De drie vertalerslevens van Koos Schuur    3-12

Jan Gielkens

Jacobus Geradus (Koos) Schuur (4 oktober 1915 – 1 december 1995) is niet alleen een vergeten vertaler, maar ook een vergeten dichter. Laten we met die vergeten dichter beginnen. De in Veendam geboren Schuur begon als journalist, en wel bij het in Wildervank verschijnende dagblad De Noord-Ooster. Na problemen met de Duitse bezetter vertrok hij in 1942 naar Amsterdam. Tijdens de bezetting publiceerde hij poëzie in clandestiene publicaties, waarvan er een, De 7 vloeken. Poëtisch pamflet, in 1944 door Hendrik Werkman werd gedrukt en verlucht. Voor een andere clandestiene uitgave, Novemberland en andere gedichten uit 1944, ontving hij in 1945, na de bevrijding, de Verzetsprijs voor letterkundigen, met acht anderen overigens. In 1946 verscheen de bundel Herfst, hoos en hagel, die, met aanvullingen, de oorlogspublicaties bundelde. Vanaf 1945 was Schuur werkzaam bij de uitgever van deze bundel, de voormalige verzetsuitgeverij De Bezige Bij, als adviseur, copywriter, redacteur, als hoofd van de afdeling publiciteit, van 1948 tot 1950 was hij ook plaatsvervanger van de Bezige Bijdirectie. Een van de activiteiten voor de uitgeverij was van 1945 tot 1949 het redactielidmaatschap, eerst met Ferdinand Langen, later ook met anderen (onder wie Jan Elburg en Bert Schierbeek), van Het woord. Maandblad voor de nieuwe Nederlandse letterkunde, waarin hij niet alleen een groot aantal jonge schrijvers met poëzie en proza aan het woord liet, maar ook zelf gedichten en programmatische teksten over poëzie publiceerde. In 1951 was Schuur een van de elf dichters die Simon Vinkenoog opnam in de Vijftigersbloemlezing Atonaal.

Zijn eerste vertaling publiceerde Schuur in 1945, na het einde van de bezetting. Het archief-Schuur geeft geen informatie over de omstandigheden waaronder het essay Over boeken en schrijvers van Michel de Montaigne bij uitgeverij De Vijf Ringen verscheen, vermoedelijk in een zeer kleine oplage. Tot 1950 zouden nog acht boeken volgen, nu bij de grote uitgeverijen die de weer op gang gekomen naoorlogse boekenproductie bepaalden. Schuur was een van de vele schrijvers die werden gevraagd om uit diverse talen te vertalen. Ook van Schuur werd kennelijk verwacht dat hij, in combinatie met zijn onmiskenbare literaire talent, de op school geleerde vreemde talen genoeg beheerste om niet alleen uit het Frans maar ook uit het Engels en het Duits te vertalen.

In 1946 publiceerde Schuur drie vertalingen: Drie mannen in burger van de productieve Brit J.B. Priestley, Het boek Le Grand van de Duitse negentiende-eeuwer Heinrich Heine en Nacht in den middag van de oorspronkelijk uit Oostenrijk-Hongarije afkomstige Britse schrijver Arthur Koestler, die in zijn populaire boeken met het communisme afrekende, waarin hij een aantal jaren had geloofd. In 1947 verschenen nog twee boeken van Koestler in vertalingen van Schuur: Dieven in de nacht. De kroniek van een experiment en De Yogi en de volkscommissaris; het laatstgenoemde vertaalde Schuur samen met Bert Schierbeek. In 1949 volgden vertalingen van De dierbare. Een Anglo-Amerikaanse tragedie van Evelyn Waugh en van weer een Franse klassieker, de roman Eugénie Grandet van Honoré de Balzac. In 1950 publiceerde Schuur nog een vertaling van een boek van Arthur Koestler: De God die faalde. Ervaringen met het communisme.

‘Schuur zit te ver weg en eet kangoeroes’
Ondanks het voorspoedige begin van een carrière in de Nederlandse letterkunde besloot Schuur in 1951 met zijn gezin te emigreren. Een getuigschrift van De Bezige Bij is in het archief-Schuur bewaard, net als een door veel collega’s ondertekende menukaart van het afscheidsdiner op de uitgeverij – De Telegraaf berichtte op 28 februari van dat jaar over de festiviteit, met foto. Schuur in 1980 over de reden van zijn emigratie: ‘In 1951 ben ik met mijn gezin naar Australië geëmigreerd. Ik had voor De Bezige Bij “Nacht in de middag” vertaald van Arthur Koestler, een roman over de zuiveringsprocessen in Moskou. Dat boek maakte geweldige opgang. In die tijd zei Theun de Vries, die toen nog communist was – een aardige jongen overigens – tegen mij: “Als wij straks overwinnen, ben jij de eerste die het kamp in gaat.” Dat vond ik wel een beetje grof. Er zat een geloofsgenoot van hem bij, vandaar misschien dat hij zo fel tegen mij uitviel. […] Ik had twee zoontjes van drie en vier jaar, dus als er zoiets tegen je gezegd wordt, ga je wel denken: wat moet er van deze jongetjes terecht komen?’

In Australië probeerde Schuur met allerlei baantjes in zijn levensonderhoud te voorzien, onder andere in een drukkerij en met redactiewerk. Publiceren van eigen werk, ook in het Engels, lukte nauwelijks, en al zijn energie op het literaire vlak stopte Schuur in zijn brieven aan vrienden en familieleden in Nederland. Twee van die vrienden, Jan Elburg en Salvador Hertog, zagen het belang van die brieven in en maakten er in 1953 een boek van, dat De Bezige Bij uitgaf: En de kookaburra lacht… Brieven van een emigrant. De lange, gepassioneerde en vaak wanhopige brieven getuigen van de grote belezenheid van Schuur, die niet alleen berichtte over zijn huwelijksproblemen en de moeilijkheden om een passende baan te vinden, maar ook voortdurend liet blijken dat hij Europa en zijn literaire vrienden in Nederland miste. Sommige van die literaire vrienden hadden intussen enige bekendheid gekregen, onder andere door Atonaal, de spraakmakende bloemlezing die pas na Schuurs vertrek naar Australië was verschenen.

De aanwezigheid – met twee langere gedichten – van de deels traditionele poëzie schrijvende Schuur tussen de experimentele dichters was niet voor iedereen vanzelfsprekend. Zijn Groningse vriend en collega A. Marja kon op zich begrijpen dat Schuur, ‘nadat hij zich al een zeer kundig verzenschrijver in min of meer traditionele stijl had doen kennen’, in de verzamelbundel was opgenomen, maar vond het wel jammer dat er geen portretten in waren opgenomen, ‘zodat men niet kan zien hoezeer zijn nette en bezadigde uiterlijk detoneert tussen de profetenblikken en de vlasbaarden der Lucebarden’. Ook samensteller Vinkenoog bleek op den duur minder overtuigd van de noodzaak van Schuurs aanwezigheid in de bundel: in de derde, gewijzigde en uitgebreide druk was een van de twee gedichten van Schuur geschrapt. In zijn verantwoording bij de derde druk noemde Vinkenoog als reden voor de amputatie dat hij geen nieuwe poëzie van Schuur kende; in een brief aan Hugo Claus stond het zo: ‘Schuur zit te ver weg en eet kangoeroes.’

Toch schreef Schuur nieuwe poëzie in Australië, en ze verscheen onder de titel Fata morgana voor Nederlanders en andere gedichten in 1956 bij De Bezige Bij. Volgens de eigenzinnig spellende recensent van De vrouw en haar huis was het ‘een bundel poëties proza, of prozaïese poëzie, ik weet het niet precies, die, rijk versierd met australianismen, de argeloze nederlandse lezer moet suggereren dat men in de dichtkunst ongestraft een aantal talen door elkaar kan klutsen. Ik ben er niet ingetrapt. Het is een kollektie anglisismen in een dorre vorm waar uit blijkt dat Schuur wat de dichtkunst betreft ten grave gedragen kan worden. Wel zijn in dit boekje interessante dingen over de nederlanders in Australië vermeld, maar als het daar om gaat laat ik mij toch maar liever door de emigratiedienst inlichten.’ De criticus had in enkele van de door hem besproken bundels, waaronder in die van Schuur, ook vertaalde gedichten aangetroffen, en ook daarover was hij niet te spreken: ‘vertalen schijnt een hobby van de vreemde talen sprekende poëet te zijn’.

Snel weer aan het werk
In 1963 kwam er een eind aan de emigratie. ‘Dichter Koos Schuur terug uit Australië’ was de kop boven een artikel van Ab Visser in De Telegraaf in april van dat jaar, en ook andere kranten vonden de terugkeer van de literaire emigrant het vermelden waard. Schuur was snel weer aan het werk: ‘Ik kon bij De Bezige Bij terugkomen, als reader, boekzoeker, zeg maar. / En aangezien mijn Engels zo goed was, was ik de eerste die De geverfde vogel van [Jerzy] Kosinski las. En het aangeraden heb.’ De vertaling van The Painted Bird (1965) verscheen in 1967 en was van Mischa de Vreede, niet van Schuur. Contracten voor eigen vertalingen had Schuur al snel na zijn terugkeer te pakken. Het eerste resultaat van wat de tweede vertaalperiode van Schuur genoemd kan worden was de vertaling van Franny and Zooey (1961) van J.D. Salinger, die in het najaar van 1963 verscheen. De recensent van het Algemeen Dagblad vond Franny en Zooey een ‘opmerkelijk mooie vertaling’. (Het boek zou in 1983 opnieuw worden vertaald door Johan Hos.) De volgende vertaling van Schuur verscheen een halfjaar later, en weer was het een Amerikaanse roman, namelijk Set This House on Fire (1960) van William Styron. Dit huis in vuur verscheen in het voorjaar van 1964. Een van de eerste recensies was van Wim Bronzwaer in De Tijd De Maasbode, en die vond dat de vertaling, ‘van iemand als Koos Schuur’ nogal tegenviel: ‘Zij wemelt van de Anglicismen en maakt de indruk helemaal niet gecorrigeerd te zijn. Vooral de dialogen zijn slecht. De nonchalante, “slangy” toon van het origineel wordt in ’t Nederlands tot ’n soort kanseltaal waarin slechts een enkele vloek nog herinnert aan het oorspronkelijke allooi.’

De opdracht voor deze beide vertalingen zal Schuur dus niet lang na zijn terugkeer uit Australië in april 1963 hebben gekregen. In het najaar volgden er nog een paar, nu voor Duitse boeken. De eerste was voor de roman Abschied von den Eltern uit 1962 van de Duitse, al jong naar Zweden geëmigreerde Peter Weiss. Het contract voor Afscheid van mijn ouders– het bevindt zich in een map met een groot aantal vertaalcontracten in het archief-Schuur – werd op 22 oktober ondertekend; het honorarium bedroeg 600 gulden voor de eerste druk en er was een royaltyregeling. Het volgende vertaalcontract werd al een week of twee later getekend, en wel voor de vertaling die er nog geruime tijd voor zou zorgen dat Schuur als vertaler niet helemaal vergeten is: die van Die Blechtrommel, de wereldwijd geprezen volumineuze – 736 pagina’s – eerste roman van Günter Grass uit 1959. Op 8 november 1963 spraken uitgeverij Meulenhoff en Schuur af dat hij het eerste deel van de vertaling op 15 maart 1964 zou inleveren, het tweede twee weken later. Het honorarium bedroeg 3000 gulden voor de eerste 6000 exemplaren. Ook hier was er een royaltyregeling, en die zorgde tot in de eenentwintigste eeuw voor regelmatige jaarlijkse uitbetaling, want er verschenen bijna dertig drukken, totdat er in 2009 een nieuwe vertaling (van Jan Gielkens) verscheen.

Er zijn weinig reacties in de pers te vinden op het verschijnen van Die Blechtrommel in het Nederlands. In De Tijd De Maasbode schreef J.P.J. Maassen ter afsluiting van zijn recensie: ‘Grasz[!] is een fabuleertalent en tegelijk een woordkunstenaar van uitzonderlijke potentie. Een vertaler van dit gigantische werk was bij voorbaat al niet te benijden en men mag het niemand kwalijk nemen dat nu eerst vijf jaar na het verschijnen in Duitsland, de Nederlandse vertaling is uitgekomen. Koos Schuur moet men af en toe op de vingers tikken. Hij mist een enkele keer het juiste woord, ziet op een bepaald moment niet dat Grasz losse flarden uit de katechismus naast elkaar plaatst en bederft het effekt door ze in een verband te plaatsen, vertaalt het aanwijzend voornaamwoord “das” door “het” en veroorzaakt daardoor kortsluiting, vertaalt “schlägt seine Pflegerhände über dem Kopf zusammen” letterlijk wat nauwelijks aanvaardbaar Nederlands oplevert enz., maar heeft over het geheel genomen toch een lovenswaardige vertaling geleverd.’

Schuur zou nog een boek van Grass vertalen, de bijna net zo dikke (683 pagina’s) roman Hundejahre uit 1963. Het contract daarvoor is op 30 juli 1964 gedateerd, de deadline werd op 1 november van hetzelfde jaar gesteld. De werktitel van de vertaling was, interessant genoeg, ‘De wolfshond van Hitler’, een titel die nog kort voor het verschijnen van het boek in advertenties van uitgeverij Meulenhoff voorkomt. Hoewel hierover in het archief-Schuur geen correspondentie bewaard is, is het aannemelijk dat Grass of diens toenmalige uitgeverij Luchterhand voor deze titel een stokje heeft gestoken: de naam Hitler komt met opzet niet in de roman voor en Grass zal, direct of indirect, hebben duidelijk gemaakt dat dat ook in een vertaling dan niet voor de hand ligt. De Nederlandse titel werd uiteindelijk Hondejaren.

Er is een zeer korte correspondentie – één brief per persoon – bewaard tussen Schuur en Grass over de vertaling van Hundejahre, uit de tijd dat De blikken trommel net verschenen was en de opvolger in de maak. ‘Lieber Herr Grass,’ schreef Schuur op 10 november 1964: ‘in meiner Eigenschaft als Übersetzer Ihrer Romane “Der Blechtrommel” und “Hundejahre” sehe ich mich gezwungen Ihnen um einige Information zu bitten; Subjekt “Hundejahre”. Es gibt einige Wörter in den “Frühgeschichten” dessen Bedeutung ich nicht ganz sicher bin. Ich möchte Ihnen bitten diese Wörter für mich zu umschreiben.’ Dan volgt een lijstje van acht woorden, en de specifieke vraag of hij de naam van een van de hoofdpersonages van het boek mag vernederlandsen: ‘Weiter habe ich einige Schwierigkeiten mit der Name “Amsel”. Auf Seite 36 schreiben Sie: “der Name Amsel komme aus dem Holländischen”. Das Wort “Amsel” aber ist kein holländisches Wort und wirt hier auch nicht gehört als ein Vogelname. Der Vogel heisst hier “Merel”. Darum habe ich gemeint die Name “Amsel” ändern zu müssen in “Merel”- Albrecht Merel und Eddi Merel – aber dafür brauche ich Ihre Genehmigung.’

Grass antwoordt drie weken later, op 1 december 1964; hij verontschuldigt zich voor de vertraagde reactie vanwege een reis en legt de acht woorden van het vragenlijstje uit. Wat de Amsel/Merel-kwestie betreft adviseert Grass het bij Amsel te laten, ‘zumal die Anspielung auf die holländische Herkunft des Namens Amsel nur als Vermutung gemeint ist und es bei der bloßen Vermutung bleibt.’ Grass spreekt in de afronding van de brief de hoop uit dat Schuur ‘gelegentlich Spaß’ aan de vertaling beleeft. Wellicht had hij de indruk gekregen dat dat niet zo was, en het is ook niet ondenkbaar dat het matige actieve Duits van Schuur – die bijvoorbeeld Der Blechtrommel schrijft in plaats van Die Blechtrommel – hem aan het denken had gezet. Hondejaren verscheen in de loop van 1965.

Ook voor Hondejaren was weinig aandacht in de pers. Het was opnieuw de germanist J.P.J. Maassen die kritisch was: ‘Wat wij toen hebben gezegd geldt ook nu: Schuur weet wel wat vertalen is, maar gaaf zijn de teksten die door zijn molen zijn gegaan zeker [n]iet’. Maassen geeft toe dat het vertalen van Grass geen sinecure is, maar heeft moeite met de letterlijkheid waarmee Schuur zich aan de tekst heeft gehouden. Maar: ‘Veel verontrustender zijn fouten en slordigheden van een kaliber dat wij bij een vertaler als Schuur simpelweg niet voor mogelijk hadden gehouden,’ en geeft dan een stuk of twaalf voorbeelden van in zijn ogen foute oplossingen uit een steekproef van drie pagina’s (van de 683) van de vertaling; ook een paar woordweglatingen constateert Maassen: ‘Schoolmeesterlijk gedoe onzerzijds? Het ligt er maar aan hoe men tegenover een taal staat: met of zonder eerbied.’

Het is onbekend of de geringe en kritische aandacht voor deze twee vertalingen reden was voor het feit dat Schuur geen boeken van Grass meer zou vertalen. Het was Schuurs echtgenote Tineke Kaspers die het van hem overnam: zij zou de twee volgende boeken van Grass voor haar rekening nemen, Plaatselijk verdoofd en Uit het dagboek van een slak(verschenen in 1969 en 1973). Kaspers was bibliothecaresse en de weduwe van Schuurs Groningse vriend en collega A. Marja; zij zou vanaf 1964, het jaar dat Marja overleed en zij Schuur leerde kennen, een bescheiden vertaalcarrière hebben.

Tot 1980 zou Schuur nog een klein aantal boeken vertalen, allemaal uit het Engels, maar allemaal in een ander genre: in 1971 verscheen het manifest Bond tot het uitroeien van mannen. S.C.U.M. Society for Cutting Up Men van Valerie Solanas, in 1973 de verhalen van Damon Runion die de basis vormden voor een populaire musical: De ‘Guys’ en ‘Dolls’ van Broadway, New York, U.S.A., in 1979 de poëzie in De vreugde van het landleven. Dagboek van een Engelse dame uit 1906 van Edith Holden en in 1980 de roman De vivisector van de Australiër Patrick White.

Naar de ECI-boekenclub geschoven
Het vertalen was vanaf 1966 voor Schuur een nevenactiviteit, want in dat jaar werd hij, onder anderen door Geert Lubberhuizen van uitgeverij De Bezige Bij, ‘naar de ECI-boekenclub geschoven’, zoals Schuur het zelf in 1980 in een kranteninterview met Hans van Straten formuleerde: ‘Ze hadden daar iemand nodig die een catalogus kon maken. Dus, al die boeken beschrijven, in zoveel regels. Later kwam ik daar in vaste dienst als redacteur, programmamaker heet zoiets.’ Uit het archief van Schuur blijkt dat hij een belangrijke stem had in het vertalingenaanbod van de Europaclub International, zoals de boekenclub heette toen hij in 1967 actief werd en een groot succes bleek. Schuur bezocht internationale beurzen, legde contacten en koos de boeken uit die een groot lezerspubliek moesten kunnen bekoren. Voor zijn internationale contacten was hij niet Koos maar ‘Jack’ Schuur.

Schuur zou tot juli 1982, dus tot na zijn formele pensionering, bij de ECI blijven werken, zelfs nadat hij in 1981 een hartinfarct had gekregen. Daarna, in 1984, begon de derde vertaalperiode uit het leven van Schuur, die tot kort voor zijn dood in december 1995 nog een titel of twintig zou opleveren, twee boeken per jaar dus, maar het waren geen literaire boeken meer. Het archief van Schuur bevat correspondentie over nog één poging om een literair werk te vertalen, namelijk The Hermit of 69th Street van Jerzy Kosinski uit 1988. De proefvertaling die Schuur blijkbaar op verzoek had gemaakt kreeg hij op 1 maart 1988 met commentaar van een persklaarmaker van uitgeverij Unieboek retour. In een brief gaf redacteur Marjo Ariës een nadere toelichting: ‘Over het algemeen staan er m.i. veel “Amerikaanse” zinswendingen/woordvolgordes in het Nederlands. Voorts een aantal fouten die bij herlezing-op-afstand ongetwijfeld ook door u zouden worden/zijn gezien. […] Sommige opmerkingen vallen ook in de categorie “scherpslijpen”.’ Schuur reageerde op 5 maart 1988: ‘Inderdaad heb ik snel de neiging een angelsaksische syntaxis te gebruiken in het Nederlands, hetgeen mijn echtgenote gewoonlijk uit mijn vertalingen verwijdert.’ Het commentaar accepteert hij gedeeltelijk, maar ‘[i]k kan u moeilijk aanraden deze commentator het boek te laten vertalen, want al Kosinski’s religieuze en seksuele grappen zouden er dan uit wegvallen, ook al zou u dan een roman overhouden in perfekt ABN en dat zou er een ouderwets literair cachet aan geven.’ Hij voegt eraan toe: ‘De proefvertaling is voor mij een uitdaging geweest en ik heb het met plezier gedaan (ik was altijd al een liefhebber van kruiswoordraadsels). Maar het trekt me toch niet aan, een heel jaar lang […] in Kosinski’s vuile ondergoed te wroeten.’ (De kluizenaar van 69th Street zou uiteindelijk in 1990 verschijnen in de vertaling van Anneke Goddijn-Bok.)

Al een paar jaar eerder had hij kritisch commentaar gekregen op een vertaling, maar dan op een waarvan al vele drukken waren verschenen. In het najaar van 1983 vroeg uitgeverij Meulenhoff Schuur om correcties voor de volgende, zestiende druk van De blikken trommel, die opnieuw gezet zou worden. Na een summier antwoord van Schuur op dit verzoek voerde redacteur Wouter D. Tieges op 23 september de druk op: ‘Bij een steekproefsgewijs doornemen van de Nederlandse tekst vielen mij echter dingen op die mijns inziens bij een opnieuw zetten van de vertaling rechtgezet zouden moeten worden, van de ongebruikelijke kommazetting tot een aantal onnodige omissies. Bovendien hindert het mij op sommige plaatsen bijzonder dat de gedrongen stijl van Grass, waarvan een opeenstapeling van woorden en het ontbreken van voegwoorden het kenmerk is, heel vaak mijns inziens overbodig uitgesmeerd is, zodat een typische en-en-en-opsommingsstijl ontstaat.’ Tieges vindt het nodig dat de hele vertaling herzien wordt, hij kondigt aan dat zelf te doen en belooft behoedzaam met de tekst om te springen. Hij noemt Schuurs werk ondanks de kritiek een ‘vertaalprestatie van formaat’. (De herziening zou uiteindelijk niet door Tieges worden uitgevoerd maar door Leo Tunderman.)

Het derde leven als vertaler
Toen hij dit soort kritiek op zijn vertalingen kreeg, was Schuur al begonnen aan zijn derde leven als vertaler. Na zijn pensionering tot kort voor zijn dood op tachtigjarige leeftijd vertaalde Schuur namelijk nog met grote regelmaat boeken, maar nu dus niet meer in de literaire sector. Aan het begin van deze periode stond een uitgebreid vraaggesprek met Marc van Dongen in 1981, waarin het vooral over het vertalen van het werk van Günter Grass ging, maar ook over de positie van de vertaler in het algemeen. De titel van het artikel is ‘Het eerste interview van Koos Schuur’. Bedoeld is, zo blijkt uit de inleidende tekst, het eerste vraaggesprek met Schuur als vertaler: ‘Schuur geniet als dichter in kleine kring bekendheid. […] Maar zijn activiteiten als vertaler van een veelgeprezen auteur als Grass zijn niet of nauwelijks bekend. Bijgaand interview is bedoeld om een vergeten hoofdstuk in de Nederlandse literatuur naar voren te halen.’

Het interview blinkt niet uit in precisie, en ook Schuur lijkt moeite te hebben om zijn herinneringen en de feiten uit elkaar te houden. Zo zegt hij over de opdracht die hij, volgens eigen zeggen, in 1964 kreeg om Die Blechtrommel te vertalen: ‘[Willem] Bloemena [directeur van Meulenhoff; JG] kende mij omdat ik al meer vertalingen voor Meulenhoff had geleverd. Op dat moment had ik tijd in overvloed en de vierhonderd gulden die Bloemena bood kwamen als geroepen.’ In feite kreeg hij de opdracht al in 1963, min of meer tegelijk met nog twee opdrachten voor Meulenhoff, waardoor hij waarschijnlijk geen tijd in overvloed had, en het honorarium bedroeg geen vierhonderd maar – nota bene – drieduizend gulden.

‘In vergelijking met andere boeken van Grass, vond ik het vertalen van “De Blikken Trommel” niet buitensporig moeilijk,’ zegt Schuur, maar ‘[e]en ander werk van Grass, “Uit het dagboek van een slak” dat ik later vertaalde, was een veel grotere opgave. Daar zat je met stukken die waren geschreven in een zigeunertaal. Andere gedeelten bevatten woorden uit het nazi-jargon van de Duitse filosoof Heidegger.’ In feite werd, zoals we zagen, Aus dem Tagebuch einer Schnecke vertaald door Schuurs vrouw Tineke Kaspers. Schuur vermeldt ook de brief die hij aan Grass schreef, zij het dat hij hem in verband brengt met Die Blechtrommel en niet met Hundejahre, waarover hij – zie boven – de auteur enkele vragen stelde. ‘In zijn antwoord gaf Grass alleen een vingerwijzing in de richting waarin Schuur de oplossing moest zoeken,’ noteert Van Dongen, maar zo is het antwoord van Grass toch moeilijk te lezen. Ook mededelingen over een bijeenkomst van Grass met vertalers van Die Blechtrommel zijn niet accuraat. Volgens Schuur vond die bijeenkomst in 1971 plaats, maar vermoedelijk was het vijf jaar later, in 1976. Op 20 december van dat jaar schrijft Grass namelijk aan zijn Amerikaanse uitgeefster Helen Wolff: ‘Vertalingen veroorzaken problemen. Kort geleden was ik in Bergneustadt (bij Bonn) bij een vertalersconferentie. De vertalingen van Die Blechtrommel was het thema. Zeven vertalers waren gekomen, onder hen Jean Amsler [de Franse vertaler; JG]. Helaas kon Ralph Manheim [de Amerikaanse vertaler; JG] er niet bij zijn.’ Dit laatste feit vermeldt Schuur ook. Grass vervolgt: ‘Tijdens de conferentie kwam ik op het idee, een paar maanden na het verschijnen van een boek een bijeenkomst met de vertalers te organiseren, als schrijver drie, vier dagen ter beschikking te staan en de belangrijkste problemen te bespreken […]. Luchterhand [Grass’ toenmalige uitgever; JG] en de buitenlandse uitgevers zouden het geheel kunnen financieren.’ Het was de kiem van de vertalersbijeenkomsten zoals die sinds 1978 bij elk nieuw boek van Grass werden georganiseerd, te beginnen met Der Butt. Grass had in Nederland toen al weer, na Tineke Schuur-Kaspers, een nieuwe vertaler in de persoon van Peter Kaaij. Schuur vond dat Kaaij veel te lang over het vertalen had gedaan: ‘in plaats van drie maanden maar liefst vier jaar. […] Een vertaling moet vier à vijf maanden na het verschijnen van de oorspronkelijke uitgave in de winkel liggen.’

Volgens het interview lag Schuur tijdens de bijeenkomst ‘ook in de clinch over een punt-komma’: ‘Die had ik in de vertaling vervangen door het woordje “en”. Grass was het er niet mee eens. Een punt-komma moest een punt-komma zijn. Hij is daar erg autoritair in. Hij vindt dat een vertaler precies moet doen wat hij wil. Maar ik ben van mening dat een vertaler best een eigen interpretatie van een tekst mag hebben. Vertalen is vooral een tekst begrijpelijk maken.’ Schuurs perceptie van de ‘voortdurende controle op zijn werk’ door Grass komt niet overeen met de ervaringen die andere Grassvertalers in de loop van de jaren tijdens de genoemde bijeenkomsten hebben opgedaan. Zij beschrijven de auteur zonder uitzondering als iemand die zijn vertalers alle ruimte geeft en de bijeenkomsten vooral ziet als hulp bij het vertalen, niet als instructie. Het is juist Schuur die in zijn brief om ‘toestemming’ vraagt voor een vertaaloplossing, terwijl Grass met een advies hierop antwoordt.

In het interview klaagt Schuur over de positie van de vertaler: ‘De uitgevers gebruiken de vertaler als een voetveeg. […] Aan twee kanten kan de uitgever beknibbelen op de kosten van het vertalen van een boek. Hij kan het loon voor de vertaler laag houden, dan is de vertaler de klos. Hij kan proberen de rechten goedkoper te krijgen en dan is de auteur de dupe. Het is óf de auteur óf de vertaler. En dat zijn nu juist de zwaksten in dat rijtje.’ Er zijn uitgeverijen die belang hechten aan goede vertalingen, constateert Schuur: ‘Arbeiderspers, Bezige Bij, Bert Bakker en Meulenhoff hebben bijvoorbeeld behoorlijke vertalers in dienst. Maar er zijn ook de minder literaire broertjes, die puur commerciële uitgaven maken. Zij pakken liever een onderwijzer op een dorp. Dat kost stukken minder en de kritiek wordt omzeild. De boekrecensenten kennen die onderwijzers toch niet.’

Opvallend is dat Schuur met de vertalingen die hij na zijn pensionering maakte vooral voor die ‘minder literaire broertjes’ werkte, uitgeverijen die boeken uitgaven die vooral de ECI verspreidde: Amerikaanse avonturen- en oorlogsromans en titels over Atlantis en paranormale verschijnselen. Een aantal van de contracten in het archief-Schuur is afgesloten met de ECI, terwijl de boeken door diverse uitgevers werden gepubliceerd.

Conclusie
Koos Schuur was een vertaler met een aanzienlijke productie, deels van werken van auteurs met wereldwijd aanzien, vaak ook van boeken die als moeilijk te vertalen golden. Veel van die werken zijn intussen vergeten of opnieuw vertaald, en daarmee verdween ook het aanzien dat Schuur ondanks soms stevige kritiek op zijn werk genoot. Als redacteur en adviseur van uitgeverijen heeft Schuur vermoedelijk een grotere rol gehad dan zichtbaar te maken is, en zeker als fondsbepalende medewerker van de boekenclub ECI heeft hij niet alleen een groot aantal lezers blij gemaakt met vertalingen van spannende en ontspannende boeken, maar ook tientallen vertalers van die boeken aan het werk gehouden. In zijn eerder vermelde interview schrijft Marc van Dongen in een inleidende tekst over de positie van de vertaler: ‘De meeste vertalers pluk[ken] hier en daar wat geld bij elkaar. Ook de vertalingen die Koos Schuur op zijn naam heeft staan zijn schnabbels.’ Het is niet ondenkbaar dat Schuur een dergelijke opmerking heeft gemaakt, want zijn uitspraken over de tijdsinvestering in het vertalen en ook de doorgaans zeer korte deadlines in zijn vertaalcontracten duiden erop dat Schuur het vertalen van de pragmatische kant zag: het was een van de manieren om in het literaire veld in je levensonderhoud te voorzien, en je moest er niet te veel misbaar over maken.

 

Bronnen
Archief-Koos Schuur in Literatuurmuseum, Den Haag.

B., W. 1963. ‘Zomaar een greep uit pocketboeken’, Algemeen Dagblad, 7 december.

Bakker, Siem. 1987. Het literaire tijdschrift Het woord 1945-1949. Amsterdam: De Bezige Bij.

Bakker, Siem (ed.). 2012. Een halve eeuw vriendschap. Twee vijftigers in brieven, 1943-1992. Amsterdam: Meulenhoff.

Brems, Elke. 2016. ‘Framing Grass: The Reception of Die Blechtrommel in Flanders’, in: Jos Joosten & Christoph Parry (eds.), The Echo of Die Blechtrommel in Europe. Studies on the Reception of Günter Grass’s The Tin Drum. Leiden/Boston: Brill, p. 136–151.

Bronzwaer, W. 1964. ‘Dit huis in vuur’, De Tijd De Maasbode, 17 april.

Dongen, Marc van. 1981. ‘Het eerste interview van Koos Schuur’, Pers-twee, december.

Fokkema, R.L.K. 1979. Het komplot der vijftigers. Een literair-historische documentaire. Amsterdam: De Bezige Bij.

Frielinghaus, Helmut (ed.). 2002. Der Butt spricht viele Sprachen. Grass-Übersetzer erzählen. Göttingen: Steidl.

Hermes, Daniele (ed.). 2003. Günter Grass. Helen Wolff. Briefe 1959–1994. Göttingen: Steidl.

IJpenberg, R. 1959. ‘Nieuwe dichtbundels’, De vrouw en haar huis, 53:1, p. 38–39.

Joosten, Jos. 2016. ‘A Big Bang? The Paradox of the Reception of Günter Grass’s Die Blechtrommel in The Netherlands’, in: id. & Christoph Parry (eds.), The Echo of Die Blechtrommel in Europe. Studies on the Reception of Günter Grass’s The Tin Drum. Leiden/Boston: Brill, p. 120–135.

Keller, Hans. 1994. Hotel Atonaal. Verslag van een romance. Amsterdam: De Bezige Bij.

Maassen, J.P.J. 1965. ‘Günter Grasz’ de blikken trommel nu vertaald’, De Tijd De Maasbode, 29 maart.

Msn. [= J.P.J. Maassen]. 1965. ‘Hondejaren’, De Tijd De Maasbode, 26 november.

Marja, A. 1953. ‘Experimenten van Koos Schuur. De verbannen koning’, Wereldkroniek, juli.

Schuur, Koos. 1953. De kookaburra lacht… Brieven van een emigrant. Amsterdam: De Bezige Bij; tweede, uitgebreide druk 1966, derde druk Utrecht: Het Spectrum, 1988 (met ‘Voorwoord 1988’ van Schuur).

Straten, Hans van. 1980. ‘“Nooit ergens met je kop bovenuit, dan hakken ze hem af.” “Waar het was?” Koos Schuur na jaren terug in de poëzie’, Utrechts Nieuwsblad, 11 november.

Toda Castán, Claudia. 2009. El papel del autor. Análisis de la relación directa autor-traductor sobre el ejemplo de Günter Grass. Trabajo de Grado, Universidad de Salamanca.

Vinkenoog, Simon (ed.). 1951. Atonaal. Bloemlezing uit de gedichten van Hans Andreus [etc.]. Den Haag: A.A.M. Stols; tweede druk 1952; derde, herziene druk 1956.

Lijst van vertalingen van Koos Schuur (chronologisch)
Michel de Montaigne. Over boeken en schrijvers. Essay. Amsterdam: De Vijf Ringen, [1945]. – Vertaling van Les Livres.

J.B. Priestley, Drie mannen in burger. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1946. – Vertaling van Three Men in New Suits.

Heinrich Heine, Het boek Le Grand. Amsterdam: Contact, 1946; herdruk 1973. – Vertaling van Das Buch Le Grand.

Arthur Koestler, Nacht in den middag. Amsterdam: De Bezige Bij, 1946; 10e druk De Bilt: Schokland, 2012. – Vertaling van Darkness at Noon.

Arthur Koestler, Dieven in de nacht. De kroniek van een experiment. Amsterdam: De Bezige Bij, 1947. – Vertaling van Thieves in the Night.

Arthur Koestler, De Yogi en de volkscommissaris. Amsterdam: De Bezige Bij, 1947; samen met Bert Schierbeek. – Vertaling van The Yogi and the Commissar.

Evelyn Waugh, De dierbare. Een Anglo-Amerikaanse tragedie. Amsterdam: De Bezige Bij, 1949; herdruk 1993. – Vertaling van The Loved One.

Honoré de Balzac, Eugénie Grandet. Roman. Amsterdam: De Muidertoren, 1949; herdruk 1950. – Vertaling van Eugénie Grandet.

Arthur Koestler, De God die faalde. Ervaringen met het communisme. Amsterdam: De Bezige Bij, 1950. – Vertaling van The God that Failed. Six Studies in Communism.

J.D. Salinger, Franny en Zooey. Amsterdam: De Bezige Bij, 1963; herdruk 1968. – Vertaling van Franny and Zooey.

William Styron, Dit huis in vuur. Amsterdam: Meulenhoff, 1964; herdruk 1985. – Vertaling van Set This House on Fire.

Günter Grass, De blikken trommel. Amsterdam: Meulenhoff, 1964; 29 herdrukken tot 2004. – Vertaling van Die Blechtrommel.

Peter Weiss, Afscheid van mijn ouders. Roman. Amsterdam: Meulenhoff, 1964; herdruk 1968. – Vertaling van Abschied von den Eltern.

Sam Haskins, Cowboy Kate en andere verhalen. Amsterdam: De Bezige Bij, [1965]. – Vertaling van Cowboy Kate & Other Stories.

Sam Haskins, November meisje. Amsterdam: De Bezige Bij, [1967]. – Vertaling van November Girl.

Valerie Solanas, Bond tot het uitroeien van mannen. S.C.U.M. Society for Cutting Up Men. Manifest. Amsterdam: De Bezige Bij, 1971. – Vertaling van S.C.U.M. Manifest.

Damon Runyon, De ‘Guys’ en ‘Dolls’ van Broadway, New York, U.S.A. Den Haag: Bert Bakker, 1973. – Vertaling van Guys and Dolls.

Edith Holden, De vreugde van het landleven. Dagboek van een Engelse dame uit 1906. Impressies in tekst en aquarellen van de flora en de fauna op het Britse platteland gedurende de wisseling der jaargetijden. Ede: Zomer & Keuning, 1979; herdrukken tot 1987. – Vertaling van de poëzie uit The Country Diary of an Edwardian Lady.

Patrick White, De vivisector, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1980. – Vertaling van The Vivisector.

Stephen Crane, Het teken van moed. Tricht: Goossens, 1984. – Vertaling van The Red Badge of Courage.

Hardy Krüger, Jonge Unrast. Utrecht etc.: Bruna, 1984. – Vertaling van Junge Unrast.

Charles Berlitz, Atlantis. Het verdwenen continent. Weesp: Van Holkema & Warendorf, 1986. – Vertaling van Atlantis. The Eighth Continent.

Derek Lambert, De Judas code. [Weert]: Phoenix, [1986]. – Vertaling van The Judas Code.

Michael Hartland, Zeven stappen naar het verraad. Houten: Van Holkema & Warendorf, [1987]. – Vertaling van Seven Steps to Treason.

Genevieve Lyons, Ook dromen hebben een prijs. [Weert:] Phoenix, [1987]. – Vertaling van Slievelea.

Fred Mustard Stewart, Wie machtig is sterft alleen. Utrecht: Luitingh, 1987. – Vertaling van The Titan.

Ian Wilson, Voorbij deze wereld. Paranormale ervaringen en bovennatuurlijke verschijnselen. Helmond: Helmond, 1988. – Vertaling van Worlds Beyond.

Charles Berlitz, Speurtocht naar de Ark van Noach. Een oeroud mysterie onthuld. Houten: Van Holkema & Warendorf, 1988; herdruk 1992. – Vertaling van The Lost Ship of Noach. In Search of the Ark at Ararat.

Joy Smith Aiken, Solo’s zwerftocht. Utrecht: Luitingh, 1988; herdruk 1994. – Vertaling van Solo’s Journey.

John Nichols, Bloed en scherven. Houten: Wereldvenster, 1989. – Vertaling van American Blood.

Craig Thomas, Nachtaanval. Amsterdam: De Boekerij, 1990. – Vertaling van All the Grey Cats.

Ron Flesch, De vuurdoop. Weert: Kadmos, [1990]. – Vertaling van Redwoord Delta.

Charles Wheeler, De zon op mijn gezicht. Weert: MP, [1991]. – Vertaling van Snakewalk.

Barbara Neil, Rode rozen, kleine leugens. Weert: Kadmos, [1991]. – Vertaling van Someone Wonderful.

Frank Camper, Dood of sterven. [Weert:] Zuid-Hollandsche U.M., [1992]. – Vertaling van Special Operations.

Ellen Tanner Marsh, De roes van de hartstocht. Weert: Kadmos, [1992]. – Vertaling van If This Be Magic.

James W. Hall, In koelen bloede. [Weert:] Zuid-Hollandsche U.M., [1993]. – Vertaling van Tropical Freeze.

Barbara Neil, De rug van de hand. [Weert:] Zuid-Hollandsche U.M., 1994. – Vertaling van The Possession of Delia Sutherland.

Molly Cochran, Warren Murphy, In de greep van de schorpioen. [Vianen:] Areopagus, 1994. – Vertaling van Deathright.

Lees meer over: