Wie heeft schrik van Zuid-Nederlands    37-45

Pleidooi voor een tolerantere houding ten aanzien van Zuid-Nederlandse taalvarianten

Désirée Schyns

Abstract: Onder de kop 'Pleidooi & repliek' worden vijf prikkelende stukken gepresenteerd die een reactie van lezers willen uitlokken of die zelf al een reactie zijn. Pleidooi voor een tolerantere houding (van lezers en uitgevers) ten aanzien van Zuid-Nederlandse taalvarianten in vertalingen: de schatkamer van de Nederlandse taal is echt groter dan menige Randstadbewoner denkt.

 

‘31 maart. Frans Denissen klaagt in NWT dat hij in zijn Gadda-vertaling geen Zuid-Nederlands mocht gebruiken van de Nederlandse redacteuren. In de NRC kapittelt de recensent hem omdat hij geen Vlaams gebruikt voor Gadda’s dialogen.’
Paul Claes, ‘Glimpen uit 2001’ in: De brakke hond, zomer 2002.

‘Ik kan me trouwens nauwelijks indenken wat men als alternatief voor een eenheidstaal kan voorstellen. Gescheiden ontwikkeling? (…) Wij zijn al te lang samen onderweg om die ongerijmde hypothese ook maar in overweging te nemen.’
Jozef Van Haver, Noorderman & Zuiderman. Het taalverdriet van Vlaanderen. Tielt: Lannoo 1998. 

Mijn interesse voor de kleine verschillen tussen het Nederlands van het Noorden en het Zuiden is vier jaar geleden ontstaan toen ik begon te doceren aan de Hogeschool Gent, waar studenten aan het departement vertaalkunde kunnen afstuderen als licentiaat vertaler of tolk (een licentiaat is te vergelijken met een doctoraal in Nederland). Tot mijn schrik moest ik al snel constateren dat mijn oor tijdens de werkgroepen vertalen Frans-Nederlands helemaal niet gewend was aan varianten als ‘gedaan met’ (Noorden: ‘afgelopen met’) of aan woorden als ‘wenen’, ‘zot’, ‘binnenrijven’ of ‘eenzaat’. Tijdens mijn allereerste college gewijd aan een stukje vertaling uit Le passé d’une illusion van François Furet las een studente een uitstekende vertaling voor waarin ineens als een duvel uit een doosje het woord ‘nakend’ opdook. Het ging om een ‘nakende oorlog’, en ik wrong me in allerlei bochten om uit te leggen dat dat woord niet gebruikt kon worden, althans niet in een vertaling die ook voor Nederlandse lezers is bestemd. Maar voor alle aanwezige studenten uit het vierde jaar was ‘nakend’ een heel normaal woord. In het Nederlands van het Noorden komt het alleen nog in het dagelijks taalgebruik voor als ‘ongenaakbaar’. Het jammere is achteraf dat alle aandacht naar de discussie over dat ene woordje ging en dat de verder schitterende vertaling nauwelijks meer aan bod kwam.

In nagenoeg iedere les komt het voor dat studenten mij een woord of uitdrukking voorleggen om te vragen of dat ‘ook mag’. Ik kan niet om het hanteren van een taalnorm heen en op onze school geldt de norm van het Noorden. Mij is echter in de loop der jaren gebleken dat er in Vlaanderen bressen in de norm van het Noorden zijn geslagen en dat ik daar rekening mee moet houden. De studenten leggen vertaalexamens af en als ik de norm van het Noorden genadeloos zou hanteren dan zou het veel meer onvoldoendes regenen dan nu. Inmiddels heb ik de volgende afspraak met mijn studenten gemaakt: ik sta open voor ‘hun variant’ en zij moeten proberen die van het Noorden te onthouden. In feite leren ze dus in veel gevallen twee oplossingen, al naar gelang we een stuk voor De Standaard of de Volkskrant vertalen. In de eerste krant mag je ‘eerste minister’ zeggen in de tweede krant heb ik liever ‘premier’. ‘Eerste minister’ is gekleurd in de ogen van Nederlanders. In de eerste krant ‘gaat een vergadering door’ in de tweede ‘ vindt een vergadering plaats’. In De Standaard mag je ‘op je geld zitten’, in de Volkskrant houd je ook nog ‘de knip op de beurs’.           

De meningsverschillen met betrekking tot de norm blijven niet beperkt tot onderwijssituaties. Op het gebied van literair vertalen lijken Nederlanders en Vlamingen in sommige gevallen uit elkaar te groeien, omdat ze er andere opvattingen op nahouden over het Nederlands, onze gemeenschappelijke voertaal. Tijdens een workshop literair vertalen Engels-Nederlands werd vorig jaar naar verluidt geopperd dat de aanwezige Vlaamse literaire vertalers voor hun landgenoten zouden moeten vertalen en de Nederlanders voor Nederlanders. Hoewel het hier naar ik hoop om een incident gaat, lijkt me dit toch een schrikbarend idee.

Omdat de meeste Nederlandstalige auteurs worden uitgegeven in Amsterdam (of Breda) en uitgeverijen in Nederland ook nagenoeg alle belangwekkende Nederlandse vertalingen uit de vreemde taal publiceren, worden literaire vertalers en schrijvers in Vlaanderen tot een vorm van nomadisme veroordeeld. Willen vertalers uit Vlaanderen hun werk doen (en sinds de oprichting van het Vlaamse Fonds voor de Letteren en het Steunpunt Literair Vertalen worden zij daartoe meer dan ooit gestimuleerd), dan moeten ze namelijk bij Nederlandse uitgevers aankloppen.

Ondanks het feit dat Vlamingen zo goed als altijd winnen bij de grote dicteewedstrijd en bij allerlei quizzen over taalkennis, heeft het Nederlands uit Vlaanderen, of het Zuid-Nederlands zoals ik het in de rest van mijn betoog zal noemen1, een slechte naam in Nederland. Vaak wordt er een beetje lacherig over gedaan. Wanneer Nederlanders een woord niet kennen dan ‘zal het wel Belgisch zijn’. Toen ik een jaar of twee geleden tijdens een vertaalatelier in Gent vroeg wat de aanwezige vertalers (uit België en Nederland) wilden drinken en ‘bruisend’ of ‘plat’ water aanbood, zei een van de aanwezige Nederlandse vertaalsters: ‘Pas maar op dat je niet Vlaams [curs. DS] gaat praten.’ Ik vind ‘plat water’ een betere aanduiding dan de merknaam ‘Spa blauw’.

Het Noord-Nederlands geldt als Standaardnederlands en als gevolg van die hegemonie moeten literaire vertalers uit het Zuiden zich aanpassen aan het taalgebruik van de noorderburen. Uit verhalen van Vlaamse vertalers komt naar voren dat zij bepaalde woorden en uitdrukkingen moeten schrappen voordat hun werk gepubliceerd kan worden in Nederland. Blijkbaar zijn er dus verschillen. The Long Falling van Keith Ridgway werd door een Vlaamse vertaalster vertaald en over de vertaling verschenen positieve recensies. Op uitdrukkelijk verzoek van de Nederlandse co-uitgever van Manteau moest zijn tweede boek echter door een Nederlander worden vertaald. Dit gebeurde zonder de Vlaamse vertaalster daarvan op de hoogte te stellen. Een sterk staaltje van culturele hegemonie, dunkt me. Sommige vertalers voelen zich nogal onzeker door deze gang van zaken. In Vlaanderen, ver van het centrum waar zich alle uitgevers bevinden, proberen ze hun pen af te stemmen op wat soms ‘Randstadhollands’ wordt genoemd.2 Maar, zo vraag ik mij af, waarom moet alles wat naar Vlaanderen ruikt, steevast worden weggepoetst? Wat is er zo erg aan woorden als ‘verwittigen’, ‘tof’, ‘zot’, ‘wenen’, ‘kuisen’, ‘krantenwinkel’, ‘goesting’ of ‘binnenrijven’? Is het zo’n ramp als iemand fruitsap in plaats van vruchtensap bestelt? Wat is er zo erg aan Antwerps dialect in een vertaling (als dat functioneel is)? Waarom is Amsterdams altijd beter? Woorden dragen een culturele geschiedenis met zich mee en door open te staan voor die woorden, aanvaard je ook de cultuur van de ander. En dat er enorme culturele verschillen zijn tussen Vlaanderen en Nederland is duidelijk. Vlaamse vertalers kunnen niet precies hetzelfde Nederlands schrijven als Nederlandse. Dat heeft onder meer met geschiedenis te maken. In Nederland zouden we meer open moeten staan voor de culturele inbreng van Vlaamse vertalers. Want achter die ‘rare’ woorden gaat een rijke cultuur schuil. Ik wil er nadrukkelijk niet voor pleiten dat fouten tegen het Nederlands worden goedgepraat, maar ik pleit er wel voor dat literaire uitgevers en collega-vertalers in workshops toleranter worden ten aanzien van Zuid-Nederlandse varianten.

Er zijn verschillen tussen Noord- en Zuid-Nederlands en die verschillen zijn historisch-cultureel bepaald. Hoewel dat elders al zeer uitgebreid is gebeurd,3 wil ik in wat hierna volgt een aantal in het oog springende verschillen tussen Noord- en Zuid-Nederlands op een rijtje zetten. Ook wil ik aangeven in welke gevallen Nederlanders met betrekking tot Zuid-Nederlandse taalvarianten in literaire vertalingen mijns inziens toleranter zouden kunnen zijn. Maar eerst iets over de geschiedenis van het Zuid-Nederlands, meer in het bijzonder over de rol van het Frans in Vlaanderen en de sporen die de taal van de zuiderburen in het Nederlands in Vlaanderen heeft nagelaten. Door deze historische band met het Frans leven de Vlamingen in een ander ‘taaldecor’ dan Nederlanders; dit heeft invloed gehad op de schrijftaal, en in ieder geval gezorgd voor veel taalkundige onzekerheid en voor hier en daar een ander taalgevoel.

Ezelsoren
In 1898 werd het Nederlands in België wettelijk gelijkgesteld met het Frans. Op 9 september 1980 ondertekenden het koninkrijk België en het koninkrijk Nederland in Brussel het Verdrag van de Nederlandse Taalunie, een uniek transnationaal verdrag dat voortvloeit uit het gegeven dat er in het Noorden van België en in Nederland één en dezelfde taal wordt gesproken waarvan de ontwikkeling nu al 22 jaar lang via die Taalunie een zorg is van beide landen. Die gedeelde zorg komt tot uiting in een gezamenlijk gevoerd beleid op het gebied van taal en letterkunde, waarvan de oprichting van het Steunpunt Literair Vertalen, dat zich nadrukkelijk richt op Vlaamse én Nederlandse vertalers, een van de kroonjuwelen is. Maar de ondertekenaars van het Verdrag van de Taalunie hebben geen gezamenlijke culturele en politieke geschiedenis. Dat heeft zijn weerslag op het gebruik van het Nederlands in het Zuiden, waar men in tegenstelling tot in Nederland heeft moeten vechten om Nederlands te mogen schrijven en spreken.

Nederlandstaligen zijn in de meerderheid in België (60 %). In de taalwetten van 1963 werd de taalgrens officieel vastgelegd. Ten noorden van die grens, in een streek waar van oudsher Nederlandse dialecten werden gesproken, is de voertaal Nederlands, ten zuiden ervan wordt Frans gesproken. Verder zijn er zogenaamde faciliteitsgemeenten in België: gemeenten met een grote minderheid van de andere taalgroep komen voor administratieve zaken tegemoet aan het taalgebruik van de minderheid. Dit gebeurt onder meer in de Brusselse Rand, in Voeren en in Komen-Moeskroen.

Het Frans was lange tijd dominant in België. Die taalgrens is er natuurlijk niet voor niets. Koning Willem I die na de val van Napoleon heerste over de Noordelijke én Zuidelijke Nederlanden, wilde dat Nederlands de (administratieve) taal werd van het hele koninkrijk. Zo richtte hij in Gent een Nederlandstalige universiteit op en wilde hij dat Nederlands de taal van het bestuur werd ten koste van het Frans. In 1819 vaardigde hij een decreet uit waarin stond dat het Nederlands vanaf 1823 de officiële taal was in de toenmalige provincies Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg. Maar de aristocraten, heersende culturele elites, francofiele bestuursambtenaren en de rooms-katholieke kerk in deze streken verzetten zich hiertegen, omdat ze bang waren dat de Nederlandse taal het voertuig was voor calvinistische ideeën. De meeste machthebbers in Vlaanderen verzetten zich dan ook tegen Willem I, om van de Walen nog maar te zwijgen. Vlaanderen bleef dus sterk verfranst en dit veranderde niet na de onafhankelijkheid van België in 1830. De nieuwe staat was een francofone staat, met een Franstalig bestuursapparaat, hoewel de meeste mensen in het Noorden van die nieuwe staat geen Frans spraken en schreven.4 Frans was de taal van de elite en wilde je in België iets bereiken, dan moest je Frans spreken en schrijven. Dit heeft vanzelfsprekend grote gevolgen gehad voor de ontwikkeling van het Nederlands en verklaart waarom het Nederlands van het zuiden onderhuids, of de Vlamingen het nu willen of niet, zo’n hechte band heeft met het Frans.

In de jaren dertig van de vorige eeuw was het nog heel gebruikelijk om Vlaamse kinderen die Nederlands spraken op de speelplaats van de school met ezelsoren uit te dossen om hen te straffen voor het spreken van die boerse en onculturele taal. Dit ondanks de gedichten van Guido Gezelle en Anton van Wilderode, en boeken als Het land van herkomst van Du Perron en de Max Havelaar van Multatuli. Maar dat waren geen referenties voor de culturele elite die Frans sprak. Dé grote literatuur in die tijd (het einde van de negentiende eeuw tot de jaren dertig van de twintigste) werd in het Frans geschreven, overigens door Vlamingen. Nobelprijswinnaar Maeterlinck bijvoorbeeld was een Gentenaar die in het Frans schreef. In Vlaamse steden zoals Gent en Antwerpen woonde en werkte een culturele elite die in het Frans werd opgevoed. Toch koos de Franstalige Gentenaar Karel van de Woestijne ervoor te schrijven in een zeer gekunsteld Nederlands, dat hij vooral kende uit boeken. Susanne Lilar was een Gentse die in het Frans schreef en Cyriel Buysse ten slotte – eveneens een Franstalige Gentenaar – koos dan weer voor het Nederlands omdat hij zijn personages dialect wilde laten spreken, wat in het Frans onmogelijk was. Deze Vlamingen hadden dus een complexe taalkundige en culturele identiteit.

De meeste Nederlanders weten weinig of niets van deze historische ontwikkelingen. Er wordt vaak gedacht dat er in heel België Frans wordt gesproken en dat alle plaatsnamen in België Franstalig zijn. Zo kwam mijn onderbuurman in Den Haag ooit in La Louvière terecht, terwijl hij naar Louvain (Leuven) wilde! Het is schrikbarend hoe weinig sommige Nederlanders weten van hun zuiderburen, van de taal die ze spreken en het land waarin ze wonen. Voor sommige Nederlanders is België verder weg dan Italië.

De postbode heeft zich vruchteloos bij u aangeboden
Wat zijn de gevolgen van deze historische en culturele aspecten voor het Nederlands in Vlaanderen? Zodra ik in Vlaanderen bevestig dat ik Nederlandse ben, krijg ik altijd hetzelfde verwijt: jullie hebben zoveel Franse woorden in het Nederlands en vragen om een jus d’ orange, hoe is het mogelijk? De Vlamingen maken zich dan ook nog vrolijk over de uitspraak van het drankje. Juist om ervoor te zorgen dat men het Nederlands in Vlaanderen zuiverde van het Frans waar de Vlamingen zo ambivalent tegenover staan, bestaan er in het Zuid-Nederlands veel meer purismen dan in het Noord-Nederlands. Een paraplu is een regenscherm (een germanisme), een punaise is een duimspijker, een consequentie is een gevolg, een service bij tennis is een opslag, een jus d’ orange is sinaasappelsap, of fruitsap (het is absoluut uit den boze om jus d’orange te zeggen), een boekpresentatie is een voorstelling.

Vlamingen leven in het maatschappelijk verkeer met een anders gekleurd Nederlands dan Nederlanders. Hoewel het Frans wordt uitgebannen, schemert er juist nog veel Frans door het Nederlands heen. Vlamingen worden veel meer dan Nederlanders geconfronteerd met vaak letterlijke vertalingen uit het Frans waarin de Franse zinsbouw slaafs in het Nederlands is overgenomen. In Vlaanderen is ‘in vraag stellen’ een heel gewone uitdrukking (‘mettre en question’). Men neemt er kopieën terwijl je ze in Nederland maakt (‘prendre des copies’). Ook is er een ander gebruik van voltooid deelwoorden; het is heel gebruikelijk om te zeggen ‘ik ben opgebeld geweest', of ‘gecontroleerd geweest’. Bij uitdrukkingen als ‘andere katten te geselen hebben, ‘er is geen kat op straat’, ‘het noorden kwijt zijn’, ‘dat is een ander paar mouwen’, ‘iemand wandelen sturen’, gaat het om letterlijke vertalingen uit het Frans, maar Vlamingen ervaren die uitdrukkingen niet als van oorsprong Franstalig. In het Nederlands worden ze niet gebruikt en is de betekenis ervan volstrekt onbekend, behalve misschien van ‘andere katten te geselen hebben’.

Veel gallicismen – ‘van zodra’, ‘de trein is beperkt tot’, ‘uw brief is weerhouden’ (‘votre lettre a été retenue’, betekent ‘uw brief is geselecteerd’), ‘weet u het station zijn?’ – hebben te maken met het feit dat Frans zolang de officiële bestuurlijke taal was. Juist bij de spoorwegen of de Belgische posterijen hoor of lees je vaak Nederlands dat vertaald Frans is. Bijvoorbeeld: ‘De postbode heeft zich vruchteloos bij u aangeboden’. Dit stond op een briefje van de postbode, toen hij met een aangetekend poststuk voor de deur had gestaan. Ik vermoed dat er vóór de taalwetten heeft gestaan: ‘Le facteur s’est présenté en vain chez vous’. Voor Nederlanders klinkt dat zinnetje erg dubbelzinnig, heb ik gemerkt, maar Vlamingen zien in dat ‘aanbieden’ helemaal niets geks. Op het station in het officieel tweetalige Brussel las ik een keer de volgende mededeling: ‘Ten gevolge werken is deze trein beperkt in Bergen. Tussen Saint-Ghislain en Quiévrain verzekert een treinstel een navettedienst volgens de voorziene reisweg’ (Frans: ‘Par suite de travaux ce train est limité à Mons. Une automotrice navette assurera les parcours prévus entre Saint Ghislain et Quiévrain’). Dit Nederlands beweegt zich op glad ijs. Het is geen verankerde taal. Pas door het Frans te lezen wordt de mededeling, althans voor mij, helemaal duidelijk. In Vlaanderen leeft men in het dagelijks verkeer dus met uit het Frans vertaalde zinnen, maar in literaire vertalingen zijn dit soort interferenties juist ook voor Vlamingen taboe.

Zullen klaar zijn, of klaar zullen zijn?
Behalve de relatie tot het Frans zijn er nog meer taalverschillen tussen Noord en Zuid die ervoor zorgen dat Nederlanders wantrouwig tegenover het Zuid-Nederlands staan. Een daarvan is de volgorde binnen de werkwoordelijke eindgroep. Vlaamse vertalers voelen zich hier onzeker over – moet het zijn: ‘zullen klaar zijn’ of ‘klaar zullen zijn’? Het wordt nog ingewikkelder voor hen als blijkt dat verschillende Nederlandse persklaarmakers er ook weer verschillende meningen op nahouden. Toch is in Nederland de taalnorm voor iedereen duidelijk, terwijl dat in Vlaanderen veel ingewikkelder ligt.5 Dit heeft behalve met de hierboven geschetste ontwikkeling ook te maken met het feit dat overal in Vlaanderen nog steeds dialecten worden gesproken. Deze dialecten verschillen van het Nederlands zoals het Limburgs van het Noord-Nederlands verschilt. Net als voor Limburgers in Nederland is de afstand tussen de ‘moedertaal’ en het Standaardnederlands groot. Veel Vlamingen leggen dus een lange weg af. Daar komt nog bij dat zich in Vlaanderen ook nog een taal heeft gevormd die tussen het dialect en het Standaardnederlands schommelt, door Geert van Istendael in Het Belgisch labyrint6 ‘verkavelingsvlaams’ genoemd en door anderen ‘tussentaal’. In de tussentaal zegt men bijvoorbeeld: ‘Hoe noemt hij ook alweer?’ Ook dat verschijnsel is in Nederland onbekend, behalve in Limburg, waar die mengeling van dialect en zogenaamd Standaardnederlands (bijvoorbeeld ‘Ik heb me vreselijk opgereegd’ voor ‘Ik heb me erg druk gemaakt’) een funeste invloed kan hebben op het Nederlands. Het spreekt voor zich dat ook deze taal niet in literaire vertalingen thuishoort, tenzij ze een functie heeft uiteraard, bijvoorbeeld om te laten zien dat een persoon zo praat. Juist in dergelijke gevallen wordt echter het Vlaamse dialect geweerd en hebben Nederlanders een voorkeur voor een Nederlands dialect, zo blijkt uit verhalen van Vlaamse vertalers die aan workshops vertalen deelnamen. Maar waarom moet een Vlaming zich in een Nederlands dialect gaan verdiepen als hij of zij de beschikking heeft over een dialect dichter bij huis?

Vlamingen en Nederlanders onderhouden een andere relatie tot de Franse taal en in Vlaanderen is de taalnorm om allerlei redenen vager. Over het uitbannen van gallicismen in literaire vertalingen zijn Vlaamse en Nederlandse vertalers het eens, maar over de woordenschat waaruit zij kunnen putten bestaat nogal eens verschil van mening. Hoewel Vlamingen een zeer rijke woordenschat hebben, staan Nederlanders daar zeer gereserveerd tegenover. Heel gauw noemen ze iets plechtig dat voor een Vlaams oor heel gewoon is. Nederlanders zouden wat mij betreft ten aanzien van die woorden toleranter mogen worden en niet meteen op tilt moeten slaan als ze een Zuid-Nederlandse variant horen, of lezen in een vertaling.

Een pleidooi voor taalvermenging
Er zijn dus kleine verschillen tussen standaard Zuid-Nederlands en standaard Noord-Nederlands, maar het is mijns inziens erg jammer en ergerlijk dat men in het Noorden denkt de wijsheid in pacht te hebben. We moeten in Nederland niet denken dat er in het Zuiden een verzameling dialecten wordt gesproken. Ik heb meermaals gemerkt dat Nederlanders met een beperkte woordenschat en een verantwoordelijke functie (eindredacteur van een boekenbijlage om maar een voorbeeld te noemen) alles wat ze niet kennen als ‘Vlaams’ bestempelen (bijvoorbeeld het woord ‘factie’). Sommige Nederlandse literaire vertalers menen zelfs dat Vlamingen niet hetzelfde taaleigen hebben als zij! Ook recensenten doen soms een duit in het zakje door te stellen dat Vlaamse literaire vertalers een boek in het Vlaams vertalen: ‘De roman werd in het Nederlands (of liever het Vlaams) vertaald door (…)’, las ik in de Volkskrant. Maar als je een keer het woord ‘zot’ gebruikt, vertaal je toch nog steeds in het Nederlands.

Ondanks een andere woordenschat (met mooie woorden die in Nederland vaak ‘archaïsch’ worden gevonden), een hier en daar licht afwijkende zinsbouw en een frequenter gebruik van het persoonlijk voornaamwoord om te verwijzen naar een object, hoeft men niet al te bang te zijn voor literaire vertalingen van Vlamingen. Door bij voorbaat wantrouwig te staan tegenover vertalingen van de zuiderburen (met uitzondering van een paar bekende namen), of door stelselmatig alles weg te poetsen wat ‘Vlaams ruikt’, gooien uitgevers mijns inziens het kind met het badwater weg, namelijk een enorm rijk Latijns geïnspireerd cultureel betekenisveld dat vaak mee-echoot achter de woorden. De levendigheid en rijkdom van het Nederlands wordt mede gevoed door het taalgebruik van onze zuiderburen en we doen onszelf tekort als we ons daar willens en wetens van afsnijden. Vlaamse vertalers voldoen misschien niet aan de ‘randstadnorm’, maar wel aan de eisen van het Standaardnederlands. Ons oor moet gewoon gaan wennen aan een iets ander geluid.

De Statenbijbel uit 1637 werd rechtstreeks uit het Grieks en Hebreeuws vertaald door Hollanders en Friezen, samen met de toenmalige migranten uit het zuiden, Vlamingen en Brabanders, omdat het algemene voorschrift was dat de vertaling voor alle Nederlandse gewesten aanvaardbaar moest zijn en geen uitgesproken gewestelijk karakter mocht hebben. Die samenwerking leverde een schitterend Nederlands op waarin de hand van de zuiderlingen onder meer valt te bespeuren door de vele verkleinwoorden en door het gebruik van het woord ghy en niet du. (‘Gij’ en ‘ge’ zijn overigens nog steeds gebruikelijk in de spreektaal in Vlaanderen en daarom is het begrijpelijk dat Vlaamse vertalers het geen goede oplossing vinden om ‘gij’ te gebruiken wanneer je bijvoorbeeld een historische roman vertaalt. Voor het Vlaamse oor is ‘gij’ niet archaïsch, voor het Nederlandse wel. In de spreektaal betekent gij zowel jij als u, met het gevolg dat Vlamingen dus in een aantal dialecten geen specifieke beleefdheidsvorm kennen.)

Net als in de zeventiende eeuw, toen ook buiten de Statenbijbel taalvermenging plaatsvond en Hollandse schrijvers ‘hun pen afstemden op Brabanders en Vlamingen’7 zouden we ook in onze tijd meer aan taalvermenging moeten doen. Misschien moeten we net als in die roemrijke tijd waarin de klassieke Nederlandse schrijftaal ontstond met P.C. Hooft en de uit Antwerpse ouders geboren Vondel, meer compromissen sluiten en ons oor te luisteren moeten leggen bij het Nederlands van de Vlamingen. De zuidelijk geïnspireerde taalvarianten van die dagen zijn immers uitgemond in een prototype van het geschreven Nederlands waaruit we paradoxaal genoeg vandaag de dag het Zuid-Nederlands willen weren. Het wordt hoog tijd om het tij te keren, de taal van het Noorden mag soms best iets Zuidelijk gekleurd zijn; we hoeven er geen hek omheen te plaatsen. Dat zou te zot voor woorden zijn.

 

Noten
1 Hoewel een aantal Vlaamse filologen het moeilijk vindt om Zuid-Nederlands te definiëren, waag ik het toch van Zuid-Nederlands te spreken, in de betekenis van Algemeen Nederlands, dat in Vlaanderen wordt gebruikt en hier en daar blijkt af te wijken van het Nederlands van het Noorden. Het gaat hier nadrukkelijk om schrijftaal.
2 Zie hiervoor de bijdrage van de Vlaamse vertaalster Hilde Keteleer aan P.E.N.-Tijdingen, Antwerpen, 2001.
3 Zie onder meer: Jozef Van Haver, Noorderman & Zuiderman. Het taalverdriet van Vlaanderen. Tielt: Lannoo, 1998.
4 Zie: Paul van Hauwermeiren en Femke Simonis, Waar nederlands de voertaal is. Nederland- en Vlaanderenkunde. Lier: Uitgeverij Van In, 1990. En: Nederlands het verhaal van een taal, Stichting ons Erfdeel, 1983.
5 Zie voor de netelige kwestie van taalnormen in Vlaanderen: Femke Simonis, ‘Taalvariatie en taalnormen: nattevingerwerk en subjectiviteit’, in Polyfonie. Opstellen voor Paul van Hauwermeiren. Willy Vandeweghe e.a. (red.), Gent: Mercator Hogeschool Provincie Oost-Vlaanderen, 2001.
6 Geert van Istendael, Het Belgisch labyrint. De schoonheid der wanstaltigheid. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1985.
7 Zie J.A. Kossman-Putto, E.H. Kossmann, O. Vandeputte, De lage landen. Geschiedenis en taal, Stichting ons Erfdeel, 1993.

Lees meer over: