Het vertalen van straattaal (II)    21-36

Stella Linn

In deel I van dit tweeluik, verschenen in Filter 21:3, is ingegaan op een aantal eigenschappen en functies van straattaal in het algemeen en Franse straattaal in het bijzonder. Ook is aangegeven hoe dit taalgebruik, met al zijn spreektaalkenmerken, in actuele Franse ‘straatliteratuur’ verwerkt is. Daarbij is gebleken dat deze in allerlei opzichten tegendraadse taalvariëteit vooral bijdraagt tot het uitdrukken van de rebelse identiteit1 van de sprekers. Ging het in het eerste deel van het tweeluik om originele teksten, in dit tweede deel verschuift het zwaartepunt naar vertalingen. Welke opties staan er ter beschikking om vertaalproblemen in (Franse) straatliteratuur op te lossen, en hoe gaan vertalers hier in de praktijk mee om? Daartoe zal onder meer worden nagegaan in hoeverre kennis van de Nederlandse straattaal en -literatuur behulpzaam is bij het vertalen.

Om een adequate keuze voor een bepaalde strategie te kunnen maken is het zinvol om eerst te bekijken welke criteria hierbij een rol kunnen of moeten spelen.

Overwegingen bij een vertaalstrategie
Een prominent kenmerk van straattaal is meertaligheid, die zich vaak manifesteert in de vorm van codeswitching binnen één taaluiting. Zoals De Wilde (2009) constateert wordt deze in vertalingen van meertalige literatuur veelal ingeperkt of afgezwakt. Dat geldt ook voor min of meer taalspecifieke ingrediënten van dit sociolect, zoals in het geval van Frans het omkeerprocedé verlan. Het lijkt erop dat vertalers het niet gauw goed kunnen doen: moffelen zij dit soort identiteitsgerelateerde aspecten weg, dan dreigt het risico van homogenisering en vervlakking (Wuilmart 2007); anderzijds kunnen zij door al te specifieke vertaalkeuzes de kritiek van ideologische manipulatie (Lane-Mercier 1997: 55) of zelfs etnocentrisch geweld (Venuti 1995: 21) over zich afroepen. Zo zou weergave van het Argentijnse lunfardo, dat veel straattaalelementen bevat, door een taalvariëteit als Parijs’ argot volgens Berman (1985: 78) een verkeerde strategie zijn, die een belachelijk effect kan opleveren. Hoe kan straattaal dan wel zo worden omgezet dat een soortgelijk ‘univers sociolinguistique’ (Lane-Mercier 1997: 52) wordt opgeroepen als in de brontekst? Dit vereist allereerst reflectie op de vraag welk criterium bij het vertalen prioriteit zou moeten krijgen.

Hiervoor grijp ik terug naar de Tsjechische vertaalwetenschapper Jiři Levý, wiens standaardwerk Umění překladu uit 1963 pas enkele jaren geleden, in 2011, vertaald is in het Engels. Levý stelt (2011: 61) dat een literair werk dat pretendeert de realiteit weer te geven, in overeenstemming moet zijn met de ‘norm of veracity’. Om op het publiek een authentieke indruk te kunnen maken schept de auteur een illusie die gebaseerd is op een contract met de lezers, aldus Levý (2011: 19–20): al weten die ergens wel dat ze fictie lezen, ze willen toch dat de roman voldoet aan de regels van de waarschijnlijkheid.2 Bij uitbreiding geldt voor vertalingen dan dat lezers graag aannemen dat de essentiële eigenschappen van het origineel in de doeltekst zijn overgekomen, zodat ze de illusie kunnen koesteren dat ze de tekst zonder tussenkomst van een bemiddelaar lezen (ibid.); hier is dan ook bij uitstek een ‘onzichtbare’ vertaler gewenst (Venuti 1995).

Passen we het geloofwaardigheidsprincipe toe op straatliteratuur in vertaling, dan gaat het er in de eerste plaats om dat de doeltaallezers aannemen dat zij ‘authentieke’ straattaal onder ogen krijgen en niet afgeleid worden door termen of constructies die deze illusie doorbreken. Een inadequate vertaalkeuze is vanuit illusionistisch perspectief dan ook niet zozeer een taaluiting die een andere semantische lading heeft dan de bronterm, als wel een woord of uitdrukking die de leeservaring verstoort doordat deze in de optiek van de lezer niet strookt met het verwachte taalgebruik van een doeltaalspreker in een vergelijkbare socioculturele context. Dan kan de coherente identiteit van verteller en/of personages worden aangetast. Dit impliceert dat de straattaalspreker niet uit zijn of haar rol mag vallen door gebruik van een niet passend register of absurde verwijzing. Het luistert nauw: een detail kan de illusie van de lezer al verstoren, waarschuwt Levý (2011: 68–69). Hij laat zich echter niet uit over de vraag wie die lezer is; welke vertaalstrategie is gepast voor een heterogene doelgroep (Andringa 2006: 231), bijvoorbeeld qua leeftijd, etnische achtergrond en sociaal milieu? Omdat er van moderne romans doorgaans maar één vertaling gemaakt wordt, zal nooit iedereen in dezelfde mate bereikt kunnen worden, maar dit geldt evengoed voor de brontekst. In deel I van dit tweeluik werd al aangegeven dat de doeltaallezers niet louter jonge straattaalsprekers uit de Randstad zullen zijn die de terminologische actualiteiten op de voet volgen. Alleen al daarom doen vertalers er waarschijnlijk goed aan om niet de meest trendy neologismen te gebruiken, maar zich juist te baseren op al wat ingeburgerde straattaal. In aansluiting op de eerdergenoemde ‘temporele paradox’ (Linn 2014: 69) ontstaat hiermee in feite wel een nieuwe paradox.

Duidelijk is dat er hoge eisen aan de vertaler gesteld worden: deze dient behalve algemene professionele competenties als vertaalvaardigheid, een veelzijdige beheersing van bron- en doeltaal en kennis van de socioculturele context, affiniteit te hebben met de leefwereld en het taalgebruik van jongeren. Bovendien dient hij of zij zich bewust te zijn van eventuele ideologische en politieke implicaties van vertaalkeuzes (Venuti 1995: 19). Adequate hulpmiddelen zijn hierbij natuurlijk onmisbaar. Traditionele documentatiebronnen blijken bij het vertalen van straattaal algauw tekort te schieten: de meeste tweetalige, maar ook eentalige woordenboeken zijn onvoldoende actueel en geven bovendien niet of nauwelijks suggesties die het woordniveau ontstijgen. Enig soelaas bieden internetbronnen als www.straattaal.com, www.straatwoordenboek.nl en www.urbandictionary.com (voor het Frans onder meer http://www.dictionnairedelazone.fr3), evenals blogs, sites met rapteksten en fora waarop native speakers te raadplegen zijn, zoals http://forum.wordreference.com (via de optie Français seulement).

Het zou daarnaast bijzonder waardevol zijn om voor vertaalsuggesties te kunnen putten uit een contrastief-taalkundig overzicht, dat als comparabel corpus (Johansson 2007: 10) voor de doeltekst kan dienen. Hierin wordt een vergelijkbare variëteit geïnventariseerd, in dit geval de Nederlandse straattaal.4 Welke eigenschappen en functies heeft deze?

Straattaal in Nederland
Als we kijken naar de sociolinguïstische functies van dit taalgebruik zien we dat ook onder de Nederlandse straatjeugd de bindende factor sterk aanwezig is (Muysken 2002: 327). Straattaal wordt gesproken door allochtone, maar ook wel autochtone jongeren en hun vrienden in grote steden met een forse input van migranten met uiteenlopende moedertalen. Via manipulatie van de taalconventies is ook in ons taalgebied een al dan niet symbolische rebellie tegen de out group waarneembaar, het ‘wij tegen hen’-effect (ibid.); jongeren vinden het vaak grappig om tegen correct taalgebruik in te gaan door opzettelijk taalfouten te maken (Dorleijn & Nortier 2013: 3). Deze functie overlapt daarmee met het ludieke element. Net als in Frankrijk duikt dit ook frequent op in de muziek, iets waarvan vele creatieve nederhopteksten getuigen (Waszink 2013).

Wat betreft de taalkundige kenmerken geldt dat ook de Nederlandse straattaal, behalve door het onvermijdelijke Engels, sterk beïnvloed is door niet-westerse migrantentalen, zij het deels van andere herkomst. Hieraan liggen allerlei historische, economische en politieke oorzaken ten grondslag, waarop ik in dit bestek niet nader kan ingaan. In Nederland hebben bij de naoorlogse immigratie vooral Surinamers, Antillianen en Arabisch of Berbers sprekende Marokkanen elementen uit hun talen meegebracht (Van der Sijs & Willemyns 2006: 76).5 Net als elders het geval is kan de lexicale import per stad, wijk of zelfs school verschillen. Zo is in Amsterdam het Sranantongo uit Suriname dominant, met inmiddels vrij ingeburgerde termen als ‘doekoe’ [geld] en ‘patta’s’ [schoenen] (Kuiken 2009), terwijl in Utrecht het Marokkaans Arabisch invloedrijker is, zodat daar regelmatig ‘tezz’ [shit] of ‘wollah’ [ik zweer het] te horen valt (Nortier 2009). Voorbeelden van de codeswitching die deze import oplevert treffen we onder andere aan in Hassan Bahara’s roman Een verhaal uit de stad Damsko (=Amsterdam, in straattaal). Een Marokkaans-Nederlandse jongen kondigt hier zijn plannen voor het komende schoolfeest aan, p. 164: ‘Een paar chickies uit de brugklas naaien, dronken worden en je weet toch, ruïna veroorzaken.’ We zien hier achtereenvolgens een Engelse term, het tussenwerpsel ‘je weet toch’, vermoedelijk afkomstig uit het Sranan, en ‘ruïna’ vanuit het door Portugese en Spaanse invloeden gekleurde Papiaments. Dit voorbeeld illustreert ook het in straattaalkringen vaak waargenomen mengfenomeen ‘crossing’ (Rampton 1995), het feit dat jongeren van diverse etnische achtergrond gemakkelijk termen uit elkaars taalgebied overnemen. Voor vertalers is dit relevant om te weten, zoals verderop zal blijken.

Grammaticaal opmerkelijk is de overgeneralisatie van het lidwoord en persoonlijk voornaamwoord ‘de’ c.q. ‘die’: ‘de huis’, ‘die mooie meisje’. Het lidwoord wordt ook vaak weggelaten: ‘We gaan naar Turkse restaurant’, evenals het onderwerp-aankondigend ‘er’: ‘Is niemand’. Op vergelijkbare wijze als in het Frans kan het onderschikkend ‘dat’ wegvallen, waardoor een afhankelijke bijzin een hoofdzin wordt: ‘Hij denkt hij is de man’.

Stilistische kenmerken zijn opnieuw de metaforen en de overdrijving. Van Strijen (2009: 85) geeft hiervan het volgende voorbeeld: ‘Zegt iemand uit de burgercultuur: “Ik kan niet zo goed opschieten met Harry. Zijn manier van benaderen bevalt me niet.” Dan hoor je in de straatcultuur: “Ik haat Harry, hij is een teringlijer, als hij niet snel normaal doet, maak ik hem dood.”’

Verder komen verkortingen veel voor, al dan niet met een suffix: ‘Mokro’ [Marokkaan], ‘para’ [paranoïde]. Ook in geschreven tekst zijn onder invloed van sms-taal allerlei afkortingsvormen populair, soms voorzien van een al dan niet bewust incorrecte spelwijze (cf. Kuiken 2009: 131): ‘egt’, ‘van8’ of ‘tisme mattie’ [het is mijn vriend].

Met behulp van bovenstaande informatie is een aanzet te maken voor zo’n vergelijkend meertalig overzicht, in dit geval voor het Frans en Nederlands.6

Uit zo’n vergelijkend overzicht blijkt direct dat niet elke categorie een equivalent in de andere taal heeft. Hoe vertalers met deze asymmetrie kunnen omgaan zal ik verderop bespreken. Eerst ga ik, analoog aan de bespreking van het Frans, in op de wijze waarop multi-etnische straattaal zich – sinds kort – in de literatuur manifesteert.

Straattaal in de Nederlandse literatuur
Bij gebrek aan een bruikbaar bestaand corpus heb ik met behulp van internet, suggesties van collega’s en studenten7 een twaalftal titels verzameld (zie Primaire bronnen). Startpunt is 1999, het jaar waarin door René Appel de term ‘straattaal’ werd geïntroduceerd (Schoonen & Appel 2005). We vinden dan zowel romans van relatief jonge allochtone schrijvers, zoals Bahara, Akyol en Boudou, als van autochtone auteurs. Net als in het Franse taalgebied hebben die laatsten nogal eens een achtergrond bij de politie of jeugdzorg. Verschillende titels uit het corpus (Boudou, Post, Van Stapele, Vlasman) worden dan ook, via publicatie in een bepaalde reeks of middelen als omslagfoto, belettering en achterflaptekst, gepositioneerd als jeugd- of young-adultliteratuur. Een categorie apart vormen de drie delen van de Straatbijbel door jongerenwerker en pastor Daniël de Wolf. Hoewel dit uiteraard geen romans zijn8 heb ik besloten ze in dit inventariserende stadium toch op te nemen omdat het wel om verhalende teksten gaat, die bovendien een rijke bron van gevarieerde straattaalkenmerken vormen.

Net als in het Franse corpus manifesteren zich hier de functies van onderlinge solidariteit en spel; het aspect van rebellie is minder duidelijk te identificeren. Een groot deel van de personages en/of de verteller worstelen ook hier met gevoelens van ontheemding en problemen met identiteit of loyaliteit. Om deze het hoofd te bieden wordt vaak een ‘third space’, een eigen ruimte gecreëerd waarin solidariteit met de peer group op zowel sociaal als taalkundig vlak essentieel is. Beide aspecten komen naar voren in het volgende fragment uit Hassan Bahara’s eerder genoemde roman Een verhaal uit de stad Damsko, p. 46–47; dit is daarnaast interessant omdat het een van de weinige plaatsen in het corpus is waarin metacommunicatie voorkomt. De context is als volgt: in een etnisch gemengde groep vrienden die aan het biljarten is probeert de Servische Zelko, een relatieve buitenstaander, aan te pappen met de populaire Marokkaans-Nederlandse Kader.

Dan onderbreekt hij [=Zelko] opeens zijn monoloog en richt zich tot Kader. ‘Hé, sahbi, heb je misschien shie tabakka’s voor me?’ en hij wijst naar de sigaret in Kaders hand. Kader haalt een pakje uit zijn jas, een nieuw pakje, en geeft hem een sigaret. ‘Hé, bedankt, sahbi,’ zegt Zelko en geeft Kader een kameraadschappelijk bedoelde stoot tegen zijn schouders. ‘Choukran voor de tabakka.’

‘Ja ja,’ mompelt Kader.

Samir stoot een bal weg en zegt dan tegen Zelko: ‘Je bent een fokking loser, weet je dat? Waarom gebruik je woorden als choukran en sahbi? Denk je dat we je dan… aardig zullen vinden of zo?’

‘Nee man.’ Zelko lacht ongemakkelijk. ‘Natuurlijk niet. Maar je weet toch, Kader is mijn sahbi. Ik mag hem toch wel zo noemen?’

‘Je kan ook gewoon op een normale manier om een sigaret vragen,’ zegt Danny. ‘Of is het voor Serviërs normaal om zo te slijmen?’

(In lijn met de eerder genoemde paratekstuele strategieën om eventuele begripsproblemen bij lezers te ondervangen is achterin een woordenlijst opgenomen met onder meer de termen choukran [bedankt], sahbie (sic) [vriend], shie [een paar] en tabakka’s [sigaretten].)

Kennis van de Nederlandse straattaal en -literatuur is vaak echter niet voldoende om tot een adequate vertaling te komen; vanwege structuurverschillen tussen de talen is een een-op-eenvertaling in veel gevallen niet mogelijk, of komt deze geforceerd over. Een belangrijk hulpmiddel is daarom, ook volgens vertalers zelf,9 toepassing van het vertaalprocedé compensatie.

Compensatie
Ritva Leppihalme, die enkele handvatten geeft voor het vertalen van een sociolect, stelt dat er best wat aspecten mogen wegvallen mits ‘the reading experience is emotionally satisfying in other ways’ (2000: 266). Dit pleit voor een flexibele aanpak, in lijn met Levý’s opvatting dat het bij vertalen niet gaat om het reproduceren van afzonderlijke stijlkenmerken maar om de karakteristieke of sociologische functies ervan in het grote geheel, kortom om ‘functional identity’ (2011: 20). Hier komt compensatie in beeld: ‘a technique for making up for the loss of a source text effect by recreating a similar effect in the target text through means that are specific to the target language and/or the target text’ (Harvey 1995: 56).10 Een bepaalde functie kan in de doeltaal11 dus worden uitgedrukt door andere taalkundige middelen, of door dezelfde middelen maar ingezet op een andere plaats. Een specifiek effect zal op microniveau dan vaak vervallen. Ik wil dit aan de hand van twee fragmenten laten zien.

1) In een politieroman van Rachid Santaki (2011: 58) prijst een Frans-Marokkaans personage tegenover zijn neef een meisje aan dat hij heeft opgepikt: Elle est mortelle la meuf !

Relevante kenmerken zijn hier de semantische verschuiving (mortelle [dodelijk] met een positieve strekking), dislocatie ofwel uiteenplaatsing van constituenten (elle… la meuf) als courant spreektaalkenmerk (Vlugter et al. 2012: 400), en de vorm meuf, inmiddels ingeburgerd verlan voor femme [vrouw]. Vasthouden aan de structuur zou in het Nederlands een zogenoemde calque opleveren: ‘Zij is hot, die chick!’ De vertaler kan hier beter de tussenstap maken van bepaling van de functie van deze elementen en zich vervolgens afvragen hoe die kan worden uitgedrukt. Omdat dislocatie in het Nederlands ongebruikelijk is, zou het telkens als zodanig weergeven van die Franse constructie leiden tot ‘overuse’ (Johansson 2007: 32). Meer opties zijn er op lexicaal niveau, zoals ‘Lekker ding/mokkel/chickie’ of, sterker leunend op straattaal uit de Randstad en geïnspireerd op het al geciteerde Straatwoordenboek op internet: ‘Die sma/chick/meisje is zwaar spang’. Dat hierin een of meer woorden voorkomen uit het Sranan (sma, spang) is niet zo’n probleem: eerder bleek al dat uit een bepaalde taal afkomstige straattermen in een bredere multi-etnische en meertalige kring ingang kunnen vinden, waardoor de oorspronkelijke herkomst niet meer als relevant wordt ervaren.

2) Bij een iets langere passage zijn de mogelijkheden ruimer. In de vooralsnog niet vertaalde roman Des impatientes van Sylvain Pattieu (2012) beschrijft een van de vertellers, een zwart Frans-Kameroenees meisje, op p. 39 een scène in de disco met haar vriendinnen:

On a inventé des mouvements que les autres Ø connaissent pas, des roulements de bassin de ouf et alors on donne le rythme, Ø y a même une fois Ø on est montées sur le podium oh my god tout-puissant c’était grave bien. Les danses de renoi c’est le mieux (…).

Spreektaalkenmerken (5x) zijn onderstreept: het informele gebruik van on voor ‘wij’, de weglating (aangegeven door Ø) van ne in de ontkenning ne… pas, van het eerste element in il y a [er is] en van het laatste in une fois où [een keer dat] en tot slot het gebruik van de enkelvoudvorm c’est in plaats van (ce) sont na een meervoudig onderwerp. Vetgedrukt zijn de straattaalkenmerken (4x): de geverlaniseerde termen ouf voor fou [gek] en renoi voor noir [zwart], een deels verfranste Engelse uitdrukking: oh my god tout-puissant [almighty], en het bijwoordelijk gebruik van het adjectief grave [erg]. Een letterlijke vertaling luidt als volgt:

Wij hebben bewegingen uitgevonden die de anderen niet kennen, draaibewegingen met het bekken te gek en dan geven wij het ritme aan, er is zelfs een keer geweest [dat] wij het podium opgingen o mijn god almachtig het was heel erg goed. [De] dansen van zwarten dat is het beste.

Raadpleging van het hiervoor opgenomen contrastief-taalkundig overzicht en het Straatwoordenboek en discussies met studenten leveren de volgende vertaling op, waarin alle spreek- en straattaalelementen (resp. onderstreept en vetgedrukt) gecompenseerd zijn, met extra opties tussen vierkante haakjes:

Wij hebben moves uitgevonden die de rest niet kent, [zo van] shaken met je heupen de puta madre en dan geven wij het ritme aan, we zijn zelfs een keer het podium opgegaan OMG [almighty] dat was egt chill. Je weet toch, voor masterlijk dansen moet je bij zwarten zijn.

Een overweging hierbij is dat we, met een beroep op het fenomeen ‘crossing’, gebruik kunnen maken van een mix van enigszins ingeburgerde straattermen uit relevante migrantentalen:12 in dit geval Engels,13 Spaans/Antilliaans (‘de puta madre’) en Sranan (‘je weet toch’). Ook een spelfout c.q. sms-spellingvariant als ‘egt’ past hier prima, aangezien uit de context al eerder is gebleken dat er een zeer zwakke leerling aan het woord is.

Laten we nu eens kijken naar de bestaande vertalingen van Franse straattaalromans. In hoeverre is daarin rekening gehouden met de hiervoor geformuleerde illusionistische leidraad? 

Franse straatromans in Nederlandse vertaling
Opmerkelijk genoeg is het corpus, voor zover mij bekend, beperkt tot slechts twee romans, beide van de jonge Frans-Algerijnse schrijfster Faïza Guène; de vraag waarom het in Nederland bij twee titels is gebleven komt later aan bod. Het gaat om Guènes debuut Kiffe kiffe demain, gepubliceerd in 2004 toen de schrijfster pas negentien was, en Du rêve pour les oufs (2006). De vertalingen Morgen kifkif (2005) en Dromen tussen het beton (2006) zijn van de hand van respectievelijk Frans van Woerden en Truus Boot. Ik heb me hier in eerste instantie gericht op de vraag of het taalgebruik een authentieke indruk maakt en of de hiermee verbonden identiteit van de verteller(s) en/of personages coherent en plausibel is. Uiteraard is een bepaalde mate van subjectiviteit bij het bepalen hiervan onvermijdelijk.

1) Morgen kifkif (vertaling Frans van Woerden)
De verteller in deze roman is Doria, de vijftienjarige Frans-Marokkaanse dochter van een arme, analfabete moslima in een voorstad van Parijs. Zij is in therapie om het vertrek te verwerken van haar vader, die zijn gezin verlaten heeft om in Marokko bij een nieuwe vrouw een zoon te verwekken. Doria drukt zich uit in informele taal en af en toe straattaal met een flinke portie ironie en humor en incidenteel een poëtisch element.

De vertaler heeft hiervoor in een aantal gevallen adequate oplossingen gevonden. Een goed voorbeeld hiervan is de volgende scène, waarin de moeder van de vertelster zich Frankrijk voorstelt als het decor van oude zwart-witfilms:14

Ceux avec l’acteur beau gosse qui raconte toujours un tas de trucs mythos à sa meuf, une cigarette au coin du bec. (21)

Met in de hoofdrol een hippe gast met een peuk in zijn ene mondhoek, die allerlei mooie praatjes aan zijn sweetie verkoopt (16).

De term ‘sweetie’ (cursief in de tekst) is een op diverse straattaalsites te vinden fraai equivalent van meuf en de betekenis van mythos wordt precies gedekt door de idiomatische uitdrukking ‘mooie praatjes (verkopen)’.

Qua syntaxis valt op dat Van Woerden nogal eens de Franse woordvolgorde volgt. Zoals we eerder al zagen leidt dit in het geval van dislocatie tot ‘overuse’ van dit bij ons vrij zeldzame procedé: ‘ik heb haar zelfs heel erg bedankt, mevrouw Burlaud’ (p. 150); ‘[i]k had al gehoopt dat hij zo zou reageren, Hamoudi’ (158). Herneming van het onderwerp door het persoonlijk voornaamwoord behoort in het Frans eveneens tot het vaste spreektaalrepertoire. In zijn streven om ook dit kenmerk weer te geven formuleert de vertaler soms lastig te volgen zinnen. Zo vertelt Doria over haar gesprek bij de psychologe:

Mme Burlaud, elle voulait savoir si j’envisageais que Maman puisse refaire sa vie avec un autre homme. (120)

Waar ’t haar om ging, mevrouw Burlaud, dat was of ik niet dacht dat mama misschien zin had om het nog eens te proberen met een andere man. (99–100)

Een natuurlijker optie zou zijn: ‘Mevrouw Burlaud wou weten of ik dacht…’.

Een enkele keer heeft Van Woerden, kennelijk ter compensatie van het (hierna onderstreepte) straattaalregister, fonetisch plat Amsterdams gebruikt. Op een rommelmarkt leveren een paar meisjes commentaar op de goedkope kleding van de vertelster:

Téma la fille, habillée encore plus mal que sa daronne… Elle aussi on l’a vidée du grenier ! (111)

‘Moe-je die meid eens kaike, nog erregere kleren dan die ouwe van d’r… Die kunnen ze gelijk tusse de lorre legge hiero!’ (94)

In plaats van een vergelijkbaar (meertalig) register is dus een specifiek lokaal dialect gehanteerd, iets wat de eerder geciteerde Antoine Berman vermoedelijk zou afkeuren. In navolging van deze auteur stelt Schyns (2014: 54) dat een ‘vreemde’ streektaal, waartoe zij ook een taalvariëteit rekent die door verlan, argot en exotische elementen gekleurd is, niet vertaalbaar is door een streektaal uit het doeltaalgebied. Lane-Mercier (1997: 55) wijst in dit soort situaties op het risico van ‘naturalisation culturelle’, waarbij de doeltaallezer zich in deze context verwonderd zou kunnen afvragen wat die Amsterdamse meiden daar in een voorstad van Parijs doen. In dat geval is de volgende door Levý (2011: 67) beschreven botsing van toepassing: ‘The content of the translated work is derived from the source tekst, but it is written in the target language. The reader is not aware of this contradiction until there is a clear conflict between the setting of the action and a specific target language expression.’

Andere met dit stadsdialect verbonden keuzes hebben consequenties voor de identiteit van verteller c.q. personage. Doria licht op p. 25 toe dat haar moeder wel eens geld leent van een rijke oude dame: ‘Maman lui emprunte de l’argent quand on est vraiment en galère’ [als we echt omhoog zitten, blut zijn]. In de vertaling staat er op p. 20: ‘Mama leent geld van haar als we echt in de dalles zitten’. Deze uitdrukking leidt tot een identiteitsconflict in diverse opzichten: qua herkomst, godsdienst en leeftijd. De term ‘in de dalles zitten’ is niet alleen ouderwets: even googlen leert dat deze onder meer voorkomt in liedjes van de Amsterdamse volkszanger Johnny Jordaan, die successen vierde in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw; het is bovendien een typisch jiddische uitdrukking, eigen aan het taalgebruik van de joodse gemeenschap in Amsterdam voor de Tweede Wereldoorlog (Van der Sijs & Willemyns 2009: 142).15 Een jonge moslima zulke verouderde joodse termen in de mond leggen dreigt de illusie van de doeltaallezer met betrekking tot de coherentie en geloofwaardigheid van het personage te verstoren. Een soortgelijke inbreuk op de lezersillusie, maar dan een met een christelijk tintje, doet zich voor bij de weergave van Doria’s nijdige commentaar ‘Trop pourrave’ (iets als ‘fokking irritant’ of ‘dat zuigt’, p. 161): dit wordt op p. 137 ‘Kriebelsejezusnogantoe’.

Over het taalgebruik van Van Woerden in deze roman is nauwelijks informatie te vinden. In een recensie in de Volkskrant van 14 juni 2002 bekritiseert Rokus Hofstede een eerdere vertaling van diens hand, Meroë van Olivier Rolin. Daarin uit hij het vermoeden dat de in 1946 geboren Van Woerden aan zijn Célinevertalingen, waarvoor hij in 1988 onderscheiden werd met de Nijhoffprijs, een ‘stilistisch parti-pris van gemeenzaamheid’ heeft overgehouden, dat volgens hem in de Rolinvertaling niet gepast is.16 Ook in dit geval lijkt het erop dat Van Woerden wat te zwaar op zijn kennis van oudere straattaal heeft geleund.

2) Dromen tussen het beton (vertaling Truus Boot)
Faïza Guène’s tweede roman Du rêve pour les oufs heeft opnieuw het decor van een incompleet gezin in een troosteloze voorstad van Parijs. Autodiëgetisch verteller is hier de bijdehante maar maatschappelijk weinig succesvolle 24-jarige Ahlème, die op haar zestiende van school is gegaan en thuis de zorg heeft voor haar afgekeurde vader (‘de Baas’) en jongere broer Foued. Ahlèmes taalgebruik is globaal vergelijkbaar met dat van Doria.

Ook in de Nederlandse versie komt straattaal voor, hoewel aanzienlijk minder dan in de brontekst (Hunse 2012). Zo legt Foued op p. 119 uit hoe hij aan de dure spullen op zijn kamer komt: ‘Hun geven het me en dan bewaar ik het een paar dagen en daarna halen ze het op en in ruil daarvoor geven ze me doekoe (…)’; en even verderop, p. 121: ‘Je moet hun fucken voordat zij jou fucken’.

Wat betreft de syntaxis heeft Boot, sterker nog dan Van Woerden, de neiging vast te houden aan de Franse informele woordvolgorde, zoals in het geval van dislocatie:

Arrête de pleurer, s’il te plaît… C’est tout ce qu’il me reste à faire, chialer, je deviens ouf… (132)

Huil nou niet, alsjeblieft…Het is het enige wat ik nog kan, janken, ik word gek… (120)

Vooral in korte zinnen komt dit nogal onnatuurlijk over. Zo zegt Ahlème over Foued (p. 112): ‘Hij verzorgt zichzelf wel goed, het klotejong’ en wordt op p. 122 gevraagd: ‘De school, waar is die goed voor?’

Omdat straattaal verbonden is met een ‘sub-standard’ register valt in deze vertaling op dat de vertaalster de sprekers regelmatig woorden in de mond legt die in het Nederlands een elitaire connotatie hebben, zoals ‘gedistingeerd’ (p. 47) en ‘excentrieke architectuur’ (p. 33), waar in de brontekst sprake is van een ongemarkeerd register.17 Soms komen er zelfs Franse leenwoorden voorbij, bijvoorbeeld ‘[hij] zinspeelde op die onvergetelijke derrière18 (brontekst p. 42/ vertaling p. 48), ‘[i]k heb me opgetut voor mijn rendez-vous19 (71/85) en ‘[hij] werd dus geacht vanavond mijn cavalier te zijn’ (39/46). Het is voor een Nederlands publiek moeilijk voorstelbaar dat de weliswaar slimme maar laagopgeleide Ahlème zich in deze chique bewoordingen zou uitdrukken. Ook bij andere personages doet zich dit voor; zo zegt een kennis na een opmerking die verkeerd valt ‘Excuus’ tegen haar, terwijl ‘sorry’ veel meer voor de hand zou liggen (108/132).20

Nog ongeloofwaardiger is het wanneer Ahlème dit hoogdravende taalgebruik hanteert tegenover haar vijftienjarige broer Foued, die vaak buiten rondhangt met criminele vrienden en zich voornamelijk in straattaal uitdrukt. In de volgende scène probeert Foued van zijn volwassen zus toestemming te krijgen voor het laten zetten van een piercing door haar het ene compliment na het andere te maken. Ahlème reageert als volgt op het geslijm (p. 90): ‘T’as mis ta fierté au fond de ton zerk, je vois que tu le veux vraiment ton piercing, toi !’De term zerk, straattaal voor ‘kont’, staat in deze context voor een laaggelegen plek, zodat het eerste zinsdeel iets uitdrukt als ‘je hebt je trots begraven’ of, idiomatischer – afgezien van het straattaalelement – ‘je gaat helemaal door het stof’. Deze zin is vertaald als ‘Je hebt je trots wel volledig in je berserkercharge gelegd, ik zie dat je die piercing echt wil!’ (p. 111). De betekenis van deze samenstelling is mij onduidelijk en op internet is deze onvindbaar. Van Dale geeft voor ‘berserker’ (onder het lemma ‘berserkerwoede’) de volgende uitleg: ‘in de oudnoorse sagen de naam van met bovennatuurlijke krachten begaafde [sic] strijders’, of misschien wilde de vertaalster een verband leggen met de Engelse collocatie ‘to go berserk’ [gek worden]. Hoe het ook zij, deze term botst in de gegeven dialoog met de communicatieve situatie, zodat opnieuw de illusie van de lezer verstoord wordt. Boot hanteert nog een aantal andere neologismen van eigen makelij die volgens mij en mijn klankbordgroepje21 een ouderwetse of gekunstelde indruk maken, zoals ‘blauwborsten’ (voor de straatterm schmittards [smerissen, skotoes], 91/82), ‘jobberen’ (voor tafer [werken, sappelen], 15/16) en ‘lipleesbroek’ (10/11) voor een broek die zo strak zit dat déchirure de l’utérus [inscheuren van de baarmoeder] dreigt.

De enige recensie van deze roman waarin wordt ingegaan op het Nederlands is die van Wineke de Boer, die in de Volkskrant d.d. 7 september 2007 rept van een ‘wat overdreven vormelijk en tuttig taalgebruik’. Ook hier is er mogelijk een verband met de leeftijd en affiniteit van de vertaalster: Boot (1946–2008) vertaalde een reeks bekende auteurs, onder wie Simone de Beauvoir, maar bij mijn weten geen andere young-adultliteratuur.

Het is niet ondenkbaar dat de inconsistente stijl van dit minicorpus vertalingen de receptie van Faïza Guène negatief heeft beïnvloed en daarmee de introductie van andere straattaalauteurs op de Nederlandse markt bemoeilijkt heeft. Hiermee kom ik terug bij de eerder gestelde vraag: waarom zijn er nauwelijks straatromans vertaald?22

‘Te Frans’
De vertalingen van Guène zijn uitgebracht door Luitingh-Sijthoff. Op 17 april 2014 heb ik een telefonisch interview gehouden met uitgever Hedda Sanders. Omdat de verkoopcijfers van vooral de tweede titel tegenvielen werd besloten niet door te gaan met deze schrijfster, aldus Sanders. Zij gaf hiervoor als verklaring dat de setting ‘te Frans’ was en dat het taalgebruik, i.c. de straattaal, moeilijk over te brengen was voor een Nederlands publiek.

Ook bij dat eerste argument kun je je iets voorstellen. In beide boeken komt namelijk een grote hoeveelheid cultuurspecifieke elementen voor. Sommige worden via een voetnoot of toevoeging in de lopende tekst toegelicht, bijvoorbeeld ‘de chique supermarkt Carrefour’ (Morgen kifkif p. 8), andere niet: zo vertelt Doria op p. 60 over een prijs die ze heeft gekregen ‘aan het eind van mijn jaar in CM2’ (­= de laatste klas van de basisschool). Een enkele keer komt ook hier de identiteit van de personages in het gedrang, bijvoorbeeld wanneer in Dromen… op p. 112 sprake is van een ‘studietoelage’ voor de vijftienjarige schoolgaande Foued, of wanneer Ahlème, die moslima is, vertelt dat ze als kind in Algerije op een ‘openbaar schooltje’ heeft gezeten (voor une petite école communale = dorpsschooltje, 45/52). Lastig zijn vooral verwijzingen die socioculturele of historische kennis veronderstellen die voor een publiek buiten Frankrijk niet vanzelfsprekend is. Zo laat de arbeidsongeschikte vader zich tegenover Ahlème boos uit over de brutale Foued (p. 92): ‘Zeg hem dat hij zijn mond houdt of ik snij hem zijn keel door, ik pak mijn Opinel en ik geef hem de Kabylische glimlach.’ Opinel is in Frankrijk een bekend messenmerk en Kabylië is, zoals alle kinderen op school leren, een streek in de voormalige kolonie Algerije. Ook jonge Franse lezers zullen daarom vermoedelijk een verband leggen met de wreedheden begaan tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1954–1962): de sourire kabyle beeldt op macabere wijze een doorgesneden keel uit, waarin soms ook nog de afgehakte geslachtsdelen gepropt werden. De meeste Nederlanders daarentegen hebben waarschijnlijk geen idee wat hier bedoeld wordt, nog afgezien van het feit dat ‘een glimlach geven’ een enigszins raadselachtige collocatie is. Daarom verdienen andere opties dan een letterlijke vertaling de voorkeur, bijvoorbeeld weglating van de tweede helft van de zin (hier m.i. verdedigbaar aangezien deze slechts een specificatie vormt van de eerste) of een toelichting in de lopende tekst als ‘mijn Opinel-mes’ respectievelijk ‘ik snij zijn strot door en prop zijn pik erin’. Wel heeft dit soort uitleg, al dan niet met handhaving van oorspronkelijke elementen, als nadeel dat de doeltekst topzwaar wordt qua informatielast. Een derde mogelijkheid zou toevoeging van voetnoten met informatie over de historische context zijn. Dit sluit aan bij de strategie die Sales Salvador (2006) bepleit in het geval van postkoloniale literatuur in vertaling: het systematisch opnemen van uitleggende paratekst zoals een notenapparaat en een voor- of nawoord. Zo’n politiek correcte presentatie is, zoals Sales Salvador zelf erkent, in het geval van fictioneel proza echter bijzonder onaantrekkelijk en daarmee veelal commercieel onhaalbaar. Een uitgever kan dan besluiten om een boek met veel realia die evenzovele vertaalproblemen vormen (‘te Frans’) niet te laten vertalen. In geval van vertaling is het zinvol om bij de keuze voor een of meer van de genoemde procedés af te wegen hoe functioneel de informatie in de context is en hoe de primaire doelgroep eruit ziet; verschijnt de vertaling bijvoorbeeld in een educatieve of in een chicklit-reeks, welke voorkennis mag verondersteld worden? (Linn & Molendijk 2010: 15–25).

Nog een laatste voorbeeld, dat interessant is omdat daarin de generatietaalkloof expliciet benoemd wordt. Doria levert hier commentaar op haar therapeut, mevrouw Burlaud, die volgens haar te oud is om haar taalgebruik te begrijpen:

Je peux pas placer un seul mot de verlan ou un truc un peu familier pour lui faire comprendre au mieux ce que je ressens… Quand ça m’échappe et que je   dis « vénère » ou « chelou », elle comprend autre chose ou bien elle fait sa tête de perf. Faire sa tête de perf, ça veut dire faire une tête d’idiot, parce que les classes de perf (perfectionnement), à l’école primaire, c’étaient les classes des enfants les plus en retard, ceux qui avaient de grosses difficultés. Alors on dit « perf » pour signaler à quelqu’un qu’il est un peu con quand même… (175–176)

Dat merk ik vooral als ik met haar praat, ik moet op elk woord letten dat ik zeg. Ik kan nooit eens verlan gebruiken of iets dat een beetje populair is om echt goed aan haar uit te leggen wat ik precies voel… En als ik het per ongeluk toch doe en ik vind iets ‘vet’ of ik zeg dat iemand ‘te erg’ is, dan snapt ze altijd heel iets anders of ze trekt d’r perf-gezicht. Een perf-gezicht, dat is als een idioot kijken, want de perf-klassen op de lagere school zijn de classes de perfectionnement, daarin zitten alle kinderen die heel erg achter zijn, de zware gevallen. Daarom zeg je ‘perf’ tegen iemand als je vindt dat hij een beetje te stom is… (cursivering in de tekst, 149)

Omdat het begrip ‘verlan’ noch hier, noch elders in het boek wordt uitgelegd schiet het Nederlandse publiek hier weinig mee op. Door de gecursiveerde Franse termen wordt de doeltekst verhoudingsgewijs extra moeilijk leesbaar. Een vlotter lezend voorstel, waarin is gefocust op de strekking van deze passage als geheel, luidt:

Ik kan nooit eens een populair woord gebruiken om haar duidelijk te maken wat ik nou precies voel. Als ik dat even vergeet en ik zeg dat ik heb zitten chillen, of dat iets kapot lekker is, dan snapt ze het niet of trekt ze haar kneusjesgezicht, zoals ze vroeger op de basisschool23 deden bij de kneusjes die bijgespijkerd moesten worden, zeg maar.

Natuurlijk kunnen de tegenvallende verkoopcijfers van de vertalingen te wijten zijn aan tekstexterne factoren als het gebrek aan interesse in Franse literatuur (Voogel & Heilbron 2012) of de onbekendheid van de jonge schrijfster hier te lande. Er lijken echter ook tekstinterne oorzaken mee te spelen, vooral de relatief hoge frequentie van ‘exotische’ realia en een niet altijd authentiek aandoend taalgebruik. Hierdoor is de identiteit van de personages minder coherent en geloofwaardig dan in het Frans. Mogelijk heeft dit te maken met de levensfase van de – beide als zeer ervaren en competent bekend staande – vertalers: ten tijde van de vertaalproductie liepen ze allebei tegen de zestig.

Straatliteratuur, een genre met toekomst?
Op grond van mijn onderzoek tot dusver concludeer ik dat straatliteratuur in principe vertaalbaar is, mits de brontekst niet al te veel cultuurspecifieke elementen bevat en de vertaler goed thuis is in informele registers, affiniteit met straattaal heeft en creatief durft te zijn. De voornaamste richtlijn voor de vertaling dient in mijn optiek de ‘illusie van authenticiteit’ te zijn. Deze houdt in dat het taalgebruik van een personage of verteller op een breed publiek coherent en geloofwaardig moet overkomen, dat wil zeggen moet stroken met haar of zijn geconstrueerde fictieve identiteit. Vertalers zouden daarbij alert moeten zijn op het risico van ongewenste implicaties van vertaalkeuzes op onder meer religieus, etnisch en leeftijdsvlak. De twee geanalyseerde Nederlandse romanvertalingen van Faïza Guène bleken zowel op dit punt als qua aanpak van realia herhaaldelijk problematisch, wat vermoedelijk heeft bijgedragen tot het besluit van de uitgever om geen nieuwe vertalingen van dit genre uit te brengen. Om hierop meer zicht te krijgen is nader onderzoek naar de vertaling van straattaal gewenst, mede vanwege de maatschappelijke relevantie: te verwachten valt dat een opkomende generatie schrijvers van straatliteratuur het internationale literaire panorama in de komende jaren zal vernieuwen en verrijken. Met hun interculturele kennis en vaardigheid om die voor nieuwe doelgroepen te ontsluiten spelen vertalers in deze ontwikkeling een sleutelrol.

 

Noten
1 Zoals o.a. Normann Jørgensen betoogt is de identiteit van taalgebruikers een dynamisch begrip: deze kan worden aangepast aan wisselende omstandigheden en is daarmee ‘fluid and negotiable’ (2010: 3).
2 De postmoderne roman, waarin dat juist niet het geval is, bestond in Levý’s tijd nog niet en is in dit verband ook niet zo relevant.
3 Hiervan is onlangs ook een papieren versie verschenen: Tengour (2013).
4 De Vlaamse tegenhanger hiervan, Citétaal (Nortier & Dorleijn 2013), wordt hier buiten beschouwing gelaten.
5 Het Turks speelt een relatief geringe rol; zie voor redenen hiervoor Dorleijn & Nortier (2013).
6 Voor beide talen geldt dat de schrijfwijze kan variëren, bv. tune/thune/thunes, tori/torrie/tory. Verder moet worden opgemerkt dat registers niet strak afgebakend zijn maar in elkaar overlopen. Zo zijn in Nederlandse straattaal ook veel algemene spreektaalkenmerken te vinden als het gebruik van ‘hun’ als onderwerp (‘hun zijn flex’) en de incorrecte vervoeging van ‘hebben’: ‘hij heb’. Andersom dringen straattaaluitdrukkingen regelmatig door in het informele taalgebruik.
7 Hiervoor dank ik mijn collega Sandra van Voorst en student neerlandistiek Trijnke Evink.
8 Een formele indicatie hiervoor is dat de titels NUR-code 300, 301 of 302 hebben voor respectievelijk literaire fictie algemeen, literaire roman/novelle en vertaalde literaire roman/novelle. Jeugdboeken krijgen, afhankelijk van de leeftijd van de doelgroep, rubriceringscode 280–285.
9 Zie Bastian (2009) en Zotti (2010) voor hun vertalingen van Faïza Guène in respectievelijk het Duits en het Italiaans. Ook Linn & Molendijk behandelen dit procedé (2010: 22–25, 278–279).
10 Ik volsta hier met Harvey’s werkdefinitie, die in zijn artikel gedetailleerd wordt uitgewerkt.
11 Onder meer Meylaerts (2012) wijst erop dat bij meertalige literatuur begrippen als bron- en doeltaal problematisch zijn.
12 Er bestaat geen Nederlandse taalvariëteit die verbonden is met zwart Afrika; het uit het Nederlands geëvolueerde Afrikaans wordt vooral met blanken geassocieerd (Van der Sijs & Willemijns 2009: 146–149).
13 De uitdrukking ‘oh my god’ is, zoals bij ons gebruikelijk, ‘gerestaureerd’ en afgekort.
14 Tenzij anders aangegeven zijn alle onderstrepingen, cursiveringen en vet gezette tekst van mij.
15 Op p. 55 komt nog een jiddische uitdrukking voor: ‘naar de gallemieze gaan’.
16 Bovendien maakt Hofstede (ibid.) melding van ‘talloze missers en vermijdbare slordigheden’.
17 Zie voor de vertaalopties bij dergelijke ‘geleerde’ termen (resp. distingué, p. 41 en architecture excentrique, p. 30) Linn & Molendijk (2010: 267–269).
18 In het Frans staat hier postérieur [achterste].
19 Ook het betreffende hoofdstuk heeft als titel de in het Nederlands mysterieuze afkorting ‘RDV’ (= rendez-vous) behouden.
20 In dezelfde taaluiting is ‘C’est cheum’ (met uitleg in voetnoot: ‘verlan voor moche [lelijk]’) wel heel leuk vertaald met ‘Dat is lullig’, maar daardoor is het contrast met het formele ‘Excuus’ des te groter.
21 Dit bestond uit wisselende collega’s en hun kinderen, studenten en thuis rondhangende jongeren, met speciale dank aan Marije en Wouter Koks (resp. 18 en 15 jaar) en Maaike Dicke en Ids Visser (53 en 15).
22 Dit geldt niet alleen voor vertalingen Frans-Nederlands; zie mijn artikel ‘A loud yet hardly audible voice: urban youth language in “street literature”,’ dat binnenkort zal verschijnen in een bundel van Philippe Humblé & Arvi Sepp (eds.), Trier: WVT.
23 De term ‘lagere school’ is verouderd: in 1985 ging dit schooltype samen met de kleuterschool op in de basisschool.
 

Bibliografie 

Primaire bronnen: Frans
Bégaudeau, François. 2006. Entre les murs. Paris: Gallimard.

Djaïdani, Rachid. 2007. Viscéral. Paris: Seuil.

Guène, Faïza. 2004. Kiffe kiffe demain. Paris: Hachette/Fayard.

––. 2005. Morgen kifkif. Vertaald door Frans van Woerden. Amsterdam: Sijthoff.

Guène, Faïza. 2006. Du rêve pour les oufs. Paris: Hachette.

––. 2006. Dromen tussen het beton. Vertaald door Truus Boot. Amsterdam: Luiting-Sijthoff.

Guyard, Alain. 2011. La zonzon. Paris: Le Dilettante.

Jonquet, Thierry. 2006. Ils sont votre épouvante et vous êtes leur crainte. Paris: Seuil.

Pattieu, Sylvain. 2012. Des impatientes. Rodez: Le Rouergue.

Razane, Mohamed. 2006. Dit violent. Paris: Gallimard.

Sané, Insa. 2006. Sarcelles-Dakar. Paris: Sarbacane.

Santaki, Rachid. 2013. Flic ou caillera. Paris: Éds. du Masque.

Santaki, Rachid. 2011. Les anges s’habillent en caillera. Paris: Moisson rouge.

Sportès, Morgan. 2011. Tout, tout de suite. Paris: Fayard.

Primaire bronnen: Nederlands
Akyol, Özcan. 2012. Eus. Amsterdam: Prometheus.

Anbeek, Ton. 2009. Vast. Amsterdam: Podium.

Bahara, Hassan. 2006. Een verhaal uit de stad Damsko. Amsterdam: Van Gennep.

Benchikhi, Salaheddine. 2007. Waajooow!!! Een echte Marokkaan tweede generatie. Amsterdam: Bulaaq.

Boudou, Khalid. 2007. Pizzamaffia. Amsterdam: Moon.

Post, Vrank. 2008. Bad boys for life! Het ware verhaal over het leven in een jeugdgevangenis. Antwerpen: Manteau & Standaard.

Stapele, Saul van. 2012. Witte panters. Amsterdam: Lebowski.

Vlasman, Patricia. 2010. In alles eenzaam. Amsterdam: Artemis.

Vuijsje, Robert. 2008. Alleen maar nette mensen. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.

Wolf, Daniël de. 2011. Straatbijbel. Deel 1: De torrie van Mattie. Amsterdam: Ark Media.

Wolf, Daniël de. 2012. Straatbijbel. Deel 2: Genesis. Amsterdam: Ark Media.

Wolf, Daniël de. 2013. Straatbijbel. Deel 3: David. Amsterdam: Ark Media.

Secundaire bronnen: algemeen en Frans
Aitsiselmi, Farid. 2006. ‘North African Immigrants in France’, in: Alan Carling (ed.), Globalization and Identity. Development and Integration in a Changing World. London/ New York: Tauris, p. 131–144.

Andringa, Els. 2006. ‘Reële lezers’, in: Kiene Brillenburg Wurth & Ann Rigney (eds.), Het leven van teksten. Een inleiding tot de literatuurwetenschap. Amsterdam University Press, p. 231–259.

Bal, Mieke. 1990 (5e herz. druk, 19781). De theorie van vertellen en verhalen. Muiderberg: Coutinho.

Bastian, Sabine. 2009. ‘Langue(s) des cités: maux du dire ? maux du traduire ?’, Adolescence, 4, no. 70, p. 859–871.

Berman, Antoine. 1985. ‘La traduction comme épreuve de l’étranger’, Texte, 4, p. 67–81.

Bhabha, Homi K. 1994. The Location of Culture. London/New York: Routledge.

Bourdieu, Pierre. 1991. Langage et pouvoir symbolique. Paris: Seuil.

Casanova, Pascale. 2008 (19991). La république mondiale des lettres. Paris: Seuil.

Defay, Jean-Marc. 2003. Le français langue étrangère et seconde: enseignement et apprentissage. Sprimont: Mardaga.

Doran, Meredith. 2007. ‘Alternative French, Alternative Identities: Situating Language in la Banlieue’, Contemporary French and Francophone Studies, Vol. 11, Iss. 4, p. 497–508.

Doran, Meredith. 2004. ‘Negotiating between Bourge and Racaille: Verlan as Youth Identity Practice in Suburban Paris’, in: Aneta Pavlenko & Adrian Blackledge (eds.), Negotiation of Identities in Multilingual Contexts. Clevedon etc.: Multilingual Matters, p. 93–124.

Dorleijn, Margreet & Jacomine Nortier. 2013. ‘Bilingualism and Youth Language’, in: Carol A. Chapelle (ed.), The Encyclopedia of Applied Linguistics. Oxford: Blackwell, p. 1–7.

Ertel, Emmanuelle. 2011. ‘Réception et traduction en anglais du roman beur: Le cas de Kiffe kiffe demain, ou la langue en question’, in: I. Vitali (dir.) tome 2, p. 123–154.

Fonkoua, Romuald-Blaise. 2007. ‘Écrire la banlieue : la littérature des « invisibles »’, Cultures Sud,no. 165« Retours sur la question coloniale », p. 99–106.

Galaï, Fatiha el. 2005. L’identité en suspens, à propos de la littérature beur. Paris: L’Harmattan.

Goudaillier, Jean-Pierre. 2011. ‘Contemporary French in low-income neighborhoods: language in the mirror, language of refusal’, Adolescence, 5, no. 1, p. 183–188.

Goudaillier, Jean-Pierre. 2001 (3e éd., 19971). Comment tu tchatches! Dictionnaire du français contemporain des cités. Paris: Maisonneuve et Larose.

Grutman, Rainier. 2006. ‘Refraction and recognition: Literary multilingualism in translation’, Target, 18:1, p. 17–47.

Gumperz, J. 1982. ‘Conversational code-switching’, in: Gumperz J. (ed.), Discourse Strategies. Studies in Interactional Sociolinguistics, Cambridge University Press, p. 59–99.

Halliday, Michael A. 1978. Language as Social Semiotic. The Social Interpretation of Language and Meaning. London: Edward Arnold.

Hargreaves, Alec G. 2011. ‘Traces littéraires des minorités postcoloniales en France’, Mouvements, HS no. 1, p. 36–44.

Hargreaves, Alec G. & Anne Marie Gans-Guinoune (coord.). 2008. ‘Introduction’, Au-delà de la littérature « beur » ? Nouveaux écrits, nouvelles approches critiques (= Expressions maghrébines Vol. 7, no. 1), p. 1–9.

Hargreaves, Alec G. 2007. ‘Chemins de traverse. Vers une reconnaissance de la postcolonialité en France’, Mouvements, 3, no. 51, p. 24–31.

Horn, Andràs, 1981. ‘Ästhetische Funktionen der Sprachmischung in der Literatur’, Arcadia, Zeitschrift für vergleichende Literaturwissenschaft, 16, p. 225–241.

Hunse, Liesbeth. 2012. ‘Traduire le français contemporain des cités: un truc de ouf ? Une analyse des traductions néerlandaises des romans Kiffe kiffe demain et Du rêve pour les oufs de Faïza Guène’, Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen.

Johansson, Stig. 2007. Seeing through Multilingual Corpora. On the use of corpora in contrastive studies. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Kiessling, Roland & Maarten Mous. 2004. ‘Urban Youth Languages in Africa’, Anthropological Linguistics, 46:3, p. 303–342.

Lane-Mercier, Gillian, 1997. ‘Translating the untranslatable. The translator’s aesthetic, ideological and political responsibility’, Target, 9:1, p. 43–48.

Le Breton, Mireille. 2011. ‘« Re-penser » l’identité et la citoyenneté françaises dans les romans Dit violent de Mohamed Razane et Kiffe kiffe demain de Faïza Guène’, in: I. Vitali (dir.), tome 1, p. 93–117.

Lepoutre, David. 2001 (2e ed., 19971). Cœur de banlieue : codes, rites et langages. Paris: Odile Jacob.

Leppihalme, Ritva. 2000. ‘The Two Faces of Standardization. On the Translation of Regionalisms in Literary Dialogue’, The Translator, 6:2, p. 247–269.

Levý, Jiři. 2011 (orig. 1963, transl. Patrick Corness). The Art of Translation. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Linn, Stella. 2014. ‘Het vertalen van straattaal (I)’, Filter, tijdschrift over vertalen, 21:3, p. 63–70.

Linn, Stella & Arie Molendijk. 2010. Vertalen uit het Frans, tekst en uitleg. Bussum: Coutinho.

Lodge, R.-A., 1991. Authority, ‘Prescriptivism and the French Standard Language’, Journal of French Language Studies, 1, p. 93–111.

Meylaerts, Reine. 2012. ‘Multilingualism as a challenge for Translation Studies’, in: C. Millan-Varela & F. Bartrina (eds.), Routledge Handbook of Translation Studies. London/New York: Routledge, p. 519–533.

Milroy, James & Lesley Milroy. 1985. Authority in language. London: Routledge & Kegan Paul.

Mucchielli, Laurent. 2007. ‘Entre politique sécuritaire et délinquance d’exclusion: le malaise de la prévention spécialisée’, Socio-logos. Revue de l’association française de sociologie, 2.

Normann Jørgensen, J. 2010. ‘The Sociolinguistic Study of Youth Language and Youth Identities’, in: idem (ed.), Love Ya Hate Ya: The Sociolinguistic Study of Youth Language and Youth Identities. Cambridge Scholars Publishing, p. 1–14.

Nortier, Jacomine & Margreet Dorleijn. 2013. ‘Multi-ethnolects: Kebabnorsk, Perkerdansk, Verlan, Kanakensprache, Straattaal, etc.’, in: Peter Bakker & Yaron Matras (eds.), Contact Languages: A Comprehensive Guide. Boston: De Gruyter Mouton, p. 229–271.

Olsson, Kenneth. 2011. Le discours beur comme positionnement littéraire. Romans et textes autobiographiques français (2005–2006) d’auteurs issus de l’immigration maghrébine. Stockholm University.

Pooley, Tim. 2006. ‘Analyzing urban youth vernaculars in French cities. Lexicographical, variationist and ethnographic approaches’, in: Dalila Ayoun (ed.), Studies in French Applied Linguistics. Amsterdam/Atlanta: John Benjamins, p. 317–344.

Pym, Anthony. 2000. ‘Translating Linguistic Variation: Parody and the Creation of Authenticity’, in: Miguel A. Vega & Rafael Martín Gaitero (eds.), Traducción, metrópoli y diáspora. Madrid: Universidad Complutense, p. 69–75.

Rampton, Ben. 1995. Crossing: Language and Ethnicity among Adolescents. London: Longman.

Sales Salvador, Dora. 2006. ‘Documentation as Ethics in Postcolonial Translation’, Translation Journal,10:1.

Schyns, Désirée. 2014. ‘Een verhouding van spanning en integratie: literaire meertaligheid in vertaling’, Filter, tijdschrift over vertalen, 21:3, p. 50–62.

Sorel-Sutter, Malika. 2011. Immigration-intégration: Le langage de vérité. Paris: Fayard.

Stratford, Madeleine. 2008. ‘Au tour de Babel! Les défis multiples du multilinguisme’, Meta: Journal des traducteurs/Translators’ Journal, 53:3, p. 457–470.

Tengour, Abdelkarim. 2013. Tout l’argot des banlieues : Le dictionnaire de la zone en 2 600 définitions. Paris: L’Opportun.

Thomas, Dominic. 2010. ‘Decolonizing France: From National Literatures to World Literatures’, Contemporary French and Francophone Studies, Vol. 14, Iss. 1, p. 47–55.

Thomason, Sarah G. 2007. ‘Language contact and deliberate change’, Journal of Language Contact, 1:1, p. 41–62.

Venuti, Lawrence. 1995. The Translator’s Invisibility: a History of Translation, London/New York: Routledge, p. 1–42.

Vitali, Ilaria (dir.). 2011. Intrangers (I). Post-migration et nouvelles frontières de la littérature beur. Louvain-la-Neuve: L’Harmattan/Academia.

Vitali, Ilaria (dir.). 2011. Intrangers (II). Littérature beur, de l’écriture à la traduction. Louvain-la-Neuve: L’Harmattan/Academia.

Vlugter, Bep, Petra Sleeman & Els Verheugd. 2012 (5e druk). Grammaire Plus. Praktische grammatica van het Frans. Bussum: Coutinho.

Voogel, Marjolijn & Johan Heilbron. 2012. ‘Le déclin des traductions du français aux Pays-Bas’, Questions de culture, p. 137–162.

Wilde, July De. 2009. ‘Tout le touin-touin: over meertaligheid en homogenisering’, Filter, tijdschrift over vertalen, 16:4, p. 25–32.

Wise, Hillary. 2000. ‘The Changing Functions of Argot’, in: Farid Aitsiselmi (ed.), Black, Blanc, Beur: Youth Language and Identity in France. University of Bradford, p. 125–129.

Wuilmart, Françoise. 2007. ‘Le péché de « nivellement » dans la traduction littéraire’, Meta: Journal des traducteurs/Translators’ Journal, 52:3, p. 391–400.

Zotti, Valeria. 2010. ‘Traduire en italien la variation socioculturelle du français: le verlan et “il linguaggio giovanile”’, RiMe, Rivista dell’istituto di storia dell’Europa Mediterranea, 5, p. 23–42.

Secundaire bronnen: Nederland/Nederlands
Behschnitt, Wolfgang, Sarah De Mul & Liesbeth Minnaard (eds). 2013. Literature, Language, and Multiculturalism in Scandinavia and the Low Countries. Amsterdam/New York: Rodopi.

Cornips, Leonie. 2012. Eigen en vreemd. Meertaligheid in Nederland. Amsterdam: Meertens Instituut/Amsterdam University Press.

Cornips, Leonie. 2004. ‘Straattaal: sociale betekenis en morfo-syntactische verschijnselen’, in: J. De Caluwe, G. De Schutter, M. Devos & J. Van Keymeulen (eds.), Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal. Gent: Academia Press, p. 175–188.

Hadioui, Iliass El. 2011. Hoe de straat de school binnendringt. Denken vanuit de pedagogische driehoek van de thuiscultuur, de schoolcultuur en de straatcultuur. Amsterdam: Van Gennep.

Hadioui, Iliass El. 2010. ‘De Straten-Generaal van Rotterdam. Naar een stadssociologisch perspectief op jeugdculturen’, Pedagogiek, jg. 30, 26:1, p. 26–42.

Kuiken, Folkert. 2009. ‘Multilingual Amsterdam’, in:Liza Nell & Jan Rath(eds.), Ethnic Amsterdam: Immigrants and Urban Change in the Twentieth Century.Amsterdam University Press, p. 123–144.

Lier, Eva van. 2005. ‘Straattaal’, Neerlandica extra muros, 43:1, p. 12–26.

Muysken, Pieter. 2002. ‘Taalvariatie’, in: René Appel, Anne Baker et al. (eds.). Taal en taalwetenschap. Oxford etc.: Blackwell, p. 309–329.

Nortier, Jacomine. 2009. Nederland meertalenland: feiten, perspectieven en meningen over meertaligheid. Amsterdam: Aksant.

Schoonen, Rob & René Appel. 2005. ‘Street Language: A Multilingual Youth Register in the Netherlands’, Journal of Multilingual and Multicultural Development, 26:2, p. 85–117.

Sijs, Nicoline van der & Roland Willemyns. 2009. Het verhaal van het Nederlands. Een geschiedenis van twaalf eeuwen. Amsterdam: Prometheus.

Strijen, Frank van (red. Stijn Postema). 2009. Van de straat. De straatcultuur van jongeren ontrafeld. Amsterdam: SWP.

Waszink, Vivien. 2013. Woord! de taal van nederhop. Amsterdam: Nieuwezijds.

Lees meer over: