Het vertalen van straattaal (I)    63-70

Stella Linn

‘Yo peepz, dit is dus de family tree van Jezus, je weet toch.’ Zo begint het Evangelie van Mattheüs (De torrie van Mattie) in straattaal. Dit sociolect is de laatste jaren ontstaan in grote steden van westerse landen met meerdere generaties allochtonen. Onderzoek naar deze nieuwe meertalige vorm van straattaal is tot nu toe voornamelijk gedaan in de taalkunde, vooral de sociolinguïstiek, waar men zich bezighoudt met vragen als: hoe is deze taalvariëteit opgebouwd, welke typen sprekers kunnen er worden onderscheiden en wat is de relatie met groepsidentiteit? Hierbij wordt echter voornamelijk gekeken naar reële situaties. Een heel recent verschijnsel is dat deze straattaal ook doorsijpelt in de literatuur. Het gaat daarbij zowel om romans van jonge allochtone auteurs die bekend zijn met de straatcultuur als om werk van autochtone schrijvers waarin straatjongeren een rol spelen. In de literatuurwetenschap is hier nog maar nauwelijks aandacht aan besteed. Nu er de laatste tijd enkele romans in vertaling verschenen zijn en deze productie naar verwachting zal toenemen, wordt bestudering van dit genre ook relevant voor de vertaalwetenschap. Welke vertaalproblemen doen zich hierbij voor en welke strategieën kunnen vertalers aanwenden om deze op te lossen? Deze vragen zullen centraal staan in dit artikel, dat in twee delen verschijnt.

In dit eerste deel van het tweeluik ligt het zwaartepunt op de Franse straattaal en de manier waarop deze in de literatuur verwerkt is. In deel II zal worden gekeken naar mogelijke strategieën om dit taalgebruik te vertalen en de wijze waarop hiermee in enkele bestaande vertalingen is omgegaan. Daarbij komt ook de Nederlandse straattaal en -literatuur aan bod. In verband met de ruimte wordt de bibliografie alleen bij het tweede deel vermeld.

Om te beginnen zal ik ingaan op een aantal algemene, niet-taalgebonden kenmerken van straattaal.

Straattaal: wie, wat, waar?
Net als andere taalgebruikers hebben jongeren de neiging zich via hun taalgebruik binnen hun eigen groep en in de samenleving als geheel te manifesteren. De manier waarop zij dat doen is afhankelijk van een reeks variabelen (Muysken 2002), zoals hun sociale en etnische identiteit, opleidingsniveau en de communicatieve situatie waarin ze zich bevinden. Ook het gespreksthema is van belang: favoriete onderwerpen zijn seks, muziek, geld, misdaad en drugs (Pooley 2007: 320), evenals de relatie tot de gesprekspartner; in een hiërarchische setting, bijvoorbeeld met oudere familieleden of leraren, wordt het gebruik van straattaal vermeden. Daarnaast is het tot op zekere hoogte leeftijds- en seksegebonden: het is meer iets van jongens en jonge mannen dan van meisjes (Lepoutre 1997: 27–28). Qua locatie geldt dat het vooral gesproken wordt in of aan de rand van grote steden waar relatief veel allochtonen wonen. Typerend is dan ook de invloed hierop van westerse en niet-westerse talen; vandaar dat deze taalvariëteit ook wel wordt aangeduid als ‘multi-etnolect’ (Dorleijn & Nortier 2013). Straattaal wordt echter niet alleen door allochtone, maar ook door autochtone jongeren gesproken. Zij kunnen hiervoor verschillende sociale motieven hebben, zoals het benadrukken van interculturele solidariteit (Rampton 1995), of de behoefte om zich als stoer of trendy te profileren. De aantrekkingskracht van dit taalgebruik kan verklaard worden uit het ‘verborgen prestige’ dat niet-standaardvarianten kunnen hebben (Muysken 2002 : 327).

Hoewel het bij uitstek om een gesproken taalvariëteit gaat, manifesteert deze zich de laatste jaren ook in geschreven vorm, met name via de sociale media, songteksten bij Youtube-clips (straattaal is populair onder rappers) en in filmondertiteling. De voorzichtige opkomst van straattaal in de literatuur is een punt dat verderop aan de orde zal komen.

Functies van straattaal: ‘we code’ en ‘they code’
Straattaal heeft over het algemeen drie functies. In de eerste plaats schept het eigen taalgebruik herkenning en bevestiging en draagt het daarmee bij tot de groepsidentiteit (Jackson & Hogg 2010: 425). Dit gaat natuurlijk voor veel meer socio- en dialecten op, maar volgens Milroy & Milroy (1985) geldt speciaal voor taalvariëteiten met een lage status in de maatschappij dat deze een belangrijk symbool van ‘in-group cohesion’ vormen. Het ligt voor de hand dat dit aspect voor pubers en jongvolwassenen, met hun afhankelijkheid van de peer group, extra relevant is. Behalve het taalgebruik spelen in dit proces van subcultuurvorming overigens veel meer factoren een rol, zoals muziekvoorkeur, lichaamsdecoratie als piercings en tatoeages en kledingstijl. In navolging van Gumperz (1982) wordt in dit verband wel gesproken van de ‘we code’.

De tweede functie van dit type taalgebruik, aangeduid als de ‘they code’, houdt in dat de sprekers zich afzetten tegen de als vijandig ervaren buitenwereld, in dit geval het establishment in de vorm van ouders, leraren, de politie en andere autoriteiten. Tussen beide functies bestaat een sterke wisselwerking. Veel allochtone jongeren, die de grootste groep straattaalsprekers vormen, kampen met identiteitsproblemen doordat zij zich enerzijds niet meer thuisvoelen in het land van herkomst van hun geëmigreerde (groot)ouders, anderzijds als niet optimaal geïntegreerde of geaccepteerde burgers vaak te maken krijgen met maatschappelijke afwijzing en discriminatie (Doran 2007: 499). Het hanteren van een eigen normen- en waardenstelsel, inclusief een voor buitenstaanders ontoegankelijk taalgebruik, draagt in zo’n situatie bij tot het creëren van een alternatief thuis (Lepoutre 1997: 27).1

Tot slot heeft straattaal ook een ludieke functie. Adolescenten vinden het leuk en uitdagend om nieuwe termen en uitdrukkingen te bedenken, vooral in jonge, tekstrijke muziekstijlen als hiphop en rap. In veel gevallen spelen statusoverwegingen binnen de groep hierbij een rol. Zo wijst Pooley (2007: 333) op het prestige dat het oplevert om ad rem en humoristisch uit de hoek te kunnen komen. Deze vaardigheid vormt dan ook een prominent element in competities als rap battles en slams.

De bovengenoemde functies van interne cohesie, oppositie en spel zijn eigen aan de meeste straattaalvariëteiten, niet alleen in maar ook buiten Europa. Kiessling & Mous (2004) behandelen bijvoorbeeld ‘urban youth languages’ in Afrika met vergelijkbare kenmerken. De mate waarin die functies zich manifesteren en de vorm waarin ze dat doen, verschillen echter per taal. Hoe ziet om te beginnen de straattaal in Frankrijk er nu uit, en in welke context is deze ontstaan?

Franse straattaal: uitdrukking van een rebelse identiteit
De moderne Franse straattaal wordt in navolging van Goudaillier (1997/2001) meestal aangeduid als français contemporain des cités. De cités of banlieues zijn de verpauperde wijken aan de rand van grote steden als Parijs en Lyon, waar in de jaren zestig van de vorige eeuw grote groepen arbeidsmigranten uit, in eerste instantie, vooral de voormalige Noord-Afrikaanse koloniën werden gehuisvest. Veel van deze oudere migranten zijn semi-analfabete moslims met een Berbertaal of Arabisch dialect als moedertaal, die het gesproken, laat staan geschreven Frans nooit goed hebben leren beheersen (El Galaï 2005: 130–131). De afwijkende positie van met name deze groep allochtonen – andere cultuur, andere godsdienst, andere taal – botste met het traditionele politieke streven naar nationale eenheid (Aitsiselmi 2006: 140). Hierdoor worden ook de in Frankrijk opgegroeide tweede en derde generatie vaak niet als volwaardige burgers geaccepteerd, ook al bezitten zij in meerderheid de Franse nationaliteit en is het Frans hun eerste taal. De jongeren hebben in de troosteloze gettoachtige cités weinig perspectief op verbetering: de schooluitval is groot, evenals de werkloosheid, die een derde tot de helft van de jeugd treft (Muchielli 2007). Dit is een voedingsbodem voor een informele economie die draait op drugshandel en andere illegale activiteiten, die aanleiding geven tot repressief politieoptreden. Tegen deze conflictueuze achtergrond breken er periodiek rellen uit, die in de media een stroom negatieve aandacht genereren waardoor allochtone jongeren zich vervolgens nog sterker gestigmatiseerd voelen (Doran 2007: 499). Zij uiten hun onvrede echter niet alleen via gewelddadige protesten maar ook, op symbolische wijze, via hun taalgebruik (Goudaillier 2001, 2011). Dit heeft volgens taalkundigen te maken met het feit dat er in Frankrijk van oudsher een centralistische, sterk normatieve attitude bestaat waarbij de standaardtaal een hoge status geniet en variëteiten die daarvan afwijken, zoals informele spreektaal en straattaal, als inferieur worden beschouwd (Lodge 1991: 109). Deze opvatting, die gemakkelijk leidt tot stigmatisering van de betreffende taalgebruikers, staat sinds het onderzoek van Milroy & Milroy (1985) bekend als de ideologie van de standaardtaal. Franse jongeren hebben in de optiek van Wise (2000: 128) meer reden om hiertegen in opstand te komen dan bijvoorbeeld hun Britse leeftijdgenoten: ‘In France the standard language has always played a much more powerfully symbolic role than in Britain. [...] It provides therefore the perfect target for those seeking to reject established social values.’

Dat protest krijgt vooral vorm in de peer group buitenshuis. Onder invloed van zowel economische en demografische factoren (grote krapbehuisde gezinnen) als sociaal-pedagogische omstandigheden (schooluitval, gebrek aan ouderlijk toezicht) speelt een groot deel van het leven van veel adolescenten in de cités, in het bijzonder jongens, zich op straat af (El Galaï 2005: 128). Dit is bevorderlijk voor de ontwikkeling van een interetnische straatcultuur waarin mannelijk geachte normen en waarden centraal staan. Het gaat hierbij met name om het verwerven van respect door niet alleen fysieke, maar ook verbale prestaties (Lepoutre 1997: 27–28). Met dit laatste punt belanden we weer bij de straattaal.

‘Anti-language’ kenmerken
Dit taalgebruik heeft een aantal kenmerken waarvan sommige ook van toepassing zijn op een algemeen informeel register. Ik zal mij hier beperken tot de belangrijkste procedés, waarbij ik gegevens ontleen aan onder anderen Goudaillier (2001, 2011), Pooley (2007), Olsson (2011) en Doran (2004). Deze dragen veelal bij tot het karakter van ‘anti-language’ (Halliday 1978) en kunnen daarnaast een associatie met de ‘we code’ en/of een ludiek motief hebben.

Allereerst zien we onder invloed van de talrijke migrantentalen allerlei vormen van code switching en mixing, met name op het lexicale vlak. Uit het Senegalese Wolof komt bijvoorbeeld toubab [(blanke) Fransman] en uit het dialectaal Arabisch2 wesh [lett. ‘wat’], gebruikt in de begroeting van vrienden: Wesh les frères! Bekende leenwoorden uit de zigeunertaal Romani zijn bédave [wiet roken] en bicrave [dealen]. Daarnaast is, zoals in alle lagen van de bevolking, input van het (Amerikaans) Engels te vinden, zoals in c’est dead [’t is niks, waardeloos]. Een andere bron van lexicale input zijn opnieuw populair geworden termen uit bestaande vormen van argot, een volks taalgebruik met historische wortels (Wise 2000), enigszins te vergelijken met ons bargoens, zoals daron [ouwe, pa] en thune [poen].

Het belangrijkste morfologische kenmerk van straattaal is verlan, een zeer productief procedé voor het volgens bepaalde regels omdraaien van lettergrepen. Dit manipuleren van standaardtaalwoorden om ze lastiger herkenbaar te maken is volgens taalkundigen als Goudaillier (2011: 185–186) voor straatjongeren bij uitstek ‘a sign of a refusal of the society they experience as oppressive’. De benaming is iconisch: het is een fonetische omkering van l’envers, dat ‘omgekeerd’ betekent. Zo wordt arabe [Arabier], met beura als tussenstap, via inkorting omgevormd tot beur, dat vervolgens weer is omgedraaid tot rebeu. Dit procedé laat tevens zien dat de /ə/ (stomme e) andere Franse klinkers verdringt. Net als andere geconstrueerde ‘geheimtalen’ (Thomason 2007) is verlan geen typisch Frans fenomeen. In Zuid-Amerika bijvoorbeeld komt een vergelijkbaar procedé voor, het vesre, evenals argot afkomstig uit het lokale bargoens en later doorgesijpeld in eigentijdse jeugdkringen.3 Ook dit is een iconische term: (al) revés betekent ‘omgekeerd’. Een ludieke uitdrukking als feca con chele is hiermee te begrijpen als café con leche [koffie met melk].

Krijgt een geverlaniseerde taaluiting een bredere bekendheid, bijvoorbeeld door opname in het woordenboek, dan verliest deze zijn codefunctie en wordt het tijd voor iets nieuws. Dit wordt hetzij door reverlanisation, herhaling van dit procedé, hetzij door vervanging verkregen. Een voorbeeld van deze dynamiek wordt besproken door Goudaillier (2011). Hij laat zien dat thune, argot voor ‘poen’, door de straatjeugd werd opgepakt en geverlaniseerd tot neutu, tot die vorm opdook in een tv-spotje. Na deze annexatie door de commercie raakte deze term als het ware besmet en gingen trendsetters het oud-Franse woord maille herinvoeren, dat op zijn beurt geverlaniseerd werd tot jeuma.

Een andere morfologische eigenschap betreft allerlei vormen van verkorting (truncatie). Naast het al wat oudere procedé apocope, waarbij het laatste deel van het woord wordt weggelaten (séropo voor séropositif), is sinds enkele jaren apheresis (aphérèse) in trek. Hier valt de eerste lettergreep weg, waardoor lastig te herkennen eenlettergrepige woorden ontstaan als leur voor contrôleur [conducteur] en rien voor Algérien [Algerijn]. Soms vindt daarna verdubbeling plaats: zonzon van (pri)son [bajes, gevangenis], ziczic van (mu)sique.

Daarnaast is het verschuiven of al dan niet bewust foutief gebruiken4 van bepaalde grammaticale categorieën populair, bijvoorbeeld door een bijvoeglijk naamwoord te hanteren als bijwoord: il est grave beau ce keum [die gozer is vet knap], of als werkwoord, in je peux dead pour lui [lett. ik kan dood(gaan) voor hem, heb alles voor ’m over]. Ook het niet vervoegen van werkwoorden valt onder het negeren van grammaticale regels: on a bédave toute la nuit [we hebben de hele nacht wiet (zitten) roken]. In onderschikkende bijzinnen wordt que vaak weggelaten: C’est pas sûr ø c’est demain [’t is niet zeker (dat) het morgen is].

De creatieve drang van straattaalsprekers levert continu nieuwe stijlfiguren op, vooral metaforen en hyperbolen. Zo duidt het anglicisme airbags op plastische wijze een flink formaat borsten aan en wordt ‘ik heb huisarrest’ wel uitgedrukt door je suis alcatraz, naar de beruchte Amerikaanse gevangenis. Een hyperbool, een stijlfiguur die overdrijving aanduidt, wordt in de straatcultuur vaak als dreigement ingezet: J’le crève ! [ik maak ’m af]. Paradoxaal genoeg kan een negatieve of gewelddadige lading ook een positieve boodschap uitdrukken; une boucherie [lett. slagerij, slachtpartij] kan in die zin gehanteerd worden als aanduiding van een fantastisch feest. In andere talen komt dit type verschuiving eveneens voor: in het Engels en Nederlands zien we positieve kwalificaties als ‘sick’ en ‘da shit’, respectievelijk ‘ziek’ en ‘de shit’.

Ook op fonetisch niveau manifesteren zich nieuwe, tegen de Franse conventie indruisende tendensen, zoals de neiging om de klemtoon op de eerste in plaats van de laatste lettergreep te leggen. Een uitgeschreven voorbeeld hiervan is te vinden in een roman van Thierry Jonquet (2006: 59) over een klas met achterstandsjongeren. Een van hen roept tegen een klasgenoot die naar de wc moet dat hij het maar in zijn broek moet doen: T’as qu’à iech (verlan van chier = schijten) dans ton froc, bâââtard !

Samenvattend gaat het bij straattaal dus om een mix van ingrediënten die in het bijzonder de functie van ‘anti-language’ benadrukken en daarmee de rebelse identiteit van de jonge sprekers symboliseren. Welke rol speelt dit taalgebruik nu in de literatuur?

Straattaal in de Franse literatuur
Van systematisch onderzoek naar het voorkomen van multi-etnische straattaal in de literatuur is nog weinig sprake. Een van de redenen hiervoor is vermoedelijk dat de studie van postkoloniale en migrantenliteratuur onder Franse academici weinig prestige heeft (Hargreaves 2007: 27–28). Dit onderzoek heeft dan ook een verkennende functie, waarbij ik me in dit stadium beperk tot fictioneel proza en andere mogelijk relevante bronnen als filmondertiteling en stripboeken uitsluit. Voor het Franse corpus heb ik een twaalftal romans geselecteerd (zie de Primaire bronnen in de bibliografie, deel II van dit artikel) die in een of meer academische publicaties besproken zijn. Startpunt hierbij is 1999, het jaar waarin voor het Nederlandse taalgebied, dat later aan bod zal komen, de term ‘straattaal’ werd geïntroduceerd (Schoonen & Appel 2005). Naar analogie hiervan zal ik voor het literaire proza waarin de straatcultuur en straattaal een nader te definiëren rol spelen, het begrip ‘straatliteratuur’ hanteren.5 Op grond van de tot nu toe verzamelde gegevens kan gesteld worden dat straattaal globaal in twee typen romans voorkomt, uiteraard in gestileerde vorm, zoals bij elke geschreven weergave van gesproken discours.

Ten eerste zien we dit taalgebruik in een genre dat overlapt met wat bij ons wel ‘multiculturele literatuur’ of ‘migrantenliteratuur’ wordt genoemd (Behschnitt 2013: 9): romans van jonge allochtone schrijvers uit de tweede of derde generatie immigranten die bekend zijn met het straatmilieu en dit in hun romans verwerken. In Frankrijk wordt dit genre sinds de grootschalige rellen rond Parijs in 2005 wel aangeduid als littérature (of écriture) de banlieue. Naast Noord-Afrikaanse schrijvers, die al langer van zich doen spreken, komen er de laatste jaren ook andere Afrikaanse en Frans-Antilliaanse auteurs op (Hargreaves 2011: 41). Sommigen van hen richten zich op jeugdliteratuur, zoals de Frans-Senegalese schrijver en rapper Insa Sané, door uitgeverij Sarbacane gepubliceerd in de young-adultreeks Exprim’.

Actuele terugkerende thema’s in deze romans zijn – naast de al langer bestaande ontheemdings- en identiteitsproblematiek – sociaal onrecht en het protest daartegen, geweld (vooral tegen vrouwen) en conflicten met de vaderfiguur (Le Breton 2011, Thomas 2010). In veel gevallen is er sprake van een autodiëgetische verteller, waarbij de rol van verteller samenvalt met die van het hoofdpersonage (Olsson 2011: 43). Dit geldt bijvoorbeeld voor romans van auteurs als Rachid Djaïdani en Faïza Guène, die op negentienjarige leeftijd debuteerde met Kiffe kiffe demain (vertaald als Morgen kifkif).

Wat betreft de literaire functie die straattaal hierin uitdrukt, in een oriënterende analyse van mijn corpus komen dezelfde motieven naar voren als de eerder genoemde sociolinguïstische drijfveren, namelijk consolidatie van groepsidentiteit, het uitdrukken van antagonisme en het ludieke, hier en daar parodiërende karakter.6 Dit laatste element sluit aan bij Pym (2000: 69), die wijst op de suggestie van realiteit of juist parodie die door een sociolect kan worden gewekt. Opvallend is dat het gebruik van straattaal met zijn vaak agressieve lading regelmatig afgewisseld of gecombineerd wordt met ‘zachtere’ stijlkenmerken als humor, ironie en poëzie (Le Breton 2011). Een voorbeeld hiervan doet zich voor in Sané’s roman Sarcelles-Dakar op p. 81, als de autodiëgetische verteller in een moment van reflectie spontaan een versregel van Victor Hugo weet te citeren. Dit lijkt een provocerende knipoog naar in Frankrijk geboren en getogen lezers: hoe geïntegreerd kun je als zwarte allochtone banlieue-jongere zijn?

De tweede categorie betreft werken van, doorgaans hoogopgeleide, autochtone auteurs waarin straattaalsprekers een – meestal weinig glorieuze – rol spelen. De functie van het taalgebruik is hier vooral aanduiden dat de sprekers jong en allochtoon zijn, in een achterstandswijk wonen, laaggeschoold zijn of onder aan de maatschappelijke ladder staan. In Sylvain Pattieu’s roman Des impatientes (2012)7 zijn al deze kenmerken, plus de rebelse attitude, van toepassing op de jonge Frans-Kameroenese vertelster Bintou Masinka, die wegens wangedrag van school wordt gestuurd. De setting kan zoals hier een middelbare school zijn, maar vanwege de associatie met gewelddadige of illegale activiteiten zijn er ook nogal wat romans die zich in het criminele circuit, de gevangenis of een politiebureau afspelen. In die gevallen is straattaal hét expressiemiddel van delinquenten. Voorbeelden hiervan zijn La zonzon [De bajes] van Alain Guyard en Sportès’ documentaireachtige roman Tout, tout de suite [Alles en wel nu meteen], waarin een moord in een Parijse voorstad wordt gereconstrueerd. Vice versa geldt dat het gebruik van de standaardtaal meestal connotaties heeft als blank, hoog opgeleid en met een goede maatschappelijke positie, zoals in het geval van de leraar in zowel Des impatientes als Entre les murs en de filosofiedocent in La zonzon. In een artikel over de literaire functies van sociolecten in algemene zin gaat Lane-Mercier (1997: 46) vooral in op negatieve aspecten van karakterisering door ‘non-standard’ taalgebruik, zoals het risico van stereotypering. Daarvan is bij deze categorie onmiskenbaar sprake. De sociale afstand, taal- en generatiekloof wordt het duidelijkst geïllustreerd in Entre les murs, waar de leraar Frans als hoeder van de standaardtaal bij uitstek zijn veertienjarige leerlingen voortdurend voorhoudt dat hun taalgebruik niet deugt. Op p. 90 wil een van hen in eerste instantie zijn (indiscrete) vraag niet stellen, want, zo voorziet hij, vous allez vous vénère [dan wordt u pissed (straatterm, verlan voor énerver)]. Onmiddellijk volgt een reprimande van de leraar: On parle français [We spreken hier – correct – Frans]. Geconditioneerd als hij is, herstelt de spreker zijn ‘fout’ door nu de ongemarkeerde term te gebruiken: Vous allez vous énerver [Dan wordt u boos].

Filter 213 illustratie Linn
Still uit Entre les murs

Een paradoxaal fenomeen
Het opduiken van straattaal in de literatuur is een verschijnsel dat in verschillende opzichten paradoxaal genoemd kan worden. Allereerst hebben we te maken met een temporele paradox: met hun orale en dynamische karakter zijn straattaalcreaties vaak al verouderd op het moment dat ze worden vastgelegd. Gezien het tijdsverschil tussen het schrijfproces en publicatie geldt dit voor literaire teksten in nog sterkere mate.

Een inherente paradox is dat dit taalgebruik er met zijn coderingstactieken op gefocust is om buitenstaanders uit te sluiten. In literatuur draait het daarentegen juist om communicatie tussen auteur en lezer,8 en die wordt door een al te hermetische vorm belemmerd. Een extra probleem hierbij betreft de kloof tussen het publiek en de sprekers, die als personage en/of als verteller worden opgevoerd. De meerderheid van de fictionele ‘hardcore’ straattaalsprekers beantwoordt aan het stereotype van armlastige of werkloze jongere uit een achterstandswijk, met hobby’s als boksen, rappen, rondhangen en allerhande schimmige praktijken (Le Breton 2011). Wie staan echter bekend als de meest fervente romanlezers? Oudere, hoger opgeleide volwassenen, merendeels vrouwen, met een bovengemiddelde sociaal-economische status.9 Kortom, precies de groep waartegen de straatjongeren zich afzetten. Het risico bestaat dan ook dat deze bourgeois lezer(es), voor zover die al bereid is om tot aanschaf over te gaan, grote moeite heeft met het doorgronden van codes als verlan en meertaligheid.10

Dat de schrijvers zich van dit probleem bewust zijn, blijkt uit het feit dat zij allerlei para- of intratekstuele strategieën toepassen om hun met straattaal doorspekte discours toe te lichten. Zo geeft Faïza Guène in Du rêve pour les oufs (Dromen tussen het beton) in voetnoten een vertaling van de Arabische termen die door de Algerijnse sprekers gebezigd worden, terwijl Rachid Djaïdani in Viscéral synoniemen met een ander register in de tekst verwerkt; op p. 8 laat hij de verteller opmerken over – alweer – twee kansarme jongeren: Pour tout l’or du monde jamais ils n’abandonneraient leur cité téci tess [Nog niet voor al het goud ter wereld zouden ze weggaan uit hun wijk (respectievelijk in standaardtaal, verlan, verlan met apocope)]. En Santaki’s misdaadroman Flic ou caillera [Smeris of tuig] bevat een vijf bladzijden tellende woordenlijst met straattermen, voornamelijk Arabisch, Engels en verlan.

Het is aannemelijk dat deze accommoderende strategieën niet alleen gericht zijn op het publiek, maar ook, in een hieraan voorafgaand stadium, op uitgevers. Het vooralsnog magere aanbod van straatliteratuur lijkt er namelijk op te duiden dat die niet in de rij staan om moeilijk toegankelijke romans te publiceren van auteurs die doorgaans slechts een marginale positie in het literaire veld innemen (Hargreaves 2011), en daarbij met hun taalgebruik ook nog eens tegen de alom erkende standaardtaalnormen van juist hun geachte publiek aantrappen. De negatieve maatschappelijke attitude ten opzichte van dit laatste aspect klinkt door in de over het algemeen afkeurende oordelen van de literaire kritiek (Hargreaves & Guinoune 2008: 6). Desalniettemin ligt het voor de hand dat, met het opgroeien van nieuwe generaties ingeburgerde allochtonen in de multiculturele samenleving, de vraag naar dit genre de komende jaren zal toenemen. Het gaat dan niet alleen om oorspronkelijke romans, maar ook om vertalingen.

Welke opties staan er nu ter beschikking om vertaalproblemen in (Franse) straatliteratuur op te lossen, en hoe gaan vertalers hier in de praktijk mee om? Deze vragen zullen in het volgende deel van dit tweeluik aan de orde komen. Daarbij zal ook worden nagegaan in hoeverre kennis van de Nederlandse straattaal en -literatuur behulpzaam is bij het vertalen.

Dit artikel is een bewerkte en uitgebreide versie van mijn lezing ‘Het vertalen van straattaal’, gehouden op 26 september 2013 aan de Universiteit Utrecht, in het kader van de lezingenreeks voor studenten van de master vertalen en het programma literair vertalen in Utrecht en Antwerpen/Leuven.

 

Noten
1 Cf. ook Bhabha’s begrip ‘third space’ (1994).
2 Het gaat hier niet om het klassiek Arabisch zoals gehanteerd in de Koran.
3 Zie Óscar Conde, Lunfardo, un estudio sobre el habla popular de los argentinos (Buenos Aires: Taurus, 2011).
4 De vraag in hoeverre allochtone jongeren de standaardtaal beheersen en naar gelang van de situatie van register kunnen switchen is controversieel; zie o.a. Pooley (2007: 324–325).
5 Zie voor een uitwerking van verschillende punten mijn artikel ‘A loud yet hardly audible voice: urban youth language in “street literature”’, binnenkort te verschijnen in een bundel van Philippe Humblé & Arvi Sepp (eds.), Trier: WVT.
6 De classificatie van Horn (1981) die nogal eens wordt aangehaald als het gaat om de functies van meertaligheid in literatuur is voor straattaal maar beperkt relevant: ten eerste gaat het daarbij vooral om literatuur waarin de mix van talen een hoger in plaats van lager register uitdrukt en ten tweede is er niet of nauwelijks sprake van wisseling binnen één zin (‘intrasentential codeswitching’).
7 De titel is een woordspeling: impatiente is zowel een ongeduldig meisje als de plantkundige naam voor balsemien.
8 Het waarheidsgehalte is daarbij niet relevant; zo wijst Bal (1990 : 14) op de manipulatieve aspecten van vertellen.
9 Zie O. Donnat, 2005, La féminisation des pratiques culturelles: http://www.culture.gouv.fr/culture/editions/r-devc/dc147.pdf. Ook in Nederland geldt dat de gemiddelde lezer een vrouw van rond de vijftig is (interview met hoogleraar neerlandistiek Jos Joosten, de Volkskrant, 24-4-2012).
10 Van toepassing is hier de constatering van Pym (2000: 72, met betrekking tot sociolect in de literatuur) dat ook een brontekst exotiserend kan zijn.

Lees meer over: