Griekse lammetjes verweiden    24-30

Rein Ferwerda als vertaler

Harm-Jan van Dam

Abstract: Portret van Rein Ferwerda, vertaler van de antieke filosofen Plotinus, Democritus, Empedocles, Sextus Empiricus en Augustinus.

 

Vraag een geïnteresseerde leek om een antieke filosoof te noemen en tien tegen een dat hij aankomt met Plato. Maar er is in de Oudheid heel veel meer, en ook scherpzinniger, gedacht dan door Plato, zij het maar zelden zo aansprekend geformuleerd. Van (grote delen van) Plato zijn op het moment minstens vier verschillende vertalingen te krijgen, zoals Siem Slings elders in dit nummer uiteenzet. Maar bijna alle andere antieke filosofische teksten in de boekhandel zijn vertaald door Rein Ferwerda: een oeuvre van meer dan 2000 bladzijden gespreid over vijf Griekse denkers en één Romeinse, en over ongeveer negen eeuwen. Tel daar nog een vertaling in het Engels bij, een proefschrift en een aantal geleerde artikelen, een filosofische roman, en een in mei 2000 te verschijnen deel in de reeks Aristoteles-vertalingen van de Historische Uitgeverij, en bedenk dat Ferwerda meegewerkt heeft aan de recent uitgebrachte herziene versie van Mgr. De Win’s volledige Plato. Zeker een indrukwekkende prestatie, geleverd door een man die leraar en lange tijd rector van een middelbare school is geweest.

Hier wil ik aandacht schenken aan deze, wat onderbelichte, vertaler, en ook een indruk geven van de filosofen die Ferwerda vertaald heeft, de problemen die daarbij spelen, en zijn aanpak.1 Eerst een heel kort overzicht van de vertalingen: in 1984 verscheen Enneaden van Plotinus (204–270), de laatste grote heidense filosoof, een neo-Platonist; in 1989 de Levens en opvattingen van beroemde filosofen door Diogenes Laërtius (waarschijnlijk omstreeks de geboorte van Plotinus geschreven). De laatste nog door deze Diogenes genoemde filosoof is Sextus Empiricus, die van ca. 150–220 geleefd kan hebben. In 1996 kwam Ferwerda met Sextus’ Grondslagen van het scepticisme; de beëindiging van het rectorschap geeft hem sindsdien de kans elk jaar een vertaling te laten verschijnen: in 1997 Empedocles en in 1998 Democritus, twee vroege natuurfilosofen (vijfde/vierde eeuw v.Chr.), zogenaamde pre-socratici ‒ al stierf Democritus pas na Socrates, in 370 v.Chr.; en in 1999 de enige vertaling uit het Latijn, Over het gelukkige leven, een kort geschriftje van Augustinus, geschreven in 386. En binnenkort dus drie biologische werken van Aristoteles: De onderdelen van dieren en Hun voortbeweging en Hun gang.

De keuze van de auteurs en de uiteenlopende opzet van de vertalingen zijn, zoals dat gaat, voor een groot deel bepaald door toeval en door de wensen van uitgevers: voor Aristoteles en Augustinus werd Ferwerda gevraagd, terwijl Plotinus, op eigen initiatief begonnen, al voor meer dan de helft af was voor hij met Johan Polak in contact kwam. Empedocles en Augustinus zijn tweetalige uitgaven, omdat die zonder brontekst erg dunne boekjes geworden zouden zijn; bij omstreeks 900 bladzijden Plotinus is een tweetalige uitgave uitgesloten. Een constante bij alle vertalingen is in elk geval een flinke inleiding en (nogal tot heel) veel verklarende noten.

Aan zijn eerste vertaling, die van Plotinus, is Ferwerda naar eigen zeggen begonnen omdat hij bang was dat zijn Grieks zou gaan roesten nu hij rector was geworden. De keuze lag voor de hand, aangezien zijn dissertatie gaat over beelden en metaforen bij Plotinus. Plotinus is niet direct een toegankelijk schrijver: zijn Grieks is niet erg fraai, en ook vaak niet helder. Zijn werk bestaat uit bijna vijftig korte traktaten die zijn opgezet als reflecties over werk van zijn voorgangers. Daardoor is hij vaak moeilijk te begrijpen voor wie niet weet waar hij op reageert. En zijn filosofie heeft een hoog mystiek gehalte. Centraal in Plotinus’ denken staat het Ene, dat buiten en boven de mens, of liever boven onze hele wereld, staat. Het Ene is verder weg en moeilijker te vatten dan de Ideeënwereld van Plato: de mens kan, en moet, om gelukkig te worden beseffen dat de schijnbare veelheid van de dingen bestaat bij de gratie van het Ene. Maar om het geluk werkelijk te ervaren ‒ en het gaat er Plotinus in zijn filosofie in laatste instantie om de weg te wijzen naar het geluk ‒ is het werk van het intellect weliswaar noodzakelijk, maar is het doel de extatische eenwording met het Ene te bereiken, wat alleen langs intuïtieve weg kan gebeuren.

Dit is de eerste en enige volledige Nederlandse vertaling van Plotinus: dat die tien jaar hoofdbrekens en veel herziening eiste, is niet verwonderlijk. De problemen betreffen vooral betekenissen van woorden en begrippen en de bedoelingen van Plotinus. In een lezing die later in het Engels gepubliceerd is (zodat de vertaalproblemen ook nog door een andere taal heen gezien moeten worden!) stelt Ferwerda zich nadrukkelijk op tegenover de vroege Koolschijn, die in Plato veel literaire citaten en verwijzingen naar Griekse godsdienst wegliet. Ferwerda profileert zich hier als de klassieke filoloog: alles wat Plotinus zegt, moet weergegeven worden en als dat soms in raar Grieks is, dan wordt dat raar Nederlands. Met voorbeelden op woord- en zinsniveau gaat Ferwerda in op de juiste weergave van begrippen die Plotinus hanteert: het Ene is bijvoorbeeld niet in ons, maar bij ons: een onjuiste vertaling van het voorzetsel para met ‘in’ levert een verkeerd beeld op van de manier waarop het Ene de oorsprong van alle dingen is.

Van de andere vertalingen leverden waarschijnlijk die van Democritus en vooral Empedocles, de meeste problemen op: van beiden zijn alleen fragmenten bij andere schrijvers overgeleverd, waarvan de volgorde, de context en de betekenis vaak duister zijn. Democritus, met zijn stelling dat alle materie uit kleine ondeelbare deeltjes bestaat, is de grondlegger van de atoomtheorie en tot op zekere hoogte ook van het dialectisch materialisme. Karl Marx promoveerde op zijn leer. Empedocles betoogt, in poëzie, dat de kosmos is opgebouwd uit vier elementen (aarde, water, vuur, lucht) waarop twee krachten inwerken: liefde en haat. In beide vertalingen is veel wetenschappelijk werk gestopt: zo heeft Ferwerda deze auteurs niet domweg uit de grote bestaande (meestal negentiende-eeuwse) fragmentenverzamelingen vertaald, maar de fragmenten naar eigen inzicht inhoudelijk geordend (met uitvoerige concordantie-tabellen achterin, zodat elk vertaald fragment door de kenner weer in het Grieks kan worden opgezocht), en nieuwe interpretaties uit geleerde artikelen gehaald. De Empedocles-vertaling is niet alleen voorzien van een lange inleiding die ingaat op het systeem van Empedocles en op de invloed en sporen daarvan in de moderne filosofie: daarna wordt elk fragment in het Grieks én Nederlands gegeven, gevolgd door een toelichting op de Griekse tekst, de gekozen vertaling, de plaats van dit fragment in het gehele systeem en een bespreking van alternatieve interpretaties.

De twee tussengelegen vertalingen lijken geen heel specifieke problemen te bieden, afgezien van het pionierswerk dat ervoor verricht moest worden ‒ ook dit zijn eerste integrale vertalingen. Beide werken zijn van belang voor de geschiedenis van de filosofie: in Diogenes Laërtius’ De levens van beroemde filosofen is enorm veel uniek materiaal over oudere filosofen en hun ideeën te vinden. Een deel van deze vertaling was in 1965 door J.B. Eykman afgerond en is door Ferwerda indertijd bewerkt, die daarbij zonder veel moeite over het bezwaar van de twee stijlen heenstapte. Diogenes is zeker geen hoogvlieger, en zijn boek is biografisch en vooral sterk anekdotisch georiënteerd. Misschien is het geen wonder dat dit de enige van Ferwerda’s vertalingen is die uitverkocht is. Binnenkort verschijnt een geheel herziene versie. Sextus Empiricus daarentegen is een andere propositie: de auteur, waarschijnlijk arts, geeft een uiteenzetting van de antieke sceptische filosofie, inclusief zijn eigen bijdragen, en bestrijdt de ‘dogmatici’, dat wil zeggen alle filosofen (én toegepaste wetenschappers, zoals retoren, artsen etc.) die uitgaan van, volgens de sceptici onbewezen, vooronderstellingen. De sceptische school, traditioneel gegrondvest door Pyrrho van Elis (ca. 360–270), betoogt dat geen enkele kennis zeker is, en dat daarom zich van een vaste mening onthouden (epochè)de enige juiste houding is. In wezen is alles onbewijsbaar, en dus ook alles onverschillig, al was niet elke scepticus zo consequent als Pyrrho, die volgens de anekdotes tijdens wandelingen door zijn leerlingen moest worden bijgestuurd om niet in het verkeer om te komen: het maakt immers niet uit waar je loopt. De scepsis is een lang onderschatte, zeer invloedrijke leer geweest, die de afgelopen decennia veel aandacht heeft gekregen: Montaigne liet in zijn kamer het woord Epochè in de balken snijden en Descartes’ soundbite ‘Ik denk dus ik ben’ is ontstaan als een poging voorbij de scepsis te komen. Zonder sceptici geen postmodernisme. Het vaak technische, uitvoerig argumenterende werk van Sextus heeft Ferwerda sterk getroffen: als er één auteur is over wie hij de geïnteresseerde leek zou willen toeroepen: ‘Lees die man’, is het Sextus. Zijn roman Timo, een Griekse idylle behandelt het leven, de ideeën en de wereld van Timo van Phlius, een leerling van Pyrrho, die zijn carrière begon als eenogige koorddanser(!). In feite is het een licht geromantiseerde geschiedenis van de scepsis en haar plaats in de woelige derde eeuw voor Christus, nadrukkelijk gebaseerd op Sextus, Diogenes en Timo’s eigen fragmenten, waaronder veel sylloi, bijtende korte gedichten waarin andere filosofen afgekraakt worden.

