De splinters in andermans vertaling    55-62

Erik Coenen

Barber van de Pol beklaagt zich er in haar column (Filter, 22:2, p. 29–32) over dat in Nederland, naar haar oordeel, door vertalers veel wordt ‘gebeunhaasd’ en oppert voorzichtig dat de daarvoor verantwoordelijke knoeiers toch ‘met naam en toenaam’ (32) zouden moeten worden genoemd. Ze beroept zich daarbij op de mening van een ‘sympathieke cultuurbons’ (30) die vindt dat in Nederland ‘vaak heel slecht vertaald’ wordt en die ze niet met naam en toenaam noemt.

Ik geef in deze bladzijden gehoor aan haar oproep. Maar eerst het volgende. Ik ontbeer de kennis om te kunnen beoordelen of in Nederland, in het algemeen, slechter wordt vertaald dan in andere landen, maar als het waar is, dan is dat een schande, want het zal niet gemakkelijk zijn een land te vinden waar de rechten van vertalers zo goed worden beschermd, waar een modelcontract voor literair vertalers bestaat, en waar literair vertalers op zoveel ondersteuning kunnen rekenen van instellingen als het Letterenfonds en het Expertisecentrum Literair Vertalen. In veel taalgebieden wordt literatuur bijna gratis vertaald door universitair docenten in hun vrije tijd, of dwingt een hongerhonorarium tot haastwerk. Als het waar is dat we het hier te lande zo slecht doen, dan zijn kennelijk al die inspanningen voor niets geweest.

Lees verder in de papieren Filter