Een stem voor Montaigne    53-63

Hans van Pinxteren

De ervaring heeft mij geleerd dat een boek je in handen valt op het moment dat je eraan toe bent. Met vertalingen is het net zo. Soms bekruipt me het gevoel dat niet ik ‘mijn’ auteurs heb gekozen, maar de auteurs mij. Neem nu de wijze waarop de essays van Montaigne naar me toe kwamen. In 1968, tijdens een van mijn studen­tenbaan­tjes, werkte ik bij het Amster­damse veiling­huis Mak van Waay. Aan het eind van een inbreng­dag tikte iemand op mijn schou­der.

‘Je studeert toch Frans?’

‘Ja,’ zei ik verbaasd.

‘Dan is dit vast iets voor jou. Ik wilde ze laten veilen, maar de taxateur zei dat het niets opbrengt.’

Hij drukte me drie boekdeeltjes in de hand en ver­dween. Het waren de Essais in een oude uitgave. Kort daarvoor had ik colleges over Mon­taigne gevolgd. De nadruk lag daarbij op zijn filosofie, en omdat die eerste kennismaking een wat muffe indruk achter had gelaten, was mijn enthou­siasme over het geschenk van de onbekende niet zo groot. Maar vlak daarop kreeg ik nier­steen­. Ik herin­nerde me dat Mon­taigne over zijn niersteenaanvallen had geschreven. Toen heb ik die deeltjes uit de kast gehaald en me in hem verdiept, puur uit eigenbe­lang, want aanvankelijk las ik alleen de passages waarin hij uitweidt over zijn kwaal­. Mij viel op hoe levendig en gees­tig hij over zich­zelf schrijft. Hij vertelt hoe je ook hevige pijn kunt relati­veren en daardoor hanteer­baar maken. Mijn kwaal werd een aankno­pings­punt met Montaigne, zoiets als de toegangs­poort waar­langs ik de wereld van de Essais ben inge­trokken. Uitgaand van wat mijzelf was overkomen, werd ik me bewust dat Mon­taigne bij voorkeur concrete onderwerpen aansnijdt en niet abstraherend te werk gaat. ‘Mijn filosofie is er een van de daad, gericht op een natuurlijk doen en laten hier en nu, met maar weinig abstracties’ (p. 1083).1


Montaigne (1533-1592)

Vanaf dat moment stond ik open voor Montaigne, voor zijn directheid van praten en reageren op zijn tijd, voor zijn levendigheid, voor het gesprek dat hij met zijn lezer aangaat. En nog steeds vind ik het meest bijzondere van de Essais dat je hierin iemand uit de zestiende eeuw hoort vertellen over zijn leven en hoe hij denkt over het leven, alsof hij zo tegenover je aan tafel zit.

Onvertaalbaar
In 1991 werd mij door uitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep gevraagd of ik de Essais wilde verta­len. Op grond van die eerste ontmoeting met Montaigne heb ik ja ge­zegd. Wel heb ik meteen om specialistische begeleiding bij het project verzocht, want ik herin­nerde me hoeveel moeite het me destijds had gekost de grote humanist in al zijn nuanceringen te volgen. Maarten van Buuren, hoofdredacteur van het project, heeft toen voor een commissie van specialisten zestiende-eeuws Frans en Latijn gezorgd.

De problemen die zich voordeden bij Montaigne waren groter dan die bij al mijn voorgaande auteurs. Om te beginnen tellen de Essais zo’n vijftienhonderd pagina’s. Bovendien zijn ze geschreven in een taal die vier eeuwen van ons af staat. De hoofdlijnen van het denken zijn over het algemeen goed te volgen, maar zodra Montaigne het betoog onderbreekt om in meer persoonlijke uitweidingen acte de présence te geven, stuitte ik veelvuldig op details die mij ontgingen. De functie van de commissieleden was tweeledig: ten eerste als vraagbaak: ik kon hen raadplegen als de betekenis van het zestiende-eeuwse Frans of het Latijn mij niet duidelijk was. Bovendien lazen ze mijn vertaling in een voorlopig stadium en konden ze me erop wijzen als ik naar hun mening in mijn interpretatie te ver was gegaan.

Als ik een vertaling op mij neem, bestudeer ik niet alleen de stijlkenmerken van het werk, maar ook de achtergrond van de auteur, de tijd waarin hij leefde, zijn persoonlijke motivatie. Toen ik het door Hugo Friedrich geschre­ven Montaigne2 las, hét standaardwerk over de Essais, begreep ik beter waarom deze vertaling mij zo zwaar viel: ‘Het is ondenkbaar dat dit werk in een andere taal ge­schreven zou zijn dan in het Romaans uit de zestiende eeuw, dat zich in zijn transparantie volmaakt leent tot het weerge­ven van de persoon­lijke gedachte. De Essais zijn zo onvertaalbaar als poëzie, omdat ze net als dit medium onaf­scheidelijk verbonden zijn met de wijze van uitdrukken uit die bepaalde tijd en van dat bepaal­de volk.’