In zijn artikel over het vertalen van Plotinus stelt Ferwerda dat hij, anders dan Koolschijn, én de taal én de inhoud van zijn auteur recht wil doen. Weinig vertalers zullen op dit streven iets willen afdingen. Desalniettemin lijkt Ferwerda als vertaler meer gespitst op de inhoud dan de vorm (als ik deze onmogelijke tweedeling even mag maken) en dat ligt voor het vertalen van filosofie misschien voor de hand, en zeker bij een auteur als Plotinus, die meestal niet fraai maar wel technisch schrijft. Sommige mogelijkheden in de vorm laat Ferwerda met opzet liggen: als er een woordenspel in het Grieks zou kunnen zijn met hestia (haard) en ousia (het zijn, bestaan), overweegt hij weliswaar hestia hier met ‘schouw’ weer te geven, omdat het ‘schouwen van de ideeën’ minstens voor Plotinus voorbeeld Plato essentieel is voor het ware zijn. Maar hij verwerpt deze woordspeling, omdat de haard nu eenmaal niet ‘schouwt’. Typerend is misschien ook dat hij de poëzie van Empedocles aanvankelijk in poëzie had vertaald, maar dit uiteindelijk heeft omgewerkt naar proza ‘omdat er te veel verloren ging’, te veel aan filosofische inhoud dus. Wat Ferwerda vooral bedoelt met het recht doen aan de taal, denk ik, is een filologische grondhouding van waaruit de vertaler elk woord inclusief zijn positie in de zin en zijn connotaties met het juiste equivalent wil weergeven. Natuurlijk blijkt daarbij dat dat onmogelijk is en dat, zoals de vertaler zelf het uitdrukt, de Griekse lammetjes bij het verweiden naar het Nederlands van aard veranderd zijn. Maar in principe hangt Ferwerda, anders dan Akkerman elders in dit nummer, desgevraagd de stelling aan dat hetzelfde woord in de brontaal met één woord in de doeltaal weergegeven moet worden, omdat ‘het pijn doet de correlatie in de gedachtegang te doorbreken’. Toch is hij daartoe af en toe gedwongen, zoals wanneer het woord periptooma bij Aristoteles iets als ‘reststoffen’, eventueel ‘excrementen’ betekent, maar dan voor Aristoteles ook op bloed blijkt te kunnen slaan. Typerend voor de filoloog is ook zijn neiging om zich in de voetnoten te verantwoorden voor de keuze van de tekst (‘ik lees ekkekrinomenoon in plaats van het overgeleverde sunkrimenoon’)en van de vertaling (‘in het Grieks staat de infinitivus; ik heb de omweg over de aanvoegende wijs gekozen’).

Vertalers van antieke, en latere in het Latijn geschreven, filosofische teksten zijn in Nederland vrijwel altijd filologen, geen filosofen; en ik ben het met Akkerman eens dat dat ook eigenlijk voor de kwaliteit van de vertalingen noodzakelijk is, uitzonderingen daargelaten, zoals Keimpe Algra’s Epicurus-vertaling. Een voorwaarde voor een goede vertaling van alle teksten is uiteraard dat de vertaler goed op de hoogte is van de discussie over de inhoud van het werk, en dat geldt zeker voor filosofische teksten. Ferwerda lijkt zich steeds meer te ontwikkelen tot filosoof, of in elk geval steeds breder en diepgaander op de inhoud en betekenis van de vertaalde filosofen in te gaan. In zijn inleidingen besteedt hij uitvoerig aandacht aan de inhoud en coherentie van de denkbeelden van de auteurs; en daarna ook aan doorwerking en invloed, waarbij Hölderlin, Nietzsche en Hans Andreus (!) even gemakkelijk over tafel gaan (Empedocles) als Pascal, Toulmin, Derrida en Rorty (Sextus). In zijn noten legt hij uit wat zijn auteur bedoelt en gaat hij in op de consequenties van filosofische stellingnames ‒ of berispt hem een enkele keer zelfs (‘zou Sextus even gedut hebben?’). De lezer voelt, naast de gedreven zoektocht naar het juiste woord, Ferwerda’s passie voor de antieke filosofie, en vooral zijn hartstochtelijke wil om dat allemaal aan de lezer mee te delen en uit te leggen, hem over te halen zich over te geven aan dit geestelijk genot. In al zijn vertalingen spreekt de leraar in de beste zin van het woord. Een leraar die zijn publiek, dat ook voor Ferwerda de beroemde geïnteresseerde leek is, behoorlijk hoog inschat: wanneer hij een bibliografie voor een eerste verdere kennismaking geeft, bestaat die soms uit dertien items waarvan niet één in het Nederlands.

Ferwerda begeeft zich steeds meer op het filosofische pad, steunend op zijn enorme filologische kennis van het Grieks en van het taalgebruik van zijn auteurs en van de antieke filosofie, en daar ligt zijn voornaamste kracht. Maar in die ontwikkeling zit ook een paradox, of misschien moet ik zeggen dat er twee zielen in zijn borst wonen, een literaire, die sterk gevoelig is voor vorm, en een meer inhoudelijke of filosofische. Die literaire wordt vaak weggedrukt, maar wringt zich op allerlei manieren naar de oppervlakte. Op mijn onvermijdelijke vraag hoe hij tot het vertalen gekomen was, noemde hij in elk geval twee dingen die van belang waren: zijn opgroeien in ‘drietaligheid’ ‒ thuis werd er Bildts gesproken, een mengtaal van Fries en het Hollands dat de zestiende-eeuwse bedijkers van dit noordoostelijke deel van Friesland spraken. Op school werd hij geconfronteerd met zowel Fries als Nederlands. Zo realiseerde hij zich vroeg de verschillende betekenissen en connotaties van woorden. Daarnaast legde zijn leraar klassieke talen grote nadruk op het fraai vertalen van literaire auteurs en wist hem daardoor te enthousiasmeren om klassieke talen te gaan studeren. Zijn vertalingen zelf zijn in onberispelijk Nederlands gesteld, zij het uiteraard soms niet erg te genieten door het technische karakter. Maar in en vooral buiten de vertalingen breken bevlogen passages door, waaraan ook liefde voor literatuur is af te lezen. Sommige gedeelten van zijn inleidingen zijn bepaald lyrisch van toon, zoals de lofzang op Empedocles’ geboortestad Agrigento, of op de liefde. Bij Empedocles (waarvoor hij al op school enthousiast gemaakt was door Hölderlins Empedocles)streepte hij de poëzie weer door, maar citaten uit Griekse poëzie in zijn vertalingen, vooral bij Diogenes, vertaalt hij wel degelijk als poëzie, en zijn roman Timo zit vol persoonlijk vertaalde poëzie, zowel die van Timo zelf als Homerus, de tragici en andere Griekse dichters. Hoewel die naar mijn smaak iets te veel aan tekst en metrum van de brontekst vasthouden om als poëzie genoten te worden, geven ze wel wat Ferwerda ‘een bepaalde sfeer’ noemt, voor hem het kenmerk van poëzievertalingen. En het idee om een roman te schrijven over een onderwerp waaraan hij eerst zowel wetenschappelijk als vertalend heeft gewerkt, vat ik op als een uitbraak uit het filologisch en filosofisch pantser. Ook al zitten leraar en geleerde de romanschrijver soms in de weg, Timo getuigt van de verschillende emotionele niveaus waarop Ferwerda met zijn teksten bezig is.

Voorlopig zal Ferwerda wel bezig zijn aan Aristoteles: dit najaar verschijnt er nog een deeltje. Maar van iemand met zijn energie valt te verwachten dat er nog meer filosofen met minder grote namen maar wel interessante denkbeelden in het Nederlands zullen verschijnen.

 

Noot
1 Een gesprek met de vertaler ligt mede ten grondslag aan dit stuk. Graag wil ik dr Ferwerda bedanken voor zijn bereidwilligheid.