Hoe Joyce terugkeerde in Ulysses    7-12

Mijn ervaringen, om maar wat te noemen, in Ulixes

Onno Kosters

‘Er wordt momenteel gewerkt in een doodlopende steeg en niemand lijkt te beseffen dat het vijf voor twaalf is,’ las ik een keer in de Volkskrant. De zin deed me meteen denken aan ‘Eumaeus’, episode 16 uit Ulysses. Het is de episode waarin het proza om een lang verhaal kort te maken van het beste slecht geschreven kaliber Engels dat net doet of het aan alle regelen der kunst voldoet, is, maar ondertussen. Ho maar.

De oudste van de twee
Voor andere voorbeelden van door verhaspelde clichés en andere euvels verkrakkemikkigd Nederlands kunt u terecht bij de dagbladjournalistiek en op internet (en niet alleen op door Google-translate ‘vertaalde’ websites). Maar u kunt ook naar Vertalië, het land waar Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes de afgelopen jaren nogal wat vertalingen situeerden die een onnatuurlijk Nederlands, het zogenaamd Vertaliaans, bezigden: een taal die net doet of hij aan alle regelen der kunst voldoet, maar ondertussen… Bij het vertalen van ‘Eumaeus’ kregen Bindervoet en Henkes, tot hun niet geringe vreugde waarschijnlijk, de kans zélf Vertaliaans van de allerhoogste orde te creëren: het Vertaliaans van het meesterlijk onbeholpen Engels van Joyce.

Schandaal Ulixes

Hoe ziet dat Engels van Joyce in ‘Eumaeus’ eruit? Een voorbeeld: Bloom, vermoeid na zijn lange dag, maar nuchter en hyper (in tegenstelling tot Stephen, die aan het bijkomen is van twaalf uur drinken en kort tevoren knock-out is geslagen) laat hier zijn gedachten de vrije loop:

To improve the shining hour he wondered whether he might meet with anything approaching the same luck as Mr Philip Beaufoy if taken down in writing suppose he were to pen something out of the common groove (as he fully intended doing) at the rate of one guinea per column. My Experiences, let us say, in a Cabman’s Shelter. (16.1227–31)

Deze passage wordt vaak gezien als ‘bewijs’ dat Bloom ‘Eumaeus’ heeft ‘geschreven’: de in Ulysses zelden neutrale, vaak alwetende maar vaker nog betweterige verteller zou zich de stijl hebben aangemeten waarin Bloom zélf over zijn avonturen zou vertellen. En Bloom mag dan het meest ronde personage uit de wereldliteratuur zijn, hij blinkt niet uit in een grote schrijf- of spreekvaardigheid. Die zijn typisch des Stephens, hoewel diens literaire productie en pretenties in Ulysses vooralsnog in Poehazië stranden. Maar Bloom weet wel wat verkoopt:

Om het gelukkige uur nog meer glans te geven overwoog hij of hem hetzelfde geluk ten deel zou vallen als de heer Philip Beaufoy mocht het op schrift worden gesteld, gesteld dat hij iets buiten het gebaande pad zou schrijven (wat hij ten volle van plan was te doen) tegen de somma van een guinea de kolom. Mijn ervaringen, om maar wat te noemen, in een koetsierskeet. (B&H 735)1

Duidelijk wordt dat Bindervoet en Henkes zich Blooms idiolect én mentale staat uitstekend eigen hebben gemaakt: het cliché ‘het gelukkige uur’ wordt (ook clichématig) ‘glans’ gegeven, waarmee eenzelfde effect als in de brontekst wordt bereikt; de verdubbeling van ‘gelukkige’ en ‘geluk’ is een, eh, gelukkige (geluk, toeval, zijn essentiële elementen in de narratieve opbouw van ‘Eumaeus’); ‘geluk’ ziet Bloom zichzelf bovendien niet gewoon ‘hebben’ maar, veel ‘fraaier’, ‘ten deel vallen’. De onhandige ‘gesteld, gesteld’-combinatie, ontbrekend in de brontekst maar typerend voor de episode als geheel en ongetwijfeld niet overal in het Nederlands te realiseren, valt hier op de juiste plaats. De toon van de zin wordt door de herhaling van voltooid deelwoorden strikt genomen nog een tikje onbeholpener dan de brontekst, maar binnen de context van de gehele episode is hier Blooms gedachtegang zowel inhoudelijk als stilistisch juist getroffen. Het is een van de onderscheidende kenmerken van de vertaling van Bindervoet en Henkes: ze hebben oog en oor voor niet alleen tekst maar vooral context. ‘It is characteristic of translations that messy utterances are straightened out,’ zegt Fritz Senn (2011: 539). Bindervoet en Henkes echter breien niks recht, fatsoeneren niet, en produceren zo de meest joyceaanse vertaling denkbaar.