Uit de praktijk weet ik dat poëzie wel degelijk vertaalbaar is. De dichter in je moet dan de waterdrager worden van de vertaler. Al betwijfelde ik dus of de Essais onvertaalbaar zijn, wel frappeerde mij de term poëzie die Friedrich in bovenstaande passage gebruikt. De zeggingskracht van het werk is ook andere commentatoren opgevallen; door sommigen wordt Montaigne tot de grote dichters van de westerse beschaving gerekend. In De spelende wijsgeer3 plaatst S. Dresden de Essais vanwege hun beeldende kracht tussen filosofie en poëzie in.

Intussen kon ik uit Friedrichs uitspraak een paar criteria afleiden waaraan mijn vertaling zou moeten voldoen. Ik zou niet alleen de filosofische redeneringen naar hun betekenis moeten overbrengen, maar ook iets van de persoonlijke wijze waarop de auteur zijn gedachten formuleert, zijn eigenheid, zijn ‘stem’; en als die zo sterk aan de uitdrukkingsmogelijkheden van het transparante Romaans uit zijn dagen was gebonden, zou ik moeten proberen een vergelijkbare helderheid van taal te vinden.

Parallellen en herkenningspunten
Montaigne is de eerste geweest die de ervaringswereld van een individu in al zijn facetten tot onderwerp van het schrijven heeft gemaakt. Hij stemde af op het ik, in het besef dat wie één mens volledig weet weer te geven het eigenlijke van ons menszijn raakt. ‘Ieder mens draagt in wezen alle menselijke eigenschappen in zich’ (p. 1034). In de Essais doet de auteur pogingen, niet alleen om zichzelf te leren kennen, maar ook om te midden van de burger- en godsdienstoorlogen uit zijn tijd, bij alle waanzin en fanatisme die toen heersten, redelijk te blijven denken. Montaigne betrekt zijn lezer bij het proces van bewustwording waarin hij zich losmaakt van het vooringenomen denken van zijn tijdgenoten.

Nu ik mij intensief verdiepte in Montaigne en zijn tijd, begon ik mij te realiseren dat er opvallende parallellen bestaan tussen zijn eeuw en de onze. Zo valt zijn schrijven grotendeels samen met de godsdienstoorlogen in Frankrijk, maar ook in onze dagen is religie de inzet van heel wat conflicten. Een al net zo belangrijke ontdekking was dat er meer herkenningspunten bestonden dan alleen de niersteenkolieken. Wat me bijvoorbeeld aansprak, was zijn voorkeur voor een ‘style naturel’, voor een heldere, klare taal. In ‘Over de opvoeding’ zegt hij: ‘Ik houd van een taalgebruik dat [...] eenvoudig en ongekun­steld is, van een sappige, gespierde stijl, kort en bondig, niet zozeer verfijnd en sierlijk, als wel krachtig en bruusk [...] liever stug dan langdradig, een stijl die ongezocht, onge­dwon­gen, losjes en gedurfd is, waarin elk onderdeel voor zichzelf spreekt; niet frikkerig, zalverig of pleiterig, maar veeleer soldatesk [...]’ (p. 228).

Boeiend vond ik ook het experiment dat hij was begonnen om zijn ‘zelfportret te schilderen’. Dit steeds veranderend zelfportret, met een grote schakering van kleuren, geschilderd onder een voortdurend wisselend licht, in telkens andere houdingen en omstandigheden, doet me denken aan Rembrandt. Zo ongedwongen als deze zich telkens weer weet neer te zetten (zodat het bij sommige schilderijen net is of hij het volgende moment uit de lijst zal stappen om een gesprek met je aan te knopen), zo vanzelfsprekend komt Montaigne in zijn zelfonderzoek op mij als lezer over.

Bovendien sprak zijn vertalerschap tot mijn verbeelding. Montaigne is in de Essais in niet geringe mate aanwezig als vertaler van de klassieken. Hij begint zijn magnum opus als lezer van de grote auteurs uit de oudheid, van wie hij kernachtige uitspraken, anekdoten, treffende fragmenten noteert en veelal vertaalt. Al doende wordt hij, naast lezer, verzamelaar en vertaler van klassieke teksten, ook zelf schrijver en commentator op zijn eigen tijd. Pas in die fase toetst hij zijn persoonlijke bevindingen aan wat de klassieke auteurs en filosofen hebben gedacht over soortgelijke gebeurtenissen en verschijnselen. Veel essays uit boek I en II zijn opgebouwd uit vertalingen die hij maakt van fragmenten uit de klassieken, met, geweven door deze fragmenten heen, zijn commentaar daarop. Vaak zijn het nogal vrije vertalingen en bewerkingen, behalve als hij letterlijke citaten in het Latijn opneemt; maar ook die past hij regelmatig aan wat hij zelf vertelt of betoogt aan.

Ik ging er vanuit dat een werk dat door de conventies van zijn tijd heen breekt en in zijn soort uniek is eerst dan tot zijn recht kon komen in mijn vertaling, als ik dit met een zekere vrijheid benaderde. Voor mij is heel het proces van vertalen, zijn alle stappen die ik als vertaler zet, een nauwlettend afstemmen op de auteur om hem overtuigend te laten spreken in mijn taal. Als zodanig is vertalen in de eerste plaats een oefening in het luisteren: om zo goed mogelijk te vatten wat de schrijver wil overbrengen. Als vertaler voel ik mij aan de auteur verplicht zijn woorden tot op de letter af te wegen en van deze afweging rekenschap af te leggen in mijn vertaling. Anderzijds zet ik mij in om het spel dat hij zich veroorlooft met de eigenaardigheden van zijn taal herkenbaar te maken in míjn taal.

Een proeve van zeven
Al uit het woord vooraf, ‘Aan de lezer’, blijkt hoezeer de auteur degene die zijn boek opslaat uitdaagt zélf over de dingen na te denken. Vertalen is voor mij de indringendste en actiefste vorm van lezen. Zo voelde ik me door Montaigne geprikkeld tot het diepst van mezelf te gaan, om in het Nederlands de woorden te vinden voor het persoonlijke avontuur dat in de Essais gestalte krijgt. In mijn vertaling wilde ik reliëf geven aan de dialoog die ontspringt aan het zelfonderzoek. Het dialogische element brengt mee dat je de auteur bijna hardop hoort denken, alsof hij converseert met de lezer. Met het oog daarop heb ik mij erop toegelegd Montaigne vanzelfsprekend in het Nederlands te laten zijn. ‘Vanzelfsprekend, wat is dat?’ Toen ik een collega-vertaler vertelde dat ik me aan de Essais wijdde, veronderstelde hij: ‘Je laat Montaigne zeker in de taal van Hooft of Vondel spreken?’ Nu dateert de eerste integrale vertaling van de Essais in het Nederlands uit de gouden eeuw.4 De Nederlandse lezer die in taal dichter bij de eeuw van Montaigne wil komen, kan daar terecht. Maar de finesses van zeventiende-eeuws Nederlands liggen mij niet op de tong, en ik zou al te gemakkelijk verzanden in gekunsteld taalgebruik. Ik mikte op een vertaling waarin Montaignes monologue intérieur net zo levendig overkomt op de Nederlandse lezer van nu als hij overkwam op zijn tijdgenoten.

Vanwege de vele moeilijkheden die zich al in de beginfase aandienden, vond ik het raadzaam eerst te kijken of ik wel in staat was de persoonlijke gedachtegang en verteltrant van Montaigne over te brengen. In overleg met de uitgever besloot ik om als opmaat tot de integrale vertaling een boekje samen te stellen, een soort try-out, met een aantal karakteristieke hoofdstukken uit de Essais. Daartoe heb ik, verspreid over de drie boeken, zeven essays geselecteerd waarin zoveel mogelijk aspecten van Montaigne in kort bestek aan bod komen. Ik noemde het boekje Een proeve van zeven, een titel waarin het woord ‘proeve’ niet alleen een vertaling van het door Montaigne gebruikte ‘essai’ is, maar ook duidt op mijn poging om het naturel van Montaigne te vangen.

De vertaling van deze zeven essays voltooide ik in het voorjaar van 1993. Dit betekende dat ik anderhalf jaar in de weer was geweest om een reeks teksten te vertalen die bij elkaar nog niet een tiende van de volledige Essais besloegen. Toen al besefte ik dat ik langer met de vertaling onderweg zou zijn dan de aanvankelijk geplande zes jaar. Uiteindelijk ben ik er ruim twaalf jaar mee bezig geweest. In wat voor een moeizaam proces je als vertaler verwikkeld raakt wanneer je het gedachtespel wilt weergeven van een auteur die zich ontworstelt aan de stereotypen van zijn eeuw, heb ik beschreven in een stukje dat ik in 1992 maakte voor Vrij Nederland, toen ik ‘Over het berouw’ vertaalde. Hier volgt het in een aangepaste versie.

Een in het bijzonder
‘Du repentir’ wordt beschouwd als een van Montaignes belangrijkste essays. Hij verwoordt hierin met meer nadruk en beeldender dan ooit tevoren zijn voornemen om zichzelf tot het middelpunt van zijn Essais te maken. De eerste zin uit dit hoofdstuk luidt: ‘Les aultres forment l’homme; je le recite, et en represente un particulier bien mal formé, et lequel, si je l’avoy à façonner de nouveau, je ferois vrayement bien aultre qu’il n’est.’ Mon­taignes taal wijkt op een aantal punten af van hedendaags Frans. Niet alleen de spelling is drastisch gewijzigd, de woorden hebben vaak een andere betekenis gekregen of zijn uit de roulatie geraakt; zijn zinnen wemelen van de latinismen; en de gramma­ticale regels zijn in de zestiende eeuw nog lang zo stringent niet als tegenwoordig. Daarvan moet je je als vertaler voortdurend rekenschap geven. Als ik bovenstaande zin woord voor woord overzet, kom ik tot: ‘De anderen vormen de man; ik verhaal hem/het, en stel ervan voor een bijzonder persoon heel slecht gevormd, en welke, als ik hem te vormen had opnieuw, ik zou doen waarlijk heel anders dan hij is.’ Hoe vertaal ik deze regels nu zo dat het begrijpelijk Nederlands wordt? Het woordenboek blijkt ontoereikend om zinnen als de hierboven geciteerde helder te vertalen. Neem het eerste deel van de zin: hoe moet ik ‘former’ vertalen? Het woordenboek geeft als eerste betekenis: ‘vormen/ maken’. ‘De anderen maken de man’? En kan ik ‘je le recite’ soms vertalen met ‘ik vertel het’? Dan zou de eerste regel misschien kunnen luiden: ‘De anderen maken de man, daarover vertel ik.’ Pas als ik mij in de commentaren op deze openingszin verdiep, ga ik beseffen dat ‘je’ tegenover ‘les aultres’ staat. De meest gangbare interpretatie van deze regels is dat Montaigne het woord ‘former’ hier in een morele betekenis gebruikt. In tegenstelling tot zijn voorgangers, bijvoorbeeld Augustinus, die zeggen hoe de mens behoort te zijn, vertelt Montaigne hoe hij is, en neemt daarbij zichzelf als voorbeeld. Op grond van deze uitleg heb ik een tijdlang gedacht over de vertaling: ‘Anderen zeggen hoe de mens moet zijn, ik zeg hoe hij werkelijk is.’ Maar bij nader inzien verlies ik daarmee het bondige dat zo kenmerkend is voor Montaigne. Bovendien krijgt de zin door mijn gebruik van het woord ‘werkelijk’ een pedant toontje, terwijl hij niets zo verfoeit als betweterij. Vervolgens overweeg ik als mogelijke vertaling: ‘Anderen vormen de mens, ik vertel van hem.’ Daar is niets op tegen, alleen ervaar ik tussen ‘vormen’ en ‘vertellen van’ een minder grote tegenstelling dan Montaigne oproept met zijn ‘former – reciter’. Voor reciter geeft een commentator de glosse ‘décrire’. Ik kies uiteindelijk voor: ‘Anderen vormen de mens, ik beschrijf hem’. De zin gaat verder met: ‘et en represente un particulier bien mal formé’. Kan ik dat vertalen met: ‘en laat er(van) een bijzondere zien die heel slecht gevormd is’? Maar zo bijzonder vindt Montaigne zichzelf nu ook weer niet. ‘Un particulier’ houdt meer in dat hij één mens – en wel zichzelf – uitkiest om daarover te vertellen. ‘Een enkeling’? Nee, ‘een in het bijzonder’. ‘Representer’ betekent: ‘vertonen, voorstellen’. Als ik ‘representer’ nu eens vertaal met: ‘het verhaal doen van’? Dan pak ik meteen de betekenis ‘vertellen van’ terug die in ‘reciter’ zit en die ik heb laten vallen voor ‘beschrijven’. Het vervolg wordt dus: ‘En doe het verhaal van een in het bijzonder, die bar slecht gevormd is.’

Ben ik nu tevreden met deze oplossing? Niet echt. ‘Representer’ betekent ook: ‘verbeelden, uitbeelden’. Mijn versie is minder picturaal dan het origineel. ‘Ik portretteer mijzelf,’ zegt Montaigne in het voorwoord. Dat ben ik nu kwijt. Een vertaling is een groeiproces. Misschien komt de hier behandelde zin er toch nog anders uit te zien. (Tot zover het bewerkte stukje uit Vrij Nederland.)

Montaigne vertalen betekende vaak dat ik eerst een reconstructie van de gedachte moest maken. Dat lukte alleen met behulp van de commentaren op de Essais, de glossen van de in onbruik geraakte woorden, de tekstexplicaties, de studies die gemaakt zijn van Montaigne, zijn eeuw, zijn stijl, zijn idioom. Onontbeerlijk waren ook andere vertalingen: gedurende het gehele project heb ik mijn vertaling getoetst aan de belangrijkste vertalingen die van het werk zijn gemaakt in het Duits, het Engels, en in modern Frans. Ook lag daar het werk van mijn voorgangers in het Nederlands. Om te beginnen de hier al genoemde vertaling uit de zeventiende eeuw; daarnaast kon ik een wel zeer recente vertaling raadplegen. Want in dezelfde maand dat Een proeve van zeven werd gepubliceerd, verschenen de Essays integraal bij uitgeverij Boom.5

Deze tekstgetrouwe versie, waarvoor Frank de Graaff tekende, werd met open armen ontvangen. En terecht, want het is geen geringe prestatie om met een deugdelijke vertaling een kloof van drie eeuwen te overbruggen. Herhaaldelijk is mij destijds gevraagd: ‘Je stopt zeker met de Essais?’ In eerste instantie leek verder vertalen toen inderdaad zinloos. Waarom heb ik dan uiteindelijk toch niet van dit project afgezien?

De band met Montaigne
Als ik een tijdlang met een auteur bezig ben geweest en al vertalend intens heb ervaren wat een bijzonder verhaal hij te vertellen heeft, kan ik niet zomaar terug. Door mijn verdieping in Montaigne en zijn tijd en door de vertaling die ik van zeven van zijn essays had gemaakt, was mijn al uit 1968 daterende band met de schrijver nóg hechter geworden. Na analyse van de Boomuitgave kwam ik tot de conclusie dat de redeneringen over het algemeen goed zijn overgebracht, met maar weinig fouten tegen de betekenis in het Frans: als weergave van de filosofische strekking van de Essais verdient het werk alle respect. Maar wel constateerde ik dat de vertaling van De Graaff een andere opvatting weerspiegelt dan de mijne: Montaigne blijft bij hem een wat afstandelijk redenerende filosoof, een abstracter personage dan ik had leren kennen. In mijn beleving is Montaigne meer van belang als verteller, als schrijver die de lezer uitdaagt met hem mee te denken over existentiële vragen, als biograaf van een innerlijke evolutie. In de Boomuitgave komt de verteller Montaigne wat bleekjes op mij over: zijn beeldende kracht, het kruidige van zijn gezegdes, de bondigheid van zijn aforismen verliezen nogal eens aan glans. Juist door de band die met Montaigne was ontstaan, ervoer ik in de vertaling van De Graaff een lacune: ik miste de bijna tastbare aanwezigheid van de schrijver die zijn lezer tot intimus maakt. Ik raakte er dan ook van overtuigd dat ik wel degelijk een bijdrage kon leveren tot een beter begrip van Montaigne.

Momenten van twijfel
Ik heb nog vaak gedacht aan Friedrichs uitspraak dat de Essais onvertaalbaar zijn. Al was ik het dan in principe niet met hem eens, er zijn talrijke momenten geweest waarin ik voor vrijwel onoplosbare problemen kwam te staan. Als de vertaling vastliep, was de verleiding groot ermee te stoppen. Soms was ik de wanhoop nabij, met name als de betekenis van een zin me een raadsel bleef of als ik deze vanuit grammaticaal oogpunt op tegengestelde wijzen kon duiden. Kenmerkend voor zulke momenten van twijfel is dat ik maar heel sporadisch mijn licht kon opsteken bij de andere vertalers van de Essais: meestal zaten die op dezelfde plaatsen met de handen in het haar. Laat ik een voorbeeld geven. Het betreft hier een zin waarvan de logica mij een tijdlang duister bleef. In I,14 vertelt Montaigne over de uiteenlopende wijzen waarop hij in verschillende levensfases met geld omsprong. In de eerste periode had hij het niet of kreeg hij het onregelmatig; hij was afhankelijk van leningen van vrienden. Hij zorgde er altijd voor zijn schuld te voldoen eer de afgesproken termijn verlopen was. Maar zijn vrienden verlengden de termijn vaak uit zichzelf.

[…] voyant l’effort que je me faisais pour leur satisfaire. En manière que j’en rendoy une loyauté mesnagere et aucunement piperesse. Je sens naturelle­ment quelque volupté à payer, comme si je deschargeois mes epaules d’un ennuyeux poix, et de cette image de servitude.

De moeilijkheid zit in de gecursiveerde zinsnede. De belangrijkste tekstbezorger uit de twintigste eeuw, Pierre Villey,6 legt uit: ‘Ma loyauté en devenait économe et quelque peu trompeuse (faisait tort aux créanciers).’ De Graaff volgt deze uitleg: ‘zodat ik een economische en enigszins be­drieglijke eerlijkheid aan de dag legde’. De Engelse vertaling van Montaigne-specialist Screech7 luidt: ‘I acquired thereby a somewhat spurious repu­ta­tion for punctilious husbandry.’ Mij hierop inspirerend kwam ik tot: ‘Ik bouwde zo een niet geheel op de feiten berustende reputatie op dat ik stipt was in financiële zaken.’ Zo wordt de kink die in de redenatie dreigt te vallen minder opvallend. Met deze oplossing was ik niet ontevreden, tot mijn oog viel op een ander commentaar, dat ik steeds in twijfelgevallen opsloeg, een door V. Fauron geannoteerde uitgave uit 1883.8 Fauron, legt de zin in kwestie aldus uit: ‘Je tirais de cette manière de faire une réputation de loy­auté, dans l’admi­nistration de ma fortune, sans tromper per­sonne.’ En hij vervolgt: ‘Aucunement signifie ici: pas du tout’. Dat staat lijnrecht tegenover de uitleg van Villey. Uiteindelijk heb ik voor Faurons suggestie gekozen, omdat zo de logica in Montaignes betoog niet wordt doorbroken:

En omdat zij zagen wat ik allemaal deed om mijn schuld tijdig te vol­doen, stelden ze de termijn keer op keer uit. Door mij zo op te stellen kreeg ik de naam dat ik op financieel gebied betrouw­baar was en nooit iemand bedroog. Van nature voel ik als ik betaal een zeker genoe­gen, alsof ik mij zo ontdoe van een hinderlijke last die ik als een slaaf op mijn schouders heb genomen; bovendien streelt het mijn eerge­voel als ik een ander recht doe en mijn schuld aan hem veref­fen. (p. 86)

Het overbruggen van de tijd
Montaigne verwoordt in de Essais zijn individuele beleving van de wereld waarin hij staat. Behalve van zijn innerlijke wereld moest ik me ook een voorstelling maken van de bewegingen destijds in de buitenwereld. Vaak hebben dezelfde feiten in de loop der jaren een andere gevoelswaarde gekregen. Zo moest ik me in het essay over heksenpro­cessen (III,12) rekenschap geven van het fanatisme waarmee destijds vervolgingen plaatsvonden om te begrijpen hoe voorzichtig de schrijver moest formuleren. Zeker is dat hij zijn afschuw van heksenjachten op een onderkoelde manier diende te verwoorden, om niet zelf op de brandstapel te belanden. Dat betekent dat ik die terughoudendheid ook in het Nederlands moet laten doorklinken.

Bij een werk dat een zo persoonlijk karakter draagt als de Essais is mij duidelijk geworden dat een literaire tekst vertalen zonder te interpreteren onmogelijk is. Om de passende woorden in het Nederlands te vinden voor Montaignes individuele queeste ben ik er voortdurend op bedacht geweest in mijn eeuw de dingen terug te zien die hem bij het schrijven voor ogen stonden. Wat dat betreft beschouw ik als een van de merkwaardigste coïncidenties in mijn leven het feit dat ik op de ochtend van elf september 2001 mij nietsvermoedend zette aan de vertaling van I,24: ‘Wisselende uitkomsten bij eenzelfde doelstelling’. Toen mij later die dag de vernietiging van de Twin-towers werd meegedeeld, was de schok des te groter omdat ik mij realiseerde dat ik juist een paar uur eerder was begonnen aan het enige van alle honderdenzeven essays waarin Montaigne uitgebreid op staatsgrepen en aanslagen uit zijn tijd ingaat. Hij vergelijkt die met soortgelijke gebeurtenissen in de oudheid en speculeert over de mogelijkheden van een staatsman om daarop te reageren. De rede gebiedt mij deze coïncidentie als een toeval te beschouwen, maar als ik ooit bevestigd ben in het gevoel dat een vertaling naar je toekomt op het tijdstip dat je er rijp voor bent, was het wel op dat zo dramatische ogenblik.

Que sais-je?
Montaignes devies ‘Que sais-je?’ staat centraal in het boek. Of liever gezegd: centraal in zijn werk staat de vraagstelling. Het is duidelijk dat als íémand de vraag ‘Wat weet ik?’ (p. 673) zou kunnen beantwoorden, dit de vraagsteller zelf is. Kenmerkend voor Montaigne is dat hij deze vraag openlaat. In plaats daarvan gaat hij in op een andere, onuitgesproken, maar zeker niet minder existentiële vraag: ‘Wie ben ik?’ Het boek is het relativerende, volstrekt aan de persoon van de schrijver gebonden antwoord hierop, terwijl intussen het weten van de mens ter dis­cussie wordt gesteld. Het meest wezenlijke vertaalprobleem komt dan ook voort uit de opzet van de Essais zelf. Als vertaler van dit werk heb ik me voortdurend afgevraagd: hoe vertaal ik een boek dat op een zó persoonlijke, zó naar de eigen oorspronkelijkheid borende manier is geschreven? Hoe kom ik tot een vergelijkbare directheid van spreken? Hoe filtreer ik in een vertaling vier eeuwen na dato deze springlevende geest? Naarmate hij vordert met zijn project spreidt de auteur een steeds grotere opmerkingsgave tentoon, en het is alsof Montaignes geest naar zijn oude dag toe niet alleen rijker maar ook soepeler wordt. Juist doordat hij de eigen individualiteit napluist tot in het kleinste detail, tot in de ‘duistere diepten en inwendige krochten’ (p. 481) van de geest, werd het, al naar het zelfonderzoek vordert, voor mij steeds lastiger om het persoonlijke van deze stem in al zijn nuances te treffen. Om het zelfportret ‘scherp’ weer te kunnen geven, moest ik steeds de particuliere uitzondering visualiseren die de schrijver voor ogen stond. Zo vertelt Montaigne in III,9 over zijn reislust, die zo groot is dat de gedachte dat hij kan sterven onderweg hem niet van het reizen af zal houden. Hij stelt dat als hij er bang voor zou zijn ergens anders dan op zijn eigen geboortegrond dood te gaan, hij nog niet eens zijn eigen parochie zou durven verla­ten. En hij verklaart: ‘Je sens la mort qui me pince continuellement la gorge et les reins.’ De Graaff vertaalt: ‘Ik zou voortdurend het gevoel hebben dat de dood me op de hielen zit en bij de keel grijpt.’ Louter gekeken naar de betekenis van het Frans, valt er weinig af te dingen op zijn oplossing. Maar wel maakt deze vertaling Montaigne nogal abstraherend, alsof hij afstandelijk en in algemene termen over de dood praat. Ik denk echter dat de auteur hier een zeer persoonlijke mededeling doet. Op het moment dat hij het bovenstaande schrijft, ervaart hij de dood aan den lijve, en wel in de keel- en nierpijnen waardoor hij heftig wordt geplaagd. Niersteen leidde in zijn tijd vaak tot de dood, en Montaigne is gestorven aan de gevolgen van een chronische keelaandoe­ning. In de vertaling waarvoor ik heb gekozen, ‘Ik voel hoe de dood mij aldoor de keel toeknijpt en in mijn nieren port’ (p. 1261), praat de auteur vanuit de pijn die hij persoonlijk ervaart. Juist in deze momenten merkte ik dat het zelfportret meer kleur en een betere doorbloeding kreeg, al naar ik Montaigne dichter op de huid zat en zijn taal fysieker maakte. Herhaaldelijk tilde een beeldende overzetting Montaigne heen over de abstract redenerende filosoof die hij dreigde te worden als ik louter afging op het woordenboek. Dat gebeurde ook in wat ik een van de roerendste passages uit de Essais vind, als Montaigne getuigt van zijn diepe verbondenheid met het boek waaraan hij werkt. Al meer dan eens heeft hij verteld dat hij in het dagelijks leven praat zoals hij in de Essais schrijft: ‘Iedereen herkent mij in mijn boek, en mijn boek in mij’ (p. 1128). Maar in de passage waar ik nu op doel (II,18) gaat hij veel verder. ‘Je n’ay pas plus faict mon livre que mon livre m’a faict, livre consubstantiel à son autheur [...]’ Het woordenboek geeft voor ‘consubstantiel’ ‘wezenseen’. Als ik de door mij gecursiveerde zinsnede met ‘boek en auteur zijn wezenseen’ vertaal, ben ik de stoffelijke verbondenheid kwijt die Montaigne suggereert tussen hem en zijn boek. Ik kwam uiteindelijk tot: ‘auteur en boek zijn één vlees en bloed’ (p. 861).

Storingen en onderbrekingen
Veel hoofdbrekens ook bezorgde mij het telkens veranderende auteursstandpunt. Een van Montaignes doelstellingen is stem te geven aan het ik dat een steeds andere kijk op de dingen heeft. Bij zijn registratie hiervan neemt de auteur zelf een voortdurend wisselend standpunt in. In zijn rol als schilder van het zelfpor­tret brengt hij dit beeldend onder woorden in ‘Over het berouw’: ‘Ik kan mijn model maar niet laten stil­staan. Hij zwalkt en waggelt in een na­tuurlijke roes. Ik neem hem in deze toe­stand op, zoals hij is op het moment dat ik mijn aandacht op hem richt’ (p. 1034).

Ik kan een tekst alleen goed vertalen als ik het standpunt dat de auteur inneemt nauwkeurig heb bepaald. In klassieke romans, zoals die bijvoorbeeld door Gustave Flaubert zijn geschreven, ligt het verhaal besloten als in een cirkel. Het standpunt van waaruit de romancier zijn personages en hun omstandigheden beschrijft, verandert doorgaans nauwelijks en is meestal niet zo moeilijk te bepalen. Als je zo’n roman vertaalt, verzink je allengs in de besloten wereld van het verhaal en laat de verta­ling zich betrekkelijk moeiteloos schrijven: naarmate je vordert, stuwt het ritme van de vertelling je voort. Maar de Essais staan ver van de besloten wereld van de roman. Montaigne schrijft allesbehalve fictie, hij confronteert ons met een open wereld. In zijn streven onbevooroordeeld in het leven te staan, beschouwt hij de dingen vanuit steeds andere standpunten. Gedurende de twintig jaar dat hij aan de Essais werkt, voegt hij, soms in ver uiteen liggende periodes, steeds nieuwe gedachten en nieuwe fragmenten over de eerder door hem ter hand genomen onderwerpen toe. En hoewel hij op latere momenten vaak heel anders over de dingen blijkt te denken, weeft hij zonder blikken of blozen zijn veranderde kijk in de bestaande tekst, in principe zonder de oude gedachten te hernemen. ‘Ik voeg toe, maar verbeter niets’ (p. 1242). Want ‘Ik nu, en ik toen, dat zijn er twee; maar wie van beiden de beste is, zou ik niet durven zeggen’ (p. 1243).

Omdat hij op telkens andere momenten, vanuit voortdurend wisselende invalshoeken, opmerkingen, ingevingen en citaten aan zijn redeneringen toevoegt, en soms zelfs midden in een bestaande redenering een strijdige gedachte inlast, verweeft zijn adem zich in een steeds andere cadans met de dingen. Dit leidt tot ritmische veranderingen, korte storingen en onderbrekingen, stroomversnel­lingen of vertragingen. In de Essais spreken niet alleen de door Montaigne vertaalde (klassieke) auteurs met vele tongen, maar verandert ook het ritme en het timbre van de schrijversstem zelf voortdurend. Bij deze stapelvorm van ritmische veranderingen en cadansen, als zich telkens hernieuwende belevingen van de werkelijkheid, kon ik nooit zomaar vanzelf in het ritme vallen, laat staan dat ik erdoor werd voortgestuwd. Ik moest soms zin voor zin (en hier en daar zelfs zinsnede voor zinsnede) nagaan vanuit welk gezichtspunt Montaigne de dingen beschouwde en zijn opmerkingen poneerde.

Dit moeizame proces van het steeds weer opnieuw moeten bepalen van het auteursstandpunt leverde echter de nodige winst op. Ten eerste kon ik hierdoor een natuurlijker tint geven aan het zelfportret, en ten tweede voorkwam deze methode dat ik, op momenten dat het Frans ambigu bleef, mij in duidingen verloor die indruisten tegen de aard en de innerlijke logica van Montaigne.

Ten slotte
Ik heb hier uiteengezet waarom de vertaling van de Essais zo’n tijdrovend karwei is geweest. Maar kom je ooit echt klaar met een vertaling als je band met de schrijver steeds hechter wordt? Hoe meer je als vertaler van een auteur te weten komt, des te scherper ga je de gebreken zien die kleven aan je weergave van zijn werk. Ook hiervan een voorbeeld. In hun diversiteit aan onderwerpen doen de Essais sommigen aan een doolhof denken. Om mijn opzet het werk zo toegankelijk mogelijk te maken voor de hedendaagse lezer ook in de uitgave zelf tot uiting te laten komen, hadden de uitgever en ik na de ‘Proeve’ het besluit genomen mijn vertaling te laten verschijnen in op thema gebundelde deeltjes: over de liefde, over de opvoeding, over leven en dood... Maar in de loop van dit project werd ik mij steeds sterker bewust van de verbondenheid die er bestaat tussen Montaigne en zijn boek. Toen ik mijn vertaling bijna had afgerond, begon ik mij te realiseren dat de volledige Montaigne beslist meer is dan de som van de door mij op thema gebundelde delen, ook al zouden die bij elkaar gelegd de Essais geheel beslaan. Ik besefte dat ik, ondanks al mijn inspanningen Montaigne met nieuw leven te bezielen, tot dan toe slechts een in fragmenten uiteenvallende persoonlijkheid had neergezet. Ik ging hiermee in tegen het labyrintische van het werk en tegen het wezen van een auteur die met zijn omcirkelende en meanderende gedachtepatronen als bij toeval tot deze structuur lijkt te komen. Gelukkig liet de uitgever zich graag overtuigen De essays integraal uit te geven, zodat ik deze fundamentele vertaalfout alsnog kon herstellen. Als laatste etappe in het vertaalproces heb ik mijn vertalingen van de essays gehergroepeerd en in de door de schrijver aangegeven volgorde bijeengebracht.

Het verhaal gaat dat de Franse koning aan Montaigne vertelde dat hij zeer had genoten van de Essais. Waarop de auteur zei: ‘Als u van mijn boek houdt, Sire, dan moet u wel van mij houden, want ik bén mijn boek.’


Dit artikel is in een licht gewijzigde versie opgenomen in de in 2012 door Hans van Pinxteren gepubliceerde bundel met vertaalverhalen 
De hond van Rabelais.

 

Noten
1 De nummering aan het eind van de citaten verwijst naar de pagina’s waarop deze zijn te vinden in Michel de Montaigne, De essays, vertaald door Hans van Pinxteren, Amsterdam: Athenaeum, Polak & Van Gennep, 2004.
2 Hugo Friedrich, Montaigne, Bern: A. Francke Verlag AG, 1949.
3 S. Dresden, Montaigne, De spelende wijsgeer, Leiden: Universitaire Pers, 1952, 1954.
4 Alle de werken van de Heer Michel de Montaigne, bestaande in zijn Proeven, vertaalt door J.H. Glazemaker, Amsterdam: By Willem van Lamsvelt, 1692.
5 Michel de Montaigne, Essays, vertaling Frank de Graaff, Amsterdam: Boom, 1993.
6 Pierre Villey, Michel de Montaigne, Les Essais, Paris: Presses Universitaires de France, 1924, 1965.
7 Michel de Montaigne, The Complete Essays, translated by M.A. Screech, London: Allen Lane The Penguin Press, 1987, 1991.
8 V. Fauron, Extraits de Montaigne, Paris: Paul Dupont, 1883.