Waaier: De Taal der Liefde    19-26

Harm-Jan van Dam

Abstract: Een aantal vertalingen van Le Misanthrope worden hier naast elkaar geplaatst. Het gaat om een fragment waarin Molière zelf als vertaler optreedt van Lucretius. De lezer kan zelf oordelen over de diverse vertaalopvattingen en strategieën.

 

‘Voor een stuk als den “Misanthrope” is ook waarlijk alle 12, 14 jaar eene vertaling niet te veel’, meende de katholieke estheticus J.A. Alberdingk Thijm in 1885. Gemiddeld genomen blijkt dat nog steeds wel te kloppen; de laatste tijd gaat het zelfs sneller. De meest recente vertalingen zijn van Laurens Spoor in 1984 en 1990. In deze kleine waaier staat een aantal vertalingen van De Mensenhater naast elkaar, en wel van een fragment waarin ook Molière zelf weer als vertaler optreedt. De lezer zal zelf willen oordelen over de implicaties daarvan, over de diverse vertaalopvattingen en strategieën; hier volgen alleen een paar inleidende opmerkingen.

Het lukt de verbeten Mensenhater Alceste maar niet om zijn behaagzieke geliefde Célimène te dwingen tot een keuze, vóór of tegen zijn komische asociale levenshouding. Elk tête-à-tête wordt onderbroken door bezoek. Eenmaal treedt zelfs de vertaler Molière zijn eigen hoofdpersoon in de weg: wanneer Alceste zijn lijfspreuk meedeelt, ‘Ware liefde praat geen fouten goed’, legt de auteur zijn personage Éliante, een verstandige jonge vrouw, een korte pronkpassage in de mond. Het spel ligt stil en zij declameert een vertaling van Lucretius’ felle aanval op de dwaasheid van minnaars. We horen een klein wrakstukje uit Molières complete vertaling van Lucretius’ leerdicht De Natuur, die verloren ging toen zijn knecht het manuscript gebruikte om er papillotten van te draaien ter fatsoenering van zijn meesters pruik. Het kan verkeren. Lucretius is de gedreven prediker van het materialisme, die de mensheid uit kluisters van onwetendheid wil bevrijden: er is niets dan atomen; dood en goden kunnen ons niet deren. In de Liefde ziet hij alles vertegenwoordigd wat irrationeel en destructief is; zijn sarcastische tirade is allesbehalve hoofs. In Éliantes elegante versie zien we hem eerder gecoiffeerd met Molières verzorgde pruik. Meer dan Éliante zou juist de onaangepaste Alceste sympathie moeten voelen voor de missionaire Lucretius met zijn steile filosofie, zouden wij denken, maar zo niet Molières tijdgenoten: ‘Met recht zegt men dat deze passage zeer galant is en aantoont dat de Ouden minstens even verfijnd waren als wij’, oordeelde vertaler Michel de Marolles zo’n tien jaar voor De Misantroop over de Lucretius-passage.

Zouden Nederlandse vertalers niet ook Molière willen verkleden, of beter gezegd verplaatsen, volgens de opvattingen van Hans Magnus Enzensberger, dat ‘die höfischen und feudalen Elemente der Handlung bloûe Verkleidung sind (...) eine unproduktive Last (...) bloûe Fessel (...) Der Menschenfeind ist kein Kostümfilm (...) Eine brauchbare Übersetzung soli te gerade umgekehrt darauf zielen die Natürlichkeit (nämlich die der zweiten, der gesellschaftlichen Natur) wiederherzustellen, die sich für Molière von selbst verstand.’ Het fundament van zijn vertaling is de frappante overeenkomst die Enzensberger ziet tussen Molières bourgeoisie en de Duitse upper middle class. In zijn vertaling rijden de personages dan ook in hun BMW naar Bad Godesberg om een whisky te drinken. Het door Enzensberger nadrukkelijk aangewezen voorbeeld is de Engelse vertaling van Tony Harrison, die in zijn vertaling Molière nog rigoureuzer naar zijn eigen cultuur overzet, althans die van Mayfair of Knightsbridge, waar de haikubundels in 1973 op de salontafel lagen. Shakespeares Richard III en Mozarts Cosi fan tutte zijn onlangs in twintigste-eeuwse setting te zien geweest, waarbij het de (alweer Engelse) regisseurs niet ging om vervreemding maar om aanpassing. Maar die projecten waren niet talig. Opvoeringen van De Misantroop in hedendaagse Nederlandse context zijn er zeker geweest; maar Nederlandse vertalingen die gebaseerd zijn op aanpassing heb ik niet gezien. Alleen de eerste Nederlandse vertaler, Hermannus Angelkot, maakt van Alceste een ‘Errenst’, van Éliante een ‘Leonoore’, en zet ze op het Haagse Voorhout van zijn tijd neer. Maar hij schreef dan ook al in 1682. Niet alleen was dat maar kort na de première van De Misantroop, de zeventiende-eeuwse vertaalopvattingen schreven hem aanpassing welhaast voor. Zijn publiek zou vreemd opgekeken hebben van de Franse high society; ook de kostuums die Molière noemt, zijn dus uit de tekst verwijderd.

Wanneer Nederlandse vertalers dus de Mensenhater meestal in zijn Louis-XIV-context laten, moeten zij daarmee dan ook Molières alexandrijnen en rijmen handhaven? Is de Nederlandse alexandrijn een keurslijf waarin de vertaler Molières soepele verzen moet persen, of een flatteus corset waarvan de pasvorm onmiddellijk overtuigt? Regisseur Rappeneau van de film Cyrano meent dat de Franse alexandrijn ‘une certaine manière de faire swinguer la langue’ heeft, terwijl daarentegen Enzensberger, met twee eeuwen Duitse vertalers voor hem, in de Duitse alexandrijn een Procrustusbed zien. Swingt de Nederlandse alexandrijn werkelijk, of is hij een archaïsme dat alleen Vondel en Cats in herinnering brengt? In de inleiding op Spoors tweede vertaling koppelt de productiedramaturg Alex Mallens ‘een natuurlijk en modern taalidioom als noodzakelijke voorwaarde voor een transpositie [!] van de zeventiende-eeuwse wereld van Molière naar vandaag’ aan blanke alexandrijnen. Alom wordt beweerd dat de jambe het meest natuurlijke Nederlandse vers oplevert, maar dat geldt toch meer voor het vijfvoetige vers dan voor de zesvoetige alexandrijn. Die is vooral een product van humanistische classicerende poëtica in combinatie met Franse invloed. Dat de alexandrijn makkelijk ligt in het Nederlands, komt vooral doordat we er al zo lang aan gewend zijn. Daarom worden ook klassieke hexameters in het Nederlands (maar niet in het Duits) meestal volgens de analoge methode in zesvoetige jamben vertaald, zoals Rutgers van der Loeff met Lucretius doet. De mimetische hexametrische vertaling van zijn concurrent, de tachtiger Aeg. Timmermans, en de aangepast-hexametrische Aeneis-vertaling van Piet Schrijvers, recent becommentarieerd in Filter, zijn betrekkelijke uitzonderingen. Alleen W.J. Wendel in 1910 en Louis Lehmann, altijd unzeitgemäss,ver talen Molière in verzen van vijf jamben, natuurlijker of kortademiger? Lehmann bant ook rigoureus het rijm en een regelmatige afwisseling van vrouwelijk of mannelijk eind. In het eerste opzicht is hij in het gezelschap van Spoor, die eerst met en toen zonder rijm vertaalde.

Ik zag vanaf 1885 zeven Nederlandse vertalingen van De Misantroop, en als het Fries ook meetelt, acht, te veel om hier allemaal af te drukken: Thijm 1885, Ooms 1891 (die in zijn voorwoord direct uithaalt naar ‘de laatste, jammerlijke vertaling van Alberdingk Thijm’), W.J. Wendel 1910, Jan Prins 1941, L.Th. Lehmann 1959, Laurens Spoor 1984, Laurens Spoor 1990, en D. Kalma 1930. Twintig eeuwen hebben ons drie complete Lucretius-vertalingen opgeleverd, en Ida Gerhardts vertaling van boek 2 en 5. Ondergedoken in De Misantroop is dan dit kleine fragmentje meegetransformeerd in het Nederlands, maar de signaalfunctie die het voor Molières publiek had, is verdwenen. Alleen de Engelse vertaler heeft het signaal superieur meevertaald, in zijn eerste regel expliciet en impliciet ook nog met de laatste regel, die wél Lucretius maar niet Molière vertaalt. Van de drie complete Nederlandse Lucretius-vertalingen is hier de minst onleesbare afgedrukt. De ondertitel luidt ‘Atomen tegen Goden’, niet ‘Vertaler tegen Taal’, zoals de lezer zou kunnen denken. Daarmee stijgt onze bewondering voor Molière en zijn vertalers.

L’amour, pour l’ordinaire, est peu fait à ces lois,
Et l’on voit les amants vanter toujours leurs choix;
Jamais leur passion n’y voit rien de blâmable,
Et dans l’objet aimé tout leur devient aimable:
Ils comptent les défauts pour des perfections,
Et savent y donner de favorables noms.
La pâle est aux jasmins en blancheur comparable;
La noire a faire peur, une brune adorable;
La maigre a de la taille et de la liberté;
La grasse est dans son port pleine de majesté;
La malpropre sur soi, de peu d’attraits chargée,
Est mise sous Ie nom de beauté négligée;
La géante paroît une déesse aux yeux;
La naine, un abrégé des merveilles des cieux;
L’orgeuilleuse a le coeur digne d’une couronne;
La fourbe a de l’esprit; la sotte est toute bonne;
La trap grande parleuse est d’agréable humeur;
Et la muette garde une honnête pudeur.
C’est ainsi qu’un amant dont l’ardeur est extrême
Aime jusq’aux défauts des personnes qu’il aime.

Molière, Le Misanthrope 711-30 (1666)

Nam faciunt homines plerumque cupidine caeci
et tribuunt ea quae non sunt his commoda vere.
Multimodis igitur pravas turpisque videmus
esse in deliciis summoque in honore vigere...
Nigra melichrus est. immunda et fetida acosmos,
caesia Palladium, nervosa et lignea dorcas,
parvula pumilio, chariton mia, tata merum sal,
magna atque immanis cataplexis plenaque honoris.
Balba loqui non quit, traulizi, muta pudens est;
at flagrans odiosa loquacula Lampadium fit.
Ischnion eromenion turn fit cum vivere non quit
prae macie; rhadine verast iam mortua tussi...
cetera de genere hoc longum est si dicere coner. 

T. Lucretius Carus, De Rerum Natura IV 1153-70

Want dat doen mensen meestal in der liefde ban
en sieren hun object met niet bestaande deugd.
Zo zien wij dikwijls dames van gering allooi
verkoren worden en geducht in ere staan...
Een zwarte is ‘honingbruin’, een smeerpoes ‘echt natuur’,
een groenoog ‘Pallas’, ‘n dor karkas ‘een ree gelijk’,
een dwergje ‘een dreumes vol bevalligheid en geest’,
’n reuzin ‘een wonder van verheven majesteit’.
Wie stottert, babbelt lief; wie stom is, heet bedeesd;
wie kijft en kwebbelt, sprankelt vonken als ’n vulkaan.
Te mager om te leven heet zij ‘svelte aimée’,
en ‘frêle’, indien zij blijkbaar aan de tering lijdt...
Zo zou ik kunnen doorgaan tot vervelens toe.

A. Rutgers van der Loeff, vert. Lucretius, 1966

De Min houdt in ‘t gemeen niet veel van zulke Wetten.
Elk minnaar roemt zijn keur, de Min doed elk beletten
In het beminde ooit iets bestraffenswaards te zien.
’t Schijnt alles daar volmaakt. En zoo daar al misschien
Gebrek is, dat weet hy heel gunstig te verbloemen.
Een bliekveest zal hy blank gelijk een lelie noemen;
Een zwarte nikker een aanbiddelijk bruinet.
Een vette dat’s een straat vol staasi, welgezet;
een magre: rijzig, gaauw en luchtig int aenschouwen;
Die niet bevallijk is, word in ‘t gemeen gehouwen
Dat zij, onachtzaam in haar schoonheid, die verzuimt;
Een groote is een Godin, daar elk de straat voor ruimt;
Een kleene dat’s een kort begrip van godlykhden;
Een trotze waardig om een Rijkstroon te bekleeden;
Een booze heeft verstand, een zotte is goed van aard,
Een snapster vrolijk en een stomme die bewaart
De schaamte. Zo lieft een recht minnaar, tot een teken
Van zijne trouw, zelfs in zijn schoone haar gebreken. 

H. Angelkot, 1682

Voor liefde is dat niet gebruikelijk,
men ziet de minnaars trots zijn op hun keuze,
hun hartstocht laat hun nooit iets laakbaars zien.
Aan ’t voorwerp van hun liefd’ is alles mooi.
Een fout is in hun ogen een perfectie,
waarvoor een fraaie naam te vinden is.
Is zij heel bleek, zij is als een jasmijn.
Zwart dat je er van schrikt, een donk’re schoonheid,
is zij te mager, zij is slank en lenig,
dik, haar gestalte is majestueus,
wie vuil is en haar uiterlijk verwaarloost,
die krijgt de roep van achteloze zwier,
Zo wordt wie een reuzin is, een godin,
een dwerg, op kleine schaal een hemels wonder,
en een verwaande trots als een vorstin,
een valse geestig en een domme lief,
de praatziekste heet zonnig van humeur,
wie stom blijft is zo net en ingetogen.
Een minnaar heeft in ’t vurigst van zijn liefde
de fouten zelfs van zijn geliefde lief.

L. Th. Lehmann, 1959

De liefde uit zich doorgaans niet op deze wijze,
Want elke minnaar pleegt zijn oogappel te prijzen;
Nooit zal zijn hartstocht iets afkeurenswaardigs vinden,
Hij adelt ieder element in zijn beminde:
Haar fouten worden tot volmaaktheden verheven,
Doordat hij daar een fraaie naam aan weet te geven.
Wie bleek is, wordt zo blank genoemd als een jasmijn;
Wie zwart is als de nacht, zal een zwoel bruintje zijn;
De spillebeen is fraai gestroomlijnd en flexibel;
Majestueus gebouwd noemt hij de dikke wiebel;
De slons die nauwelijks bevalligheid ten toon spreidt,
Wordt uitgeroepen tot een onderschatte schoonheid;
En de reuzin schijnt een godin in vol ornaat;
De dwerg heet dan een godsgeschenk in zakformaat;
De ongenaakbare verdient een kroon te dragen;
De valse heeft vernuft, het gansje zal nooit klagen;
In de spraakwaterval beluistert hij een stralend
Humeur, en voor wie zwijgt is kuise deugd bepalend.
Zo heeft een vurig minnaar alles, inklusief
De schaduwzijden van zijn teerbeminde lief. 

Laurens Spoor, 1984 (Publiekstheater)

De liefde voegt zich doorgaans niet naar dat soort regels,
Want elke minnaar prijst zijn oogappel altijd;
Nooit zal zijn hartstocht iets afkeurenswaardigs vinden;
In zijn beminde adelt hij elk element.
Haar fouten worden tot volmaaktheden verheven,
En hij bedenkt er de charmantste termen voor:
Wie bleek is wordt zo blank genoemd als een jasmijntje;
Wie zwart is als de nacht zal een zwoel bruintje zijn;
De spillebeen is rank en buigzaam van gestalte;
De dikzak heeft een majesteitelijk postuur;
De slons, die nauwelijks bevalligheid ten toon spreidt,
Wordt als een onderschatte schoonheid aangeduid;
En de reuzin gaat door voor een godin op aarde;
De dwerg heet dan een godsgeschenk in zakformaat;
De ongenaakbare verdient een kroon te dragen;
De valse heeft vernuft, het gansje een goed hart;
In de spraakwaterval beluistert hij een stralend
Humeur; wie zwijgt hult zich in kuise deugdzaamheid.
Zo heeft een minnaar die door passie wordt gedreven,
Ook de gebreken van zijn teerbeminde lief.

Laurens Spoor, 1990 (Het Nationale Toneel)

How does that bit in old Lucretius go,
that bit on blinkered lovers? O, you know;
its something like: ‘whatever’s negative’s
soon metamorphosed by new adjectives:
the girl whose face is pinched and deadly white
‘s not plain anaemic, she’s “pre-Raphaelite”.
The loved one’s figure’s like Venus de Milo’s ‒
even the girl who weighs a hundred kilos!
“Earth Mother”’s how some dating lover dubs
his monstrous mistress with enormous bubs.
“A touch of tarbrush?” No, that’s healthy tan.
The one called “Junoesque” ‘s more like a man.
The slut’s “Bohemian”, the dwarf’s virtue
’s multum in parvo like a good haiku.
There’s “self respect” for arrogant conceit.
The windbag’s extrovert, the dumb’s “discreet”;
stupidity’s “good nature”, slyness “wit”,’
et cetera... it’s not inapposite! 

Tony Harrison, 1973

Auch ich versteh das nicht. Denn einem Mann
kommt es normalerweise nicht drauf an,
daß seine Frau volkommen ist. Nein nein.
es fällt vielmehr auf ihre Schwächen rein ‒
natürlich nur wenn er in sie verknallt ist.
Wenn sie zum Beispiel siebzig Jahre altist,
gefällt ihm ihre sogenannte Reife,
was ich persönlich gar nicht ganz begreife.
Die Kichererbse nennt er Frohnatur.
die Bohnenstange wird zum Traumfigur,
der Fettkoloß zur stattlichen Erscheinung.
Das sture Biest hat seine eigne Meinung,
das Bleichgesicht is zart wie eine Blüte,
die dumme Kuh ist voller Herzensgüte,
Der Drachen ist in jeder Hinsicht führend,
die Riesin imposant, die Zwergin rührend.
Am Schluß sind alle Frauen zauberhaft.
Warum auch nicht? Das nennt man Leidenschaft. 

Hans Magnus Enzensberger, 1979 

Lees meer over: