‘Zijt gij het mijn prins? vroeg ze hem. Dan hebt ge wel lang op U laten wachten.’    3-11

Nederlandse hervertalingen van Het verhaal van Genji

Ivo Smits

Mijn favoriete stoeptegel in New York is van brons en ligt voor de Public Library. In feite zijn er meer van zulke tegels; samen vormen ze een in brons gestolde boekenkast vol citaten uit en afbeeldingen van meesterwerken uit de wereldliteratuur. Op mijn favoriete stoeptegel staat Anne Franks Achterhuis gezusterlijk naast Het verhaal van Genji (Genji monogatari). Dit klassieke Japanse epos is een enorm lange narratieve tekst die het fictieve verhaal vertelt van meerdere generaties van een groep hovelingen aan het Japanse keizerlijk hof in de tiende eeuw.

Filter 213 stoeptegel Smits

Centraal staat de figuur van Genji, ‘de schitterende’, zoon van een keizer en een concubine van lage hofrang. Het zijn die lage rang van zijn vroeggestorven moeder en het ontbreken van een machtige familie van moederskant die verhinderen dat Genji ooit aanspraak kan maken op de troon, een thema dat door het hele werk speelt. Genji’s leven wordt voor een groot deel beheerst door zijn relaties met verschillende vrouwen, en terwijl er zeker sprake is van een hoofse romantiek ligt er onder de oppervlakte van deze relaties toch ook een hunkering naar politiek-sociale erkenning. Het meest extreme voorbeeld daarvan is Genji’s relatie met twee vrouwen die te zien zijn als substituut voor de keizerin. Genji heeft een kortstondige affaire met de keizerin die na zijn moeders dood aan het hof komt en sprekend lijkt op zijn moeder, op wie de keizer hevig verliefd was. Genji zal later een meisje ontvoeren dat erg op de keizerin lijkt (zij blijkt haar nichtje) en modelleert haar tot ideale vrouw om haar ten slotte tot zijn echtgenote te maken. In deze verhaallijn speelt niet zozeer een freudiaans oedipuscomplex-met-substituutmotief als wel een behoefte om zich net-als-zijn-vader-de-keizer te omringen met vrouwen die een keizer toebehoren of daarvan een spiegelbeeld zijn. Toch moet gezegd dat je evengoed kunt stellen dat niet Genji maar de verschillende vrouwen met wie hij relaties onderhoudt de ware hoofdpersonen van deze lang uitgesponnen vertelling zijn.

Het verhaal van Genji is geschreven aan het begin van de elfde eeuw door een hofdame van lagere rang in dienst van een keizerin. De auteur staat bekend als Murasaki Shikibu, van wie ook memoires in de vorm van herinneringen aan het jaar 1008 en een verzameling gedichten overgeleverd zijn.

De reputatie van Het verhaal van Genji als wereldliteratuur kwam maar langzaam op gang. Na een eerste, gedeeltelijke Engelse vertaling in 1882 (Murasaki Shikibu 2000 [1882]), was het de vertaling in zes delen door de sinoloog Arthur Waley (1889–1966) die het boek lanceerde als een literaire ervaring zonder weerga. Waley publiceerde het eerste deel in 1925 en tot de hervertaling door de Amerikaanse japanoloog Edward G. Seidensticker in 1976 (Murasaki Shikibu 1982 [1976]), was de zijne, voltooid in 1933, de stem van Murasaki Shikibu. Andere vertalingen uit de brontaal volgden: onder meer in het Duits (1966), Koreaans (1975), Frans (1977–1985), Chinees (1980), en weer in het Engels (2001).

Het kritische succes van Waleys vertaling valt zonder meer ook toe te schrijven aan de kwaliteiten van de brontekst, maar had zeker veel te maken met zijn ingrepen in de tekst van Murasaki. Het is wel vaker gezegd: Waley, die zelf aan de rand van de Brits-avantgardistische Bloomsburygroep opereerde, maakte van Het verhaal van Genji een moderne psychologische roman. Het wonderbaarlijke van Het verhaal van Genji zit ’m vooral in de rijkdom aan psychologische portrettering van de vele personages (het zijn er honderden) in een stijl die observatie afwisselt met directe emotionele ervaring en beide vastlegt in een taal die zich om de haverklap uit in halve verwijzingen naar andere literatuur. Maar het is veelzeggend dat Virginia Woolf toen zij Waleys vertaling van het eerste deel las, net toen zij Mrs Dalloway voltooid had, in de auteur van Het verhaal van Genji een vroege geestverwante herkende (Woolf 1925). Het is even veelzeggend dat een recensent van het tweede deel van Waleys vertaling stelde dat ‘Murasaki’s stijl de suggestie oproept van die van mevrouw Virginia Woolf’.2

1930: ‘wel een zeer bijzondere wereld’
Toen Jos Vos in 2013 zijn lang verwachte vertaling van het elfde-eeuwse Japanse epos Het verhaal van Genji publiceerde, besefte niet iedereen dat dit weliswaar de eerste integrale omzetting direct vanuit de brontaal was, maar niet de eerste Nederlandse vertaling van dat werk. Twee – of ruim gemeten drie – eerdere Nederlandse vertalingen gingen eraan vooraf. Al deze eerdere vertalingen waren incompleet en vertalingen vanuit het Engels.

De eerste Nederlandse vertaling van Het verhaal van Genji is een vrijwel geheel vergeten hoofdstuk in Nederlandse nieuwsgierigheid naar literatuur uit Japan; met name daarom, maar ook vanwege haar verknooptheid met de geschiedenis van Japanstudies in Nederland, verdient zij hier ruimere aandacht dan de latere vertalingen. In 1930 publiceerde de journaliste, vertaalster en romanschrijfster Ellen Forest (1878–1959) Het verhaal van prins Genji, waarvan een herdruk verscheen in 1936. Haar boek was een vertaling van het eerste deel van Waleys vertaling uit 1925. Forest volgt over het algemeen vrij getrouw Waleys tekst, tot en met de opdracht aan Waleys levenspartner Beryl de Zoete (1879–1962) en de korte ‘Voorrede’ waarin de vertaler (d.w.z. Waley, niet Forest) aangeeft dat dit boek een begin moet vormen van een groot project, de integrale vertaling van Murasaki’s tekst. De stofomslag draagt naast een sprookjescitaat dat Waley in het Frans had opgenomen, en dat als titel van dit artikel is gebruikt,3 ook de wat bizarre aanprijzing ‘Realistische Japansche Roman’.

Intrigerend is dat Forest ook het nodige in de marge tóévoegt aan Waleys vertaling. Deze toevoegingen zijn een samenwerkingsproject tussen haar en haar japanologische echtgenoot. Ellen Forest was een pseudoniem van de schrijfster Lucy Mary Franssen. Na een eerder huwelijk hertrouwde zij in 1919 met de vijftien jaar jongere taalkundige en japanoloog Jan Lodewijk Pierson Jr. (1893–1979). Pierson zou in de jaren 1930–1933 hoogleraar Japans aan de Rijksuniversiteit Utrecht zijn. Hoe zij elkaar leerden kennen is niet duidelijk, maar het heeft er alle schijn van dat haar interesse in Japan niet aan Pierson te danken was maar uit haarzelf voortkwam en dat Piersons interesse in Japan geïnspireerd was door Forest. Schijnbaar volgde zij twee jaar lang lessen Japans bij de Leidse hoogleraar Marinus Willem de Visser (1875–1930), die vooral aan huis college gaf. Er is zelfs de suggestie dat Piersons verblijf in Japan in de jaren 1920–1924, met haar en haar dochter uit haar eerste huwelijk, was ingegeven door Forest. Pierson zou pas na dit Japanverblijf, in 1924, Japans gaan studeren in Leiden, onder De Visser (Shionozaki 1994: 90–91). Hun gezamenlijk verblijf leverde in eerste instantie Forests succesvolle roman Yuki San op (Forest 1924).4 Een tweede product was haar vertaling van Het verhaal van Genji (Murasaki Shikibu 1930). Dat zij bij dit vertaalproject uitgebreide steun kreeg van haar echtgenoot lijdt geen twijfel.

Filter 213 Forest Smits

Forests toevoegingen aan Waleys vertaling, altijd in de vorm van voetnoten, vallen in twee categorieën uiteen: algemene culturele informatie en aanvullingen op de gedichten die de personages in Het verhaal van Genji citeren of zelf improviseren. Forests beslissingen om nadere toelichting te verschaffen lijken nogal op willekeur gebaseerd en vaak ingegeven door haar eigen ervaringen in Japan, zodat van veel informatie de pointe onduidelijk is en deze eerder betrekking heeft op het Japan van de vroege twintigste dan op dat van de vroege elfde eeuw. Zo geeft Forest als toelichting bij ‘het beddek’ (Waley: ‘the bed clothes’): ‘Futon, dik gewatteerd dek’ (p. 63), terwijl hovelingen in de Heianperiode (794–1185) onder kleren sliepen en niet onder een futon. Van sommige, apert onjuiste, toelichtingen is onduidelijk waarop Forest zich baseert, zoals haar observatie over ‘De boom of pilaar, die de familie symboliseert en waaromheen ieder Japansch huis gebouwd is’ (p. 76). Een aantal keren toont Japan zich als sprookjesland, zoals wanneer Forest stelt dat ‘[d]e gewone Japanner wil, dat, wanneer men voor ’t eerst ergens op bezoek komt, men de vrouw des huizes drie bloemen van den dag en van het seizoen op ’n opengeslagen waaier aanbiedt’ (p. 85). Ook deze informatie is – helaas – onjuist.

Zonder meer intrigerend is Forests omgang met een belangrijk aspect van Het verhaal van Genji waarmee Waley zelf worstelde, de poëzie. Een wezenlijke karakteristiek van de brontekst is dat, zoals het hoorde in hoofse Japanse kringen, personages zich voortdurend uiten in dichtvorm. Murasaki’s verhaal telt dan ook bijna achthonderd gedichten. Deze gedichten, maar ook ‘gewone’ dialogen en overpeinzingen staan bol van verwijzingen naar oudere poëzie uit Japan en China. Waleys vertaalstrategie was doorgaans om de gedichten ofwel niet te vertalen ofwel in proza weer te geven als gesproken zinnen, dan wel alleen te melden dat een personage zich in dichtvorm uit. Forest daarentegen geeft met grote regelmaat niet alleen de brontekst van de gedichten maar ook een vertaling waar deze bij Waley ontbreekt, of een alternatieve vertaling in de gevallen waarin Waley wel een weergave levert.

Het is in de behandeling van de gedichten dat Forests samenwerking met haar echtgenoot Pierson duidelijk wordt. Allereerst moeten we aannemen dat Forest, hoewel zij misschien wel een zekere mate van modern Japans beheerste, niet in staat was de elfde-eeuwse brontekst te lezen. Al verwijst zij met regelmaat naar ‘den Japanschen tekst’, inclusief pagina- en alineanummers, gaandeweg afgekort tot cryptische codes als ‘(184. 7)’, uit haar commentaar blijkt duidelijk dat zij nauwelijks bekend was met de realia die in Het verhaal van Genji worden genoemd. Haar man daarentegen beheerste verschillende vormen van het klassiek Japans uitstekend.5 Een andere aanwijzing is de notatie van de brontekst van de gedichten. Daarvoor hanteert Forest een ook voor die tijd zeer idiosyncratisch transcriptiesysteem voor het Japans, dat ontworpen was door Pierson. Pierson had deze vorm van transcriptie, die hij in 1929 introduceerde als een ‘ideaal spellingsysteem’ waarin transliteratie en transcriptie samenvallen, bedacht voor het Oud-Japans, de taal van de zevende en eerste helft van de achtste eeuw, maar gaf ook een variant voor het Japans van de eeuwen daarna. Ook de aanpak van de poëzievertalingen, waarbij een zo letterlijk mogelijke weergave van het Japans werd nagestreefd, is volledig in lijn met Piersons opvattingen. Al in 1929 stelde hij dat alleen letterlijke vertalingen uit het Japans zinvol waren, een uitgangspunt waaraan hij zijn leven lang trouw bleef:

Some editors prefer a perfect English translation to a more literal rendering, which is more than merely a personal preference. I think any poem written in literary English, remains an english poem with various topics. If one wants to taste the real flavour of a language so far away in time and space as these japanese uta’s [gedichten; IS] from the 7th and 8th centuries, one must translate as literally as possible, which means that the japanese way of thinking and feeling must be revealed to the western mind. (Pierson 1966: xvi)6

In die zin is de eerste Nederlandse vertaling van Het verhaal van Genji het product van een samenwerking tussen een vrijgevochten eigenzinnige vrouw en een minstens zo idiosyncratische taalkundige.

Forests keuze om Het verhaal van Genji te vertalen is baanbrekend te noemen. In 1930 kende Nederland nauwelijks literaire vertalingen van Japanse literatuur, laat staan van klassiek Japanse teksten. Eén eerdere uitzondering was een prozabewerking, uit het Japans, van stukken voor het poppentheater van de toneelschrijver Chikamatsu Monzaemon (1653–1725) door S. van Praag die verscheen in 1927 (Tsjikâmats 1927). Van Praag was een student geweest van de Leidse hoogleraar De Visser. Al was De Vissers onderzoek primair gericht op de folklore van Japan, hij heeft ook aandacht gehad voor klassieke Japanse literatuur; de interesse daarvoor bij zijn studenten lijkt telkens op hem terug te leiden. Van Praag noemt De Vissers steun. Opvallender is dat De Visser ook tijd maakte om zich in te lezen in Het verhaal van Genji. Al kort na zijn benoeming als hoogleraar aan de Leidse universiteit in 1917 introduceerde hij Het verhaal van Genji bij een publiek van kunstliefhebbers, waarbij hij een poging deed iets te laten voelen van ‘de groote bekoring, die er voor de Japanners uitging van een oude en toch nooit verouderde geschiedenis. vol levende werkelijkheid, hartstocht en zielestrijd’ (De Visser 1918: 111).7 Ook las hij delen van de brontekst met enkele van zijn studenten, onder wie Pierson (Pierson 1929: 3). Mogelijk heeft die leeservaring Pierson alert gemaakt op het Britse succes van Waleys vertaling. Op het moment dat zijn vrouw net begonnen moest zijn aan haar versie daarvan, noemde hij Waley ‘the clever translator of the Genźi-mono-gatari’ (idem).

Hoewel Het verhaal van Genji dus op de radar van Pierson stond, blijft Forests keuze voor een vertaling van wat we tegenwoordig ‘Waleys Genji’ noemen intrigerend, omdat zowel Forest als Pierson vergaande fascistische sympathieën koesterden. Er bestaat op het oog een tegenstrijdigheid op ten minste twee niveaus tussen sympathie voor het fascisme in de jaren twintig en Waleys weergave van het Heianhof, die een gevoelige maar ook ‘decadente’ wereld schetst. De fascistische cultus van vroegtwintigste-eeuwse Europese stoerheid laat zich ogenschijnlijk moeilijk rijmen met de cultus van emotionele verfijning van de elfde-eeuwse Japanse hoveling. Sommigen aan het begin van de twintigste eeuw vonden Genji’s wereld ronduit decadent, onder wie Karl Florenz (1865–1937). Florenz, een literatuurhistoricus die jaren aan de keizerlijke universiteit van Tokio had gedoceerd, was een bekende van Pierson en werkte in de jaren dertig mee aan diens taalkundige project. De ogenschijnlijke emotionele zwakheid of ‘vrouwelijkheid’ van het Heianhof verklaarde hij door de cultuur ervan te kenschetsen als een waarin ‘vrouwen van geboorte om het zo te zeggen in de arena traden met hen die als vrouwen waren opgevoed’ (Florenz 1909: 198).

Op een heel ander ideologisch niveau bestond een tegenstelling waarvan Forest en Pierson zich mogelijk niet bewust waren, in de zin dat Waleys vertaling het product was van pacifistische Bloomsburykringen. Dat is onder meer saillant in de wetenschap dat de aanleiding voor Piersons zelfgekozen ontslag was dat hij zich niet gesteund voelde door het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Utrecht toen hij een student in 1933 de toegang tot zijn college wilde ontzeggen omdat deze een pacifistisch ‘gebroken geweertje’ op zijn revers droeg (Vos 1989: 375).8 Waley en zijn levensgezellin Beryl de Zoete daarentegen oriënteerden zich in deze periode op het communisme (Ury 1986: 33);9 Virginia Woolf en haar man waren uitgesproken pacifistisch. Het programma van ‘Waleys Genji’ stond op gespannen voet met de sympathieën van het echtpaar Forest voor Benito Mussolini (1883–1945).

Forest en Pierson onderhielden een langdurige persoonlijke vriendschap met Mussolini, die Forest als journaliste naar eigen zeggen al in 1905 voor het eerst had ontmoet in Antwerpen (Forest 1960: 22–28, 71–72, 78–79, 82–85).10 Ook aan Piersons kant bestond een sympathie voor het fascisme: zijn vader, de bankier J.L. Pierson Sr. (1854–1944) – wiens familiekapitaal garant stond voor Piersons financiële onafhankelijkheid en wiens erfenis de keuze voor een ontslag van de Rijksuniversiteit Utrecht eenvoudiger gemaakt moet hebben –, attendeerde het jonge echtpaar al op de belofte van Mussolini’s programma (idem: 33–34). In het kader van zijn historisch-taalkundig onderzoek bezocht Pierson in de periode 1927–1932, met Forest, ten minste drie keer de dichter, docent Japanse literatuur en politicus Shimoi Harukichi (1883–1954) in Rome, die tijdens zijn verblijf in Italië grote affiniteit met het fascisme ontwikkelde, vriendschapsbanden onderhield met Mussolini en Gabriele D’Annunzio (1863–1939) en in Japan eind 1924 de fascistische Kōkoku Seinentō-partij oprichtte (Shionozaki 1994: 93–94; Fujioka 2011). Met andere woorden, Piersons interesse in het oude Japan, en daarmee waarschijnlijk ook die van Forest, was niet in tegenspraak maar zelfs nauw verbonden met bewondering voor de schijnbare daadkracht van fascistisch Italië en militaristisch Japan.11

De Nederlandse kritiek reageerde misschien niet in groten getale op Het verhaal van prins Genji maar wel altijd welwillend, waarbij ook steevast Forests reputatie als vertaalster werd aangestipt.12 De wereld van het Heianhof lag nog ver weg: ‘Het boek schetst Japansche toestanden en toont aan, dat in Japan reeds een hooge beschaving bloeide toen Europa zich voor het eerst begon te ontwikkelen, hoewel men natuurlijk niet uit het oog moet verliezen, dat de geschiedenis speelt in het Oosten.’ Toch was er erkenning voor de ‘wel een zeer bijzonder wereld’ die Murasaki’s verhaal bood, ‘den scherpen kijk op het menschelijk karakter’ daarin en ‘de dichterlijke wijze waarop de personen hun gedachten in vormen gieten’.

De eerste Nederlandse vertaling van Het verhaal van Genji was ingebed in een dualistische interesse in het oude Japan en affiniteit met fascistisch gedachtegoed, maar was ook het resultaat van een bijzondere samenwerking tussen twee eigenzinnige en autoritaire maar nauw met elkaar verbonden personen die baanbrekend werk verrichtten voor de Nederlandse literaire kennismaking met Japan.

1969 en 2000: ‘een wereld van schoonheid’
Baanbrekend als Forests vertaling was, zo compleet was de vergetelheid waarin haar werk snel verzonk. Dus toen in de jaren zestig de latere P.C. Hooftprijs-winnaar H.C. ten Berge het Japanse middeleeuwse -theater leerde kennen en ontdekte dat een aantal van die verstilde en poëtische stukken terug te voeren waren op Het verhaal van Genji, was het begrijpelijk dat hij maagdelijk literair terrein leek te ontdekken. Een eerste vingeroefening in zijn vertaling van Het verhaal van Genji verscheen in 1969, toen hij een aantal -stukken vertaalde en als ‘bron’ het vierde hoofdstuk van Murasaki’s epos toevoegde. Ten Berges fascinatie voor het oude Japan paste naadloos in zijn brede belangstelling voor literaire culturen buiten het zicht van Europa, maar in het bijzonder trok hem de literaire cultuur van toespelingen, die vooral in de gedichten terug te vinden is. Het middeleeuwse theater leidde zo tot een duurzame voorliefde voor Murasaki’s epos waarin ‘een wereld van schoonheid’ te ontdekken viel (Ten Berge 1969. Zie ook Ten Berge 1980: 98–116, Hartman & Marttin 2006: 4; Breedt-Bruyn 2000).

Ook Ten Berges vertaling uit 1969 van dat ene hoofdstuk was gebaseerd op die van Waley. In 2000 volgde een reprise met een grotere selectie van hoofdstukken uit Het verhaal van Genji. Inmiddels was in 1976 een nieuwe Engelse vertaling verschenen, van de hand van Edward Seidensticker. Een belangrijke motivatie voor de japanoloog Seidensticker om naast Waleys inmiddels canonieke vertaling een tweede Engelse versie het licht te laten zien, had ironisch genoeg te maken met veel van wat Waleys versie zo geliefd had gemaakt: de vrijheden die Waley zich had veroorloofd in parafrase, weglatingen en toevoegingen. Ook de precisie van Seidenstickers notenapparaat heeft Ten Berge duidelijk de nodige bevrediging verschaft; zijn voorliefde voor verwijzingen kreeg een echo in zijn eigen noten. Maar bovenal is Seidenstickers versie ‘droger’ dan die van Waley. Zo werd een tweede Engelstalige standaard gecreëerd voor de appreciatie van Murasaki’s tekst: literair maar ‘vrij’ versus precies maar misschien ook wat pedant. Ten Berge koos in zijn vertaling in 2000 voor een stilistisch amalgaam van beide Engelse versies (Ten Berge 2000: 236–237). Hij gaf de brille van Waley niet volledig op maar ontkwam niet aan een zekere mate van geserreerdheid die Seidensticker aandroeg. Een vergelijking van deze korte passage uit 1969 en 2000 maakt dat invoelbaar:

Hij was in een eenvoudig rijtuig zonder voorrijders gekomen. Niemand kon mogelijkerwijs raden wie hij was en daar hij zich geheel op zijn gemak voelde, leunde hij voorover en nam het huis bedachtzaam in zich op. De deur, eveneens van een soort traliewerk gemaakt, stond op een kier, en hij kon voldoende van het interieur zien om zich te realiseren dat het een zeer bescheiden en armelijk ingericht verblijf was. (Ten Berge 1969: 7)

Hij was in een eenvoudig rijtuig zonder voorrijders gekomen, waardoor hij meende niet herkend te zullen worden. Hij leunde naar buiten om het huis beter te bekijken. De deur, gemaakt van een soort traliewerk, stond op een kier. Hij kon voldoende van het interieur zien om te beseffen dat het een klein en schamel ingericht onderkomen betrof. (Murasaki Shikibu 2000: 7)

Overigens valt op hoe gevoelig Ten Berge is voor ritme en woordkeus wanneer we deze eerste versie naast die van Forest leggen, die bij nader inzien dan weliswaar juist is maar ook wat gemakzuchtiger:

Hij was gekomen in een simpele carosse zonder voorrijders. Niemand kon met eenige mogelijkheid raden, wie hij was, en zich geheel op z’n gemak voelende, leunde Genji voorover en onderzocht vrijelijk het huis. De poort, welke eveneens van traliewerk voorzien was, stond op een kier en hij kon genoeg van het interieur zien, om er zich rekenschap van te geven, dat het een heel nederig en armzalig gemeubeld huis was. (Forest 1930: 84–85.)

2013: een wereld van binnen
Nederlandse lezers konden dus al lange tijd in het Nederlands met Genji kennis maken, maar hij was nog steeds incompleet en nog steeds een gedeeltelijke echo van de Engelse en Amerikaanse vertalingen. Men moest lang wachten op de hele prins: pas in 2013 verscheen Het verhaal van Genji, een vertaling door Jos Vos van de gehele ‘Genji’ en vanuit de brontaal (Murasaki Shikibu 2013).13

Elke vertaling vanuit de brontaal van Het verhaal van Genji is een tour de force en stelt de vertaler voor een keur aan problemen en keuzes. Twee kwesties moeten hier volstaan om daarvan een idee te geven. Allereerst is er de praktische zorg van de aanduiding van de vele personages. In het origineel worden de belangrijkste personages niet met hun naam aangeduid maar met hun hofrang en hoffunctie (zeker bij mannen: ‘de minister van Links’) dan wel omschrijvingen (vaak bij vrouwen, ‘de eerste echtgenote’). Aan Genji’s grote liefde in de eerste hoofdstukken (de keizerin Fujitsubo) wordt doorgaans alleen gerefereerd als naar ‘haar’ (‘die persoon’). Nu is het een feit dat de personages in de loop van het verhaal carrière maken en voortdurend van functie veranderen, en het dus lastig is te volgen wie nu wie is. Eerdere vertalers (met name ‘ijkmeesters’ Waley en Seidensticker) kozen er doorgaans voor, in navolging van lezers sinds de middeleeuwen, om personages vaste namen te geven. Jos Vos schaart zich bij een tegentraditie van vertalers (met name de Fransman René Sieffert [Murasaki Shikibu 2007 (1977–1985)] en de Amerikaan Royall Tyler [Murasaki Shikibu 2001]) die een zeker vervreemdingseffect nastreven door erg terughoudend te zijn met het gebruik van reguliere namen voor de personages. Een mooi voorbeeld van deze vertaalopvatting is dat Vos, in navolging van de vernieuwing die Tyler doorvoerde, het personage rokujō no miyasudokoro niet vertaalt als ‘Vrouwe Rokujō’ maar als ‘Prinselijke Toevlucht’, een benaming die veel zegt over haar hoge rang en de gewoonte om geen onderscheid te maken tussen een woning en de bewoner ervan (‘paleis’ en ‘prins[es]’ zijn beide miya).

Een ander punt is de neiging van Murasaki Shikibu om zeer lange, meanderende zinnen te schrijven waarin soms het vertelperspectief wisselt. Vos getroost zich moeite de lengte van zinnen te volgen, maar het moet ook gezegd dat hij van tijd tot tijd zinnen opknipt en een enkele keer te twisten valt over wisselingen in vertelstem. Toch is zijn vertaling een consciëntieus en gedegen werk waarop het het wachten meer dan waard was.

Het verhaal van Genji is een schatkamer die nu voor Nederlandse lezers volledig ontsloten is. Die stoeptegel in Nieuw-Amsterdam is nu ook een beetje van ons.

 

Noten
1 De tegels vormen het (wat brave) kunstwerk ‘Library Walk: A celebration of the world’s great literature’ door kunstenaar Gregg LeFevre uit 1998. Voor foto’s van de tegels, zie: http://www.nypl.org/blog/2011/09/13/library-way.
2 Times Literary Supplement, 18 maart 1926. Sindsdien hebben velen stilistische overeenkomsten gezien tussen Murasaki Shikibu’s en Virginia Woolfs proza en hebben sommigen hardop gefantaseerd over hoe een vertaling van Het verhaal van Genji door Virginia Woolf eruit zou hebben kunnen zien. Zie o.m. Miyoshi 1979, Henitiuk 2008.
3 ‘Est-ce vous, mon prince? lui dit-elle. Vous vous êtes bien fait attendre!’ Waley 1925, titelpagina. Waley gebruikt hier het zinnetje uit ‘De schone slaapster’ in de versie van Charles Perrault (1697).
4 Deze roman werd niet veel later in het Engels vertaald (Forest 1928). Nog een product van haar Japanverblijf was haar vertaling van de roman Kimono van John Paris (Paris 1923).
5 Volstrekt onduidelijk is welke teksteditie van de Japanse brontekst Forest bedoelt. Ik neem aan dat we in observaties als deze in feite Pierson horen; dat wordt ook met zoveel woorden gesuggereerd door de Telegraaf-columnist Johan Luger in zijn herinneringen aan Ellen Forest: ‘Zij vertaalde […] “Prins Genji”, het laatste met behulp van haar echtgenoot, prof. dr. J. L. Pierson, die de gehele Japanse tekst verifieerde en alle annotaties maakte’ (Pasquino 1958).
6 De ook al idiosyncratische (want germanistische) spelling van het Engels is van Pierson. Overigens werd Piersons bewering, dat zijn vertalingen absoluut letterlijk waren, al vroeg betwist. Zie bijv. Sakanishi 1935: 217.
7 Het artikel is gedateerd op 24 oktober 1917. In navolging van eerdere westerse literatuurhistorici als William George Aston (1841–1911) en Karl Florenz koppelt De Visser het belang van Het verhaal van Genji nadrukkelijk aan een vroegnegentiende-eeuwse bewerking ervan, Een plattelands-Genji door een nep-Murasaki (Nise Murasaki inaka Genji) door Ryūtei Tanehiko (1783–1842), die aan het einde van de negentiende en begin van de twintigste eeuw nog steeds gold als een van de belangrijkste werken uit de Japanse literatuur. Die koppeling suggereert dat voor De Visser de elfde-eeuwse tekst nog niet de onvoorwaardelijk canonieke status had die deze in Japan op dat moment was begonnen te veroveren; Tanehiko’s tekst is in de loop van de twintigste eeuw volledig in de schaduw van Het verhaal van Genji komen te staan.
8 Vos 1989, p. 375. Voor de correspondentie rondom dit ontslag tussen Pierson en het College van curatoren van het Fonds ten behoeve van indologische Studiën aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, zie Pierson 1933.
9 Uiteraard kan men stellen dat er ook bepaalde overeenkomsten zijn tussen bewondering voor Stalin (dat geldt dan m.n. voor De Zoete) en voor Mussolini, die beiden een totalitaire, antidemocratische politieke orde voorstonden.
10 Jaartallen en leeftijden kloppen niet altijd in Forest memoires, maar in 1928 heeft zij Mussolini zeker ontmoet. Het echtpaar Pierson speelde hoogstwaarschijnlijk een sleutelrol in het contact tussen de Nederlandse staatsman Hendrik Colijn (1869–1944) en Mussolini (Langeveld 200: 25–26, 609–610, noot 35). Forest vertaalde in de periode 1928–1934, dus óók terwijl zij aan haar Genji-vertaling werkte, drie Italiaanse biografieën van Mussolini, waarvan twee voor de fascistische uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer. In haar memoires, die zij in de loop van de jaren vijftig schreef, nam Forest geen afstand van haar bewondering voor Mussolini.
11 Pierson was in de jaren dertig actief in Nederlandse fascistische kringen en liet dat ook in zijn werk als japanoloog blijken. Praktisch elke bespreking van Piersons academische nalatenschap vermeldt twee beruchte opdrachten in zijn achttiendelige vertaling en taalkundige analyse van de achtste-eeuwse poëzieverzameling Man’yōshū. Deel drie (1933) is opgedragen aan Benito Mussolini, ‘the strongest and most righteous man of all times’. Het vijfde deel (1938), dat hij samen met Florenz uitbracht, is opgedragen aan Adolf Hitler, ‘the personification of goodwill and the master of well-timed action’. Voor Pierson en Florenz, zie ook Worm 1988: 34–40. In 1932 publiceerde Pierson Japan als wachter der beschaving, een pamflet waarin hij Japans bezetting van Korea en Mantsjoerije en de invasie van China in 1931 verdedigde als een voor Japan noodzakelijke toegang tot ruimte voor een groeiende bevolking en als een even noodzakelijk tegenwicht tegen oprukkende ‘bolsjewiki’ en ‘destructieve roode horden’ in Azië (Pierson 1932, o.m. p. 78, 81). Er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij in deze politieke oriëntatie erg gevoed werd door Forest.
12 De Hollandsche Revue 35: 2 (1930), p. 887; Leeuwarder Courant, 9 oktober 1930; Rotterdams Nieuwsblad, 5 november 1930; Nieuwsblad van het Noorden, 4 december 1930.
13 Enkele hoofstukken werden door Vos voorgepubliceerd in Vos 2008.

Bibliografie
Berge, H.C. ten. 1969. Yugao. Een verhaal en vijf noh-spelen. Toegelicht en vertaald door H.C. ten Berge. Amsterdam: Van Gennep.

Berge, H.C. ten. 1980. Levenstekens en doodssinjaalen. Amsterdam: De Bezige Bij.

Breedt-Bruyn, Martje, 2000. ‘H.C. ten Berge. “Een wereld van schoonheid”’, Vrij Nederland, 8 april.

Florenz, Karl. 1909. Geschichte der japanischen Litteratur, Zweite Ausgabe. Leipzig: C.F. Ameling.

Forest, Ellen. 1924. Yuki San. Modern meisjesleven in Japan. Rotterdam: W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij.

Forest, Ellen. 1928. Yuki San. The Life of a Modern Girl in Japan. Translated from the Dutch by Jacobine Menzies Wilson. London: Jonathan Cape.

Forest, Ellen. 1960. Memoires. Amsterdam: P.N. van Kampen & Zoon.

Hiromi, Fujioka. 2011. ‘Shimoi Harukichi to itaria-fashizumu: Dannuntsio, Mussorīni, Nihon’ (Shimoi Harukichi and Italian fascism: on his relation with D'Annunzio, Mussolini and Japanese society), Fukuoka Kokusai Daigaku kiyō, 25, p. 53–66.

Hartman, Menno & Hanneke Marttin. 2006. ‘Prins Genji en Jean Lenglet. Een gesprek met H.C. ten Berge’, Het Schrijvershuis, 1, p. 4–6.

Henitiuk, Valerie. 2008. ‘Going to Bed with Waley. How Murasaki Shikibu Does and Does Not Become World Literature’, Comparative literature studies, 45:1, p. 40–61.

Langeveld, H.J. 2004. Hendrikus Colijn, 1869–1944. Deel twee: 1933–1944. Schipper naast God. Amsterdam: Balans.

Miyoshi, Masao. 1979. ‘Translation as Interpretation’, Journal of Asian Studies, 38:2, p. 299–302.

Murasaki Shikibu. 1930. Het verhaal van prins Genji. Naar de Engelsche vertaling van Arthur Waley uit het Oud-Japansch door Ellen Forest. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf’s.

Murasaki Shikibu. 1970 [1925–1933]. The Tale of Genji. A novel in six parts by Lady Murasaki. Translated from the Japanese by Arthur Waley. Tokio: Charles E. Tuttle. (Oorspronkelijk 1925–1933, uitgave in één band 1935.)

Murasaki Shikibu. 1982 [1976]. The Tale of Genji. Translated with an introduction by Edward G. Seidensticker. New York: Alfred A Knopf.

Murasaki Shikibu. 2000 [1882]. The Tale of Genji. Translated by Kencho Suematsu. Boston: Tuttle. (Herdruk van: Suyematz Kenchio, Genji Monogatari, London: Trübner & Co.)

Murasaki Shikibu. 2000. Avondgezichten. Liefdes uit het leven van prins Genji. Vertaald door H.C. ten Berge. Amsterdam: Meulenhoff.

Murasaki Shikibu. 2001. The Tale of Genji. Translated by Royall Tyler. New York: Viking Penguin.

Murasaki Shikibu. 2007 [1977–1985]. Le dit du Genji. Traduit du japonais par René Sieffert. Paris: Diane de Selliers.

Murasaki Shikibu. 2013. Het verhaal van Genji. Vertaald door Jos Vos. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep.

Paris, John. 1923. Kimono. Japansche roman. Geautoriseerde vertaling van Ellen Forest. Baarn: Hollandia.

Pasquino [= Johan Luger]. 1958. ‘Ellen Forest 80 jaar’, De Telegraaf, 11 maart.

Pierson, J.L. 1929. The Manyôśû. Book I. Leiden: E.J. Brill.

Pierson, J.L. 1932. Japan als wachter der beschaving. Zutphen: W.J. Thieme.

Pierson, J.L. 1933. Fasci-phobie [brieven van en aan J.L. Pierson Jr.]. Leiden: [s.n.].

Pierson, J.L. 1966. Selection of Japanese poems taken from The Manyōśū. Leiden: E.J. Brill.

Tsjikâmats, Monzaëmon. 1927. Dramatische verhalen. Uit het Japans vertaald door S. van Praag. Santpoort: C.A. Mees.

Sakanishi, Shio. 1935 ‘[bespreking van] The Manyôsû by J.L. Pierson’, Journal of the American Oriental Society, 55:2, p. 216–218.

Shionozaki, Hiroshi. 1994. ‘The first translator into English of all the Manyoshu poetry’, The Transactions of the Asiatic Society of Japan, fourth series, 9, p. 87–111.

Ury. Marian, 1986. ‘Some Notes Toward a Life of Beryl De Zoete’, The Journal of the Rutgers University Libraries, 48:1, p. 1–54.

Visser, M. W. de. 1917–1918. ‘De Genji Monogatari’, Oude kunst. Een maandschrift voor verzamelaars en kunstzinnigen, 3, p. 107–111.

Vos, F. 1989. ‘Mihatenu yume – an unfinished dream. Japanese studies until 1940’, in: W. Otterspeer (ed.), Leiden Oriental Connections 1850–1940. Leiden: Brill, p. 354–377.

Vos, Jos. 2008. Eeuwige reizigers. Een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur. Amsterdam: De Arbeiderspers.

Woolf, Virginia. 1925. ‘The Tale of Genji. The first volume of Mr. Arthur Waley’s translation of a great Japanese novel by the Lady Murasaki’, Vogue, 66:2, p. 53, 80.

Worm, Herbert. 1988. ‘War Karl Florenz ein Verehrer Adolf Hitlers? Eine deutsche Preisverleihung in Tôkyô’, Nachrichten der Ostasiatischen Gesellschaft, 144, p. 31–58.

Lees meer over: