Een winter met Anne    27-30

Philippe Noble

 

Daar is ze weer. Dertig jaar geleden hebben we ons maandenlang intensief met haar beziggehouden, hebben we dag in, dag uit met haar mee geleefd, gelachen, gehoopt en gevreesd. En nu weer. Wíj zijn drie decennia ouder geworden, maar zij niet. Zij zweeft nog steeds tussen dertien en vijftien, vanuit het kamertje waarin ze opgesloten zit volgt zij gretig de wereldactualiteit en dat is voor haar nog steeds: de slag om Stalingrad, de landing op Sicilië, Rome zonder slag of stoot ingenomen, later de invasie in Normandië. Het einde van de langdurige opsluiting komt misschien in zicht en zij hoopt, heel misschien, in september weer naar school te kunnen, te mogen gaan… 

‘Zij’: ja, inderdaad, Anne Frank. En ‘wij’: collega Isabelle Rosselin en ik. In 1987–1988 vertaalden we voor de Franse uitgeverij Calmann-Lévy de eerste wetenschappelijke uitgave van Annes Dagboeken, zoals die een jaar eerder door het RIOD, nu NIOD, was uitgebracht. Daarna heeft het eerbiedwaardige bedrijf (dat dit jaar zijn 180-jarig bestaan viert) een beetje zitten slapen en zoals dat vaker gaat schrok het op een onvoorspelbaar moment wakker. Eind vorig jaar ontdekte een nieuwe directeur dat er al in 2013 een uitgave van het ‘Verzameld werk’ van Anne Frank in het Nederlands (en meteen daarna in het Duits) verschenen was, en hetzelfde moest nu ook onverwijld in het Frans gebeuren. Voor dit klusje kregen wij, de vertalers, drie maanden tijd en zo begon voor ons een periode die ik het best kan omschrijven als een vorm van literaire onderduik. In die wintermaanden moesten we niet alleen de vroeger vertaalde tekst herzien – drie versies van Annes dagboek – maar ook haar andere geschriften – verhalen, een aanzet tot een roman, brieven, een paar gedichtjes en twee schriften met citaten en aantekeningen – vertalen.

Een eeuwig jonge tekst, een dertig jaar oude vertaling
Na zo veel tijd was het weerzien met Anne, als mens en als schrijfster, heftig en emotioneel beladen. En wat heb ik ervan onthouden? Drie dingen.

Ten eerste, dat hoe verder de twintigste eeuw van ons afglijdt en in een historisch verleden zinkt, hoe duidelijker het wordt dat Het achterhuis als een van de belangrijkste teksten uit die eeuw zal overblijven. Niet zozeer omdat het meisje Anne een icoon van de twintigste eeuw is geworden (natuurlijk is ze dat), maar nog meer om de verbluffende intellectuele en menselijke kwaliteiten die overduidelijk uit de ‘dagboekbrieven’ spreken, vooral uit die van het laatste onderduikjaar (najaar 1943 – zomer 1944). 

Ten tweede, dat de dagboeken van Anne Frank, gezien hun gecompliceerde uitgeefgeschiedenis, bij elke heruitgave enkele verrassingen voor de lezer in petto hebben, en waarschijnlijk nog niet al hun geheimen hebben prijsgegeven. De wijzigingen of toevoegingen in de tekst van de laatste uitgave, die van 2013, zijn miniem, en toch brachten ze voor ons hier en daar nieuwe inzichten met zich mee. Zo meteen hierover meer.

En ten slotte, dat een vertaler bij het weerzien met een tekst die hij lang geleden al een keer onder handen heeft gehad, voornamelijk zichzelf tegenkomt. Tussen haakjes: voor deze schitterende uitdrukking, ‘zichzelf tegenkomen’, heb ik in mijn moedertaal geen echt equivalent. De woorden kan ik natuurlijk vertalen (se rencontrer soi-même) maar niemand zou spontaan begrijpen wat ik daarmee bedoel. Komen Fransen zichzelf dan nooit tegen? Hoe dan ook, Annes tekst mocht zo jong gebleven zijn als zijzelf, onze vertaling daarentegen was tegelijk met ons oud geworden en vertoonde nu veel, te veel rimpels. Een bekend en nochtans mysterieus verschijnsel. Eén voorbeeld mag hier misschien vermeld worden. Het viel ons op dat Anne, in onze vertaling uit 1989, twee soorten verleden tijd door elkaar gebruikte in haar ‘dagboekbrieven’: zowel passé composé als passé simple. Gezien het registerverschil tussen deze twee tijden (het gebruik van de passé simple tilt de tekst vanzelf naar een hoger literair niveau) kwam de Franse tekst nu op ons als tamelijk gekunsteld over. Meisjes die nu dertien of veertien zijn zitten eerder op de sociale media dan dat ze een dagboek bijhouden, maar áls ze het al doen, dachten we, gebruiken ze daarbij zeker geen passé simple. En prompt werd deze overal vervangen door de passé composé. Wat ook wel zijn nadelen heeft, want in dialogen bijvoorbeeld krijg je dan loodzware wendingen als ‘heeft hij gezegd’ of ‘heb ik geantwoord’. En om dat te vermijden of te verdoezelen moesten we tot onze schrik nog meer wijzigingen of ombuigingen in de tekst invoeren. In Annes ‘verhaaltjes’ daarentegen, waarin ze zich de traditionele codes van het verhalend proza tracht eigen te maken, hebben we de passé simple zonder voorbehoud gebruikt. De keuze voor een tijd in vertaling kan dus ook een kwestie van genre zijn. 

‘Bokkie Pepertje Sokkie’ en andere raadseltjes
Gelukkig kon deze nieuwe blik op tekst en vertaling, na zo veel jaren, ook oplossingen leveren voor een paar problemen waarmee we waren blijven zitten. Op 6 oktober 1942 begint Anne haar dagboekbrief met deze (letterlijk) raadselachtige regel: ‘Bokkie Pepertje Sokkie Tokkie Pepertje - Pokkie Pepertje Pokkie’. Zoals alle kinderen was Anne dol op geheimtaal; er staan in haar dagboeken meer voorbeelden van. Wat zij hier hanteert wordt wel eens ‘wokkie tokkie’ genoemd en berust op de volgende regel: alle medeklinkers krijgen de lettergroep ‘okkie’ achter zich. Klinkers kunnen in de ene variant door cijfers worden vervangen, waarbij 1 = a, 2 = e, enzovoort, maar in de iets ‘ruwere’ versie van Anne worden ze zonder onderscheid aangeduid met ‘Pepertje’. Op basis hiervan laat de gecodeerde zin zich als volgt ontcijferen: B(klinker)ST(klinker) P(klinker)P, met andere woorden (of beter gezegd letters): ‘Beste Pop’. Waarom ‘Pop’? En wie is dat? Anne is in het najaar van 1942 nog volop aan het experimenteren met haar dagboek. De fictieve briefvorm voor haar dagboekaantekeningen heeft ze dan al bedacht, maar ‘Kitty’ als vaste correspondente heeft ze nog niet verzonnen. Voorlopig – en tot het einde van het eerste schrift van haar dagboek – richt ze zich afwisselend tot een bonte groep denkbeeldige vriendinnen, waarvan de namen ontleend zijn aan de kring personages rondom ‘Joop ter Heul’ in de gelijknamige reeks boeken van Cissy van Marxveld. Dit laatste ontdekte de Duitse vertaalster en jeugdliteratuurdeskundige Mirjam Pressler al in de jaren 1980. Ook de briefvorm als literair procedé heeft Anne vermoedelijk uit de Joop ter Heul-reeks overgenomen. Juist in de maanden september en oktober 1942 is deze ‘Pop’ een van haar favoriete correspondenten, vooral als de inhoud van de dagboekbrieven een intiem, soms seksueel getint karakter heeft. Google zij geprezen: dertig jaar geleden tastte ik volledig in het duister over deze cryptische woordjes; nu heb ik, weliswaar na lang zoeken, de oplossing gevonden dankzij een webpagina uit 20031. Dit spelletje moet echter al veel langer een succesnummer zijn geweest op Nederlandse schoolpleinen, maar voor wie (net als ik) niet het geluk had in Nederland op te groeien blijft een wezenlijk onderdeel van de cultuur ondoorgrondelijk. Het verwondert me trouwens dat geen enkele mij bekende uitgave van de dagboeken, of het nu in de oorspronkelijke taal is of in vertaling, de betekenis van dit zinnetje uitlegt, al was het maar in een voetnoot. Omdat iedereen die kent? Hoe dan ook, het plotse ontcijferen van dit raadseltje bezorgde mij weer een heftig moment van ‘vertaalsensatie’, als ik naar mijn voorgaande bijdrage aan dit blad mag verwijzen. 

Een ander raadseltje betrof het geheimzinnige Franse plaatsje L’Aône, dat Anne in haar dagboekbrief van 6 mei 1944 noemt. In de RIOD-uitgave uit 1986 gaat het in deze passage over een zekere ‘M.K.’, die daar zit en ‘onder ontzettende bombardementen te lijden [heeft]’. Probleem: L’Aône bestaat niet. Toen we deze regels vertaalden hadden we het vermoeden dat Anne hier weleens een verkeerd uitgesproken naam fonetisch had kunnen spellen. Bijvoorbeeld die van het Noord-Franse stadje ‘Laon’: een van die beruchte woorden op ‘aon’ waarbij deze letters officieel als ‘an’ moeten klinken, zoals in paon (pauw) of in faon (hertenkalfje). Maar we misten elke clue, te meer omdat deze passage nog om een andere reden intrigerend was. In een voetnoot van de tekstbezorgers stond dat ‘M.K.’ ‘willekeurige initialen’ waren, die de naam van ‘de betrokkene’ op diens verzoek vervingen. Volgens een andere voetnoot was zelfs iets verder een hele zin om dezelfde reden geschrapt. Inmiddels zijn de regels voor privacybescherming blijkbaar versoepeld en – vooral – de meeste betrokkenen overleden, zodat in de jongste uitgave een volstrekt ander verhaal staat. Achter ‘M.K.’ blijkt Nelly Voskuijl te schuilen, dochter van magazijnchef Johan Voskuijl en zusje van secretaresse Bep Voskuijl, twee van de meest toegewijde helpers van de ondergedoken familie Frank. Nelly was echter een totaal andere weg ingeslagen: ze had zich in dienst gesteld van de bezetter en werkte op dat moment op een Duits militair vliegveld in, inderdaad, ‘Laon’. Dit laatste ontleen ik aan de biografie Bep Voskuijl, het zwijgen voorbij, van Jeroen De Bruyn en Joop van Wijk.2 De auteurs gaan zelfs een grote stap verder en suggereren – zonder het echter te kunnen bewijzen – dat heel wel mogelijk is dat deze Nelly de onderduikers een paar maanden later heeft aangegeven bij de Amsterdamse SD. Achter deze onschuldig ogende initialen en het verhaspelde woordje ‘L’Aône’ schuilt misschien een heel drama.

Die Josephine von der Heilsarmee
Hoe ‘modern’ was Anne? Een rare vraag misschien, maar die kwam op een winteravond bij me op. Eind januari had ik mijn vrijwillige onderduikadres voor een poosje verlaten en dineerde ik in Den Haag met vrienden. We hadden het, jawel, over Anne Frank. Een van mijn disgenoten, een jonge, briljante journaliste, merkte op dat Anne er op al haar foto’s uitziet als ‘een meisje van nu’ en in alles nog steeds een tijdgenote lijkt te zijn. Dit, vervolgde zij, in tegenstelling tot de veel ‘ouderwetser’ aandoende Margot. Ik moest dat beamen, maar het zette me tegelijkertijd aan het denken. Even terzijde: over Margot weten we niets, buiten wat haar jongere zusje over haar in haar dagboek opschreef. Ook Margot hield een dagboek bij, weten we uit een terloopse opmerking van Anne; soms lazen de zusjes aan elkaar voor uit de eigen aantekeningen. Maar Margots dagboek is verdwenen: wie zij werkelijk was, hoe zij werkelijk dacht, zullen we nooit achterhalen. Bij Anne weten we dat dubbel en dwars: over alles had ze strong opinions. Over de positie van de vrouw: ze had uitgesproken feministische ideeën, wilde een maatschappelijke rol spelen, als journaliste of als schrijfster over de wereld getuigen, en ging zover dat ze beweerde dat vrouwen die ‘alleen maar huisvrouw’ waren geweest, zoals haar eigen moeder of Mevr. Van Pels, ‘voor niets hadden geleefd’. En hoewel ze niet vrij was van standsbesef en enige trots voelde over haar bourgeois afkomst was ze ook sociaal bewogen. In haar zogenoemde Mooie zinnenboek schreef ze (in Nederlandse vertaling) een paar bladzijden uit de Utopia van Thomas More over, waarin de auteur de noodlottige gevolgen aanklaagt van de enclosure movement voor de arme plattelandsbevolking. Nogal opmerkelijk, vind ik, voor een meisje van veertien. Anne rebelleerde tegen de opvattingen van de generatie van haar ouders. Maar tegelijkertijd hing ze langs allerlei culturele draden vast aan de gevoelswereld van diezelfde ouders. Als ze in haar dagboek moppen rapporteert van de ‘volwassenen’ (zoals op 22 oktober 1942) zijn het steevast licht schunnige grapjes, die een muf fin de siècle-geurtje verspreiden. En in haar verhaal ‘Pension- of huurgasten’ vertelt ze over een huurster die een hoedje van het Leger des Heils draagt en daarom prompt van de verhuurders (lees: de familie Frank) de spotnaam ‘Josephine van de (sic) Heilsarmee’ meekrijgt. Ook hier wordt weer naar een verborgen ‘subtekst’ verwezen, een Duits liedje uit 1898 in onvervalst berliner Platt:

Ich bin die Josephine von der Heilsarmee
Durch mich bekam die Chose erst ihr Renommee […]
Wenn ich ein Haufen Männer seh, 
Dann schieß ich jleich drauf los;
Als Missioneuse bin ich ja 
Auch im Bekehren jroß.

De volledige tekst heb ik helaas niet kunnen reconstrueren, maar het is duidelijk dat het begrip ‘naastenliefde’ hier op wel heel dubbelzinnige wijze ingevuld wordt. In onze wereld, waarin seks zich open en bloot manifesteert, is er geen behoefte meer aan zulke dubbelzinnigheden, maar in die van Otto Frank of Hermann van Pels lag het anders. En ook hier slaat Anne een brug tussen ons en die voorgoed verzonken wereld.

 

Noten
https://partyflock.nl/topic/645217:Geheime-hokkie-tokkie; zie ook: http://taalhelden.org/bericht/wokkie-tokkie.
2 Amsterdam: Prometheus-Bert Bakker, 2015.

Lees meer over: