Take me out to the ball game    24-28

Cees Koster

De liefhebber van honkbal – écht honkbal, Amerikaans Major League-honkbal – kan tegenwoordig ook in Nederland zijn hart ophalen. Wie er een abonnement op digitale televisie voor over heeft en er zijn nachtrust voor wil opgeven kan naar live wedstrijden kijken op het North American Sports Network. Wie zoveel slaap niet wil missen kan voor uitslagen, wedstrijdbeelden, nieuws en achtergronden altijd nog 24 uur per dag terecht op de uiterst complete website van Major League Baseball, mlb.mlb.com. Niets haalt het natuurlijk bij het bijwonen van een wedstrijd, zoals ik afgelopen zomer voor het eerst heb mogen ervaren, maar het is in elk geval iets.

Voor wie zich koestert in die paar eigen, weinig heroïsche herinneringen aan het spelen van honkbal op vroege verwachtingvolle zomeravonden op een zanderig veldje in de duinen van IJmuiden, betekent een bezoek aan Yankee Stadium en Fenway Park weinig minder dan een glimp van een gedroomd verleden, de mogelijkheid om je over te geven aan de illusie dat hier iets gebeurt waar je onderdeel van had kunnen zijn, als je maar op de juiste plek was geboren. Het geluid van een honkbal die contact maakt met de knuppel en de vloeiende elegantie van de werpbeweging hebben ook in IJmuiden een zekere schoonheid en magie, maar stukken minder toch dan in New York of Boston. Je laat je daar buiten het stadion als een antropoloog opgaan in de menigte, zet een pet op en doet mee met de rituelen, koopt cracker jacks en een emmer cola, kijkt wie de startende werper is, herkent de rugnummers, klapt en juicht als de opstelling wordt omgeroepen en komt pas weer in je eigen wereld terug als aan het begin van de seventh inning stretch de zestienjarige aan je zijde je toesist: ‘Je gaat toch niet meezingen, hè? Je gaat niet meezingen.’ Niet alleen culturele grenzen laten zich lastig overschrijden.

Koster2

En hoe lastig die culturele grenzen te overschrijden zijn blijkt altijd weer bij de vertaling van Amerikaanse literatuur waarin honkbal een rol speelt. Want gelukkig is er altijd nog de literatuur – waar de eigen droom altijd zijn einde vindt in de eigen werkelijkheid, kent de mogelijke werkelijkheid van de literatuur geen grenzen.

Spel en mythe
In Amerika staat honkbal voor veel meer dan een spel, het is een geïntegreerd onderdeel van maatschappij en cultuur. Het nationale tijdverdrijf en de spelers die het spelen, de heroïek en de schandalen worden al meer dan honderdvijftig jaar gemythologiseerd in (sport)journalistiek en literatuur (die als het dit onderwerp betreft beide overigens moeiteloos in elkaar overgaan). Walt Whitman, de dichter waarvan men meent dat hij voor het eerst de eigen stem van Amerika liet klinken, schrijft in zijn Leaves of Grass al over honkbal, over ‘playing base’. Geen roman van Philip Roth waarin honkbal niet een rol speelt, zijn satirische The Great American Novel is er zelfs volledig aan gewijd. En de proloog van een van de erkende hoogtepunten uit de hedendaagse Amerikaanse literatuur, Don DeLillo’s Underworld, geeft zo’n prachtige beschrijving van een mythisch moment uit de geschiedenis van het Amerikaanse honkbal, dat ik uit angst voor teleurstelling me aan de rest van het boek niet meer gewaagd heb. Over dat hoofdstuk zal ongetwijfeld een keer een lezing zijn gegeven tijdens de jaarlijkse conferenties van de Tennessee State University over ‘The Role of Baseball in Literature and Culture’. Zozeer is honkbal geïntegreerd.

Verwijzingen naar honkbal vormen in het Nederlands dus een vertaalprobleem op het niveau van de verschillen tussen culturen. Daar centraal en dus door iedereen herkend (en dan ook echt iedereen: van staalarbeider tot Stephen Jay Gould), hier marginaal en dus door weinigen herkend. Wanneer echter wordt gesproken van het cultuurspecifieke karakter van honkbal gaat het eerder over de culturele vervlechting en niet zozeer over het spel zelf. Het spel zelf is niet (meer) cultuurspecifiek, want het wordt in Azië, Midden-Amerika en Europa ook gespeeld, in Nederland zelfs internationaal niet onverdienstelijk. De Nederlandse vaktaal van het honkbal is een hybride. De basis ervan wordt gevormd door Amerikaanse termen, uiteraard, maar zoals altijd het geval is bij de vaktaal van specifieke geïmporteerde domeinen, ontwikkelt zich ook een duidelijk eigen lexicon. Zo beschikt de taal van honkbal in het Nederlands over een eigen repertoire, dat deels uit vertalingen en calques bestaat, maar deels ook uit eigen termen – een repertoire dat een vertaler van Amerikaanse romans zich maar beter eigengemaakt kan hebben wil hij serieus genomen worden, al is de vraag daarbij nog wel hoeveel van die kennis hij bij zijn lezer als bekend kan veronderstellen.

Bij de vertaling van A Given Day van Dennis Lehane (van de hand van Paul Heijman, verschenen onder de titel De infiltrant bij The House of Books) komt deze kwestie goed naar voren. Lehane is een succesvolle schrijver van thrillers en detectives (Mystic River en Gone Baby Gone zijn de bekendste, want verfilmd), die met deze historische roman erkenning zoekt als schrijver van ‘serieuze literatuur’ en die in de Verenigde Staten ook heeft gekregen. De roman speelt zich af in Boston aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, als de stad getroffen wordt door de Spaanse Griep en er grote sociale onrust heerst die de voedingsbodem vormt voor een veelheid aan radicale bewegingen en een grote inspanning van de overheid om die de kop in te drukken. In de roman zijn drie verhalen door elkaar geweven. Twee ervan vormen het hart van de roman: één gaat over het Ierse gezin Coughlin, waarvan vader (hoofdinspecteur) en zoon (straatagent) bij de politie werken en de zoon uiteindelijk de leider wordt van de Boston Police Strike die de stad doet exploderen, het andere over de zwarte arbeider Luther Laurence, een honkbaltalent dat na veel leed en omzwervingen als huisknecht bij de Coughlins komt werken (een van de grote schandalen van het Major League Baseball is dat de sport tot 1947 volkomen gesegregeerd was en daarna alleen met veel moeite zwarte spelers toeliet). Het voert te ver om hier de plot uitgebreid te bespreken, maar neem van mij aan dat De infiltrant een sterk en overtuigend boek is – sterk gecomponeerd en met overtuigende personages. In de derde verhaallijn, die relatief los met de rest samenhangt, staat de honkballegende Babe Ruth centraal (op dat moment speler van de Boston Red Sox, maar tot groot verdriet van heel Boston op het punt over te stappen naar de New York Yankees, waar hij uit zou groeien tot hét icoon van de sport) en dat deel is in de vertaling een stuk minder overtuigend, omdat de vertaler in het geheel geen kaas blijkt te hebben gegeten van honkbal, er de taal niet van kent, maar vooral ook omdat hij ervan is uitgegaan dat datzelfde voor zijn lezer geldt. 

Meer fouten dan Babe Ruth
Over het algemeen doen de missers zich voor als lexicale suffigheden: ‘middenvelder’ voor ‘midvelder’, ‘slagplaats’ voor ‘slagperk’, ‘thuishonk’ voor ‘thuisplaat’, ‘hoefde voorlopig niet meer als eerste te pitchen’ voor ‘hoefde voorlopig niet meer als starter te werpen’. Dit zijn nog betrekkelijk onschuldige zaken, waar de lezer niet meteen last van hoeft te hebben, al maken ze de tekstwereld voor de kenner een stuk minder overtuigend. Irritant wordt het vooral wanneer de vertaler meent de lezer een eindje op weg te moeten helpen en een belerende toon aanslaat. In de eerste alinea van de proloog wordt door de verteller in het Nederlands gewag gemaakt van ‘de World Series, zoals het landskampioenschap honkbal in de Verenigde Staten heet’. De bijzin in deze nominaal is een 24-karaats didactiserende explicitering, een vertalersingreep die wat mij betreft altijd de doodsteek vormt voor een literaire tekst, zij het in vertellerstekst iets minder dan in personagetekst. Die ingreep is vaak een, om in honkbaltermen te blijven, rookie mistake: het gevolg van de neiging van beginnende vertalers om de eigen culturele kennis als maatstaf te gebruiken in plaats van die van de beoogde lezer die je als vertaler moet construeren, de neiging om de lezer te onderschatten. Met een rookie hebben we hier echter niet van doen, de vertaler is gezien zijn bibliografie toch behoorlijk ervaren (meer dan twintig boeken in meer dan twintig jaar). Opvallend is dan dat de vertaling ook anderszins het niveau van de middelmaat niet overstijgt. In veel zinnen grijpen de onderdelen knarsend in elkaar als slecht passende tandraderen en ontbreekt het ook nog aan de smeerolie van kleine toevoegingen (pragmatische partikels, lidwoorden, semantisch geladen werkwoorden voor ‘to be’ en ‘to have’) waar het Nederlands soepel en levend van wordt. Bovendien is de tekst werkelijk vergeven van de Engelse komma’s.

In niet-informatieve teksten zijn expliciteringen bijna altijd een zwaktebod, bovendien zijn ze niet consequent toe te passen, omdat altijd de oververtaling, de vertaling met een teveel aan informatie, op de loer ligt. Heijman is dan ook verre van consequent op dit punt. Twee pagina’s verder dan bovenstaand voorbeeld is er sprake van een werper die een ERA heeft van 1.78. Major League-honkbal drijft op statistieken en het ERA is een van de statistische grootheden waaraan je kunt zien hoe goed een werper is. ERA staat voor earned run average, het gemiddelde aantal punten dat tegen een werper is gescoord en dat na een uiterst ingewikkelde berekening officieel wordt vastgesteld. Hoe lager het ERA, hoe beter een werper is; 1.78 is bovenmenselijk laag. De handhaving is hier wel op zijn plaats, maar wie als Nederlandse lezer geacht wordt zelf uit te vogelen wat een ERA is, moet een term als ‘World Series’ toch ook wel aankunnen, zou je denken. Af en toe leidt het gebrek aan kennis over honkbaltermen tot potsierlijke resultaten. Als bijvoorbeeld wordt beschreven welke worpen Ruth in een slagbeurt te verwerken krijgt, dan is er sprake van een ‘snelle bal’ en een ‘effectbal’ in plaats van een fastball en een curveball, termen die ook in de Nederlandse honkbaltaal gebruikelijk zijn. Ook met de zin ‘Hij ging voor 0 slag 4 wijd en maakte twee fouten’ als vertaling van ‘He went 0 for 4 and made two errors’ laat de vertaler zich van zijn incompetente kant zien: wat hier bedoeld wordt is dat hij in vier slagbeurten geen enkele honkslag heeft geslagen.

Een van de eerste lessen van het vertalen, zeker als het gaat om cultuurspecifieke elementen, is dat je moet weten wat je niet weet, inzicht moet hebben in de leemtes in je encyclopedische kennis, vervolgens moet weten hoe je die leemtes aan kunt vullen en dan ook nog het beoordelingsvermogen moet hebben om te bepalen wat in het Nederlands de best passende oplossing is. Wie dat niet doet, vertoont een ernstig gebrek aan professionalisme. Er is meer dan voldoende documentatie voor handen, voor wie ernaar op zoek gaat. En nu des te meer.

Uit liefde voor de sport
Op de valreep van de feestdagen (na de vertaling van het boek van Lehane) is een boekje verschenen dat voor alle vertalers die niets van honkbal weten een geschenk uit de hemel zou kunnen zijn: Honkbal is Amerika. Amerika is honkbal van journalist Menno de Galan. Het is een heerlijk boek (opgezet als een glossarium), dat inzicht geeft, niet alleen in de sport zelf, maar ook in de rol die het honkbal in Amerika speelt.

Alle clubs komen erin voor, met veel aandacht voor De Galans eigen favoriet Baltimore Orioles, maar vooral voor de Yankees en de Red Sox. Veel spelersbiootjes: Babe Ruth uiteraard en andere legendarische spelers: Ty Cobb (de gemeenste speler uit de geschiedenis), Lou Gehrig (groot slagman van de Yankees, 2130 wedstrijden onafgebroken gespeeld, tot hij een dodelijke spierziekte kreeg die nu nog zijn naam draagt), Jackie Robinson (de eerste zwarte speler in de MLB) maar ook hedendaagse helden als Billy Bonds (meeste homeruns ooit geslagen, maar een groot deel daarvan met spierversterkende middelen, tegenwoordig eerder verguisd) en Alex Rodriguez, die afgelopen zomer nog in het nieuws kwam omdat hij een affaire met Madonna zou hebben. Uiteraard is het boek ook rijk gevuld met technische termen, zo komt het hele arsenaal (er zijn er een stuk of twintig) aan worpen waarover een werper kan beschikken voorbij: onder meer de curveball, de splitter, de fastball, de changeup, de knuckleball (een bal die de pitcher niet tussen al zijn vingers vasthoudt, maar tussen duim, wijsvinger en pink; als de bal wordt gegooid is de vlucht ervan niet te voorspellen, zodat hij voor een slagman uiterst moeilijk te raken is). Interessant zijn ook de vele idiomatische uitdrukkingen die zowel een honkbalspecifieke betekenis als een daaraan ontleende meer algemene betekenis hebben.

Er zijn aparte lemma’s voor boeken en films waarin honkbal een belangrijke rol speelt (o.m. The Natural en For the Love of the Game, films die in Nederland ook nog wel eens worden uitgezonden omdat daarin achtereenvolgens Robert Redford en Kevin Costner de hoofdrol spelen) en lemma’s die over typische randverschijnselen gaan. Zo kan men lezen dat met seventh inning stretch wordt verwezen naar de gewoonte dat alle toeschouwers tussen de eerste en tweede helft van de zevende slagbeurt gaan staan om hun benen te strekken en gezamenlijk meezingen met het ‘officieuze volkslied van het honkbal’: ‘Take Me Out to the Ball Game’. Het lemma national pastime behelst een klein essay over de rol van honkbal in de Amerikaanse maatschappij.

Het boek is duidelijk uit liefde voor de sport geschreven, zoals blijkt uit de autobiografische inleiding – een liefde die is ontstaan tijdens een verblijf in de VS, in Baltimore. Het is ook geheel vanuit het Amerikaanse perspectief geschreven en probeert de culturele grenzen tussen de VS en Nederland van binnen uit te beslechten en niet van buiten af. De Galan is een goede gids, met veel verstand van zaken, maar hij heeft soms minder op met de Nederlandse honkbaltaal. Zo wordt als omschrijving voor center fielder ‘middenvelder’ gegeven, een fout die we ook in De infiltrant al zagen – in alle officiële bronnen vinden we echter ‘midvelder’.

Zoals gezegd is het boekje opgezet als een gealfabetiseerde woordenlijst en de vraag is of dat de meest geschikte opzet is. De auteur veronderstelt zeer weinig voorkennis, misschien terecht. Maar de gebruikswaarde van een woordenlijst wordt toch vooral bepaald door de behoefte van de gebruiker en aan een naslagwerk heb je niet veel als je niet al weet wat je wilt weten. De toon van het boekje is die van een inleidende monografie. Het boek zou dus beter tot zijn recht zijn gekomen wanneer de opzet thematisch was geweest: een hoofdstuk over clubs, een hoofdstuk over spelers, een hoofdstuk over de positie in de cultuur, een hoofdstuk over honkbal in films en literatuur, enzovoort. De overblijvende technische termen hadden in een aparte lijst opgenomen kunnen worden. De aanstekelijkheid en het enthousiasme van De Galan zouden bij zo’n opzet ook beter tot hun recht zijn gekomen.

De vertaler is er ondertussen wel bij gebaat, want die weet, als hij zijn werk goed doet, wel wat hij moet weten.
 

Dennis Lehane, De infiltrant. Vertaald door Paul Heijman. Vianen: The House of Books, 2008.
Menno de Galan, Honkbal is Amerika. Amerika is honkbal. Amsterdam: Thomas Rap, 2008.

Lees meer over: