Over Leven in metaforen van Lakoff en Johnson    58-62

Paul Pauwels

George Lakoff & Mark Johnson, Leven in Metaforen. Vertaald door Monique van Dam. Nijmegen: Uitgeverij Sun, 1999, 264 p.
 

Vlak na de publicatie in 1980 maakte ik, toen nog student, voor het eerst kennis met Metaphors We Live By in het kader van een onderzoek naar reclametaal. Het was een boeiende leeservaring, en ik was helemaal overtuigd door dit vlot geschreven en goed geargumenteerde werk. Later heb ik mijn opinie wel wat moeten aanpassen. Ik had toen al heel wat meer gelezen over lexicale semantiek, maar het was vooral de confrontatie met Lakoff in levenden lijve, op de eerste Cognitive Linguistics Conference in Duisburg (1989), die me met andere ogen deed kijken naar zijn werk. Het bleek namelijk dat Lakoff niet erg openstond voor analyses die niet in zijn kader pasten en geen boodschap had aan corpusmateriaal: als native speaker van het Engels zou hij zelf wel bepalen wat wel en niet kan in die taal. Met deze wetenschap in je achterhoofd ga je op een andere manier aankijken tegen de vele ‘voorbeelden’ in Metaphors We Live By: geeft dit een beeld van het algemeen gangbare taalgebruik, of van de intuïties van twee native speakers? Het is zoals Gerard Steen stelt in zijn nawoord bij de onlangs verschenen Nederlandse vertaling: het boek is vooral belangrijk geweest vanwege de vernieuwende inzichten die in een coherent kader worden voorgesteld. De detailanalyses zijn daarentegen vaak overtrokken, en soms gewoonweg ontoereikend. Dit hangt nauw samen met het argumentatieve karakter van het boek. De auteurs willen de lezer overtuigen van hun gelijk, en de gegevens zijn ondergeschikt aan de argumentatie.

Zoals Steen ook aangeeft in zijn nawoord kan de hedendaagse metafoortheorie niet vereenzelvigd worden met het werk van Lakoff & Johson (hierna: L&J). Hetzelfde geldt voor de (cognitieve) lexicale semantiek. Ofschoon hun verdere werk (Lakoff [1987), Johnson [1987]) een duidelijke weerklank heeft gehad in het lexicaal onderzoek, kijkt de cognitieve linguïstiek eerder naar het werk van Langacker (1987, 1991) voor een duidelijk gearticuleerd en genuanceerd theoretisch kader.

Waarom dan deze vertaling, kan je je afvragen. Steen stelt zonder meer dat ‘het belang van L&J groot genoeg is om een vertaling in het Nederlands te rechtvaardigen’. Dat kan best, maar voor wie is zo’n vertaling dan bedoeld? De meeste wetenschappers die zich met metaforen willen bezighouden zullen het werk nu toch al wel gelezen hebben, vermoed ik, en als dat niet zo is betwijfel ik dat een vertaling daar veel aan zal veranderen. Het boek is ook niet geschreven voor het grote publiek. Hoe vlot de pen van L&J ook moge zijn, de taalkundige en filosofische bagage die dit werk veronderstelt is niet die van iedereen. Studenten die niet voldoende Engels kennen, misschien? Dit is wat Steen impliceert in zijn nawoord, en het is ook met dat publiek voor ogen dat het nawoord met de contextualizering van L&J zinvol is.

Vertaalbaarheid
Dan dringt zich een tweede vraag op: is zo’n werk als L&J, dat voor een groot deel op taalmateriaal en voorbeeldzinnen gebaseerd is, wel vertaalbaar? Vooral omdat die voorbeelden en de conceptuele systemen die eraan ten grondslag liggen (dit herhalen L&J zelf telkens weer) taal- en cultuurgebonden zijn. Het zou waarschijnlijk een hachelijke onderneming zijn om dit werk in het Japans of het Hausa te vertalen, maar het Nederlands lijkt nog een haalbare kaart: Nederlands en Engels zijn tenslotte verwante talen, die ontstaan zijn en functioneren in verwante en gelijkende culturen. Misschien geeft de theorie van L&J zelf nog het best weer wat meer en wat minder vertaalbaar is. Ontologische metaforen, bijvoorbeeld, die voortbouwen op de lichamelijke ervaringen van de mens, zijn waarschijnlijk het meest universeel. Voor oriëntationele metaforen en structurele metaforen, die gebaseerd zijn op de manier waarop de mens met zijn omgeving omgaat, ligt vertaalbaarheid minder voor de hand. Zo stellen L&J zelf bijvoorbeeld dat de ‘voor-achter’ -oriëntatie die we toekennen aan objecten niet op dezelfde manier wordt gehanteerd in het Hausa (1980: 42). De verwantschap tussen Nederlands en Engels qua taal en cultuur betekent waarschijnlijk dat de verschillen tussen die twee talen minder fundamenteel zullen zijn en vooral gesitueerd op het vlak van structurele metaforen die gebaseerd zijn op concrete ervaringen (1980: 61e.v.).

Ik koppel hieraan een derde vraag: hoe vertaal je dit werk? Zelfs al zit het met die vertaalbaarheid in dit geval wel goed, dan nog is de fundamentele vraag: moet je L&J bekijken als een werk over de Engelse taal en cultuur, of beschouw je het als een algemeen werk over de metafoor, in het Engels geschreven en met voorbeelden uit het Engels geïllustreerd. De stellingen van de auteurs zelf (dat metaforen cultuurgebonden conceptualiseringen zijn) en het feit dat de visie van L&J in grote mate is gebouwd op hun eigen ervaringen met hun eigen taal en cultuur lijken tot de eerste conclusie te leiden ‒ de sporadische verwijzingen naar andere talen veranderen daar niet veel aan. De keuze van de vertaler sluit nochtans aan bij de tweede conclusie: het werk is toevallig in het Engels geschreven en met Engelse voorbeelden geïllustreerd, maar de principes zijn algemeen en dus kan je het geheel volledig vertalen in het Nederlands, de analyses grotendeels overnemen en de voorbeelden vervangen door gelijkaardige voorbeelden in het Nederlands. In het algemeen lijkt deze opzet te lukken, maar op sommige punten stuit de vertaling inderdaad op duidelijke verschillen tussen het Engelse en het Nederlandse, waardoor ze wel eens ontspoort.

Dit blijkt in de eerste plaats uit de voorbeelden. Een aantal van de voorbeelden in de Nederlandse tekst (1-4) passen gewoon niet in het conceptuele systeem dat ze geacht worden te beschrijven ‒ omdat het Nederlands een ander beeld gebruikt dan het Engels:

(1) Zijn macht brokkelt af. (1999: 23 als voorbeeld voor BEHEERSEN IS BOVEN)

(2) Hij loopt niet over van enthousiasme (1999: 35 als voorbeeld van DE GEEST IS EEN MACHINE)

(3) Je weet niet wat er allemaal voor je ligt (1999: 49 als voorbeeld van TIJD IS EEN BEWEGEND OBJECT)

(4) We zijn werkelijk compleet nieuwe denkbeelden aan het aanboren. (1999: 54 als voorbeeld van IDEEËN ZIJN PRODUCTEN)

Andere voorbeelden uit de Nederlandse tekst (5b-7b) zijn te zeer op het Engels geënt:

(5a) [...] expressions from the vocabulary of war, e.g. attack a position, [...], gain ground etc. forma systematic way of talking about the battling aspects of arguing. (1980: 7)
(5b) [...] oorlogsvocabulaire (zoals een stelling aanvallen, [...]? terrein veroveren enzovoort) om over strijdaspecten van een discussie te praten. (1999: 15 ‒ eerder: veld winnen)

