Sprekend 'n vertaling    9-16

Theo Hermans
Vertaling: Cees Koster

Abstract: Fragmenten uit de oratie van Theo Hermans bij het aanvaarden van de leerstoel Neerlandistiek en Vergelijkende Literatuurwetenschap aan University College London, 19 maart 1996. 'Vertalingen zijn altijd meerstemmig, hybride. De stem van de vertaler is altijd aanwezig, ook al stellen wij de eis dat die stem zich niet laat horen. Met een voorbeeld uit de Engelse vertaling van Max Havelaar licht Hermans deze stelling toe. Het is een illusie dat vertaling een soort ‘spreken bij volmacht’ is, want ‘niet alleen de taal verandert met vertaling, maar ook de context, d eintentie, de functie, de hele communicatieve situatie.’

 

Onderstaande tekst betreft een (geautoriseerde) vertaling van fragmenten uit de oratie die Theo Hermans heeft uitgesproken bij het aanvaarden van de leerstoel Neerlandistiek en Vergelijkende Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Londen op 19 maart 1996. De oorspronkelijke titel van de oratie luidt ‘Translation’s Other’.

Laat me een ogenblik stilstaan bij wat ik de zelf-presentatie van vertaling genoemd heb, de wijze waarop wij zonder er verder bij stil te staan over vertaling spreken, de manier ook waarop vertaling zichzelf afficheert. Het gaat hierbij om het soort beeldspraak dat verborgen zit in wijdverbreide en versteende metaforen als ‘Bij monde van zijn tolk, verklaarde president Jeltsin dat...’ Wat betekent het eigenlijk wanneer je zegt ‘bij monde van zijn tolk’? Of neem een variant: we zeggen allemaal zonder probleem dat we Dostojevski gelezen hebben, en Dante en Douwes Dekker en Kazantzakis, Kafka en Kundera. Bijna niemand, neem ik nu maar even aan, heeft al deze auteurs in de oorspronkelijke taal gelezen. We hebben sommige of de meeste ervan in vertaling gelezen, in de gebruikelijke betekenis van ‘interlinguale’ vertaling. Voor zover een vertaling erin slaagt een indruk, een gevoel van equivalentie tot stand te brengen of over te brengen, een idee van transparantie en betrouwbaarheid dat haar in staat stelt als integrale representatie en dus als geloofwaardig substituut voor een brontekst te functioneren, is een uitspraak als ‘Ik heb Dostojevski gelezen’ een legitieme afkorting van ‘Eigenlijk heb ik een vertaling van Dostojevski gelezen’ ‒ wat dan op hetzelfde neerkomt als ‘en dat is praktisch even goed als het lezen van het origineel’. Maar let wel: de uitspraak is slechts legitiem voor zover er een indruk van equivalentie, van gelijkheid in praktische gebruikswaarde, tot stand is gebracht. En wij zijn geneigd te denken dat deze indruk van equivalentie teweeggebracht wordt juist door de transparantie van de vertaling als gelijkenis. De meest geslaagde vertaling, zo zeggen wij doorgaans, is een tekst waaraan je niet merkt dat hij een vertaling is, een tekst die ons daar niet opmerkzaam op maakt. De vertaling die het meest samenvalt met haar origineel is de vertaling die zelf het minst zichtbaar is, die het dichtst de volkomen gelijkenis benadert.

Hiervoor is het dan wel nodig dat het werk van de vertaler als het ware ontkend of onderdrukt wordt, dat er in de tekst geen enkel spoor van de interventie van de vertaler achterblijft. De ironie wil dat die sporen, die woorden, nu juist het enige zijn wat we hebben. Aan deze kant van de taalgrens staat ons niets anders ter beschikking om betekenis mee te construeren. Jeltsin mag dan wel ‘bij monde van’ zijn tolk tot ons spreken, als het ware dwars door die tolk heen, maar datgene waar wij betekenis aan geven zijn de woorden van de tolk. Toch zeggen we dat Jeltsin dit-of-dat verklaard heeft en dat we Dostojevski gelezen hebben. Al is juist die stem, met heel haar veronderstelde gezaghebbende oorspronkelijkheid, afwezig, toch zeggen we in alle terloopsheid dat het de enige stem is die zich aan ons voordoet.

Spreken bij volmacht
We menen die terloopsheid te kunnen rechtvaardigen doordat we vertaling beschouwen als een vorm van gedelegeerd taalgebruik, als een soort spreken bij volmacht. Hierbij wordt niet alleen een samenklinken van stemmen vooropgesteld, maar ook een hiërarchische relatie tussen die stemmen, en tegelijk een ondubbelzinnig morele ‒ en vaak ook juridische ‒ imperatief, namelijk die van de absolute discretie, de non-interventie van de vertaler. Aan deze imperatief wordt wel uitdrukking gegeven door middel van de norm van de ‘betrouwbare woordvoerder’ of de ‘waarachtige tolk’ (Harris 1990). Dit is de norm die de vertaler oproept om niets anders te doen dan nauwkeurig het origineel, het hele origineel en niets dan het origineel na te spreken. Als model voor vertaling geldt binnen deze opvatting de directe rede: er wordt niets weggelaten, niets toegevoegd, niets veranderd ‒ behalve uiteraard de taal.

Zodra we hier ook maar even bij stilstaan, beseffen we hoezeer we ons met deze opvatting een illusie voorhouden. We hoeven niet eens een beroep te doen op het probleem van de kloof tussen betekenaar en betekende of op een metafysica van de presentie, om in te zien dat een vertaling nooit kan samenvallen met haar bron. Tussen verschillende talen en culturen bestaan geen symmetrische of isomorfe relaties. Tegenover elk geval van overeenkomst, met welke maatstaf die ook gemeten wordt, staan aspecten van incongruentie. Niet alleen de taal verandert met vertaling, maar ook de context, de intentie, de functie, de hele communicatieve situatie. Aangezien de tussenkomst van de vertaler in dit proces niet eenvoudigweg kan worden geneutraliseerd, en de sporen ervan niet zonder meer kunnen worden weggevlakt, zou het beter zijn om als model voor vertaling niet de directe rede te nemen, maar de indirecte rede. De verwijzing naar de indirecte rede benadrukt de afstand en het verschil tussen de beide sprekers en geeft daardoor meer zicht op manipulatie en misbruik. Bovendien zijn in de indirecte rede de stemmen die worden samengevoegd en dooreengemengd minder scherp van elkaar afgegrensd (zie hiervoor Folkart 1991). Wat door vertaaloperaties in een tekst wordt aangebracht is vermenging, verschuiving en verschil, en daarmee ondoorzichtigheid en onordelijkheid, en niet overeenstemming, transparantie of, in enige formele betekenis van het begrip, equivalentie. Spreken over vertaling in termen van equivalentie houdt in dat je jezelf overgeeft aan een ver doorgevoerde ‒ zij het sociaal noodzakelijke ‒ illusie.

De stem van de vertaler
Men kan deze stelling op verschillende manieren uitwerken, bijvoorbeeld binnen een filosofisch of een poststructuralistisch kader. Ik wil hier mijn aandacht richten op een van de meer voor de hand liggende aspecten ervan: de kwestie van de veronderstelde discretie van de vertaler, wat zich laat vertalen als de kwestie van de onzichtbaarheid van de vertaler in de vertaling. Mijn opvatting is dat vertalingen ‒ net als andere teksten, maar op een nog meer nadrukkelijke wijze ‒ altijd meerstemmig zijn, instabiel, gedecentreerd, hybride; die status is inherent aan vertaling. De ‘andere’ stem, de stem van de vertaler, is altijd aanwezig. Maar door de manier waarop we vertaling traditioneel beschouwen, geven we er de voorkeur aan, of stellen we zelfs als eis, dat die stem zich niet laat horen. De praktijk toont dat vele vertalingen erg hun best doen om aan die eis tegemoet te komen, maar in sommige gevallen lopen die pogingen spaak en raakt de vertaling in flagrante tegenspraak met zichzelf. De incongruenties die dan in de vertaling optreden kunnen we toeschrijven aan het feit dat we, hoewel we over het algemeen bereid zijn te aanvaarden dat vertalingen zich richten op een ander publiek in een andere linguïstische en culturele context, toch verwachten dat degene die de heroriëntatie tot stand bracht, en dus ook diens stem, zich op de achtergrond houdt, of zelfs helemaal verdwijnt. Dat kan niet altijd en in die gevallen kunnen we de vertaling haar eigen stemloosheid luid en duidelijk horen ontkennen. Als we nu in bepaalde gevallen de discursieve aanwezigheid van de vertaler kunnen aantonen, zijn we gerechtigd, ja verplicht, in alle vertalingen de aanwezigheid, hoe minimaal ook, van een stem van de vertaler te veronderstellen.

Vaak kunnen we in een vertaling duidelijk die andere stem ontwaren waar dat eigenlijk niet de bedoeling is.’ Een voorbeeld hiervan is te vinden in de Engelse vertaling van Multatuli’s Max Havelaar, een roman die in meer dan een opzicht bijzonder is. Ik zal slechts een enkele korte zin hieruit behandelen, maar wel een waarvoor de structuur van het boek als geheel relevant is. Zoals iedereen weet heeft de Max Havelaar meerdere lagen. In de ene laag (laten we die laag B noemen) wordt het verhaal verteld van het conflict tussen de ambtenaar Max Havelaar en het koloniale bewind in Nederlands-Indië, een strijd die eindigt met Havelaars ontslag uit overheidsdienst. De andere laag (laag A, de raamvertelling waarin laag Bis ingebed) vertelt het verhaal van de koffiemakelaar Droogstoppel en zijn leerling-klerk Stern, die uiteindelijk de verteller van laag B wordt. In de laatste bladzijden van de roman wordt aan beide lagen nog een derde toegevoegd, wanneer Multatuli zelf het woord neemt en een oproep doet aan de Nederlandse koning om een eind te maken aan de uitbuiting in Nederlands-Indië.

Met deze oproep tovert Multatuli wat zich tot dan toe aan ons had voorgedaan als een roman om tot een pamflet. Op het moment dat hij zich voorstelt aan de lezer, vertaalt hij ook zijn eigen naam, ‘multa tuli’, ‘die veel gedragen heeft’, en laat hij er weinig twijfel over bes taan dat de naam op de titelpagina een pseudoniem is. Om het geheel nog ingewikkelder te maken: de opdracht in het boek (in het manuscript en de eerste drie drukken) geldt ‘E.H.v.W.’, een afkorting die vanaf de vierde druk is uitgebreid tot ‘Everdine Huberte Baronesse van Wynbergen, der trouwe gade etc.’2 De negentiende-eeuwse literaire conventies in aanmerking genomen, hoeven we er niet aan te twijfelen dat degene aan wie het boek is opgedragen de echtgenote is van ‒ nou ja, niet van een pseudoniem, maar, naar men mag aannemen, van de daadwerkelijke schrijver achter het pseudoniem. Uit andere bronnen weten we dat dit inderdaad het geval is: de werkelijke schrijver van de Max Havelaar is Eduard Douwes Dekker, die vergelijkbare ervaringen in Nederlands-Indië heeft opgedaan als het romanpersonage Max Havelaar.

Welnu, in het verhaal van Havelaar, dat wil zeggen in laag B die is ingebed in laag Adie op zijn beurt weer de gefictionaliseerde façade vormt voor het politieke pamflet, in dat verhaal dus vindt op een gegeven moment een gesprek plaats tussen het personage Havelaar en zijn vrouw Tine. In de loop van dat gesprek vraagt Tine, die in de roman uitsluitend met haar voornaam wordt aangeduid, aan haar echtgenoot of hij nog weet hoe hij ooit haar initialen heeft vertaald. In de Engelse versie antwoordt Havelaar, in het Engels uiteraard, ‘E.H.V.W.: eigen haard veel waard’. Het moge duidelijk zijn dat de Engelse lezer aan deze Nederlandse woorden geen enkele betekenis kan toekennen. Maar wat belangrijker is: de incongruentie van de plotselinge overgang naar het Nederlands midden in een boek dat geacht wordt in het Engels gesteld te zijn, doet de lezer wakker schrikken uit elke vorm van ‘willing suspension of disbelief ‘, en herinnert haar er niet alleen aan dat Havelaar eigenlijk Nederlands spreekt en dat ze een vertaling uit het Nederlands leest, maar herinnert haar er tevens aan dat er nog een stem spreekt hier, een andere stem, die op geen enkele manier samenvalt met die van een der vertellers.

De reden voor de wanhopige terugval naar het Nederlands in de Engelse vertaling is gelegen in de overgedetermineerdheid van de passage. De initialen van Havelaars echtgenote, E.H.V.W., blijken dezelfde te zijn als die van degene aan wie het boek is opgedragen, en dat is, in weerwil van het pseudoniem, de echte vrouw van de echte schrijver. Havelaar is Multatuli is Eduard Douwes Dekker. En ook: Havelaars echtgenote is Douwes Dekkers echtgenote. Net zozeer als het boek in zijn geheel, door zichzelf te transformeren van een roman in een pamflet, ‘de sprong uit de litteratuur, in de werkelijkheid maakt’ (Oversteegen 1983: 103, zie ook Sötemann 1973), zijn de initialen van het romanpersonage onlosmakelijk verbonden met die van een persoon die werkelijk bestaan heeft. Dat is de reden waarom ze niet veranderd kunnen worden. En aangezien de Nederlander Max Havelaar ze transformeert tot een voorgevormd spreekwoord, een staande Nederlandse uitdrukking, waarin in de eerste letter van elk woord de initialen worden herhaald, loopt de Engelse vertaling vast en valt zij terug op het Nederlands. Aldus ontmantelt zij haar eigen illusoire karakter, en wordt de ‘andere’ stem onthuld die is samengevoegd met de stemmen van de verschillende fictionele vertellers ‒ de stem die wij, als lezers, geacht worden te negeren.

Vertaling en ideologie
Wat er op het spel staat in dit soort teksten is echter niet alleen een kwestie van de meervoudigheid, instabiliteit en gedecentreerdheid van vertelinstanties. De kwestie van de narratieve stem duidt op een veelomvattender probleem, namelijk dat van de vertaling als een cultureel en dus ook ideologisch bepaald product. Hiermee zijn we terug bij het standaardbeeld van vertaling als transparante tekst en als duplicaat, als een tekst die niet alleen overeenkomt met haar origineel maar er idealiter zelfs mee samenvalt. Deze opvatting vraagt van vertalers dat ze zelf ook transparant worden, dat ze een verdwijntruc op zichzelf toepassen in het belang van de integriteit en de status van de brontekst. Alleen bij de vertaler die te werk gaat met de grootste discretie, omzichtigheid en eerbied, kan men er van op aan dat zij het origineel geen geweld aandoet. De loyale zelfontkenning van de een vormt de garantie voor het onbetwiste gezag van de ander.

Historisch gezien is de hiërarchische verhouding tussen vertaling en origineel telkens weer uitgedrukt in termen van een aantal stereotiepe tegenstellingen, zoals die van creatief tegenover afgeleid werk, primair tegenover secundair, eenmalig tegenover herhaalbaar, kunst tegenover ambacht, gezag tegenover gehoorzaamheid, vrijheid tegenover beperking, of uit eigen naam spreken tegenover spreken in andermans naam. Het spreekt vanzelf dat het in al deze gevallen de vertaling is die wordt beschouwd als ingeperkt en ondergeschikt, als begrensd en in bedwang gehouden. En voor wie mocht denken dat het hier tenslotte om natuurlijke en noodzakelijke opposities gaat, kan het geen kwaad eraan te herinneren dat in onze cultuur het verschil tussen de geslachten opvallend vaak aan de hand van soortgelijke tegenstellingen is geformuleerd: creatief tegenover reproductief, oorspronkelijk tegenover afgeleid, actief tegenover passief, dominant tegenover ondergeschikt. Het gaat er hierbij niet alleen om dat het historische discours over vertalen seksistisch is omdat vertaling de rol wordt toebedeeld van de dienstmaagd, of de trouwe en gehoorzame echtgenote ‒ waar het om gaat is dat er grenzen werden en worden gesteld aan vertaling aan de hand van ideologisch bepaalde hiërarchieën die sterk doen denken aan de hiërarchieën die gebruikt worden om seksuele machtsrelaties in stand te houden.

Maar er is meer. Vanaf het moment dat men binnen de literatuurwetenschap de rol is gaan benadrukken van de lezer bij het geven van betekenis aan teksten, en men aandacht is gaan schenken aan de rol van conventies en het spel van intertekstualiteit bij het totstandkomen van teksten die dan beschouwd worden als niet meer dan variaties op reeds bestaande patronen en teksten, hebben we oog gekregen voor, aan de ene kant, de onuitputtelijkheid en ononderdrukbaarheid van betekenis en, aan de andere kant, de verschillende mechanismen waarmee binnen onze cultuur niettemin wordt gepoogd die woekering van betekenis te beheersen en in te dammen. Deze beide aspecten komen bij elkaar in het begrip van de ‘auteurfunctie’ zoals geformuleerd door Michel Foucault in zijn essay ‘Wat is een auteur?’ (Foucault 1980): de ‘auteurfunctie’ is de ideologische metafoor die we gebruiken om de onbeperkte reikwijdte van betekenis mee in te dammen. We doen dat vooral door achter de tekst één sprekend subject te veronderstellen, één stem. Daarmee onderdrukken we de meer onbeheersbare aspecten van teksten: de losse eindjes en de gaten die erin zitten, de onbedoelde en aan niemand toe te schrijven betekenissen, de pluraliteit en heterogeniteit ervan. Maar vertaling beweegt zich juist voortdurend in de tegengestelde richting, in de richting die de ‘auteurfunctie’ probeert af te grendelen, vertaling versterkt en vergroot juist de onbeheersbare woekering van betekenis.’ In verschillende vertalingen worden uiteenlopende interpretaties voorlopig vastgelegd, en als verbale artefacten staan ze zelf ook weer bloot aan interpretatie. Ze transformeren ‘originelen’ die zelf ook weer transformaties zijn van teksten die zelf ook weer transformaties zijn, etc. Ze voegen aan een tekst die van zichzelf al meerstemmig is nog een stem toe. Als we dan in onze cultuur de noodzaak hebben gezien om een ‘auteurfunctie’ in te stellen, in een poging het semantische potentieel en de pluraliteit van teksten in te dammen, dan valt makkelijk in te zien waarom we ook, en met nadruk, een ‘vertalerfunctie’ hebben ingesteld, in een poging om paal en perk te stellen aan de exponentiële groei in betekenispotentieel en meerstemmigheid die door vertaling wordt teweeggebracht. Als een ideologisch en historisch bepaald instrument dient de ‘vertalerfunctie’ ertoe vertaling in een beschermde ruimte te houden, in de stevige greep van een hiërarchische ordening. De metaforen en opposities waarmee we vertaling gewoontegetrouw definiëren, de verwachtingen die we koesteren ten opzichte van vertalingen, de houding die we tegenover vertalingen aannemen, de juridische beperkingen waaraan vertalingen gebonden zijn ‒ alle zijn ze in overeenstemming met deze functie. En daarom zeggen we dat we Dostojevski gelezen hebben, en Douwes Dekker, en daarom gaan we er doorgaans van uit dat de meest betrouwbare vertaling een ‘geautoriseerde’ vertaling is, een vertaling die formeel is goedgekeurd en juridisch is bekrachtigd door de auteur. Het begrip van de geautoriseerde vertaling vormt zelf al de bevestiging van de enkelvoudigheid van de achterliggende intentie, de samenval van de stemmen, de illusie van equivalentie, en, uiteraard, de ondubbelzinnige m achts- en gezagsverhouding. De vertaler mag haar naam dan wel aan de vertaling verbinden, we willen wel dat de auteur die vertaling autoriseert.
 

Noten
1 Dit probleem wordt uitgebreider behandeld in Hermans 1996, dat samen is gepubliceerd met het thematisch verwante Schiavi 1996. Gewoonlijk wordt binnen narratologische modellen de discursieve aanwezigheid van de vertaler genegeerd.
2 Zie hiervoor Multatuli 1992. Vanaf de vijfde druk (1881) luidt de opdracht ‘Aan de diep vereerde nagedachtenis van Everdine Huberte’ etc.
3 Zie hiervoor Littau 1993 en ter perse.

Bibliografie
Folkart, Barbara. 1991. Le conflit des énonciations. Traduction et discours rapporté. Candiac, Quebec: Editions Balzac.

Foucault, Michel. 1980. ‘What is an Author?’ (vertaling Josué Harari), in: Josué Harari (red.). Textual Strategies. Perspectives in Post-structuralist Criticism. London: Methuen, p. 141-160.

Harris, Brian. 1990. ‘Norms in Interpretation’, Target 1:2, p. 115-119.

Hermans, Theo. 1996. ‘The Translator’s Voice in Translated Narratiue’, Target 8:1, p. 23-48. Littau, Karin. 1993. ‘Intertextuality and Translaiion: The Waste Land in French and German’, in: Caironia Pieken (red.). Translation: the Vital Link. London: Chameleon Press, p. 63-69.

Littau, Karin. ter perse. “Translation in the Age of Postmodern Produciion: from Text to Intertext to Hypertext’. Forum for Modern Language Studies.

Multatuli. 1992. Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy. Tweedelige historisch-kritische editie. Redactie A. Kets-Vree. Assen/Maastricht: Van Gorcum.

Oversteegen, J.J. 1983. ‘De organisatie van Max Havelaar’ [1963], in: idem. De Novembristen van Merlyn. Een literatuuropvatting in theorie en praktijk. Utrecht: Hes, p. 103.

Schiavi, Ciuliana. 1996. ‘There is Always a Teller in a Tale’. Target 8:1, p. 1-21.

Soiemann, A.L. 1973. De structuur van de ‘Max Havelaar’. Groningen: Wolters-Noordhoff.

Lees meer over: