Over Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostojevskij van Pieter Boulogne    49-55

Willem G. Weststeijn

Pieter Boulogne, Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostojevskij. Amsterdam: Pegasus, 2011, 770 p. [Pegasus Oost-Europese Studies 17] ISBN 978 90 6143 356 9

De massieve studie van Pieter Boulogne – als dissertatie verdedigd bij de Katholieke Universiteit van Leuven – richt zich op een niet erg courant onderwerp van de vertaalwetenschap: de vertalingen van het werk van een schrijver gedurende een bepaalde periode en in een bepaald taalgebied. Kritische besprekingen van een ‘losse’ vertaling zijn er te kust en te keur. Systematisch onderzoek naar wat er allemaal van een schrijver is vertaald en hoe dat is gebeurd, is nogal zeldzaam. Alleen al daarom is Boulognes boek de moeite waard. Het laat zien hoe zulk onderzoek kan worden aangepakt en wat het oplevert: anders dan bij de bespreking van een aparte vertaling gaat het niet alleen om vertaalproblemen en vertaalstrategieën, maar komen, veel breder, ook cultureel-historische omstandigheden aan de orde en wordt een relatie gelegd tussen vertalingen en de tijd waarin de vertalingen tot stand zijn gekomen. Vertaalwetenschap en receptiewetenschap komen zo op een interessante manier bij elkaar. Je zou zelfs kunnen spreken van een symbiose.

Boulogne is slavist en het is dus niet verwonderlijk dat hij zich voor zijn onderzoek op een Russische schrijver heeft gestort: Dostojevski, die eigenlijk pas na zijn dood in 1881 in het Westen bekend werd, eerst door de literatuurkritiek werd binnengehaald en aan wie vervolgens, via vertalingen, een groeiende belangstelling van het lezerspubliek ten deel viel. In zijn studie beperkt Boulogne zich tot de allereerste fase van de Dostojevskireceptie, die hij laat duren tot aan de Eerste Wereldoorlog. Dat is aan de ene, vertaalwetenschappelijke kant, geheel begrijpelijk: een gedegen bespreking van de vertalingen die er in deze periode zijn verschenen vormt al een boek op zich. Maar receptiewetenschappelijk gezien is het een beetje jammer. De Dostojevskireceptie kenmerkt zich door nogal sterke fluctuaties in de waardering voor de schrijver. Dostojevski was bijzonder populair na de Eerste Wereldoorlog, werd op handen gedragen door de existentialisten en beleeft ook nu weer, in het huidige post-postmodernistische tijdperk, waarin ironie en ‘alles is geoorloofd’ heeft plaatsgemaakt voor ernst en ge- en verboden, een duidelijke comeback.1 Het zou interessant geweest zijn deze veranderende receptie te verbinden met de verschenen vertalingen, maar we kunnen Boulogne moeilijk verwijten dat hij dat niet heeft gedaan: hij zou een minimaal nog twee keer zo dik boek hebben moeten schrijven.

Het temmen van de Scyth bestaat, globaal gezien, uit twee delen. Het eerste deel bevat een theoretische inleiding en een uitvoerige bespreking van de receptie van Dostojevski’s werk in Frankrijk en Duitsland en vervolgens ook in Nederland, waar de kritiek dankbaar gebruikmaakte van de buitenlandse informatie. Het tweede deel behandelt de tot aan de Eerste Wereldoorlog verschenen vertalingen in het Nederlands van Dostojevski’s werk. Ook hier speelden de buitenlandse voorbeelden een grote rol, want mensen die Russisch kenden waren er toen in Nederland en Vlaanderen nauwelijks,2 en nagenoeg alle vertalingen werden gemaakt uit het Frans of Duits.

Ik heb de indruk dat Boulogne aanvankelijk van plan was alleen de vertalingen van Dostojevski aan een kritisch onderzoek te onderwerpen – en dan vooral om vast te stellen in hoeverre ze verschillen van de Russische, of eigenlijk Franse en Duitse bronteksten – en pas later heeft gekozen voor de veel ambitieuzere opzet, waarbij de vertalingen in een receptiecontext worden geplaatst. Bij de analyse van de vertalingen in het tweede deel van zijn studie gaat hij wel erg uitgebreid in op, zeker voor de receptie, minder relevante verschuivingen tussen brontekst(en) en doeltekst. Ook geeft hij in dit tweede deel samenvattingen van de vertaalde romans en verhalen van Dostojevski, terwijl deze zelfde romans en verhalen al in het eerste deel, bij de bespreking van de literaire kritiek, aan de orde komen. De wat magere resultaten van de vertaalanalyse: het feit dat er ontegenzeggelijk, maar gezien de competentie van de toenmalige vertalers, ook voorspelbaar grote verschuivingen vielen te constateren tussen doel- en bronteksten, vroegen gewoon om een ruimere onderzoeksopzet.

Voor zijn theoretisch kader baseert Boulogne zich op de polysysteemtheorie van Itamar Even-Zohar.3 Aansluitend bij een kort (het bestaat in feite uit een aantal thesen), maar belangrijk artikel van Jakobson en Tynjanov, geschreven net voordat de politieke omstandigheden een einde maakten aan de werkzaamheden van de Russische formalisten in de Sovjet-Unie,4 beschouwt Even-Zohar de literatuur als een systeem. Dit systeem kan gezien worden als een netwerk van (veranderende) relaties tussen de onderdelen waaruit dit netwerk bestaat: schrijvers, teksten, uitgevers, literaire prijzen, literaire kritiek et cetera. Behalve deze interne relaties heeft het literaire systeem ook relaties met andere, buiten de literatuur liggende systemen: de politiek, de godsdienst, de sociaaleconomische situatie. Jakobson en Tynjanov waren de eersten die wezen op het belang van de bestudering van deze externe relaties, maar Even-Zohar werkt vooral de interne relaties uit en beschrijft de literatuur als een conglomeraat van elkaar beïnvloedende en van elkaar afhankelijke subsystemen. Van belang daarbij voor de vertaalwetenschap is dat hij de vertalingen als een apart subsysteem onderscheidt en ervoor pleit ze ook als zodanig te bestuderen en niet alleen maar als afzonderlijke teksten. Vertalingen hebben een aparte rol in het literaire proces, die anders is dan die van de ‘oorspronkelijke’ teksten, maar die daar natuurlijk toch mee te maken heeft, zoals hij ook te maken heeft met de andere factoren binnen het literaire polysysteem en, wat bepaald niet moet worden onderschat, met andere literaire polysystemen. Vertalingen worden gemaakt van oorspronkelijke teksten uit een ander literair polysysteem, maar ook in navolging van vertalingen die in andere literaire polysystemen succesvol zijn gebleken. ‘Grote’ landen, of ‘grote’ literaturen zetten daarbij vaak de toon voor de kleinere en minder bekende. Als het werk van een onbekende schrijver in het Engels of Duits wordt vertaald, is de kans dat dit ook in een kleiner taalgebied in vertaling verschijnt groter dan wanneer dat niet het geval is.

Aan het einde van de negentiende eeuw waren Nederland en Vlaanderen wat de Russische literatuur betreft sterk afhankelijk van wat er in Duitsland en Frankrijk gebeurde. Heel begrijpelijk dus dat Boulogne eerst de Dostojevskireceptie in deze landen in kaart brengt en vervolgens pas ingaat op de situatie in het Nederlandse taalgebied. Hij richt zich daarbij vooral op de receptie in Nederland. Ook in Vlaanderen werd Dostojevski weliswaar gelezen en verschenen er recensies van zijn vertaalde werk, maar alle Nederlandse vertalingen van Dostojevski voor de Eerste Wereldoorlog verschenen in de noordelijke Nederlanden. Als apart polysysteem of als subsysteem van de Nederlandse literatuur was de Vlaamse literatuur dus afhankelijk van wat er in Nederland van Dostojevski werd vertaald en uitgegeven.

Voor zijn hoofdstuk over de receptie van Dostojevski in Duitsland en Frankrijk heeft Boulogne een zeer groot aantal bronnen, vermoedelijk alle literatuur die daarover voorhanden is, geraadpleegd. Uit zijn betoog wordt duidelijk dat Dostojevski weliswaar pas in de jaren tachtig van de negentiende eeuw doordrong bij het grote publiek in het Westen, maar daarvoor toch niet helemaal een onbekende was. Van Dostojevski’s debuutroman Arme mensen, die in 1846 uitkwam en veel lof oogstte van de toenmalige Russische literatuurkritiek (‘Er is een nieuwe Gogol opgestaan’), verscheen nog in datzelfde jaar een fragment in een Duitse vertaling. Het vond echter weinig weerklank en dat gold eveneens voor de vertaling van Aantekeningen uit het dodenhuis die in de jaren zestig verscheen. In enkele overzichten over eigentijdse Russische literatuur die in 1880 werden gepubliceerd was Toergenjev verreweg de belangrijkste auteur en werd Dostojevski’s naam slechts sporadisch genoemd. Pas met de vertaling van Misdaad en straf (verschenen onder de titel Raskolnikow) in 1882 voltrok zich een verandering in de waardering voor de schrijver, onder meer dankzij de criticus Eugen Zabel, die uitvoerig in positieve zin over hem schreef. In korte tijd werd Dostojevski in Duitsland populair. Al rond 1890 was het hele oeuvre van Dostojevski in het Duits beschikbaar en verschenen er, bij concurrerende uitgevers, nieuwe vertalingen van werken die al eerder waren vertaald. In de jaren negentig bekoelde de hype en werd Dostojevski’s plaats ingenomen door Tolstoj.

In Frankrijk zien we hetzelfde patroon: enkele geschiedenissen van de Russische literatuur die werden gepubliceerd toen Dostojevski nog leefde geven wel wat informatie over hem, maar de eerste vertalingen (Les humiliés et offensés en Le crime et le châtiment) verschenen pas in 1884 en luidden ook daar een snelle doorbraak in van de schrijver bij het grote publiek. Mede verantwoordelijk voor die doorbraak was de Franse graaf en Ruslandkenner Eugène-Melchior de Vogüé, die getrouwd was met een Russische generaalsdochter en zeven jaar in Rusland had gewoond. In een aantal artikelen in Revue des deux mondes en in zijn bekende, buitengewoon invloedrijke en nog steeds zeer leesbare Le roman russe (1886) geeft hij een goed beeld van de Russische literatuur van zijn tijd en besteedt hij ruime aandacht aan Dostojevski. De Vogüé heeft een hoge dunk van werken als Arme mensen, Aantekeningen uit het dodenhuis en Misdaad en straf, maar minder voor de latere grote romans als De idioot en De broers Karamazov, die hij gebrekkig gecomponeerd en langdradig vindt. Vooral dat laatste bezwaar kom je, opmerkelijk genoeg,5 geregeld tegen in de Duitse en Franse Dostojevski-kritiek aan het einde van de negentiende eeuw, wat overigens niet belette dat deze romans op grote schaal werden gelezen en geapprecieerd. Ook nu weten de lezers, gezien de goede verkoopcijfers van Dostojevski’s grote romans, wel beter en geen enkele serieuze criticus zal het op dit moment, nu er zo’n uitgebreide literatuur bestaat over Dostojevski’s filosofische en religieuze opvattingen, in zijn hoofd halen de passages waarin die opvattingen aan de orde komen langdradig te noemen. Is een schrijver eenmaal opgenomen in de canon van de wereldliteratuur, dan wordt hij maar zelden van tekortkomingen beticht.6

Overigens blijft bij Boulogne enigszins onderbelicht waarom juist in de jaren tachtig en begin negentig van de negentiende eeuw Dostojevski’s werk zo’n hausse beleefde in West-Europa. Hij zegt wel iets over het naturalisme en de door onder meer De Vogüé gehekelde ‘morele inferioriteit’ van de realisten en naturalisten, waar het lezerspubliek zich van zou afkeren, maar met zijn argumentatie blijft hij, conform Even-Zohar, in feite binnen het literaire polysysteem. Een bredere contextualisering, dat wil zeggen een vergelijking van het literaire systeem met andere, contemporaine systemen (Rusland kwam sterk op als grootmacht in die tijd; in de wetenschap en de filosofie waren het positivisme en utilitarisme duidelijk over hun hoogtepunt heen) zou boeiende gegevens hebben kunnen opleveren.

Na de behandeling van de receptie van Dostojevski in Duitsland en Frankrijk gaat Boulogne over naar de Nederlandse kritiek, die, zoals gezegd, wat Dostojevski betreft sterk leunde op wat er in de omringende buitenlanden gebeurde. Het allereerste wat het Nederlandse publiek over Dostojevski te weten kwam was dat hij dood was. Het bericht, waarschijnlijk overgenomen uit een Engelse krant en gepubliceerd in het letterkundige weekblad De portefeuille, haalde de Nederlandse pers omdat Dostojevski’s begrafenis in Rusland een ongekend grote mensenmenigte op de been had gebracht. De necrologie, waarin een korte schets werd gegeven van Dostojevski’s leven en werk, trok niet bijzonder de aandacht, wat gezien Dostojevski’s onbekendheid hier te lande begrijpelijk was.

Een paar jaar later keerde het tij. Een van de eersten die zich opwierpen als bewonderaar van Dostojevski was Arij Prins. Hij had Misdaad en straf in het Frans gelezen en kende ook de artikelen van De Vogüé in Revue des deux mondes. Dat gold eveneens voor Busken Huet, die halverwege de jaren tachtig van de negentiende eeuw in Parijs verbleef en in de literaire opstellen die hij daar schreef het Nederlandse publiek op de hoogte hield van wat zich afspeelde in het Franse literaire leven. De groeiende Ruslandhype aldaar, waarvan Dostojevski de exponent was, ontlokte hem zelfs de uitspraak dat als ‘de zonen der nu levende Nederlanders op de hoogte van hun tijd wenschen te blijven’ ze Russisch moeten gaan leren.7

De eerste vertaling in het Nederlands van een werk van Dostojevski verscheen in 1885. Het was Schuld en boete, een titel die het vele decennia heeft uitgehouden, voordat hij werd vervangen door het preciezere Misdaad en straf. De vertaling, hoogstwaarschijnlijk uit het Duits, was van een zekere Petros Kuknos, een pseudoniem waarvan nog steeds onbekend is wie erachter schuilgaat. De roman werd heel verschillend door de literaire kritiek ontvangen. Een van de weinige Nederlanders in die tijd die het Russisch beheersten, Wolfgang van der Meij, keurde de roman af op morele gronden, hoewel hijzelf vrijzinnig en antireligieus was. Wel erkende hij dat Dostojevski een belangrijk auteur was en in 1889 zou hij een uitvoerige studie aan hem wijden. Veel positiever over Schuld en boete was de hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Leiden Jan ten Brink, die in een uitvoerig artikel in 1886, waarin overigens ook weer de denkbeelden van De Vogüé onmiskenbaar doorklinken, Dostojevski prijst om zijn psychologische analyse.

Schuld en boete werd al snel gevolgd door een reeks andere vertalingen (onder andere Arme menschen en Uit Siberië [Aantekeningen uit het dodenhuis]) en ook in Nederland werd Dostojevski, zij het wat later dan in Duitsland en Frankrijk, een geliefd en veelgelezen auteur. In het begin van de jaren negentig werd hij weliswaar in populariteit overvleugeld door Tolstoj, maar in de twintigste eeuw was hij weer helemaal terug. In 1913 verscheen de vertaling van De gebroeders Karamazow (nu De broers Karamazov). De ontvangst door de kritiek van deze vertalingen en alles wat er verder over Dostojevski geschreven werd in Nederland wordt door Boulogne uitputtend behandeld.

Uitputtend is Boulogne ook over de vertalingen zelf, althans de Nederlandse, in de eerste fase van de Dostojevskireceptie. Het zijn er elf, althans de elf die hij heeft kunnen traceren en raadplegen, want in feite zou zijn corpus moeten bestaan uit dertien verschillende vertalingen. Van één daarvan, De kerstboom (1887) heeft hij nergens een exemplaar kunnen vinden, een andere, een nieuwe vertaling van Schuld en boete, verschenen onder de titel Een misdaad – Wroeging (1897), bleek alleen in een privéverzameling aanwezig, maar toen hij dat ontdekte had hij zijn onderzoek al bijna afgesloten. Ook voor de elf vertalingen die Boulogne uiteindelijk in handen had moest hij heel wat speurwerk verrichten. Van Arme Nelly (1891; later De vernederden en gekrenkten) bleek zich alleen een exemplaar te bevinden in de Nationale Bibliotheek van Finland in Helsinki. Voor andere vertalingen moest hij zich behelpen met microfiches, omdat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag de boeken, voor zover daar aanwezig, niet uitleende vanwege hun slechte staat en zeldzaamheid. Ten gevolge van de slechte kwaliteit van het papier rond 1900 is er van de boekproductie van die tijd veel verloren gegaan.

Hoewel in de Nederlandse uitgaven van de vertalingen van Dostojevski slechts hoogst zelden wordt vermeld uit welke taal ze zijn vertaald, heeft Boulogne door nauwkeurige vergelijking van de Duitse, Franse en Nederlandse vertalingen kunnen vaststellen dat in bijna alle gevallen Duitse of Franse (soms een combinatie van beide) vertalingen als brontekst voor de Nederlandse hebben gefungeerd. Slechts in één geval, Witte nachten (1906) is er rechtstreeks uit het Russisch vertaald, wat dan ook, als een soort bijzondere aanbeveling, op de kaft van de uitgave staat. Ook de vertaler, een zekere Zadok Stokvis, staat daar vermeld. Stokvis had een grote belangstelling voor de Russische taal en literatuur, had een halfjaar in Rusland doorgebracht om gegevens te verzamelen over een dissertatie (die er nooit gekomen is) en vertaalde behalve Dostojevski ook Tolstoj en Tsjechov. Henriëtte Roland Holst volgde privélessen Russisch bij hem en in 1909 publiceerde hij een Russische literatuurgeschiedenis met een groot apart hoofdstuk over Dostojevski. Niet verwonderlijk is dat de vertaling van Witte nachten ook de meest adequate is, in de zin van het meest overeenkomend met de Russische brontekst. Dit kwam niet alleen doordat Stokvis heel precies vertaalde, maar ook doordat de meeste vertalers die zich baseerden op de Duitse of Franse uitgaven aanzienlijk minder nauwkeurig omgingen met hun bronteksten dan Stokvis. Ook als een Duitse of Franse vertaling min of meer adequaat was zagen de vertalers er geen been in zaken naar hun eigen inzicht te veranderen. Dat begon vaak al met de titel. Zo werd de Duitse intermediaire tekst Erniedrigte und Beleidigte (een precieze vertaling van Unizjennye i oskorbljonnye – De vernederden en gekrenkten) in het Nederlands Arme Nelly.

Wel erg bont maakt de schrijfster Anna van Gogh-Kaulbach het met haar vertaling van De gebroeders Karamazow (1913). Niet tevreden met de vertaling Les frères Karamazov van Bienstock en Torquet (1906), waar op de titelpagina ‘édition complète en un volume’ was vermeld om het werk te onderscheiden van de eerdere, sterk aangepaste vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice, die was verschenen in 1888, baseerde Van Gogh-Kaulbach zich op beide vertalingen. Halpérine-Kaminsky en Morice hadden de roman (langdradig!) drastisch ingekort, maar in de epiloog volledig uit hun eigen duim gezogen hoofdstukken toegevoegd om het verhaal te voorzien van een happy end. Niet gehinderd door enige kennis van het Russische origineel volgde Van Gogh-Kaulbach voor het grootste deel van haar vertaling die van Bienstock en Torquet (die overigens ook behoorlijk was ingekort), maar nam ze eveneens dingen over – in het bijzonder de verzonnen epiloog – van Halpérine-Kaminsky en Morice.

Stokvis, inmiddels schooldirecteur in Nederlands-Indië, maar wel op de hoogte van wat er op het gebied van de Russische literatuur gebeurde in Nederland, was terecht verontwaardigd over de vertaling. In een open brief in De Amsterdammer (1 maart 1914) beschuldigde hij haar ervan knoeiwerk te hebben geleverd op basis van slechte Franse voorbeelden, terwijl ze het deed voorkomen een ‘eerste-handsvertaling’ te hebben gemaakt (de titelpagina van De gebroeders Karamazow vermeldde de vertaalster, maar niet dat de vertaling uit het Frans was). Ze had veel beter Duitse vertalingen als voorbeeld kunnen nemen ‘die minder geweld gepleegd hebben aan het onvergetelijke werk van den grooten schrijver’.8 De vertaalster verdedigde zich wat lamlendig. Maar tot wijzigingen in de vertaling kwam het niet. Het enige dat in heruitgaven werd toegevoegd was de opmerking dat de vertaling uit het Frans was. Pas in 1932 zou er een volledige vertaling (door A. Kosloff) van De gebroeders Karamazov voor het Nederlandse publiek beschikbaar komen.

Van alle vertalingen behandelt Boulogne de macrostructurele wijzigingen, zoals het weglaten of toevoegen van hele hoofdstukken, en daarnaast ook de microstructurele, bijvoorbeeld de manier waarop namen, spreektaal of realia werden vertaald. Begrijpelijkerwijs volgden de vertalers ook hier de buitenlandse voorbeelden en vaak gingen ze, in hun drang tot naturalisatie, nog verder: de ‘Samowar’ in de Duitse tekst werd dan ‘theetafel’, ‘Quass’ ‘honingbier’. Als exotische of gebroken taal in de Duitse of Franse vertaling werd gestandaardiseerd, gebeurde dat in de Nederlandse vertaling automatisch ook. Witte nachten, de enige rechtstreeks uit het Russisch vertaalde tekst, komt er in Boulognes bespreking wat bekaaid van af, omdat die minder spectaculaire verschuivingen laat zien dan de andere vertalingen. Of Stokvis fouten maakte in zijn vertaling komen we bijvoorbeeld niet te weten. Was hij een capabel vertaler? Vertaalde hij exotiserend of juist naturaliserend, veroorloofde hij zich bepaalde vrijheden ten opzichte van de brontekst? Kwesties die in de huidige vertaalkritiek van belang zijn, worden in het geval van Stokvis niet aan de orde gesteld.

Uit Boulognes dissertatie komen we een massa te weten over hoe rond 1900 een buitenlandse schrijver uit een onbekend taalgebied werd vertaald en hoe zo’n schrijver, vooral op grond van de verschenen vertalingen, werd gerecipieerd. Dat vertalingen voor de receptie van een auteur een grote rol spelen is evident: zonder vertalingen is de receptie maar zeer beperkt en het is dus goed dat deze bij het receptieonderzoek worden betrokken. Dat de vertalingen min of meer doorslaggevend zouden zijn voor receptieonderzoek is echter een claim die wel erg ver gaat. ‘Evenmin heeft men zich een idee gevormd van de eventuele verschuivingen die de vertaaltransactie met zich mee heeft gebracht, en van de verregaande implicaties (mijn cursivering) hiervan voor het Nederlandse Dostoevskij-beeld. Bij gebrek aan een systematische descriptieve vertaalstudie kan men niet weten hoe de Dostoevskij eruitzag die destijds gerecipieerd werd – vertalingen impliceren immers altijd een vorm van manipulatie en mogen dus niet gelijkgesteld worden met de bronteksten’ (p. 8). En: ‘Ook de vraag hoe Dostoevskij vertaald werd, is cruciaal (mijn cursivering) om te begrijpen op welke manier hij gekristalliseerd werd in de Nederlandse literatuur’ (p. 399).

Maar hoe zit dat dan met een schrijver (zoals Dostojevski) die door verschillende vertalers op heel verschillende manieren werd vertaald, in het geval van Schuld en boete adequaat op grond van de Duitse vertaling, in het geval van De gebroeders Karamazow hoogst inadequaat op grond van slechte Franse vertalingen? Ook in onze tijd verschijnen er vertalingen van Dostojevski door vertalers met nogal verschillende vertaalopvattingen. In De broers Karamazov richt Arthur Langeveld zich nauwkeurig op de Russische brontekst; Hans Boland springt daar in zijn recente vertaling van Duivels (voorheen Boze geesten of Demonen) aanzienlijk vrijer mee om. Ontstaan hierdoor werkelijk verschillende beelden van Dostojevski? Dat is te betwijfelen. Voor zijn Dostojevskibeeld zal de lezer of criticus zich toch eerder richten op inhoudelijk aspecten van diens werk: Dostojevski als schrijver van suspense-romans, Dostojevski als prediker, Dostojevski als diabolistische persoonlijkheid. Voor de receptie als zodanig zijn vertalingen onmisbaar, voor het beeld dat men zich van een schrijver vormt is de inhoud van zijn werk doorslaggevender. De komende nieuwe vertaling van A la recherche du temps perdu zal het bestaande beeld van Proust niet wijzigen.

Vertaalwetenschap is niet cruciaal voor de receptiewetenschap, maar kan die wel in belangrijke mate ondersteunen. Boulogne is erin geslaagd dat te laten zien; zijn voorbeeld verdient navolging.

Noten
1 Er is de laatste jaren een opmerkelijke hoeveelheid boeken verschenen over de problematiek van de religie in Dostojevski’s werk.  
2 De eerste leerstoel slavistiek werd ingesteld in 1913 aan de Universiteit van Leiden en werd bekleed door Nikolaas van Wijk.
3 Itamar Even-Zohar, Polysystem Studies = Poetics Today, 11:1, 1990.
4 Jurij Tynjanov, Roman Jakobson, ‘Problems in the Study of Literature and Language’, in: Ladislav Matejka & Krystyna Pomorska (eds.), Readings in Russian Poetics: Formalist and Structuralist Views. Cambridge: The MIT Press, 1971, p. 79–81.
5 De handeling in Dostojevski’s romans draait meestal om een moordgeschiedenis en is door de auteur met behulp van allerlei procedés bewust spannend gemaakt.
6 Dostojevski is in feite een uitzondering op deze regel. Nabokov had geen goed woord voor hem over; in Nederland liet Karel van het Reve met zijn ‘anti-Dostojevski club’ zijn geringe waardering voor de schrijver blijken.
7 Zie Het temmen van de Scyth, p. 238.
8 Ibidem, p. 544.

Lees meer over: