Gisteren nog sprak ik de dood, vandaag ben ik bang    52-56

Christophe Declerq

I don’t believe in God, but I miss Him. That’s what I say when the question is put. I asked my brother, who has taught philosophy at Oxford, Geneva and the Sorbonne, what he thought of such a statement, without revealing that it was my own. He replied with a single word: ‘Soppy.’ (1)

Ik geloof niet in God, maar ik mis Hem. Dat zeg ik als we tot stemming overgaan. Toen ik mijn broer, die filosofie heeft gedoceerd aan de Sorbonne, in Oxford en in Genève, vroeg wat hij van zo’n uitspraak vond (zonder te zeggen dat hij van mij kwam), bestond zijn antwoord uit één woord: ‘klef’. (7)

Julian Barnes, tweeënzestig, drie keer op de shortlist voor de Man Booker Prize en Commandeur de l’Ordre des Arts et des Lettres, denkt de laatste tijd erg veel na over de dood en gedurende 250 bladzijden confronteert hij de lezer met deze thanatofobie: fictie, memoire, biografie1, familiekroniek, essay of zelfs filosofie, Nothing To Be Frightened Of / Niets Te Vrezen, vertaald voor Atlas door Sjaak de Jong2, is een niet alledaags werkstuk. Volgens Pieter Steinz bezit Barnes dan ook het ‘vermogen om te spotten met literaire conventies en tegelijkertijd pakkende verhalen in diverse stijlen te vertellen’ (nrcboeken.nl). 

Niets Te Vrezen kreeg vooral in Amerika enkele zeer lovende kritieken, voor The New York Times behoorde het tot beste tien boeken van 2008.3 In Engeland verkocht het boek beter dan verwacht (gezien het onderwerp) en de recensies in The Times, The Guardian en in mindere mate ook The Independent waren lovend. Dat in die laatste krant de recensent meer moeite had om het boek in een voor de lezer begrijpbaar perspectief te plaatsen, had vooral te maken met de persoonlijke invulling van het thema.4 

When my mother died, the undertaker from a nearby village asked if the family wanted to see the body. I said yes, my brother no. Actually, his reply – when I telephoned through the question – was, ‘Good God, no. I agree with Plato on that one.’ I didn’t have the text he was referring to immediately in mind. ‘What did Plato say?’ I asked. ‘That he didn’t believe in seeing dead bodies.’ (9)
(…)
Wanting to see her dead came more, I admit, from writerly curiosity than filial feeling; but there was a bidding farewell to be done, for all my long exasperation with her. ‘Well done, Ma.’ I told her quietly. She had, indeed, done the dying ‘better’ than my father. (11)

Na het overlijden van mijn moeder vroeg de uitvaartbezorger of de nabestaanden haar nog een keer wilden zien. Ik zei ja en mijn broer, toen ik hem de vraag had doorgebeld, zei nee. In feite luidde zijn antwoord: ‘God, nee. Daarin ben ik het met Plato eens.’ Aan welke tekst hij refereerde had ik niet meteen paraat. ‘Wat zegt Plato?’ vroeg ik. ‘Dat hij niet geloofde in lijken zien.’
(…)
Dat ik haar nog wilde zien komt, moet ik bekennen, eerder voort uit de nieuwsgierigheid van een schrijver dan uit de liefde van een zoon, en ook vereisten al die jaren van woede een grafzang. ‘Goed gedaan, mam,’ zei ik zachtjes. Sterven had ze beslist beter ‘aangepakt’ dan mijn vader. (16–17)

De inhoud en betekenis van de brontekst worden door vertaler de Jong steevast functioneel overgezet – de doeltekst staat als een tekst op zich – al vertoont de vertaling hier en daar kleine schaafwonden waarbij andere vertalers even steevast geneigd zijn een nieuwe pleister op het wondje te leggen. Het ergste doekje voor het bloeden is toch wel het wegvallen van ‘from a nearby village’, dat ontegensprekelijk een erg plaatselijke belang hecht aan het overlijden van de moeder. Verschuivingen zijn meestal gemotiveerd, zo wordt ‘there was a bidding farewell to be done, for all my long exasperation with her’ vertaald als ‘ook vereisten al die jaren van woede een grafzang’. Er is niets fout om aan die grafzang het expliciete ‘voor haar’ toe te voegen, zoals in de brontekst, alsook een ‘gepaste’ grafzang. De doelzin blijft echter overeind, meer dan bijvoorbeeld bij ‘dat zeg ik als we tot stemming overgaan’ uit het openingscitaat, of de titel van het boek, beide zijn prima zelfstandige equivalenten, maar veel vertalers zouden oeverloos kunnen twisten over deze of gene equivalent: ‘dat zeg ik als mij de vraag wordt gesteld’, ‘Niets om bang voor te zijn’.

Anekdotische voorvallen lopen over in behoorlijk abstracte overpeinzingen over de dood en essayistische analyses van familieverhoudingen. Een bindend element hierbij is de verteltrant van Barnes, die eerder lichtvoetig is en aansluit bij de humor en de ironie die voortdurend opduiken. De ironie als ideale pantser tegen de doodsangst.

As a young man, I was terrified of flying. The book I would choose to read on a plane would be something I felt appropriate to have found on my corpse. I remember taking Bouvard et Pécuchet on a flight from Paris to London, deluding myself that after the inevitable crash a) there would be an identifiable body on which it might be found; b) that Flaubert in French paperback would survive impact and flames; c) that when recovered, it would still be grasped in my miraculously surviving (if perhaps severed) hand, a stiffened forefinger bookmarking a particularly admired passage, of which posterity would therefore take note. (105–106)

Als jonge man had ik een enorme vliegangst. Ik koos boeken voor in het vliegtuig waarmee ik in mijn ogen gevonden mocht worden. Ik herinner me dat ik op een vlucht van Parijs naar Londen Bouvard et Pécuchet bij me had vanuit de waanbeelden dat het na het onvermijdelijke neerstorten (a) op een identificeerbaar lijk zou worden aangetroffen, (b) als Franse paperback van Flaubert de klap en de vlammen zou overleven en (c) zich na de berging nog stevig in mijn miraculeus intact gebleven maar wellicht fataal afgerukte hand zou bevinden, waarvan de verstijfde wijsvinger naar een hoogewaardeerde passage zou wijzen, hetgeen het nageslacht dan ook zou opmerken. (111–112)

Zoals bij het lezen van besprekingen van Nothing to be Frightened of (in Britse en Amerikaanse kranten en literaire tijdschriften) opvalt dat het niet eenvoudig is om bij die analyse enkel de brontekst te bekijken vanuit een kritisch oogpunt, zo is het eveneens niet eenvoudig om bij een analyse van de vertaling de geselecteerde vertaalkeuzes op hun meerwaarde te taxeren zonder daarbij in dezelfde val te trappen en mee te gaan in de thematiek van Barnes. Keuzes van de vertaler moeten dan ook vooral worden afgewogen tegen het geheel van de tekst. Blijft de vertaling overeind? Is de betekenisoverdracht passend en functioneel?

‘I don’t know if God exists, but it would be better for His reputation if He didn’t.’ (46)

‘Of God bestaat weet ik niet, maar als Hij Zijn eer wil redden, was het beter dat Hij niet bestond.’ (52)

Of:

My brother and I have inherited some things in common. Our four ears have sprouted three deaf aids between them. (67)

Een aantal dingen hebben mijn broer en ik allebei geërfd. Uit onze vier oren steken drie gehoorapparaten. (72)

Het ‘groeien’ van hoorapparaten is minder aanwezig in de vertaling, waar De Jong opteerde voor een meer feitelijke, ietwat kalere, aanpak, een schaafwondje. Dat in de brontekst hij en zijn broer dingen ‘gemeen hebben’, kan je daarentegen wel mooi naast ‘allebei’ plaatsen.

Julian Barnes flirt al langer met de dood in zijn werk: in zijn fictieve geschiedenis A History of the World in 10½ Chapters (in 1991 vertaald voor de Arbeiderspers door Else Hoog) wordt de hemel omschreven als een plek waar alle uitspattingen mogelijk zijn, continu, maar waar iedereen oververzadigd en verveeld kiest voor het totale niets (‘annihilation’5). Echter, waar de jongere Barnes nog uitvoerig speelde met het concept van dit totale niets, is het bij Niets te Vrezen juist dat wat hem ongelooflijk bang maakt en elke nacht doet wakker worden, vuist in het kussen, schreeuwend ‘neen, neen, neen’. 

(Her friend Henry James defined life as ‘a predicament before death’. And his friend Turgenev believed that the most interesting part of life is death’.) (131)

(Haar vriend Henry James omschreef het leven als ‘de hachelijke toestand die aan de dood voorafgaat.’ En zijn vriend Toergenjev vond ‘de dood het meest boeiende deel van het leven.’) (136) 

Of:

I have seen two dead people, and touched one of them; but I’ve never seen anyone die, and maybe never do so, unless and until I see myself die. (132)

Ik heb twee keer een dode gezien en een ervan heb ik aangeraakt, maar ik heb nooit iemand zien doodgaan en tenzij ik het bij mezelf zie gebeuren, komt het er misschien helemaal niet meer van. (138) 

Bemerk hoe in het laatste fragment er – alweer – een kleine weglating ontstaat wanneer ‘unless and until’ slechts wordt omgezet als ‘tenzij’. En ook: de ‘één ‘die nu zonder accenten wordt aangehouden (zie het openingsfragment voor het omgekeerde). On the whole minuscule storinkjes, lichte ruis op de doeltekst, details die de vertaling als tekst op zich niet aantasten, maar je wel meer op de hoede houden voor eventuele verdere kleine euvels (een zekere vermoeidheid die binnensluipt wanneer je over de helft van de tekst bent?).

Met de openlijke toonbank aan encyclopedische kennis van filosofen en vraagstukken over leven en dood, breidt Barnes een verlengstuk aan de zoektocht naar kennis door de hem zo begeerde Gustave Flaubert (Flauberts Papegaai, eveneens vertaald door Else Hoog voor de Arbeiderspers, 19856): Jules Renard flaneert volop door de tekst, John Bowker, Dylan Thomas en zijn ‘Do Not Go Gentle Into That Good Night’ ook, net als Philip Larkin, Philip Roth, Alphonse Daudet, Somerset Maugham, Montaigne, Zola. De lijst is lang, de intertekstualiteit groot, alsook de opeenstapeling van (veelal erg korte) citaten. Die gebruikte citaten of anekdotes passen voor het overgrote deel wonderwel in het verhaal, in de verhaallijn, in de Barnesaanpak, maar soms – net zoals de stem van een erg doordrammende professor – dreigt de evenwichtsoefening faliekant af te lopen. De auteur houdt zichzelf en zijn fobie echter net genoeg in de hand om dat niet te laten gebeuren en Sjaak de Jong volgt de brontekst daarin erg nauwkeurig.7

Fiction and life are different; with fiction, the writer does the hard work for us. Fictional characters are easier to ‘see’, given a competent novelist – and a competent reader. They are placed at a certain distance, moved this way and that, posed to catch the light, turned to reveal their depth; irony, that infrared camera for filming in the dark, shows them when they are not aware that anyone is looking. But life is different. The better you know someone, the less well you often see them (and the less well they can therefore be transferred into fiction). (156–157)

Fictie en leven zijn twee verschillende dingen. Bij fictie is het de schrijver die het echte werk doet. Fictieve personages ‘zie’ je makkelijker, mits je een vaardige schrijver hebt (en een vaardige lezer). Ze komen op zekere afstand van elkaar te staan, worden allerlei kanten opgeschoven, in het licht gezet en omgedraaid teneinde hun capaciteiten te onthullen. Ironie, de infraroodcamera voor in het donker, maakt dat ze zich onbespied wanen. Maar het leven is anders. Vaak zie je mensen minder goed (en zijn ze minder goed naar fictie over te brengen) naarmate je ze beter kent. (162)

Hoewel het niet meteen mogelijk is te achterhalen met welke richtingaanwijzingen De Jong de vertaling aanvatte, welke de specifieke vertaalpoëtica is die de vertaler beoogt, de eerder lineaire verhouding tussen brontekst en vertaling enerzijds en de toch voornamelijk functionele interpretatieve momenten anderzijds zorgen dat De Jong gelijke tred houdt met de soms toch sterk wisselende stijlen en registers.

Er valt misschien wat te rapen voor de milde kritiek van Marnix Verplancke in De Morgen (15 oktober 2008), die stelt dat het werk naar het einde toe langzaamaan aan humor inboet en Barnes zelfs de dood aan het lijntje houdt. Dat is echter geen probleem voor de De Jong, die hier verderwerkt aan een geslaagde doeltekst, met een beperkte eigen inbreng, alles steeds naar zowel letter als geest van de brontekst omzet, zij het niet zonder de sporadische schaafwondjes (helaas delen weinig uitgevers de visie van Barnes dat een geslaagde vertaling maken eigenlijk langer duurt dan het schrijven zelf). Toch blijft Niets te vrezen ook in het Nederlands een van de opmerkelijkste boeken van het voorbije jaar.

We live, we die, we are remembered, – ‘misremember me correctly’, we should instruct – we are forgotten. For writers, the process of being forgotten isn’t clear-cut. ‘Is it better for a writer to die before he is forgotten or to be forgotten before he dies?’ (225)

We leven, we sterven, we worden herinnerd – ‘herinner me correct verkeerd’, zou de instructie moeten luiden –, we raken vergeten. Bij schrijvers ligt het proces van vergeten raken niet zo duidelijk. ‘Kan een schrijver het best vergeten raken voor hij sterft of het best sterven voor hij vergeten raakt?’ (230)

Julian Barnes, Niets te vrezen. Vertaald door Sjaak de Jong. Amsterdam/ Antwerpen: Atlas, 2008.

Noten
1 In die sectie vond ik mijn Engelse uitgave in Waterstones op Piccadilly.
2 Sjaak de Jong, vertaalde reeds onder meer Dorris Lessing, Michael Frayn, James MacBride en James Frey voor uitgeverijen als Meulenhoff, De Bezige Bij, Atlas, Contact, Querido. Hij werkt al vijftien jaar als vertaler en kreeg ook verschillende werkbeurzen bij het Fonds voor de Letteren.
3 ‘This absorbing memoir traces Barnes’s progress from atheism (at age 20) to agnosticism (at 60) and examines the problem of religion not by rehashing the familiar quarrel between science and mystery, but rather by weighing the timeless questions of mortality and aging. Barnes distills his own experiences – and those of his parents and brother – in polished and wise sentences that recall the writing of Montaigne, Flaubert and the other French masters he includes in his discussion’ (New York Times, 14-12-2008).
4 In The Independent blijft de recensent maar doorgaan over het gelijk van Barnes, of net niet, wat de boekenbijlagelezer erg weinig ruimte geeft om iets van het besproken boek te smaken.
5 Het concept ‘annihilation’ keert terug in Niets te vrezen: ‘the consciousness sees to it that its complete annihilation is never experienced’ (138) / Zo ‘maakt het bewustzijn dat de totale vernietiging ervan niet wordt ervaren’ (143).
6 In het midden van de jaren tachtig behoorde Barnes tot het kruim van de nieuwe generatie Britse auteurs, samen met onder anderen Martin Amis, Kazuo Ishiguro, Ian McEwan en Salman Rushdie. Barnes en Amis zouden later breken met elkaar. Patricia Kavanagh, de vrouw van Barnes was de literaire agente van Amis en zij stierf in oktober 2008.
7 In een interview met The Oxonian Review of Books verwijst Barnes zelf naar de vertaaldaad (naar aanleiding van zijn eigen vertaling van notities van Daudet): ‘I think a good translation probably takes longer than the original writing.’ 

Bibliografie
Alexander, Ken. 2008. ‘Nothing to be Frightened of’, Walrus Magazine, mei-nummer.

Baron, Scarlett. 2008. ‘Nothing to be Frightened of’, The Oxonian Review of Books, vol. 7:3.

Dirda, Michael. 2008. ‘Michael Dirda on “Nothing to be Frightened of”’, The Washington Post, 31-8-2008.

Grayling, A.C. 2008. ‘Nothing to be Frightened of, by Julian Barnes’, The Independent, 9-3-2008.

Keillor, Garrison. 2008. ‘Dying of the Light’, The New York Times, 3-10-2008.

Spurling, Hilary. 2008. ‘Nothing to be Frightened of’, The Observer, 2-3-2008.

Steinz, Pieter. 2008. ‘Barnes, Julian. Online biografie uit Lezen&Cetera’, online via www.nrcboeken.nl/schrijver/barnes-julian, laatst bezocht 15-1-2008.

The Ten Best Books of 2008, online via www.nytimes.com/2008/12/14/books/review/10Best-t.html, laatst bezocht 15-1-2008.

Verplancke, Marnix. 2008. ‘De dood, God en de kunst’, De Morgen, 15-10-2008.

Lees meer over: