'Zulk vertalen is een werk van liefde'    68-74

Jaap Grave

Abstract: In dit nummer biedt Filter ruimte aan vier ‘recent of bijna gepromoveerden’ om hun proefschrift voor te stellen. Over het gebruik van imago’s van bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in het Duits in de periode 1890–1914.

 

De aanleiding van mijn dissertatie ‘Zulk vertalen is een werk van liefde’1 was het opvallende verschijnsel dat er rond 1890 een grote toename van Duitse vertalingen van literatuur uit Nederland vast te stellen is, die na 1914 plotseling overgaat in vertalingen van auteurs uit Vlaanderen.

Centraal in mijn onderzoek staat het gebruik van imago’s van bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in de periode 1890–1914. Ik heb mij met name gebaseerd op het werk van Hugo Dyserinck en zijn school, die sinds 1960 uitvoerig hebben gepubliceerd over de inhoud van de imagologie als bijzondere vorm van de vergelijkende literatuurwetenschap. De imagologie van de vergelijkende literatuurwetenschap houdt er rekening mee dat de literatuur van een taalgebied niet uitsluitend een eigen ontwikkeling doormaakt maar zich in een proces van wederzijdse betrekkingen ontwikkelt. De receptie van literatuur buiten het nationaal-literaire kader opent de blik voor de overeenkomsten van de individuele literaturen en scherpt die blik voor de bijzondere kenmerken ervan. De literatuurwetenschappelijke belangstelling voor imago’s van een ander land richt zich op twee vormen van verschijning die voor het specifieke proces van bemiddelen belangrijk zijn: ten eerste in de rol die zij bij de verspreiding van vertalingen of ook originele werken buiten het nationaal-literaire kader spelen en ten tweede in de overwegend storende aanwezigheid in de literatuurwetenschap en literatuurkritiek zelf.2

Bemiddelaars
De personen die in mijn onderzoek centraal staan heb ik bemiddelaars en geen vertalers genoemd. Zij hadden tot 1914 een bijzonder invloedrijke positie: ze combineerden taken die tegenwoordig door een uitgever, een literair agent en een vertaler worden uitgeoefend. Ze zochten actief naar literatuur, namen contact op met de auteur en het kwam niet zelden voor dat zij de rechten van het boek kochten en op die manier nauw betrokken waren bij het slagen of mislukken ervan. In mijn onderzoek hanteer ik vijf criteria waarmee het bemiddelen in de breedst mogelijke zin beschreven wordt. Ik definieer bemiddelaars als personen die recensies, voor- of nawoorden schreven en werk van meer dan één auteur uit het Nederlands vertaalden. Bovendien moesten zij Duitser of Duitstalig zijn en in het Duitse taalgebied wonen. Voor het onderzoek naar het aantal vertalingen heb ik gebruik gemaakt van de bibliografie van Herbert van Uffelen.3 Bovendien heb ik voor het onderzoek naar de artikelen en recensies van bemiddelaars een corpus van 47 tijdschriften uit de periode 1890–1914 onderzocht.4 Uit dit onderzoek kwamen vier bemiddelaars naar voren: Paul Raché, Wilhelm Spohr, Else Otten en Otto Hauser.

Ik heb deze vier bemiddelaars representatief voor de periode 1890–1914 genoemd. Dat blijkt niet alleen uit de bibliografie van vertalingen van Van Uffelen,5 maar ook uit onderzoek naar hun motivatie, hun referentiekader en het doel van hun activiteiten. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat zij posities vertegenwoordigen die het gehele spectrum van het bemiddelen beslaan.

De werkzaamheden van de bemiddelaars heb ik in een ideologisch-politieke context geplaatst. Daarmee heb ik met twee spanningspolen rekening gehouden: een ‘aufklärerische’ en een ‘gegenaufklärerische’.6 Het eerste verwijst naar de belangstelling die de bemiddelaars hebben voor het verschil tussen beide culturen. Het bewustmaken van die verschillen houdt tegelijkertijd in dat de individualiteit van de andere cultuur en de zelfstandigheid van het andere land worden erkend. ‘Gegenaufklärerisch’ verwijst naar het tegendeel. Daarbij moet opgemerkt worden dat bij de spanningspool ‘gegenaufklärererisch’ imago’s in deze specifieke ideologisch-politieke context voor politieke doeleinden misbruikt kunnen worden.

In het Duitstalige gebied domineren in de bovengenoemde periode twee belangrijke maatschappelijk-historische ontwikkelingen: een sterk groeiend nationalisme en het uiteenvallen van het liberale ‘Bildungsbürgertum’ dat tot 1878, het jaar waarin de nationale liberalen de regeringscoalitie verlieten, de hoeder van de nationale cultuur was. Het nationalisme veranderde na 1878 van een liberale, progressieve emancipatorische ideologie in een conservatieve kracht die verbonden was met agressieve nationalistische en imperialistische bewegingen. Het Duitse Rijk streefde naar een machtige positie in de wereldpolitiek en het Duitse nationalisme kreeg enkele bijzondere kenmerken: anti-Frans, anti-westers en anti-democratisch.

Het ‘Bildungsbürgertum’ speelde in die ontwikkeling van het nationalisme een centrale rol. ‘Bildung’ ‒ het Nederlandse woord eruditie geeft de politiek-culturele context niet weer ‒ ontstond rond 1800. Ten tijde van het Duitse idealisme veranderde de inhoud van de begrippen ‘Bildung’ en ‘Kultur’ en die nieuwe betekenis bleef tot in het Duitse Rijk bestaan: ‘Kultur’ verwees naar de opvoeding en geestelijke ontwikkeling en werd het medium van ‘Bildung’, dat beperkt bleef tot het terrein van wetenschap en kunst. Hier al blijkt het grote verschil tussen het Duitse woord ‘Kultur’ en het woord civilisatie in Frankrijk en Engeland. Die tegenstelling tussen het Duitse Rijk en de westerse staten blijkt ook uit het proces van staatsvorming en de benoeming van de staat: het Duitse Rijk was in de ogen van de ‘Bildungsbürger’ een ‘Kulturnation’, een taal- en cultuurgemeenschap die niet aan staatsgrenzen gebonden was. Veel westerse staten noemden zij daarentegen een ‘Staatsnation’. Door de Duitse eenheid en de modernisering van het Duitse Rijk verloor cultuur haar dominante positie ten koste van de militaire, economische en staatskundige macht. ‘Bildung’ verloor aan status en attractiviteit. De coalitie tussen de ‘Bildungsbürger’ en het liberalisme viel grotendeels uiteen. De ‘Bildungsbürger’ zochten nieuwe machtsposities in uiteenlopende bewegingen die nieuw en attractief waren: onder meer in het nieuwe nationalisme, het marxisme, de sociaal-democratie, de ‘Lebensreformbewegung’, al dan niet beïnvloed door het anti-semitisme en de rassentheorieën. Tevens ontstonden er nieuwe voorstellingen van een geestelijke elite die braken met het emancipatorische gehalte dat ‘Bildung’ altijd gekenmerkt had.

Liberaal
Paul Raché (1869–1939), de eerste bemiddelaar, besteedde vanaf 1891 systematisch aandacht aan de Nederlandstalige literatuur. Hij was een van de eersten die wees op Frederik van Eeden, Louis Couperus, Herman Heijermans en Cyriel Buysse, en hij vertaalde werk van onder anderen Couperus, Heijermans en Multatuli. De aanleiding voor zijn intensieve bemoeienis kwam voort uit de verwachting dat de Nederlandstalige literatuur zich in Duitsland op dezelfde succesvolle wijze zou ontwikkelen als de Scandinavische. Uit zijn publicaties blijkt dat hij vanuit een journalistiek-literatuurwetenschappelijk kader argumenteerde. Zijn recensies, die met name in tijdschriften met een burgerlijk-progressief profiel verschenen, geven blijk van de grote verandering die de journalistiek had doorgemaakt. In plaats van een droge, uitvoerige stijl maakte hij gebruik van een stijl die als de typische feuilletonstijl de geschiedenis in zou gaan: korte zinnen, elegant, spits en goed geformuleerd. Zijn recensies bestaan uit een mengvorm van esthetische en nationale oordelen. De nationale oordelen bevatten typische veralgemeniseringen, die in de vorm van imago’s een beeld van Nederland en Vlaanderen, hun bewoners, denkwijze en cultuur ontwerpen.7 Hij erkende weliswaar de zelfstandigheid van de Nederlandse taal en literatuur maar de wijze waarop hij imago’s gebruikt maakt duidelijk dat voor hem de Nederlandstalige literatuur synoniem bleef aan vervelend, saai, breedsprakig en stijf. De Duitse literatuur was in zijn ogen superieur aan de Nederlandse. Volgens Raché maakte de Nederlandstalige literatuur in het buitenland pas een kans op succes als zij vrij was van specifieke culturele achtergronden. Hij was een vertegenwoordiger van het liberale ‘Bildungsbürgertum’, journalist van beroep en voor zijn inkomen niet afhankelijk van het vertalen.

Progressief
Wilhelm Spohr (1868–1959), de tweede bemiddelaar, geniet met name bekendheid als vertaler van het werk van Multatuli maar vertaalde ook werk van Willem Paap. Zijn wens om Nederlandse literatuur te vertalen kwam voort uit het feit dat de thema’s van Multatuli naadloos aansloten bij de thema’s die in Friedrichshagen centraal stonden: verzet tegen autoriteiten, emancipatie van de vrouw, volksopvoeding en anti-kolonialisme. De ‘Friedrichshagener Kreis’ ‒ waartoe onder anderen Wilhelm Bölsche, Bruno Wille, Gustav Landauer en Spohr gerekend worden ‒ stimuleerde nieuwe literaire ontwikkelingen en vervulde een sleutelrol binnen de vernieuwing van het toneel. Zijn referentiekader was linksprogressief en literatuur moest een bijdrage tot een humanere samenleving vormen.

Zijn positie als bemiddelaar is ‘gegenaufklärerisch’. Uit zijn imago’s ‒ die niet verschillen van die van Raché ‒ blijkt dat hij noch belangstelling voor de Nederlandstalige cultuur noch voor verschillen tussen de Duitse en Nederlandstalige cultuur had. Die imago’s hebben vooral betrekking op het karakter en de cultuur van de Nederlanders die Spohr afdeed met het woord gezapigheid. De Nederlandse taal beschouwde hij als Neder-Duits. Het werk van Multatuli ‒ de vertaling van Paaps werk was een vriendendienst ‒ was voor Spohr het enige dat hem in de Nederlandstalige literatuur inspireerde tot vertaalactiviteiten. Daarbij ging het hem niet om het literaire gehalte, maar alleen om de thematiek die voor zijn doeleinden bruikbaar was.

Broodwinning en literair agent
Else Otten (1873–1931) vertaalde tot 1914 onder meer werk van Van Eeden en Couperus. Haar biografische achtergrond was de aanleiding om Nederlandstalige literatuur te vertalen. Zij was geboren in Amsterdam en vertrok al op jonge leeftijd met haar ouders naar Duitsland. Vertalen was haar broodwinning en behalve uit het Nederlands vertaalde zij uit nog drie andere talen. Haar referentiekader bestond ook uit thema’s die zij vanuit haar positie als werkende vrouw rond 1900 van belang achtte: emancipatie van vrouwen en literatuur van vrouwen. Met name haar bemiddelende en succesvolle activiteiten om door haar vertaald toneel aan Duitstalige schouwburgen gespeeld te krijgen, wijzen erop dat zij de behoefte op de Duitstalige markt vrij goed heeft ingeschat.

Uit de interviews die met Otten bewaard zijn gebleven blijkt dat zij tussen het Nederlands en het Duits geen hiërarchie aanbracht, maar aan beide zijden begrip probeerde te kweken voor de verschillen. Daarmee is ook het doel van haar bemiddelende rol aangegeven: culturele uitwisseling en aandacht vestigen op verschillen tussen beide culturen. Daardoor is haar positie als bemiddelaar ‘aufklärerisch’. Otten behoorde tot het liberale ‘Bildungsbürgertum’; cultuur was en bleef de dominante factor in haar leven en zij had vrijwel geen contact met nieuwe bewegingen die concurreerden met het liberale ‘Bildungsbürgertum’.

Geestelijke elite
Otto Hauser (1876-1944), de laatste bemiddelaar, had zich tot taak gesteld de in zijn ogen beste literaire werken ter wereld te vertalen. Daartoe behoorden volgens hem ook enkele Nederlandstalige dichters. Zij waren in zijn ogen de eersten op het Europese continent die naar een nieuwe, persoonlijke poëzie streefden. Maar literaire criteria speelden voor hem een ondergeschikte rol. Zijn referentiekader bestond uit het toenmalige antropologisch-rassentheoretisch gedachtegoed op Oostenrijkse grondslag8: Hausers verzameling van vertalingen bestond uit het werk van blonde, protestantse Germanen en literatuur diende ertoe zijn rassentheorie te bevestigen. Hij selecteerde op uiterlijk en namen, zoals blijkt uit zijn anthologie over Nederlandstalige poëzie.9 Zijn vertalingen en artikelen over literatuur verschenen vooral in politiek-literaire en neutrale tijdschriften.

Hij varieerde in zijn opvattingen strikt genomen twee thema’s: de geestelijke superioriteit van het Noordse ras en de bedreiging van dit ras door minderwaardige rassen. Het was zijn doel een nieuwe geestelijke aristocratie op biologische grondslag te vormen die gebaseerd was op de beste culturele prestaties van blonde Germanen. Het werk van de Nederlandstalige schrijvers die voor zijn doel geschikt waren (onder anderen Multatuli, Van Beden, Pol de Mont en Hélène Swart) diende er uitsluitend toe de superioriteit van het Noordse ras te bevestigen.

Hauser achtte ‘Bildung’ slechts geschikt voor een kleine groep uitverkorenen die de cultuur op rassentheoretische grondslag moesten doorgeven. Zijn streven naar estheticisme ging gepaard met het afwijzen van de moderne maatschappelijke ontwikkelingen en cultuurpessimisme. Na de Eerste Wereldoorlog stelde hij vast dat literatuur ongeschikt was geworden om zijn doel te bereiken. Hij zou na 1918 als leider van jeugdbewegingen zijn rassentheoretische opvattingen uitdragen.

De biografie, werkzaamheden en literaire contacten van deze vier bemiddelaars heb ik in mijn dissertatie voorgesteld en daarmee een beeld geschetst van de literaire betrekkingen tussen het Duits- en Nederlandstalige gebied tussen 1890–1914. De bemiddelaars nemen binnen het maatschappelijk-historische kader uit die periode verschillende ideologisch-politieke posities in. Daaruit volgt dat de positie van de andere vertalers uit het Nederlands die in deze periode actief waren uit een mengvorm van deze posities bestaat. Dat geldt bijvoorbeeld voor Georg Gärtner (vertaler van onder anderen Buysse) wiens positie in de buurt komt van die van Spohr. Of voor Regina Ruben (vertaler van onder anderen Heijermans) wier positie uit een mengvorm van die van Otten en Spohr bestaat.

Er verscheen na 1914 een nieuwe generatie vertalers die afhankelijk waren van een uitgever. Anton Kippenberg van uitgeverij Insel, de dominante uitgever voor Nederlandstalige literatuur na 1914, werkte uitsluitend met vertaalcontracten zoals ze nu nog tussen uitgever en vertaler worden gesloten. Van de vier bemiddelaars vertaalde alleen Otten na 1914 nog.10

 

Noten
1 De titel is afkomstig uit een recensie van W.G. van Nouhuys, ‘Multatuli’s Wouter-Geschiedenis verduitscht’, De Nederlandsche Spectator, nr. 45, 1901, p. 361. De dissertatie (begeleiding: prof. dr. Anne-Marie Musschoot, RU Gent en prof. dr. Carel ter Haar, LMU München) zal eind 2000/begin 2001 bij Uitgeverij Vantilt (Nijmegen) verschijnen.
2 Hugo Dyserinck, ‘Zum Problem der ‘images’ und ‘mirages’ und ihrer Untersuchung im Rahmen der Vergleichenden Literaturwissenschaft’, Arcadia, 1, 1966, p. 119.
3 Herbert van Uffelen, Bibliographie der modernen niederländischen Literatur in deutscher Übersetzung 1830–1990, Münster/Hamburg, 1993 (= Niederlande-Studien, 7, herausgegeben von Horst Lademacher und Loek Geeraedts).
4 Het tekstcorpus is gebaseerd op Fritz Schlawe, Literarische Zeitschriften, Teil I 1885–1910, Stuttgart 19652. Schlawe laat literatuur-wetenschappelijke vakbladen, familietijdschriften, kranten en katholieke of protestantse tijdschriften buiten beschouwing. Doordat Schlawe behalve het profiel van het tijdschrift ook de oplage noemt, kunnen de recensies en artikelen van de bemiddelaars in dat opzicht met elkaar vergeleken worden.
5 Van de 3302 vertalingen uit het Nederlands uit Van Uffelens bibliografie vallen er circa 400 in de periode 1890–1914. Daarvan zijn er 153 van Conscience en dat is, zoals uit Van Uffelens onderzoek blijkt, 40 procent. Van die 400 titels zijn er 190 herdrukken waarvan er 130 op naam van Conscience komen. Laat men de herdrukken en nieuwe vertalingen van dezelfde titel weg dan ontstaat er voor de literatuur die in deze periode voor het eerst op de Duitse markt verscheen een ander beeld dan Van Uffelen schetst. Zonder de herdrukken blijven er 210 titels over, waarvan er 22 van Conscience zijn: 10 procent. Otten vertaalde 24 titels (11 procent; zij schreef voor 1 titel een voorwoord); Spohr 8 (4 procent; hij schreef voor zijn vertalingen van Multatuli diverse voor- en nawoorden), Raché 5 (2 procent; hij schreef voor 3 titels tevens een voorwoord) en Hauser 4 (2 procent, hij schreef voor 2 titels een voorwoord). Het resultaat van mijn onderzoek verschilt ook sterk van dat van Van Uffelen, omdat ik in tegenstelling tot zijn bibliografie vertaald toneel wel in mijn onderzoek heb opgenomen. Het aantal vertaalde titels van Raché, Otten en Spohr wordt veel hoger als toneel wel wordt opgenomen. Raché en Spohr vertaalden in de periode 1890–1914 2 toneelstukken, Otten 9.
6 Gebaseerd op Jürgen Sieß (Hrsg.), Vermittler. H. Mann, Benjamin, Groethuysen, Kojève, Szondi, Heidegger in Frankreich, Goldmann, Sieburg, Frankfurt am Main, 1981 (= Deutsch-französisches Jahrbuch, 1), p. 15. Sieß noemt nog een derde pool, ‘radikal-kritisch’, die in de periode 1890–1914 echter geen rol speelt. Er zijn ook andere indelingen denkbaar zoals die van Syndram: ‘weltanschaulich-erzieherisch’, ‘kulturell-vermittelnd’ en ‘kunstpolitisch-engagiert’, Hij beschrijft daarmee echter de ideologisch-politieke context maar ten dele. Zie: Karl-Ulrich Syndral, Kulturpublizistik und nationales Selbstverständnis, Berlin, 1989, p. 25.
7 Zie ook: Karl Ulrich Syndram, ‘Ästhetische und nationale Urteile. Zur Problematik des Verhältnisses von kûnstierischem Wert und nationaler Eigenart’, p. 232, in: Komparatistik und Europaforschung. Perspektiven vergleichender Literatur- und Kulturwissenschaft (hrsg. von Hugo Dyserinck und Karl Ulrich Syndram), Bonn, 1992 (= Aachener Beiträge zur Komparatistik, Bd. 9).
8 Hierbij moet men denken aan de publicaties van onder meer Lanz von Liebenfels en Guido van List.
9 Otto Hauser, Die niederländische Lyrik von 1875–1900, (eine Studie und Übersetzungen von Otto Hauser), Großenhain, 1901.
10 Hausers reeks ‘Aus fremden Gärten’ (100 bundels met vertalingen), was vóór 1914 al vertaald.

Lees meer over: