Dante in Nederlandse handen    30-40

De negentiende-eeuwse vertalingen van de Divina Commedia

Cees Koster

Dantes Divina Commedia is wereldwijd enorm vaak vertaald. Het is blijkbaar een van de sleutelteksten uit de geschiedenis van de mensheid. Met de tekst zijn voorstellingen verbonden van hemel, hel en vagevuur: en die verschillen per persoon, per cultuur, per historische periode. Een van de meer waardevolle aspecten van de studie van hervertalingen is juist de historische dimensie ervan. ‘Hervertalingen vestigen doelbewust de aandacht op het verstrijken van de tijd omdat de vertalers ernaar streven een vertaling te produceren die zich onderscheidt van een eerdere versie door verschillen in interpretatie en discursieve aanpak’ (Venuti 2014: 17; zie elders in dit nummer). Wanneer we met Venuti (en anderen) aannemen dat vertalers bewust handelen, zeker als ze met een bepaalde graad van autonomie aan het werk zijn, kunnen we aan de posities die ze innemen als ze zich wagen aan werken die al eerder zijn vertaald, een beeld krijgen van alle krachten die werkzaam zijn in het vertaalveld in de desbetreffende periode. Die positie valt wat mij betreft af te meten aan zowel binnen- als buitentekstuele parameters. Niet alleen de discursieve strategieën (vertaalkeuzes) en onderliggende interpretaties zijn relevant, maar ook de vertaalopvattingen en de houding binnen het veld geven zicht op de motieven en belangen van betrokken actoren als vertalers, critici en uitgevers.

Het kader van relevantie voor de studie van hervertalingen ligt niet alleen in de vertaalgeschiedenis zelf, maar ook in verwante historiografische gebieden die daar als concentrische cirkels omheen liggen, zoals de receptiegeschiedenis van betrokken werk en auteur, de nationale literatuurgeschiedenis van de betrokken doelcultuur en uiteraard ook de meer algemene sociale, politieke en culturele geschiedenis van het betrokken taalgebied.

Met name de vertaalgeschiedenissen van klassiekers vormen buitengewoon geschikte casussen voor een historisch contextualiserende studie van het verschijnsel hervertaling. Dat hervertaling zich vaak aan klassiekers voltrekt, is geen wonder: klassiekers ontlenen hun canonieke status juist mede aan het feit dat ze zo vaak worden vertaald. Een van die door en door canonieke werken met een rijke vertaalgeschiedenis is de Divina Commedia van Dante, uit het begin van de veertiende eeuw.

Ook in het Nederlandse taalgebied is Dantes Divina Commedia vele malen vertaald.

 

ERRATUM
Bij de papieren versie van dit stuk is per abuis de volgende mededeling weggevallen:

Dit artikel is gebaseerd op zelfstandig onderzoek van bronnen die in 2003 en 2004 onder leiding van de auteur zijn verzameld in het kader van de cursus Algemene Vertaalwetenschap 2 van de Universiteit Utrecht door Bob Kortz, Angelica Nobriega en Jacqueline Plitscher, van wie de laatste over dit materiaal onder begeleiding van de auteur een doctoraalscriptie schreef.

[ABSTRACT VERWIJDEREN - OOK ERRATUM (ONDER ARTIKEL TOEGEVOEGD)]

 

Dantes Divina Commedia is wereldwijd enorm vaak vertaald. Het is blijkbaar een van de sleutelteksten uit de geschiedenis van de mensheid. Met de tekst zijn voorstellingen verbonden van hemel, hel en vagevuur: en die verschillen per persoon, per cultuur, per historische periode. Een van de meer waardevolle aspecten van de studie van hervertalingen is juist de historische dimensie ervan. ‘Hervertalingen vestigen doelbewust de aandacht op het verstrijken van de tijd omdat de vertalers ernaar streven een vertaling te produceren die zich onderscheidt van een eerdere versie door verschillen in interpretatie en discursieve aanpak’ (Venuti 2014: 17; zie elders in dit nummer). Wanneer we met Venuti (en anderen) aannemen dat vertalers bewust handelen, zeker als ze met een bepaalde graad van autonomie aan het werk zijn, kunnen we aan de posities die ze innemen als ze zich wagen aan werken die al eerder zijn vertaald, een beeld krijgen van alle krachten die werkzaam zijn in het vertaalveld in de desbetreffende periode. Die positie valt wat mij betreft af te meten aan zowel binnen- als buitentekstuele parameters. Niet alleen de discursieve strategieën (vertaalkeuzes) en onderliggende interpretaties zijn relevant, maar ook de vertaalopvattingen en de houding binnen het veld geven zicht op de motieven en belangen van betrokken actoren als vertalers, critici en uitgevers.

Het kader van relevantie voor de studie van hervertalingen ligt niet alleen in de vertaalgeschiedenis zelf, maar ook in verwante historiografische gebieden die daar als concentrische cirkels omheen liggen, zoals de receptiegeschiedenis van betrokken werk en auteur, de nationale literatuurgeschiedenis van de betrokken doelcultuur en uiteraard ook de meer algemene sociale, politieke en culturele geschiedenis van het betrokken taalgebied.

Met name de vertaalgeschiedenissen van klassiekers vormen buitengewoon geschikte casussen voor een historisch contextualiserende studie van het verschijnsel hervertaling. Dat hervertaling zich vaak aan klassiekers voltrekt, is geen wonder: klassiekers ontlenen hun canonieke status juist mede aan het feit dat ze zo vaak worden vertaald. Een van die door en door canonieke werken met een rijke vertaalgeschiedenis is de Divina Commedia van Dante, uit het begin van de veertiende eeuw.

Ook in het Nederlandse taalgebied is Dantes Divina Commedia vele malen vertaald. Van Heck (2003) komt tot vijftien integrale vertalingen en drie vertalingen van alleen het eerste boek, Inferno, en dit betreft dan alleen de boekvertalingen en niet de fragmenten die her en der in tijdschriften zijn verschenen. Hieronder een overzicht van de negentiende-eeuwse vertalingen: 

jaar van
publicatie
titel vertaler uitgever zelfdeclaratie
1863-1864 Dante’s Divina commedia A.S. Kok Haarlem: Kruseman    metrische vertaling
1867-1873 De komedie van Dante Alighieri J.C. Hacke van Mijnden    Haarlem: Kruseman in dichtmaat overgebracht
1874 De Goddelijke comedie U.W. Thoden van Velzen    Leeuwarden: Jongbloed    naar het origineel bewerkt
1877 De hel van Dante Alighieri    J.J.L. ten Kate    Leiden: Sijthoff In de dichtmaat van ’t oorspronkelijk vertaald
1876-1884    De Goddelijke komedie Joan Bohl Haarlem: De Graaff In Nederlandsche terzinen vertaald

Om meerdere redenen is het interessant om de negentiende-eeuwse vertalingen uit de lijst van Van Heck aan een nader onderzoek te onderwerpen: het zijn de eerste vertalingen in het Nederlands van Dantes hoofdwerk – dat zelf dateert van ruim vijf eeuwen eerder, het zijn er veel (vijf) in relatief korte tijd (twaalf jaar), de vertalers zijn zonder uitzondering interessante figuren van wie het de moeite waard is te onderzoeken waarom ze zich met dit werk hebben beziggehouden, de vertalingen verschillen behoorlijk van elkaar en hebben bovendien destijds heel wat stof doen opwaaien. Daarnaast vormt de tweede helft van de negentiende eeuw, als overgangsperiode in de sociale en culturele geschiedenis van Nederland, een uiterst interessante achtergrond.

Om zicht te krijgen op de mechanismen achter het verschijnsel hervertaling, probeer ik in deze bijdrage enig licht te werpen op het complex van krachten op het gebied van receptie, vertaling en literatuur dat werkzaam was in dit klimaat en dat ertoe heeft geleid dat deze vertalers zich juist toen met deze tekst hebben beziggehouden.

Ontvankelijkheid voor Dante
De vraag waarom op dat moment zo’n stortvloed aan vertalingen verscheen, en dus niet eerder, is moeilijk te beantwoorden, maar er valt wel zinvol over te speculeren wanneer we kijken naar institutionele en poëticale ontwikkelingen binnen de velden van literatuur en vertaling die tot een grotere ontvankelijkheid geleid kunnen hebben.

Elders heb ik al gewezen op de invloed van de vele veranderingen in die periode op het culturele leven (Koster 2007). Toenemende industrialisering en groeiende bedrijvigheid leidden tot grotere welvaart. Daarnaast zorgden politieke en sociale hervormingen voor grotere participatie in onderwijs, waardoor zich een grote middenklasse ontwikkelde die hoger opgeleid was en meer geld te besteden had. De belangstelling voor cultuur en buitenlandse literatuur nam toe. Technische ontwikkelingen hadden tot gevolg dat boeken en tijdschriften goedkoper konden worden uitgebracht en in grotere oplagen. Niet alleen het aantal potentiële lezers groeide dus, maar ook het aanbod voor dat publiek. Bij uitgevers leidden die ontwikkelingen tot een meer commerciële houding: er werd meer uitgegeven en er werd van nieuwe distributie- en marketingtechnieken gebruikgemaakt, bijvoorbeeld het uitgeven van boeken in series (zie Kuitert 1993 en 2001). Zo werd de eerste vertaling van de Commedia door A.S. Kok in 1863 door Kruseman uitgegeven in de serie Buitenlandsche Klassieken.

Door de groeiende belangstelling binnen de romantiek voor het exotische en het historische en voor de middeleeuwen, was de ontvankelijkheid voor Dante in die periode ook toegenomen. Een half millennium lijkt een uiterst lange periode, maar de grote afstand tussen verschijnen van origineel en vertalingen is in het geval van de Divina Commedia in Europees perspectief geen uitzondering. Van Heck plaatst de Nederlandse vertalingen in die bredere context en constateert dat de eerste Duitse vertaling dateert van 1767–1769, de eerste vertaling in het Engels verscheen in 1802 en de eerste Franse vertaling in 1811–1813. Alom lijkt er dus een uitgestelde receptie door middel van vertaling te zijn geweest. Volgens Van den Berg (1986: 46) gold Dante, net als Shakespeare, als een van de postklassieke auteurs die in verband werden gebracht met de term romantiek. In dat opzicht lijkt de late vertaling van de Divina Commedia te passen in een algemene ontwikkeling. Men is het er wel over eens dat in Nederland ook de romantiek als literaire stroming een verlate opkomst heeft gekend. In de jaren dertig van de negentiende eeuw bestond er weliswaar een verwaterde vorm van romantiek, maar die heeft niet lang standgehouden en pas in de aanloop naar de Beweging van Tachtig kan men spreken van een volwaardige romantische stroming; in het denken over vertalen is een soortgelijke ontwikkeling zichtbaar (cf. Van den Berg 1990 en Koster 2002). De vertalingen zelf hebben nauwelijks een rol gespeeld in de contemporaine poëticale discussies – de vertalers zijn merendeels pre-romantici en hadden zeker geen aansluiting bij de denkbeelden van de Tachtigers – maar ze hebben wel zeer veel aandacht voor Dante en voor de studie van Dante gegenereerd, wat aangeeft dat in het culturele klimaat van dat moment een grote ontvankelijkheid voor het werk bestond.

Cultureel kapitaal
De groeiende mogelijkheden tot publiceren in tijdschriften en in boekvorm gaf cultureel ambitieuze personen de gelegenheid zich in het openbaar te manifesteren. Naar het einde van de negentiende eeuw nam de professionalisering binnen het literaire veld toe, zij het moeizaam (zie Van Kalmthout 2003), en dat gold evenzeer voor de mogelijkheden om zich naast een (vrij) hoofdberoep in het openbaar bezig te houden met letterkundige activiteiten. Het vertalen van klassiekers werd daarbij gezien als een goede manier om cultureel kapitaal te verwerven.

Wat betreft hun achtergrond passen alle vijf de vroege vertalers van de Commedia goed in dit beeld. A.S. Kok (1831–1915), de eerste vertaler in de rij, had zich op het moment dat zijn Dantevertaling verscheen opgewerkt van onderwijzer in het lager onderwijs tot leraar Engels en Nederlands aan de in 1863 nieuw ingestelde onderwijsvorm, de hbs. Hij was niet actief als schrijver van oorspronkelijk werk, maar heeft veel vertaald. Niet alleen heeft hij de Divina Commedia als eerste in Nederland vertaald, ook was hij de eerste die Shakespeares volledige toneelwerken in het Nederlands vertaalde (zie Koster 2009). Kok was bovendien zeer actief als criticus, met name op het gebied van de Dantereceptie. In een hele reeks verschillende tijdschriften (onder meer Kunstkronijk, De Nederlandsche Spectator, Onze Eeuw) liet hij zich gelden als een van de leidende Dantebemiddelaars van zijn tijd.

De motieven van Kok om zich aan het vertalen van de Divina Commedia te zetten waren aanvankelijk persoonlijk van aard: hij vertaalde fragmenten ‘om beter door te dringen’ (Kok 1915) tot de tekst tijdens zijn studie van de dichter. Pas op verzoek van uitgever Kruseman ging hij over tot vertaling van de gehele Commedia. Een rechtvaardiging van zijn vertaling staat in een nawoord aan het eind van het derde deel en is voornamelijk gericht op de gekozen vorm. Hij volgt de terzinevorm, maar wisselt onregelmatig jambische tien- en elflettergrepige regels af en laat het rijm los. Zijn visie op het werk en op Dante zelf volgt het romantische standaarddiscours van Dante als de grote geest die het volledige leven en de kennis van zijn tijd op geniale wijze in één werk heeft ondergebracht.

De drie opvolgers van Kok (achtereenvolgens Hacke van Mijnden, Thoden van Velzen en Ten Kate) waren alle drie opgeleid tot dominee, de laatste twee waren ook als zodanig werkzaam. De combinatie van het beroep van predikant met letterkundige activiteiten was in de negentiende eeuw bijna klassiek (zie Bos 1997). De opleiding tot dominee bevatte veel aspecten die met literatuur te maken hadden, retorica bijvoorbeeld, en binnen de beroepsuitoefening was er voldoende gelegenheid zich met schrijven bezig te houden. Het kwam ook voor dat literair sensibele jongeren theologie gingen studeren juist vanwege de mogelijkheid om zich op een literaire carrière voor te bereiden – J.C. Hacke van Mijnden (1814–1873) is daar een voorbeeld van.

Hacke van Mijnden verruilde de studie theologie voor die van klassieke talen, promoveerde op een tijdgenoot van Dante en heeft zich na zijn promotie toegelegd op de (autodidactische) studie van Dante (zie Kuitert 1999). Hij was financieel onafhankelijk door een huwelijk met een rijke koopmansdochter en ging daarom als ambteloos burger door het leven. Naast zijn vertaling van de Divina Commedia heeft hij geen ander letterkundig werk verricht en het bijzondere van zijn vertaling is dat deze niet in de handel is geweest. Naar verluidt wilde Hacke van Mijnden niet dat zijn werk als commercieel vehikel werd gebruikt, zijn werk was een arbeid van liefde, en hij heeft dan ook zelf de niet onaanzienlijke kosten (ƒ 18.000) van de drie zeer luxueus verzorgde delen voor zijn rekening genomen en de oplage van driehonderd exemplaren onder vrienden uitgedeeld. De vertaling heeft dus nauwelijks in de openbaarheid gefunctioneerd, al werd het werk hier en daar wel (gunstig) besproken, met als gevolg dat de vertaling algauw een legendarische status verkreeg.

Evenals bij Kok waren de motieven bij Hacke van Mijnden dus vooral persoonlijk bepaald. Van alle vertalers komt zijn waardering voor Dante misschien nog het dichtst bij de intense romantische verering voor de dichter, maar in tegenstelling tot bij Kok (die een zelfverklaard atheïst was) speelt Hacke van Mijndens religieuze achtergrond in zijn visie op Dante wel een rol. In zijn voorrede bij het tweede deel van zijn vertaling, Het vagevuur, stelt hij: ‘[ik] kan Dante geen anderen naam geven, dan dien van voorlooper en wegbaner der hervorming, in zoverre hij strijd voert tegen de ontaarding van de kerk. Niet het dogma, maar de misbruiken der geestelijkheid valt hij aan’ (Hacke van Mijnden 1870: z.p.). Deze vorm van religieuze toe-eigening van Dante was overigens niet ongebruikelijk in die tijd.

Wat de vertaling zelf betreft sluit Hacke van Mijnden zich volledig aan bij het standaarddiscours van de romantiek (zie Koster 2002): ‘[…] ik heb getracht, èn den geest, èn den nauw daarmede verwante vorm van het dichtstuk te bewaren, door niet alleen, voor zoo verre ’t mogelijk was, regel voor regel en woordelijk te vertalen, maar ook vooral, door de terzine met hare driemaal herhaalde vrouwelijke (sleepende) eindrijmen na te volgen; het rijm toch maakt eigenlijk de terzine uit, die, zonder dat, van kleur en doel verstoken zou zijn’ (Hacke van Mijnden 1867: z.p.). Hoewel hij de mogelijkheid erkent van het afwisselen van mannelijk en vrouwelijk rijm en ook aangeeft dat die afwisseling beter bij het Nederlands past en dat bij de keuze daarvoor ‘mijn verzen welluidender en vloeiender hadden kunnen zijn’ en ‘wellicht de lezing aangenamer [ware] geworden’ (idem), heeft hij toch aan de oorspronkelijke vorm vastgehouden omdat hij anders ‘het doel, dat ik mij had voorgesteld – de hoogste getrouwheid door het volkomen bewaren van het eigenaardig karakter – niet [had] kunnen bereiken’ (idem).

Van de derde vertaler in de rij, U.W. Thoden van Velzen (1815–1892), is uit biografische bronnen niet veel anders bekend dan dat hij na zijn studie in Groningen in het Friese dorpje Bergum (later Bergumerheide) als dominee werkzaam is geweest. Uit bibliografische bronnen blijkt dat hij een paar religieus-didactische boekjes op zijn naam heeft staan, een enkele dichtbundel en een paar reisverhalen. Naast de Divina Commedia heeft hij geen andere werken vertaald.

Bij Thoden van Velzen zijn de motieven om zich met dit werk in te laten niet zozeer literair, maar vooral religieus van aard. In het ‘voorberigt’ bij deel twee, Het Vagevuur, stelt hij zijn eigen ‘zoo veel mogelijk getrouwe en met zorg bewerkte’ vertaling impliciet voor die van zijn twee voorgangers: ‘Is dit heerlijk gedicht, waaraan hemel en aarde hebben gewerkt, bij gebrek aan een verstaanbare dichterlijke vertaling, nog weinig bekend in ons land en staan wij daardoor zoo ten achter bij onze buren wij vertrouwen dat de arbeid, gewijd aan deze vertaling met korten inhoud en verklaring, Dante ook in ons Vaderland zal doen kennen en waarderen’ (Thoden van Velzen 1874: z.p.). De oorspronkelijke vorm heeft hij zo goed als losgelaten, ook hij wisselt tien- en elflettergrepige regels af, de tekst is niet in terzinen gesteld, maar heeft een soort kwatrijnstructuur waarbij alleen de even regels rijmen. Van enige aansluiting bij het romantische vertaaldiscours is hier geen sprake.

Dat geldt evenzeer voor Thoden van Velzens visie op Dante, die geheel wordt gekleurd door zijn eigen religieuze achtergrond. Veel sterker nog dan Hacke van Mijnden wijst hij op Dantes kritiek op de rooms-katholieke kerk en eigent hij zich de dichter toe als voorloper van het protestantisme: ‘Dante wordt teregt de profeet der hervorming genoemd. Reeds twee eeuwen vóór dat Luther en Zwingli optraden, heeft hij in zijn onsterfelijk gedicht met kracht zijn stem doen hooren tegen het Pausdom, dat de geheele Christelijke Gemeente deed afdwalen van het spoor der waarheid en geregtigheid en in een monster ontaarden, gelijk Joannes in zijne Openbaring beschreven had’ (idem). Thoden van Velzen projecteert Dante op zijn eigen tijd en op de rol van het toenmalige ultramontanisme (de katholieke stroming die het pauselijk gezag boven het nationaal gezag plaatste): ‘waardoor geheele natieën vervallen tot bijgeloof […] of tot ongeloof ’ (idem). Dante, zo stelt Thoden van Velzen, ‘roept ons tot waarheid en geregtigheid, als boetgezant, tot geloof en bekeering, als een Apostel, tot hervorming van kerk en maatschappij, als vriend der menschheid’ (idem).

J.J.L. ten Kate (1819–1889) is de enige van de hier besproken vertalers met een centrale positie in het literaire veld tijdens het derde kwart van de negentiende eeuw (over Ten Kate: zie Ploeger 2006 en Idema & Korteweg 1978). Hij was de bekendste dominee-dichter en oogstte met zijn werk, oorspronkelijk en vertaald, zowel lof als kritiek (hij zou een ‘versificateur’ zijn, iemand die te makkelijk rijmt en dicht). Na 1885 werd hij het mikpunt van de spot der Tachtigers, die hem bombardeerden tot hét voorbeeld van alles wat fout was aan de Nederlandse poëzie en tot het symbool van de negentiende-eeuwse Nederlandse zelfgenoegzaamheid. Bij een breder publiek was Ten Kate zeer populair, hij reisde het land door om lezingen te geven voor onveranderd volle zalen en zijn naam stond borg voor grote oplagen, ook van de vertalingen, en goede verkoopcijfers. Hij ontving dan ook vorstelijke honoraria voor zijn vertalingen, tot soms wel duizenden guldens toe – een vermogen in die tijd. Zijn oorspronkelijk werk was veelal didactisch-religieus van aard, met als hoogtepunten De schepping en De planeten, waarin hij probeerde moderne wetenschappelijke inzichten van de negentiende eeuw te verzoenen met christelijke dogma’s. De omvang van zijn vertaaloeuvre is indrukwekkend (voor een volledige lijst zie Ploeger 2005). Het omvat werken die passen bij zijn eigen religieuze achtergrond, zoals Miltons Paradise Lost en de Bijbelboeken Job en de Psalmen, maar ook werken van auteurs uit de wereldlijke canon als Shakespeare en Goethe.

Als enige van de vijf hier besproken vertalers heeft hij alleen het eerste boek van de Commedia vertaald. Op de vorm die Ten Kate had gekozen, door hem in de zelfdeclaratie ‘de dichtmaat van ’t oorspronkelijk’ genoemd, is door sommigen, zoals we later zullen zien, uiterst negatief gereageerd. Hij heeft de terzinenstructuur gehandhaafd met het oorspronkelijke rijmschema, maar gebruikte afwisselend vrouwelijk en mannelijk rijm.

Over zijn beweegredenen om zich met Dante bezig te houden heeft Ten Kate zich niet uitgelaten. De uitgave is wel van een korte uitleg bij de zangen en van aantekeningen voorzien, maar een voor- of nawoord ontbreekt. Wel gaat aan de vertaling een gedicht van Ten Kate over de Commedia vooraf waarin hij Dantes ‘Dicht’ een ‘Symbool der Weêrgeboorte uit zonde en smarte,/die ’t menschlijk leven godlijk loutren moet’ noemt en wijst op de universele toepasbaarheid van dat symbool op ‘’t drama van elk harte’. Dat Ten Kate zich verder niet uitlaat over religieus-ideologische implicaties van het werk zal ook te maken hebben met de aard van het boek. Kruseman had de uitgave van Hacke van Mijnden al voorzien van illustraties van Gustave Doré. De rechten van de platen waren overgegaan op uitgeverij Sijthoff, die graag een luxe geïllustreerde band wilde uitbrengen en met het oog daarop Ten Kate voor de vertaling had gevraagd, mede omdat hij in 1846al een aantal vertaalde zangen van de Commedia had gepubliceerd in het Algemeen Letterlievend Maandschrift. Pas na enig aandringen en het aanbod van een aantrekkelijk honorarium was Ten Kate akkoord gegaan met de opdracht van Sijthoff. Bij een salontafelboek voor een breed publiek achtte men allicht een begeleidende ideologische tekst niet op zijn plaats.

In hetzelfde jaar als de uitgave van Ten Kates Hel kwam het eerste deel van de integrale Commedia-vertaling van Mr. Joan Bohl (1836–1908) uit. Hoewel Bohl aanvankelijk een loopbaan in de handel ambieerde, vestigde hij zich na een studie rechten als advocaat in Amsterdam. Wat voor de opleiding tot beroep van dominee gold, ging feitelijk ook op voor de studie rechten. De elementen daarin die ook tot de habitus van de schrijver hoorden, trokken literair ambitieuze lieden aan en onder de negentiende-eeuwse schrijvers is dan ook een redelijk aantal jurist geweest, met als bekendste Jacob van Lennep (zie Mathijssen 1987: 72).

Bohl is de enige van de vroege Dantevertalers die uitgesproken katholiek was. Hij was zeer actief in kerkelijke kringen en ging aanvankelijk vriendschappelijk om met H.J.A.M. Schaepman, de priester-dichter die later de politieke leidsman van de katholieke emancipatie zou worden, de beweging die voor katholieken een gelijkwaardige culturele, sociale en politieke positie nastreefde (zie Rogier & De Rooy 1953). Samen met Schaepman voerde hij de redactie over het tijdschrift De Wachter, maar na een ruzie ging Bohl daarmee alleen verder en gaf hij het tijdschrift de ondertitel ‘Nederlandsch Dante-orgaan’, waarmee hij Dante en diens Nederlandse receptie min of meer claimde.

Op literair gebied heeft Bohl veel gepubliceerd aan romans, novellen en gedichten, maar het merendeel van zijn werk is in vergetelheid geraakt. Het bekendst zijn nog zijn Canzonen (gedichten in danteske terzinen), die vakkundig gefileerd werden door Willem Kloos in een van de eerste afleveringen van De nieuwe gids (Kloos 1885). Het lot als kop van Jut te dienen voor de Tachtigers deelde hij dus met Ten Kate.

Wat betreft de te verkiezen vorm laat Bohl zich als de strengste vertaler gelden – hij laat zich sowieso gelden als iemand die niet twijfelt aan zijn eigen gelijk. De vorm van het origineel moet op alle punten gehandhaafd blijven, elke afwijking doet af aan de symboolwaarde van de oorspronkelijke tekst en bedoelingen. Voor Bohl was het uitgangspunt in wezen heel eenvoudig: ‘Het komt er slechts op aan, Dante Nederlandsch te laten spreken, geheel op de zelfde wijze als hij Italiaansch spreekt’ (Bohl 1876: 455).

Bohls visie op Dante ligt dicht bij die van Hacke van Mijnden, in de zin dat hij sterk de nadruk legt op de persoonlijke geschiedenis en houding van Dante en blijk geeft van een bijna kritiekloze romantische verering. Voor Bohl was Dante een moreel baken, een man die streed voor waarheid en rechtvaardigheid, een thema dat voor Bohl zelf kennelijk ook actueel was. Hij laat althans niet af erop te wijzen dat situaties en gebeurtenissen die Dante beschrijft ook in de negentiende eeuw nog van toepassing zijn. Wat betreft de religieuze en spirituele dimensie van Dante stond voor Bohl vast dat hij tot zijn eigen gezindte hoorde: ‘Er is vaak getwist over Dante’s kerkelijk geloof. Verschillende gezindten hebben hem als den hunne uitgeroepen. Het is onnoodig hun, die zijne katholieke rechtzinnigheid niet erkennen, te woord te staan’ (Bohl 1879: 498).

Poëticale debatten
De negentiende-eeuwse vertalingen van Dantes hoofdwerk stonden volop in de belangstelling. Er werd uitgebreid op gereageerd in de vele literaire tijdschriften van de periode, ook door de vertalers zelf, die zich vrijelijk over de anderen uitspraken. Het beeld dat daar aanvankelijk uit naar voren komt is dat Kok een verdienstelijk vertaler was, zij het niet voldoende poëtisch begaafd, maar dat hem wel de eer toekwam de eerste te zijn geweest en dat hij voor de studie van Dante van onschatbare waarde was, dat Hacke van Mijnden met zijn altruïstische houding en zijn streven naar volledige weergave een zeer lofwaardige vertaling had geproduceerd en dat Thoden van Velzen er een potje van had gemaakt. Met de gelijktijdige publicatie van de vertalingen van Ten Kate en Bohl komt er echter een kwaadaardige toon in de discussie rond de Dantevertaling. Voor een groot deel richtte die discussie zich op esthetische keuzes, maar het heeft er alle schijn van dat godsdienstige kwesties op de achtergrond ook een rol speelden.

De vertaalpoëticale discussies gingen vooral over de vormkeuzes van de vertalers en dan met name over de vraag of er net als in het Italiaanse origineel in het Nederlands uitsluitend van vrouwelijke, slepende rijmen gebruikgemaakt moest worden. Hacke van Mijnden en Bohl hadden dat wel gedaan, de andere drie niet. Kok had helemaal van rijm afgezien, Thoden van Velzen rijmde om de regel en Ten Kate had de terzinenstructuur behouden, maar had afwisselend staand en slepend rijm gebruikt. Het argument om af te wisselen was dat anders het gedicht te eentonig zou worden, een opvatting die nog steeds opgeld doet, zoals ook blijkt uit een recente vertaling als die van Verstegen en Cialona. De argumenten tegen afwisseling betroffen de aard van de brontekst en de diepere betekenis die aan de structuur van de Commedia werd toegeschreven. Met name Bohl maakte daar vanuit zijn katholieke achtergrond een punt van. Hij sluit zich bijvoorbeeld aan bij de interpretatie dat de 33 lettergrepen van elke terzine (drie regels van elf lettergrepen, dus inclusief de laatste onbeklemtoonde vrouwelijk rijmende lettergreep) staan voor het aantal levensjaren van Christus. Wanneer door afwisseling van staande en slepende rijmen het totaal aantal lettergrepen op 31 of 32 komt, zo luidt zijn redenering, wordt aan de oorspronkelijke bedoeling van Dante onrecht gedaan en dat acht hij onvergeeflijk.

Bohl moet geen ruimhartig man geweest zijn, want hij breekt voortdurend de staf over iedereen die het niet met hem eens is (en die niet ziet hoe groots Dante is en vooral hoe groots Bohl zelf is). De vele nawoorden bij verschillende uitgaven van zijn vertalingen, maar ook de pagina’s van zijn ‘Dante-orgaan’ De Wachter, staan vol litanieën van loftuitingen aan het adres van Bohl (door derden, maar geregeld ook door hemzelf) en klaagzangen over het minne volk dat hem niet erkent. In dat licht is het geen wonder dat hij voor de vertaling van Ten Kate geen goed woord over had, al is dat nogal zacht uitgedrukt. Zonder overdrijving kan gesteld worden dat Bohl als een wilde tekeer ging tegen de vertaling (en de persoon) van Ten Kate. Hij begint wat allengs zal uitgroeien tot een ware campagne met een artikel getiteld ‘Een kreupele Dante’ in De Nederlandsche kunstbode van 25 oktober 1876, waarin hij zijn verbazing en verontwaardiging uitspreekt over het feit dat Ten Kate zijn vertaling het onderschrift ‘in de dichtmaat van ’t oorspronkelijk’ meegeeft en niettemin slepende met staande rijmen afwisselt. Hij heeft het over een ‘boeren-kermis-maat’ en lezers die ‘zich deze hollandsche knol voor italiaansche citroen in de hand laten stoppen’ (Bohl 1876a: 156, 157). Daarnaast verwijt hij Ten Kate gebruik te hebben gemaakt van Duitse tussenvertalingen en daarop ook zijn visie op Dante te hebben gebaseerd. Bohl zelf, zo blijkt ook uit diverse latere stukken, aanvaardt alleen het gezag van Italiaanse Dantestudies met een roomse achtergrond. Een week later reageert Ten Kate in hetzelfde blad, aanvankelijk nog verbouwereerd, maar hij houdt vol dat de afwisseling van rijmen niet betekent dat er geen sprake zou zijn van terzinen en ziet geen kwaad in het nuttig gebruik van de hulp van andermans vertalingen. Als hij eenmaal op gang is beschuldigt hij Bohl verdekt van plagiaat, zijn vertaling zou hier en daar wel erg lijken op die van Hacke van Mijnden en Kok, en stelt dat Bohl niet gerechtigd is tot kritiek, omdat zijn vertaling veel fouten bevat, zowel tegen het Italiaans als tegen het Nederlands. Bohl krijgt vervolgens de gelegenheid om in drie achtereenvolgende afleveringen nog eens tien pagina’s voluit van leer te trekken tegen Ten Kate, op triomfantelijke toon, want in de ogen van Bohl heeft Ten Kate zijn zonden toegegeven (Bohl 1876b), de argumenten doen er niet veel toe, zo lijkt het.

Godsdiensttwist?
Bohl begint daarna een campagne om zijn eigen gezag als vertaler en als dantoloog van zuiver Italiaanse snit te vestigen. Hij publiceert zijn tekst uit De Nederlandsche kunstbode (overigens uitgegeven bij De Graaff in Haarlem, die ook Bohls vertaling van Inferno in boekvorm uitgaf) ook nog eens in zijn eigen tijdschrift De Wachter en vermeldt en citeert (vaak in complete vorm) in bijna elk nummer gunstige besprekingen van zijn vertaling. Veelal zijn die besprekingen afkomstig van geloofsgenoten van Bohl, zoals bijvoorbeeld P.F.Th. van Hoogstraten O.P. in De katholiek, een rechtgeaard klerikaal tijdschrift (zie Rogier & De Rooy 1953: 279). Hoewel de discussie rond beide vertalingen voornamelijk lijkt te gaan over vertaalpoëticale kwesties en de vraag wiens visie op Dante het meeste gezag heeft en niet over katholieke dogmatiek in verband met Dantes tekst, heeft het er alle schijn van dat er bij Bohl in ieder geval voor een deel godsdienstige motieven meespeelden.

Bohls aanval op Ten Kate had ongetwijfeld ook te maken met zijn chagrijn over de omstandigheid dat diens vertaling ongeveer tegelijkertijd uitkwam als de zijne en ook nog eens in een luxe editie. De neiging om zich Dante volledig toe te eigenen en de pogingen om de Dantereceptie te monopoliseren in zijn ‘Dante-orgaan’ De wachter, waren waarschijnlijk ingegeven door zijn persoonlijke dispositie en ambitie, maar in die toe-eigening en de sterke Italiaanse gerichtheid ervan wilde hij Dante tot een negentiende-eeuwse exclusief roomse dichter maken. In de negentiende-eeuwse receptie van Dante waren de godsdienstige aspecten van het werk overigens duidelijk wel een thema (zie Persyn 1921 en Cohen 1929) en de vertalingen en de hier besproken debatten eromheen kunnen ook tegen die achtergrond worden gezien. De wens tot emancipatie onder katholieken, het streven naar gelijkheid en volwaardigheid bracht ook een bepaalde verongelijktheid met zich mee en was als elke vorm van emancipatie mede gebaseerd op verontwaardiging over achterstelling. Het discours van Bohl, dat grotendeels een discours van zelflegitimatie is, past daar goed in. Dat er in tien jaar tijd drie vertalingen van de Commedia verschenen gemaakt door vertegenwoordigers van het protestantisme moet hem een fikse doorn in het oog geweest zijn. Dat verklaart misschien mede de extreme felheid en vasthoudendheid waarmee hij zich heeft verzet tegen de vertaling van Ten Kate, die door zijn bekendheid veel meer dan Hacke van Mijnden of Thoden van Velzen als een boegbeeld van het protestantisme gold. Door dat verzet eiste hij met veel geweld ruimte voor zichzelf op, als vertaler, als Dantekenner, maar ook als katholiek.

Het lot van alle hervertalingen van klassiekers is dat ze zelf ook weer worden opgevolgd. Dat gold natuurlijk evenzeer voor de vertaling van Bohl, die in 1901 werd opgevolgd door een vertaling van de dominicaner monnik P.B. Haghebaert. Een door en door katholieke vertaling dus, die zelfs het imprimatur van het kerkelijk gezag mocht dragen. Het was een vertaling in proza. Wat Bohl, die nog leefde toen de vertaling uitkwam, daarvan dacht is niet gedocumenteerd, maar hij zal allicht gemengde gevoelens hebben gehad. Dat zijn vertaling werd opgevolgd door die van een geloofsgenoot moet hem gezind hebben, maar dat daarin voor de meest losse vorm was gekozen zal hem toch het schuim op de mond hebben gebracht.

ERRATUM
Bij de papieren versie van dit stuk is per abuis de volgende mededeling weggevallen:

Dit artikel is gebaseerd op zelfstandig onderzoek van bronnen die in 2003 en 2004 onder leiding van de auteur zijn verzameld in het kader van de cursus Algemene Vertaalwetenschap 2 van de Universiteit Utrecht door Bob Kortz, Angelica Nobriega en Jacqueline Plitscher, van wie de laatste over dit materiaal onder begeleiding van de auteur een doctoraalscriptie schreef.

 

Bibliografie
Berg, W. van den. 1986. ‘Romantiek in de Nederlandse letterkunde’, in: G.J. van Bork & N. Laan, Twee eeuwen literatuurgeschiedenis. Poëticale opvattingen in de Nederlandse literatuur. Groningen: Wolters-Noordhoff, p. 44–54.

Berg, W. van den. 1990. ‘Nederlandse romantiek, een verschijnsel in de marge?’, De Gids, 153:2, p. 126–135.

Bohl, Joan. 1876. ‘Rekenschap’, in: Dante Alighieri, De Goddelijke komedie. Eerste lied. De Hel. Haarlem: W.G. de Graaff.

Bohl, Joan. 1876a. ‘Een kreupele Dante’, De Nederlandsche Kunstbode, 18 oktober, p. 155–158

Bohl, Joan. 1876b. ‘Dante, mank aan beide zijden’, De Nederlandsche Kunstbode, 25 november, p. 172–175; 10 december, p. 179–181; 25 december, p. 186–189.

Bohl, Joan. 1879. ‘Verantwoording’, in: Dante Alighieri, De Goddelijke komedie. Tweede lied. Het Vagevuur. Amsterdam: Beerendonk.

Bos, David J. 1997. ‘“Dienaren des Woords”. Godgeleerden in de negentiende-eeuwse Nederlandse letterkunde’, De Negentiende Eeuw, 21:3, p. 153–182.

Cohen, J.L. 1929. Dante in de Nederlandsche letterkunde. Haarlem: Tjeenk Willink.

Hacke van Mijnden, J.C. 1867. De komedie van Dante Alighieri, De hel. Haarlem: A.C. Kruseman.

Hacke van Mijnden, J.C. 1870. De komedie van Dante Alighieri, Het vagevuur. Haarlem: A.C. Kruseman.

Heck, Paul van. 2003. ‘Ciò che poeta la lingua nostra. One Hundred and More Years of Dante Translations into Dutch’, in: Ronald de Rooy (ed.), Divine Comedies for the New Millenium. Recent Dante Translations in America and The Netherlands. Amsterdam: Amsterdam University Press, p. 75–128.

Idema, Wilt & Anton Korteweg. 1978. Vinger Gods, wat zijt gij groot, Een bloemlezing uit het werk van de dominee-dichters Nicolaas Beets, J.P. Hasebroek, Bernard ter Haar, J.J.L. ten Kate en Eliza Laurillard. Amsterdam: De Arbeiderspers.

Kalmthout, Ton van. 2001. ‘Naar een volwaardige broodwinning. De moeizame professionalisering van Nederlandse en Vlaamse literatoren 1875–1914’, Boekmancahier, 13:47, p. 35–48.

Kate, J.J.L. ten. 1876. ‘“Een kreupele Dante”’, De Nederlandsche kunstbode, 10 november, p. 153–155.

Kloos, Willem. 1885. ‘Literaire Kroniek’, De nieuwe gids, 1, deel 1, p. 486–506. http://www.dbnl.org/tekst/_nie002nieu01_01/_nie002nieu01_01_0029.php. [Geraadpleegd 25 augustus 2014.]

Kok, A.S. 1915. ‘Levensbericht van A.S. Kok. 10 Juni 1831–15 Januari 1915. Autobiografische aanteekeningen. Met een inleidend woord van Jhr. Dr. B.H.C.K. van der Wijck’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1915, p. 78–108. http://www.dbnl.nl/tekst/_jaa003191501_01/_jaa003191501_01_0013.htm. [Geraadpleegd 25 augustus 2014.]

Koster, Cees. 2002. De Hollandsche Vertaalmolen. Nederlandse beschouwingen over vertalen, 1820–1885. (Verzameld en ingeleid door Cees Koster. Reeks Vertaalhistorie, deel 5a) Den Haag: Stichting Bibliographia Neerlandica.

Koster, Cees. 2007. ‘Inleiding’, in: Cees Koster (ed.), Tussen roem en vergetelheid. Terug naar de negentiende eeuw, Filter, 14:3, p. 3–4.

Koster, Cees. 2009. ‘Fame and Fortune in the Field of Shakespeare Translation: the Case of A.S. Kok’, in: T. Toremans & W. Verschueren (eds.), Crossing Cultures. Nineteenth-Century Anglophone Literature in the Low Countries. Leuven: Leuven University Press, p. 21–34.

Kuitert, Lisa. 1993. Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series in Nederland 1850–1900. Amsterdam: De Buitenkant.

Kuitert, Lisa. 1999. ‘Negentiende-eeuwse verering van een middeleeuws genie. De Dante-vertaling van J.C. Hacke van Mijnden’, in: K.D. Beekman e.a. (eds.), De as van de Romantiek. Opstellen aangeboden bij het afscheid van Willem van den Berg. Amsterdam: Vossiuspers AUP, p. 129–141.

Kuitert, Lisa. 2001. ‘Schrijver van beroep. De professionalisering van de literaire auteur in de negentiende eeuw’, Boekmancahier, 13:47, p. 23–33.

Mathijsen, Marita. 1987. Het literaire leven in de negentiende eeuw. Leiden: Martinus Nijhoff.

Persyn, J. 1921. ‘Dante in de Nederlandsche letterkunde’, Dietsche Warande en Belfort, 21:7, p. 269–309.

Ploeger, Lieke. 2006. ‘Verwijding van de horizon der kennis – J.J.L. ten Kate als vertaler’. Doctoraalscriptie Universiteit Utrecht.

http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/8214. [Geraadpleegd 30 augustus 2014.]

Ploeger, Lieke. 2006. ‘Tussen christendom en poëzie – J.J.L. ten Kate als vertaler’, Filter, 13:2, p. 49–54.

Rogier, L.J. & N. de Rooy. 1953. In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853–1953. N.V. Den Haag: Uitgeversmij Pax.

Thoden van Velzen, U.W. 1874. De Goddelijke Comedie van Dante Alighieri, deel II, Het vagevuur. Leeuwarden: A. Jongbloed.

Venuti, Lawrence. 2004. ‘Hoe hervertalingen waarde tot stand brengen’. Filter, 21:3, p. 12–18