de ander, wiens hand tussen haakjes pijn deed
Stephen, net als in de openingsepisode ‘displeased and sleepy’ (1.13), zegt niet zoveel in ‘Eumaeus’. Bloom is er het woordgeworden vlees. Aangezien dit de episode is waarin Bloom zichzelf in de schijnwerpers mag zetten die hem eigenlijk de hele dag door omstanders dan wel omstandigheden werden onthouden, krijgen we ook niet veel van Stephens gedachten te zien. Waar dat wel het geval is, is Stephen de Stephen die we sinds acht uur vanmorgen al kennen – een arrogante, onzekere, schuldbewuste, wrokkige intellectueel met zachte kantjes. In ‘Eumaeus’ is zijn blik troebel, wat vooral aan zijn alcoholconsumptie te wijten is:

Over his untastable apology for a cup of coffee, listening to this synopsis of things in general, Stephen stared at nothing in particular. He could hear, of course, all kinds of words changing colour like those crabs about Ringsend in the morning burrowing quickly into all colours of different sorts of the same sand where they had a home somewhere beneath or seemed to. Then he looked up and saw the eyes that said or didn’t say the words the voice he heard said, if you work.
 —Count me out, he managed to remark, meaning work. (16.1141–48)

Boven zijn onsmaakbaar slappe aftreksel van een bak leut, of wat daarvoor moest doorgaan, luisterend naar deze synopsis van de toestand in het algemeen, zat Stephen met zijn blik in het oneindige. Hij kon natuurlijk allerlei woorden van kleur horen veranderen zoals die krabben in de buurt van Ringsend die ’s ochtends snel in allerhande kleuren van verschillende soorten van hetzelfde zand kruipen waar ze een huis hadden ergens beneden of die schijn wekten. Toen keek hij op en zag de ogen die de woorden zeiden of niet zeiden die de stem die hij hoorde zei, als je werkt.
—Mij niet gezien, slaagde hij erin uit te brengen, doelende op werken. (B&H 732)

De vertalers hebben, in de stijl die Bloom/‘Eumaeus’ hanteert, de mentale staat en onvaste stream of consciousness van het personage goed getroffen. ‘[O]nsmaakbaar’ valt uiteraard meteen op; je zou verwachten ‘onsmakelijk’, maar die reflex is een on-joyceaanse. Het is tekenend voor de durf waarmee de vertalers te werk zijn gegaan dat voor ‘onsmaakbaar’ (ontbreekt in Van Dale; WNT:‘niet geproefd kunnende worden’) is gekozen. ‘[A]ftreksel’ in plaats van ‘excuus’ valt ook onder het soort Nederlands dat Joyce zou hebben geschreven – het soort Nederlands dat Bindervoet en Henkes hier willen schrijven; het cliché ‘bak leut’ is sterker dan de ‘cup of coffee’, maar in deze context is het cliché op z’n plaats; ‘zat Stephen met zijn blik in het oneindige’ is lekker onhandig. ‘Mij niet gezien’ treft de spreekwoordelijke spijker op de kop.

een juweeltje in zijn soort
De vertaling van Bindervoet en Henkes is de eerste die ik met plezier las en waarbij ik de vertaling niet telkens met de brontekst wilde vergelijken. De vertalers nemen her en der beslissingen die ik niet kan volgen en maken fouten en foutjes,2 maar hebben het wat toon en stem van episodes en karakters betreft, juist door net zo eigenzinnig te zijn als de brontekst, meestal bij het rechte eind.

De specifieke toon van iedere episode wordt naarmate het boek vordert steeds explicieter en geeft als vanzelf aan iedere episode een eigen karakter. In wezen hanteert Joyce eenvoudige technieken maar ook een eenvoudige ‘motivatie’ om dat voor elkaar te krijgen. De openingsepisode is zo complex, omdat Stephen nu eenmaal ‘displeased and sleepy’ en intellectueel overprikkeld is. In ‘Hades’, episode 6, wordt een vriend begraven; de episode is vergeven van woorden, suggesties, uitdrukkingen die met de dood te maken hebben. In ‘Aeolus’, episode 7, blaast in het hoofdkantoor van de krant de wind van de holle retoriek, Bloom is buiten adem, deuren staan tegen elkaar in te klapperen, tocht tocht, windbuilen roepen maar wat. In ‘Lestrygoneans’, episode 8, heeft Bloom honger, en dat zullen we weten ook. Enzovoort. Deze techniek maakt van Ulysses een boek dat je bij uitstek moet herlezen: alleen dan vallen de stukjes op den duur op hun plek.

In Ulixes hebben de vertalers de specifieke toon van iedere episode telkens meestal knap verwerkt. We zagen het in de ‘Eumaeus’-citaten, maar neem ook deze passage, uit ‘Hades’:

One of those chaps would make short work of a fellow. Pick the bones clean no matter who it was. Ordinary meat for them. A corpse is meat gone bad. Well and what's cheese? Corpse of milk. I read in that Voyages in China that the Chinese say a white man smells like a corpse. Cremation better. Priests dead against it. (6.980–84; passim onderstrepingen OK)

Een zo’n gast is zo klaar met je. Kluiven je zonder aanzien des persoons kaal. Is voor hun gewoon vlees. Een lijk is bedorven vlees. Goed en wat is kaas? Lijk van melk. Ik las in dat Reizen in China dat Chinezen vinden dat blanken naar lijken stinken. Cremeren beter. Priesters er mordicus tegen. (B&H 138)

De vertaling van Blooms aardse bespiegelingen neemt de meer en minder expliciete verwijzingen naar de dood mooi over. ‘Kluiven je’ was misschien sterker geweest als het ‘Kluiven je botten’ was geworden; heel mooi natuurlijk de vertaling van ‘dead against it’, ‘mordicus tegen.’ Het lukt niet altijd. ‘Give us a touch, Poldy. God, I’m dying for it’ (6.80–81) uit dezelfde episode wordt ‘Geef me een veeg, Poldy. God, ik knap zowat’ (B&H 108; van knappen ga je dood, dat dan weer wel). ‘Are we late?’ (6.85) kan helaas niet met ‘Zijn wij wijlen?’ worden vertaald (‘Komen we te laat?’, B&H 109); ‘Dying to embrace her in his shirt’ (6.852) wel als ‘Wil haar stervensgraag omhelzen in zijn hemd’ (B&H 134); voor ‘overgestapt’ (B&H 118) als in van de ene werkgever naar de andere, (maar op de achtergrond in deze episode ook weer: gestorven) als vertaling van ‘gone over’ (6.381) was wellicht ‘overgegaan’ beter geweest.

De dood kan niet overal waar hij in de Hades van Ulysses regeert zijn rol spelen, maar doet dat soms dan weer wél waar hij in de brontekst verstek moet laten gaan: een compensatie als ‘slungelachtige sladood’ (B&H 132) voor ‘lankylooking galoot’ (6.805, letterlijk ‘lange slungel’) is heel geslaagd. De ‘dead letter office’ (6.744) is neutraal vertaald als ‘de stapel onbestelbaar’ (B&H 130), maar het grappige is dat naarmate je lezing van ‘Hades’ vordert, ook uitdrukkingen die niet zo uitgesproken als in de brontekst de doodsklok luiden steeds vaker toch een morbide bijsmaak krijgen. ‘De stapel onbestelbaar’ heeft die bijsmaak inmiddels voor mij. Overigens treedt datzelfde, zelfverrijkende mechanisme ook op bij lezing en vooral herlezing van het origineel. Het is een van de bijna magische eigenschappen van Ulysses.

Letterlijk met stomheid geslagen
Dat Ulixes behalve in ‘Eumaeus’ zo nadrukkelijk een niet-Vertaliaans spreekt en vaak voor letterlijke vertalingen kiest, zorgt voor een ulysseaanseervaring: hier staat in het Nederlands wat zo nog nooit ergens in het Nederlands heeft gestaan. Bijna altijd levert dat verrassende formuleringen op, zoals Ulysses in bijna iedere zin iets bijzonders te bieden heeft. Soms gaan de vertalers ver in hun letterlijkheidsdrang. Zo wordt bijvoorbeeld Haines’ ‘But, I say, Mulligan’ (1.353): ‘Maar ik zeg, Mulligan’ (B&H 18), waarbij ik onmiddellijk aan Asterix en de Britten moest denken en Haines een stripfiguur wordt (wat hij natuurlijk ook wel een beetje is). Daar staat tegenover dat de vertalers vaak ook kiezen voor oplossingen waarbij voor de hand liggende letterlijke vertalingen worden gepasseerd ten faveure van een meer vloeiende. ‘Yes because he never did a thing like that before’ (18.1), het begin van Molly’s monoloog, wordt: ‘Ja omdat hij van zn levensdagen nooit eerder zoiets gedaan had…’ (B&H 845) en niet, letterlijker, gewoner en niks mis mee: ‘Ja omdat hij nog nooit zoiets gedaan had.’ De Ulixes-versie geeft, in de goede zin van het woord, te denken: ‘van zn levensdagen’ – Bloom, inmiddels in inktzwarte slaap, heeft eigenlijk maar één levensdag, deze, 16 juni 1904, maar hij is universeler dan enig ander personage bovendien zn hele leven en misschien zelfs wel een blik op zn toekomst komen voorbij in Ulysses ja.

In de letterlijkheid, ook waar deze af en toe ongebreideld is of tegen de Nederlandse grammatica ingaat, schuilt wat mij betreft veelal de kracht van deze vertaling. ‘Idiomatisch vertalen’ (Denissen & Van der Poel 1993: 58) was het adagium van Claes en Nys – en daar hielden zij zich aan, waardoor een volgens gouden regelen der kunst vertaalde tekst is ontstaan, waaruit Joyce is verdwenen.3 Ulysses zit boordevol on-Engels Engels en Bindervoet en Henkes vertalen dat in on-Nederlands Nederlands. Hun vertaling voelt de eigenzinnige geest van Joyce’ letter aan en laat zien dat het Nederlands in rijkdom, flexibiliteit en variëteit niet onder hoeft te doen voor het Engels van Joyce. Ze durven wat ik wil noemen ‘idiolectisch’, niet idiomatisch te vertalen. Dat idiolectische wordt gevoed door een enorm vocabularium, waarbij anachronismen niet worden geschuwd (‘Doeidoei,’ B&H 80), en door een dosering letterlijkheid (‘Wat de hel,’ B&H 222; ‘Wat de roetzwarte hel,’ B&H 507) die meestal precies raak is.

William+
Ulysses was bij verschijning een revolutionair werk, niet alleen door wat (en hoe dat) erin stond, maar ook door uitvoering en vormgeving. Het boek was in 1922 bij uitstek ook een materiële, fysíékeervaring.De eerste druk is een machtig blok papier: 4,5 cm dik, 19 cm breed, 24,5 cm hoog, 1,5 kilo zwaar, Griekse-vlagblauw stofomslag met daarop in witte letters ULYSSES en BY JAMES JOYCE het werk werd zeker ook beïnvloed door de verschijningsvorm: zo had een roman er nog nooit uitgezien. De bladzijden zijn breed; het tekstveld is dat ook, maar er blijven brede marges, wat een mooi uitgebalanceerde mise-en-page oplevert. Gesproken woorden staan niet tussen aanhalingstekens, maar worden voorafgegaan door een kastlijntje, waardoor de overgang tussen gesproken woord en gedacht vervolg soms onhelder wordt – Ulysses is vóór alles een realistische roman. Ook maakt Joyce gebruik van visuele elementen als vette tussenkoppen (in ‘Aeolus’), toneeltekst (‘Scylla and Charybdis’), filmscript (‘Circe’), een kruisje achter een naam in een krant die de klerikale functie van William aangeeft (‘Eumaeus’), notenschrift en een vierkant blokje dat het einde van Bloom, zijn opgaan in wat hij eigenlijk is: inkt, representeert (‘Ithaca’).

Ook de vertaling van al deze elementen moet doordacht worden uitgevoerd. De vormgeving van Ulixes volgt die van de Perpetuareeks, maar blijft in het stofomslag – lichtblauwe steunkleur, witte typografie – dicht bij de eerste druk van Ulysses. De tussenkoppen in ‘Aeolus’ daarentegen zijn me te iel, net als Blooms eindpunt (die in Gablers ‘corrected tekst’ overigens helemaal ontbreekt). Opmerkelijk is dat de vertaling ervoor kiest om de dialoogstreepjes niet loodrecht aan de rest van de tekst links uit te lijnen, maar een halve centimeter naar links te laten uitspringen, waardoor veel bladzijden een grillig beeld krijgen. De keuze valt te verdedigen met de manuscripten van Joyce in de hand, die eenzelfde patroon laten zien. Navraag leert dat deze specifieke uitlijning voor drukkers tot voor kort technisch niet te realiseren was en in deze uitgave voor het eerst kon worden toegepast. Zo is Ulixes voor zover ik weet de enige editie van Joyce’ werk die ook in die zin zo dicht bij de auteursintentie staat. Of die intentie een gelukkige is geweest, is een tweede.

Opmerkelijker dan de plaatsing van de gesproken-woordstreepjes is het feit dat Molly’s monoloog niet rechts is uitgelijnd. Reden: er zouden veel te veel afbreekstreepjes gebruikt moeten worden, waardoor het tekstbeeld lelijk zou worden. Een valide overweging, maar die vrije regelval is niet noodzakelijkerwijs mooier dan een mogelijke overdaad aan afbreekstreepjes.

het gebruikelijke treurige oude deuntje
Het nawoord bij Ulixes door Toon Tellegen draagt door het al te persoonlijke karakter helaas weinig bij aan een verheldering van Joyce’ meesterwerk – en daar lijkt me zo’n nawoord toch voor bedoeld. Wellicht waren er commerciële overwegingen om Tellegens ongetwijfeld goedbedoelde, maar al te sentimentele uitleiding op te nemen, maar niemand die Ulixes wil lezen en een handreiking wenst heeft er wat aan. Graag roep ik de uitgever op om een herdruk van Ulixes te laten uitleiden door iemand die op zakelijke wijze het boek nadere toelichting geeft. Misschien zijn Bindervoet en Henkes zelf, die zich nu beperken tot een toelichting op hun vertaling van ‘Oxen of the Sun’, daar wel de meest aangewezen personen voor.

 

Noten
1 Eenmalig een vergelijking: ‘Om de schone kans waar te kunnen nemen vroeg hij zich af of hij als hij het neerschreef wat hij meemaakte bij benadering hetzelfde geluk zou hebben als Mr Philip Beaufoy. Als hij eens iets neerschreef dat buiten de gewone sleur viel (zoals hij beslist van plan was te doen) tegen het tarief van een guinje per kolom, Mijn Wederwaardigheden, laten we zeggen, in een Wachtlokaal voor Koetsiers’ (V 715). Alles wijst erop dat John Vandenbergh heeft geprobeerd de clichés en de wartaal na te volgen; hij maakt van de twee zinnen uit de brontekst zelfs één zin, wat de leesbaarheid niet ten goede komt maar de nauwkeurigheid wel. ‘En om deze gulden stond ten volle te benutten, vroeg hij zich af of hij met een beschrijving ervan niet bij benadering evenveel geluk kon hebben als Mr Philip Beaufoy, in de veronderstelling dat hij tegen een honorarium van één guinea per kolom iets op papier zette dat buiten het gewone viel (wat hij beslist van plan was). Mijn belevenissen, laten we zeggen, in een wachthuis voor koetsiers’ (C&N 677). Claes en Nys kiezen voor minder gemarkeerde oplossingen (‘kan benutten’, ‘geluk hebben’, ‘buiten het gewone’) die adequaat zijn, maar waarin de toon vlak blijft.
2 Een handjevol: ‘blood’ (1.22), ‘blut’ (B&H 7): ter compensatie van ‘ouns’ (idem; wonden) wellicht gekozen voor Duits, maar waarom dan geen hoofdletter? ‘Er schoof een wolk voor de zon, traag, totaal’ (B&H 14) tegenover ‘Een wolk begon de zon te bedekken, geleidelijk, helemaal’ (B&H 74; in beide gevallen identiek: het is dezelfde wolk, de eerste maal door Stephen en de tweede maal door Bloom gezien); ‘bloesem’ (B&H 105) (‘flower’, 5.572); ‘motorfiets’ (B&H 152) voor ‘motor’ (7.342; automobiel).
3 Ik meng me hier verder niet in de door Paul Claes in De Morgen geëntameerde discussie (9 augustus 2012) tussen hemzelf en Bindervoet en Henkes, maar het komt me voor dat wie de majestueuze, in alle opzichten homerische openingszin van Ulysses opsplitst in twee zinnetjes op z’n minst zelf iets over het hoofd heeft gezien.

Bibliografie
Denissen, Frans & Chris van de Poel. 1993. ‘Paul Claes en Mon Nys: Een lectuur van Ulysses’, Yang, 29: 4–5, p. 47–58.

Senn, Fritz. 2011. ‘Transmutation in Digress’, James Joyce Quarterly, 47:4, p. 537–552.