(6a) You’re going around in circles. (1980: 90)
(6b) Je blijft in kringen ronddraaien. (1999: 97 ‒ eerder: in een kringetje)

(7a) John fired the gun at Harry. (1980: 167)
(7b) Jan vuurde het pistool af op Harry. (1999: 173)

In (5b-6b) gaat het enkel om een formulering; in (7b) wordt de structuur van het Engelse werkwoord overgenomen, terwijl je in het Nederlands enkel iets op iemand kan afvuren in de figuurlijke zin (en dan zijn het de ‘projectielen/vragen’ die als object in de zin verschijnen). Bij dit laatste voorbeeld hoort een hele analyse die in vertaling (1999: 173–174) natuurlijk ook geen steek meer houdt.

Een gelijkaardig probleem doet zich voor bij de analyse van de volgende zinnen:

(8a) He broke down. (1980:28)
(8b) Hij ging eraan kapot. (1999:36)

(9a) He cracked up. (1980:28)
(9b) Toen knapte er iets in hem. (1999:36)

L&J zien hier het volgende nuanceverschil: bij (8a) wordt de persoon apatisch, bij (9a) gewelddadig, wat volgens hen te verklaren is door het beeld van rondvliegende stukken dat het Engelse ‘to crack’ zou oproepen. Deze verklaring (die zelfs voor het Engels erg vergezocht is) kan in het Nederlands helemaal niet worden volgehouden. Toch neemt de vertaling ze bijna integraal over.

Het Nederlands mag dan wel verwant zijn met het Engels, en er is een grote parallellie in de conceptualiseringen, maar er zijn ook duidelijke verschillen, zodat sommige van de conclusies in L&J alleen voor het Engels opgaan en dus niet ‘vertaalbaar’ zijn.

Teksttype
In het nawoord bij de vertaling (1999: 252) wordt L&J gekarakteriseerd als ‘uitnodigend’ en ‘direct’, en wordt de aandacht gevestigd op het argumentatieve karakter van het oorspronkelijke werk. Dit is één belangrijke karakteristiek van L&J, die, zoals Steen verder zegt, grotendeels behouden is in de vertaling. De Nederlandse versie wordt inderdaad ook gekenmerkt door een zekere redundantie, door parafraseringen (ter verduidelijking) en retorische herhalingen, en het inclusieve ‘we’ dat de Engelse lezer moet meevoeren in de redenering vindt een automatische tegenhanger in het Nederlandse ‘we’.

De vertaler grijpt erg sporadisch in en het is niet altijd duidelijk waarom er juist op die plaatsen wordt afgeweken van het origineel. Sommige redundante zinnen worden wel weggelaten, andere juist weer niet. Bij de beginzinnen van de laatste twee alinea’s van hoofdstuk 15 (10-11) werkt de vertaling duidelijk op een te lokaal niveau waardoor de (retorisch verantwoorde) parallellie tussen de twee alinea’s verdwijnt (1999: 92):

(10a) ‘We have so far characterized coherence in terms of...’
(10b) ‘We hebben samenhang tot dusver getypeerd als...’

(11a) ‘But there is more to coherence than...’
(11b) ‘Maar behalve de structurering die multidimensionele gestalts met zich meebrengen, is er nog meer coherentie.’

De tweede zin (11) (die trouwens ook verkeerd geïnterpreteerd wordt) brengt nog een ander element naar voren. Een wetenschappelijk werk wordt tot op zekere hoogte gekarakteriseerd door de manier waarop het omspringt met terminologie. Typisch voor L&J is dat het een groot aantal gangbare termen gebruikt (en die soms een eigen invulling geeft), maar dat er daarnaast ook een heel nieuw begrippenarsenaal wordt ingevoerd. Voor de vertaler wordt het zo een hele klus om uit te zoeken wat nu precies terminologie is of als zodanig wordt bedoeld, welk deel daarvan gangbare terminologie is en dus waarschijnlijk een geijkte vertaling heeft, en wat te doen met het nieuwe. Hier scoort de vertaler mijns inziens niet al te best. In het eerdere voorbeeld is het duidelijk dat ‘coherence’ als term moet worden behandeld, en niet zomaar kan worden vertaald met het veel algemenere ‘samenhang’. Zo wordt er verder ook nogal losjes omgesprongen met ‘extended’ (‘opgerekt’ in deze vertaling [1999: 130] in plaats van het gangbare ‘uitgebreid’) en met ‘arbitrary’ (wat net niet ‘willekeurig’ [1999: 208] betekent). Ook de vertaling van nieuwe(re) termen overtuigt niet altijd (‘container ‒ container’, ‘directly emergent ‒ direct opkomend’, ‘grounding ‒ worteling’ (maar niet consistent), ‘experiential ‒ op (menselijke) ervaring gebaseerde’, ‘up-down ‒ boven-beneden’, en ‘disembodied ‒ lichaamloos’).

De vertaling heeft het soms ook moeilijk met de nuanceringen die L&J aanbrengen en met de klemtonen die ze leggen. Soms wordt een nuancering gewoon weggelaten, zoals in passage (12b):

(12a) ‘Primarily on the basis of linguistic evidence, we have found that most of our ordinary conceptual system is metaphorical in nature. And we have found a way to begin to identify in detail just what the metaphors are that structure how we perceive, how we think, and what we do.’ (1980: 4)
(12b) ‘Aan de hand van taaluitingen kun je laten zien dat ons conceptuele systeem metaforisch van aard is. Zo hebben we een werkwijze gevonden waarmee we tot in detail kunnen vaststellen welke metaforen vorm geven aan ons denken, waarnemen en handelen’. (1999: 11-12)

Dit gebeurt ook met meer fundamentele aspecten van de formulering zoals in (13). L&J benadrukken dat metaforen cognitieve processen zijn, wat ingaat tegen de meer traditionele visie die metaforen als louter talige uitdrukkingen beschouwt. Dat blijkt ook uit de manier waarop ze over metafoor spreken en het is juist die nuance die in (13) verdwijnt. Iets soortgelijks gebeurt in (14):

(13a) ‘Metaphor and metonymy are different kinds of processes. Metaphor is principally a way of conceiving of one thing in terms of another...’ (1980: 36)
(13b) ‘Metaforen en metonymieën onderscheiden zich van elkaar doordat ze op verschillende soorten processen zijn gebaseerd. Het gebruik van de metafoor is voornamelijk een manier om iets inzichtelijk te maken op basis van iets anders...’ (1999: 43)

(14a) ‘Up to this point we have described the systematic character of metaphorically defined concepts’. (1980: 52)
(14b) ‘Eerder hebben we de systematische kenmerken beschreven van door metaforen vormgegeven concepten’. (1999: 59)

Besluit
Misschien was het dan toch beter geweest Metaphors We Live By niet te vertalen. De wetenschapper heeft er waarschijnlijk geen behoefte meer aan, het grote publiek zie ik dit boek niet lezen en de metafoorstudent bewijs je niet echt een dienst wanneer de voorbeelden die het geheel moeten ondersteunen en verduidelijken vaak niet helemaal juist zijn.

 

Bibliografie
Johnson, Mark. 1987. The Body in the Mind. The Bodily Basis of Meaning, Imagination and Reason. Chicago: University of Chicago Press.

Lakoff, George. 1987. Women, Fire and Dangerous Things: What Categories Reveal about the Mind. Chicago/Londen: University of Chicago Press.

Lakoff, George & Mark Johnson. 1980. Metaphors We Live By. Chicago: University of Chicago Press.

Langacker, Ronald. 1987. Foundations of Cognitive Grammar. Vol.1: Theoretical Prerequisites. Stanford: Stanford University Press.

Langacker, Ronald. 1991. Foundations of Cognitive Grammar. Vol.2: Descriptive Application. Stanford: Stanford University Press.

Lees meer over: