen haakjes, maar in het geval van duurzame, echte ervaring is rust en eeuwigheid te verkiezen boven het vluchtige moment. Hetgeen leidt tot de ontnuchterende vraag wat er eigenlijk overblijft van een jaar. Ik neem er even de tijd voor en probeer het barsten, grommen en knarsen door te prikken met een onberige pas op de plaats: wat blijft er over van een jaar? Een nietig vraagje is het, nu we leven in de tijd van de vluchtelingen en (volgens cultuurfilosoof Lieven De Cauter2) in het tijdperk van de aangebroken catastrofe. Er komt nogal wat op ons af. Ik lees dat de schrijver Rodaan Al Galidi, die ooit als asielzoeker vanuit Zuid-Irak naar Nederland kwam, in zijn eerste maanden hier nooit in groepsverband vanuit het azc naar het dorp ging. ‘Omdat we begrepen dat de mensen bang van ons konden worden.’ Hij wijt dat aan zijn taal: ‘De Arabische taalklank is niet lieflijk. Arabisch klinkt als ruzie. Zelfs de oproep tot gebed klinkt als oorlog. Jihad-achtig. Als je Dante in het Nederlands leest, is hij een dichter. In het Arabisch klinkt hij als iemand die voor IS werkt.’3 Waarna we via de relatie tussen culturen bij de verhoudingen tussen talen zijn en dus bij het vertalen. Het compliment voor de Nederlandse Dante is fraai, zeker voor de bewuste onbekende vertaler, maar wat hier het Arabisch verweten wordt kan elke taal worden verweten, zeker ook het Nederlands, nota bene het meest als er vertaald wordt uit klankrijke en verleidende talen als het Italiaans. Ik laat dus graag in het midden of het waar is en schraap de provocatie van Al Galidi’s uitspraak. Om wederom te vragen: wat blijft er over? Wat blijft is het bewustzijn van verandering en de sensitiviteit voor de implicaties van iets dat steeds drastischer verbonden is met ons leven van alledag, of het nu wel of niet richting rampen gaat: dat vertalen de kern is, omgang met anderen bepaalt en meer op waarde geschat dient te worden dan ooit.

Lees verder in de papieren Filter