'Leuk hè?'    35-42

Waarom Pé Hawinkels' Toverberg niét met de Martinus Nijhoffprijs werd bekroond

Cees Koster

De publicatie van Pé Hawinkels’ vertaling van Manns meesterwerk Der Zauberberg in het Thomas Mannjaar 1975 ging niet onopgemerkt voorbij. De ontvangst was over het algemeen positief, zij het dat een aantal critici aanmerkingen had op het al te contemporaine repertoire waaruit Hawinkels zou putten.1 In het jaar daarna liepen de gemoederen echter alsnog hoog op toen Hawinkels’ vertaling onvermoed het middelpunt werd van een rel rond de Martinus Nijhoffprijs.

Op 6 januari 1976 maakt het Prins Bernhard Fonds, beheerder van de Martinus Nijhoffprijs voor vertalingen, bekend dat de prijs dat jaar is toegekend aan de Roemeense vertaler H.R. Radian voor zijn vertalingen van Nederlandse ‘literaire en cultuur-historische werken’ in het Roemeens. Normaal gesproken werd in die tijd jaarlijks een prijs voor vertalen uit het Nederlands én vertalen in het Nederlands uitgereikt, maar over die laatste prijs wordt in januari 1976 bij de bekendmaking met geen woord gerept.2 Het duurt niet lang voordat men daarover in literair Nederland in het openbaar de wenkbrauwen optrekt.3

Op 13 januari spreekt schrijver, slavist en voormalig vertaler Nico Scheepmaker in zijn column voor de vele provinciale kranten verbonden aan wat destijds de Gemeenschappelijke Pers Dienst heette zijn verbazing uit over het feit dat er geen prijs is toegekend voor vertaling in het Nederlands en haalt hij venijnig uit naar de jury: ‘de jury […] bestaat tegenwoordig grotendeels uit oud-winnaars. Die juryleden besloten dit jaar dat er geen van de Nederlandse vertalers op het ogenblik hetzelfde peil heeft gehaald als zijzelf’ (Scheepmaker 1976). Scheepmaker beschikte kennelijk over inside information, want hij weet te melden dat er twee kandidaten voor de prijs waren: Hawinkels met De Toverberg en Cora Polet met ‘haar Hamsun-vertaling’. Hij gaat dan vooral verder over Hawinkels, wiens vertaling immers door Paul Beers ‘bejubeld’ is. Van de werkwijze van de jury is Scheepmaker ook op de hoogte:

Ikzelf vond dat Hawinkels’ vertaling las als een trein, maar hoe gaat zoiets, de germanist in de jury (Henk Mulder) vertaalde bij wijze van proef ook een hoofdstuk, en er kwam bij hem iets heel anders uit dan bij Hawinkels. Blijkbaar heeft hij de andere juryleden ervan kunnen overtuigen dat zijn vertaling aanzienlijk dichter bij de oorspronkelijke tekst van Mann stond dan die van Hawinkels. (ibid.)

Na te hebben opgemerkt dat het kennelijk mogelijk is dat de vergelijkingen van Mulder en Beers tot volkomen tegengestelde uitkomsten leidden, geeft hij een, in het licht van de discussie daarna, genuanceerd beeld van het vertalen:

De toekenning van de Nijhoff-prijs [zou] niet mogen afstuiten op één van de beide opvattingen die er over vertalen zijn. Ten eerste: de vertaler dient zo letterlijk mogelijk bij het origineel te blijven, en ten tweede: de vertaler dient de oorspronkelijke tekst te herscheppen in een nieuwe ‘oorspronkelijke’ tekst. Of de bekroning in dit geval is afgeketst op deze strijdvraag, weet ik niet. Maar het lijkt er wel een beetje op. Zo ja, dan is dat een betreurenswaardige zaak. Zo nee, dan heb ik niets gezegd.

Elf dagen later stelt een verontwaardigde Paul Beers in de Volkskrant dat het niet-toekennen van de prijs een miskenning is van het algemene peil van het literair vertalen in Nederland. Hij noemt een aantal vertalers die volgens hem voldoende kwaliteit hebben om voor de prijs in aanmerking te komen, maar haalt Scheepmaker over Hawinkels aan om zijn argumenten kracht bij te zetten en bespreekt vervolgens kort diens ‘geduchte staat van dienst’ (Beers 1976). Het venijn bij dit stuk zit hem in het onderschrift bij de foto van Mann die bij het stuk is afgedrukt: ‘Thomas Mann, wiens Zauberberg uitstekend vertaald werd door Pé Hawinkels, hetgeen door de vertaal-jury blijkbaar niet werd opgemerkt.’

Dat het niet-toekennen van de prijs daarna volledig geassocieerd raakt met het oordeel over de merites van De Toverberg mag geen wonder heten, en dat is des te meer het geval na een reportage in de Haagse Post van 31 januari, waarmee auteur Jan Brokken de kwestie eigenhandig tot rel promoveert. Onder de kop ‘Hoe goed is De Toverberg vertaald? De rel rond de Nijhoffprijs’ probeert Brokken de besluitvorming binnen de jury te reconstrueren. Daarbij worden anonieme juryleden sprekend opgevoerd, komen een boze Von Winter en Ros aan het woord en ook een heel wat laconieker reagerende Hawinkels.

Volgens Brokken waren er twee kampen in de negenkoppige jury: ‘de verdedigers van de vrije vertaling’, naar zijn zeggen Peter Verstegen, Marko Fondse en Ernst van Altena, en ‘de voorstanders van vertalingen die veel dichter bij de uitgangstaal blijven’, waarbij het zou gaan om ‘de germanisten’ Adriaan Morriën en Henk Mulder. De overige juryleden (voorzitter Dolf Verspoor, Paul Rodenko, Elizabeth du Perron-de Roos en Bert Voeten, zouden er ‘geen uitgesproken mening op nagehouden hebben’. Volgens Brokken zou de animositeit tussen de verschillende partijen ertoe hebben geleid dat het niet tot een bekroning van Hawinkels’ vertaling kwam.

De juryleden gaven in het stuk van Brokken te kennen dat die beschrijving

‘volkomen uit de lucht gegrepen’ [was]. In werkelijkheid verliepen de vergaderingen van de jury in een volmaakt rustige sfeer en bovendien waren de dame en negen heren [inclusief de secretaris] het over één ding al vrij snel unaniem eens: dat Hawinkels de prijs niet moest krijgen.

Wat is precies gebeurd? Mulder en Morriën kregen tijdens één van de eerste besprekingen de opdracht De Toverberg eens kritisch door te lezen. Dat deden ze, en ze vertelden de overige juryleden op een volgende bijeenkomst dat de marges van het boek te klein waren om de fouten te noteren. De andere leden hebben het boek daarna gelezen (want ‘alle juryleden kennen Duits en Nederlands’) en ze vonden het allen even slecht.

Enkele opmerkingen van de juryleden: De Toverberg is de slechtste vertaling van het jaar, Hawinkels beheerst zijn Nederlands niet, het boek barst van de germanismen, hele vreemde, nieuwsoortige germanismen, er zitten honderden fouten in, de vertaling van het nawoord van Von Winter is zo slecht dat je daarmee niet eens van de derde naar de vierde klas middelbare school zou overgaan, de titel is verkeerd vertaald, het boek heet niet Toverberg maar De Magische Berg. Eén jurylid vatte de overwegingen tegen het boek als volgt samen: als de argumenten van de jury ooit nog eens in de openbaarheid zouden komen, dan zou de carrière van Hawinkels definitief gebroken zijn.

Hawinkels, zo vertelden de juryleden (in vertrouwen natuurlijk, want wat de jury besproken heeft is strikt geheim), is niet eens kandidaat geweest voor de prijs. Na enkele vergaderingen bleven slechts twee kandidaten over, Radian en Cora Polet […]. (Brokken 1976)

Wie de notulen van de juryvergaderingen erop naslaat,4 kan zien dat op een aantal feitelijkheden in deze weergave het nodige valt af te dingen. Ernst van Altena en Marko Fondse traden pas in september toe tot de jury en hebben in de discussies rond Hawinkels geen rol gespeeld. Bert Voeten is het eerste halfjaar afwezig wegens ziekte en de vergaderdiscipline van de meeste leden geeft de voorzitter in juni aanleiding om op te roepen tot frequentere aanwezigheid van de leden, waarvan er niet zelden maar vier ter vergadering verschijnen, waarbij de afwezigen zonder aankondiging wegblijven.

Op de vergadering van 14 april (de eerste in de ronde 1975) signaleert Morriën dat De Toverberg eraan komt en wordt besloten dat bij verschijning een exemplaar zal worden gestuurd naar Morriën, Henk Mulder en Elizabeth du Perron-de Roos. Tijdens de volgende vergadering op 2 juni wordt het werk van Hawinkels voor het eerst inhoudelijk besproken, aldus de notulen:

Dolf Verspoor heeft de vertalingen van Philoktetes [van Heinrich Müller] en Antigone [van Sophocles] gelezen en vindt deze beneden peil. Henk Mulder, die de Antichrist en Tristan vluchtig doornam, is evenmin enthousiast. Toch zal de secretaris de Toverberg sturen naar Mevrouw du Perron, Henk Mulder en Adriaan Morriën. Een editie in het Duits stuurt hij naar Henk Mulder. Mevrouw Du Perron bestudeert Tristan [Thomas Mann], Dolf Verspoor de boeken Job en Prediker. (Notulen jury Nijhoffprijs, 2 juni 1976; Nationaal Archief)

Op die vergadering wordt ook het werk besproken van Cora Polet, Kees Verheul en Thérèse Cornips. C.P. Heering-Moorman wordt van de lijst afgevoerd vanwege onvoldoende kwaliteit van haar vertalingen van gedichten van René Char. Over de op de kandidatenlijst voorkomende Martin Hartkamp wordt geconstateerd dat hij nog geen vertalingen heeft gepubliceerd, maar dat hij wel gevolgd moet blijven worden.

Tijdens de vergadering van 8 september komt het werk van Hawinkels opnieuw aan de orde en richt de bespreking zich vooral op De Toverberg

Dolf Verspoor is ontsteld over Hawinkels’ slechte vertaling van een artikel in Maatstaf van de hand van G.A. von Winter. Henk Mulder vindt de vertaling van Der Zauberberg een ramp. Hij heeft op iedere bladzijde veel fouten gesignaleerd en noemt hiervan enkele sprekende voorbeelden. Mevrouw Du Perron merkt op na verloop van tijd het noteren van misslagen te hebben gestaakt. Besloten wordt deze vertaler van de lijst te schrappen. (Notulen jury Nijhoffprijs, 8 september 1976; Nationaal Archief)

Op de volgende vergadering, 8 oktober, wordt het werk van Mariolein Sabarte Belacortu, Michel van der Plas en Cora Polet besproken, met als resultaat dat alleen de laatste als kandidaat overblijft. Over haar werk (dat de jury alleen aan de hand van externe rapporten kan bespreken) circuleren echter twee volkomen tegenstrijdige rapporten waarvan de jury niet weet wat ze ermee aan moet.5 Uiteindelijk zijn het vooral de impasse die hieruit voortvloeide en het onvermogen van de jury om daar op tijd uit te komen die ertoe leidden dat de prijs dat jaar niet wordt toegekend voor het vertalen in het Nederlands.

Het heeft er dus alle schijn van dat Hawinkels’ kandidatuur is afgeketst op een mondeling oordeel van twee juryleden over De Toverberg. Noch in de stukken over de Nijhoffprijs die bij het Nationaal Archief berusten, noch in de vertalersdossiers in het archief van het Prins Bernhard Fonds, is een spoor van rapporten te vinden of van andere externe bronnen.

De Nijhoffaffaire en de ontboezemingen in het stuk van Brokken roepen twee soorten reacties op in de literaire wereld en verdelen die wereld in een anti- en een pro-Hawinkelskamp. In het eerste kamp voegt zich nog Guus Luijters, die in een column getiteld ‘Van vertaler tot betweter’ in Het Parool uitroept:

[…] Wel wil ik bijvoorbeeld Anna Karenina lezen, maar dan wil ik niet via een achterdeur met het schrijverschap van Hawinkels en vrienden worden opgezadeld.

De lezer heeft recht op een letterlijke vertaling. En als de vertaler vindt dat dat niet genoeg is, dat er nog het een en ander valt uit te leggen, dan doet-ie dat maar in voetnoten.

De rest is zwendel, bedrog en betweterij. (Luijters 1976)

André Matthijsse herhaalt ter gelegenheid van de uitreiking van de prijs aan Radian in Het Vaderland nog eens zijn tweeslachtige bezwaren. Hawinkels ‘mag en kan’ wat hem betreft ‘voor veel van zijn vertaalwerk worden bekroond (eventueel voor zijn oeuvre), maar o bevestigende uitzondering, niet voor zijn vertaling van Der Zauberberg […]’ (Matthijsse 1976).

In het pro-Hawinkelskamp overheerst ondertussen de verontwaardiging over de vermeende kortzichtigheid van de jury en het feit dat er anoniem uit de school wordt geklapt zonder dat er voorbeelden worden gegeven van wat men fouten noemt. In een ingezonden brief naar aanleiding van Brokkens stuk (Haagse Post, 7 februari) toont Beers aan dat het op een misverstand berust te veronderstellen dat het nawoord van Von Winter door Hawinkels vertaald is, omdat in de boekuitgave vermeld staat dat het door Martin Ros is vertaald: ‘Men moet er toch niet aan denken dat hetzelfde jurylid [dat moet dus Verspoor zijn; CK], dat het nodig vond om tegenover een verslaggever over dit nawoord te reppen, zijn oordeel over Hawinkels’ vertaling van De Toverberg gevormd heeft op grond van Martin Ros’ vertaling van een essay van Von Winter…’

Beers, maar ook Martin Ros in een ingezonden brief een week later tonen zich verontwaardigd over de lijst met opmerkingen van de anonieme juryleden en het oordeel als zou Hawinkels ‘de slechtste vertaling’ van het jaar hebben geproduceerd, met het argument dat Hawinkels zich daar niet tegen kon verweren. Beiden dagen de juryleden uit om in de openbaarheid te treden met de lijst van de germanismen en ‘honderden fouten’. Ros biedt hen alle ruimte om dat in Maatstaf te doen, geen van de juryleden gaat op zijn voorstel in. Uit de notulen blijkt ook dat een dergelijke lijst, althans een schriftelijke versie ervan, niet bestaat.

De vraag is of er in deze controverse sprake is van een confrontatie van de twee manieren van vertalen die Scheepmaker tegenover elkaar stelt, sterker nog, of er überhaupt sprake is van een strijd tussen vertaalopvattingen. In geen van de bronnen zijn uitspraken van de jury te vinden die erop wijzen dat ze te werk gingen met een expliciete opvatting. In wezen ging de jury uit van een simpel classificatieschema: goed en slecht. Door de jury werd tegenover Brokken ontkend dat de opvattingen van Hawinkels een reden zouden zijn geweest hem de prijs niet toe te kennen: ‘Een jurylid: “Termen als letterlijk en vrij vertalen zijn middelbare schooltermen. Voor ons geldt alleen maar: goed vertalen of slecht vertalen. En Hawinkels heeft De Toverberg slecht vertaald”’ (Brokken 1976).

Twee jaar later doet Henk Mulder (die inmiddels Verspoor is opgevolgd als voorzitter) wel een boekje open over de denkwijze van de jury, nadat weer een jaar zonder toekenning en een jaar met een toekenning die geweigerd werd tot een crisis rond de Nijhoffprijs hadden geleid (zie ook Koster 1996). In een interview in De Groene Amsterdammer stelde Mulder:

Volgens ons moet een vertaling op eigenlijk drie niveaus onberispelijk zijn. Dat is op betekenisniveau, op het niveau van het hanteren van de Nederlandse taal en wat stilistische aspekten betreft. En nu is het zo – en daaraan kun je eigenlijk de kwaliteit al wel afmeten – dat wij in dat eerste aspekt al wel blijven steken, want de meeste vertalingen voldoen niet eens aan de noodzakelijke voorwaarde dat de betekenis goed overkomt. Het wémelt van de betekenisfouten. (Bussink 1977)

De opvatting van het primaat van de betekenis strookt inderdaad niet met Hawinkels’ opvattingen en werkwijze, maar met de twee andere criteria in de hand had men met een welwillender houding nog wel tot een ander oordeel kunnen komen.

Als mogelijke verklaring voor de kennelijke antipathie binnen de jury tegen de vertaling en de vertaalopvattingen van Hawinkels, noemt Brokken in zijn reportage de mogelijkheid dat de jury geïrriteerd is geweest door de houding van De Arbeiderspers, die een te actieve campagne voor Hawinkels zou hebben gevoerd. Met name zou daarbij de folder een rol hebben gespeeld die door De Arbeiderspers op de jaarlijkse boekpresentatie ‘Vers voor de Pers’ werd gepresenteerd, waarin Hawinkels als de gedoodverfde favoriet voor de Nijhoffprijs werd genoemd. Daar staat tegenover dat op instigatie van de secretaris van de jury, D.H. de Bie, in het voorjaar van 1975 diverse uitgeverijen lijsten naar de jury stuurden met werk van Hawinkels dat door hen is uitgegeven, waaruit kan worden afgeleid dat de jury zijn werk op eigen initiatief heeft bekeken en in Hawinkels dus zelf een kandidaat zag.

Ros stelt in zijn ingezonden brief dat het in de controverse wel degelijk om opvattingen gaat, waarbij de jury ‘een dogmatiserende opinie’ zou hebben, maar suggereert dat ook de ’enorme energie en produktie’ van Hawinkels tegen hem gewerkt kunnen hebben. ‘Hawinkels zou,’ zo geeft Ros het verwijt van de tegenpartij weer, ‘naar verluidt, door zijn vele vertalingen en “onder de prijs” werken de markt bederven. […] De suggestie is duidelijk: Hawinkels is een Emporkömmling [parvenu] tegen wie ook om andere dan strikt literair-kwalitatieve redenen front gemaakt moet worden.’

Ook Hawinkels zelf ziet naast poëticale redenen nog andere; tegenover Blokker stelt hij dat hij de affaire ziet

in de traditie van een groot aantal kritische opmerkingen die ik in de loop van mijn vertaalactiviteiten tegengekomen ben. Men vindt dat ik te vrij vertaal.

Toen mijn Antigone-vertaling voor het eerst door de Haagse Comedie in de schouwburg gespeeld werd, ontstonden er rellen in de zaal. Er stonden mensen op die protesteerden ‘in naam van de westerse cultuur’. Enkele classici waren bijzonder woedend. Zij vonden het natuurlijk vervelend dat iedereen dat toneelstuk nu ineens begreep. […]

Ik heb het vermoeden, dat er met deze Thomas Mann-vertaling ook zoiets aan de hand is. Ik heb het boek toegankelijk gemaakt, ik heb het de burgerlijke cultureel-bezittende klasse ontnomen en dat mag blijkbaar niet.

Met de laatste opmerking laat hij zien dat hij toch wel iets heeft meegekregen van het marxistische referentiekader waartegen hij zich in de Nijmeegse studentenwereld zo afzette. Voor het overige reageerde Hawinkels tamelijk laconiek op alle commotie: ‘Er wordt nu wel veel geroddeld, maar niemand heeft mij nog één woord kunnen aanwijzen dat fout vertaald is. Ik wacht dus op voorbeelden. Verder zal het mij een zorg zijn. Ik heb tot 1980 werk, de uitgevers staan voor de deur te dringen’ (Brokken 1976).

Dat men in de jury weinig respect kon opbrengen voor Hawinkels blijkt wel uit de notulen van het jaar daarop als Hawinkels’ vertaling van Nietschzes Fröhliche Wissenschaft wordt besproken:

Henk Mulder’s voorlopige opinie over Vrolijke Wetenschap van Nietzsche in Hawinkels’ vertaling is vernietigend. Vertaler hangt nu niet meer de voor elk toegankelijke olijkerd uit, maar zoekt zijn taalmiddelen nu in de Bilderdijkiaanse sfeer. Schriftelijk rapport volgt nog. Tot ontsteltenis van Mulder en Morriën merkt Fondse op dat Hawinkels binnenkort ook met vertaling(-en?) van Theodor Fontane uit gaat komen. Nadat de jury zich hiervan hersteld heeft komt aan de orde […]. (Notulen jury Nijhoffprijs, 1 juni 1977; Nationaal Archief)

Hoewel geen van de juryleden inging op het aanbod van Ros om in het openbaar in debat te treden over vertaalopvattingen en criteria van beoordeling, komt het wel nog tot een debat tussen onder meer Hawinkels en Matthijsse, die zich na eerst al zijn eigen bezwaren te hebben geuit achter de jury had geschaard. Onder de kop ‘Hans Castorp als Nijmeegse corpsstudent’ verschijnt in De Revisor in november, als al het stof echt is neergedaald, het verslag van een gesprek waarbij ook Hans Hom als vertaler van Mann en Dirk Ayelt Kooiman als vertaald auteur aanwezig waren.

Het werd een weinig vruchtbaar gesprek. De tegenstelling tussen aan de ene kant Hawinkels’ opvatting dat Mann het beste wordt weergegeven door gebruik te maken van levend, hedendaags Nederlands en dat vertalen erop neerkomt een nieuw boek te maken en aan de andere kant Matthijsses opvatting dat vertaling een vorm van reproductie is en dat de vertaler zich aan de woordkeus en syntaxis van het origineel moet houden komt niet tot een verzoening, maar wordt eerder verder uitgespeeld.

Het meest duidelijk komt dit naar voren in de discussie rond het taalgebruik van de personages, waarin de vraag gesteld wordt waarbij dat taalgebruik in de vertaling moet aansluiten. Hawinkels:

Hoe praat die man? Als een Pruisische officier, als een bekakte bal. Hoe spreekt die kamerheer in het Nederlands? Als een bekakte bal! Niks aan te doen. Maar het is een andere bekakte bal, het is een Nederlandse bekakte bal en daar kom ik niet onderuit. En ik weiger om voor Duitser te spelen terwijl ik met een Nederlandse vertaling bezig ben – dat vertik ik. (Beers 1976a: 32)

Matthijsse stelt daar tegenover:

Dan zijn we er, dan zijn we heel snel klaar. Want dat is nu juist het punt: jij moet hier wel voor Duitser spelen. Jij zegt, dat doe ik niet, maar je zal het wel moeten doen. […] Het gaat mij om het principe. Jij zegt, hier heb ik een Pruisische officier, dat vertik ik, daar maak ik een Nederlander van. (ibid.)

Waarop Hawinkels riposteert:

Nou moet je niet lang blijven hangen op die uitdrukking van dat vertik ik, want natuurlijk ‘vertik’ ik het niet, ik zie gewoon dat het onmogelijk is. (ibid.)

Voor Hawinkels is het probleem een kwestie van vertaalbaarheid, Matthijsse ziet geen problemen bij de overgang van de ene naar de andere cultuur, het enige wat telt is dat alles hetzelfde moet blijven.

Aan het eind van het gesprek komt Hawinkels onder vuur te liggen, wanneer een aantal concrete passages de revue passeert. Eén daarvan betreft een zinsnede die Hawinkels in zijn enthousiasme heeft toegevoegd.

Beers: Maar wel lees ik aan het eind van deel II tot tweemaal toe een passage die besluit met ‘Leuk hè?’ en ik denk, wat zou daar nu bij Mann staan. Ik ga ’t opzoeken, en wat stond er? Er staat niets!

Hawinkels: Niets staat daar.

Beers: Dat vind ik goddomme toch wel ver gaan.

Hawinkels: Dat gaat heel ver. Naphta zit zich daar geweldig op te winden, en ik zat me daar geweldig op te winden, en ik voegde plotseling ‘Leuk hè?’ toe en ik denk, dat laat ik staan. Zo gaat dat.

Matthijsse: Maar wij [sic] zijn het er over eens dat dat te ver gaat.

Beers: Waarbij ik nogmaals aanteken dat als Pé niet zo was geweest, niet zo ‘vergaand’, dan was dit niet uit de bus gekomen. Daar zie ik een verband tussen.

Hawinkels: Och ja, achteraf, na anderhalf jaar, als ik het nu zou moeten herzien, zou ik het er wel uitstrepen. Inderdaad, dat hoeft niet, dat is niet nodig. Je doet wel meer dingen die niet nodig zijn. Er komen ook bepaalde vormen van enthousiasme aan te pas – dat je je op gegeven moment laat meeslepen. En dat is ook onderdeel van het eindprodukt. Daar is niks aan te doen hoor.

Uit dit fragment blijft vooral bij met welke inzet Hawinkels vertaalde, hoezeer hij zich identificeerde met de tekst waaraan hij werkte. Hij lijkt hier met zoveel woorden toe te geven dat hij iets gedaan had wat niet kon, maar in de beslotenheid van de correspondentie met de uitgever heeft hij er juist voor gepleit om de passages te laten staan (Ros 1979: 498). De Arbeiderspers heeft dat verzoek gehonoreerd, tot in de laatst verschenen druk zijn ze te vinden.

Besluit
Dat de uitgeverij zich vierkant achter Hawinkels is blijven opstellen heeft niet alleen te maken met de vriendschappelijke banden tussen Ros en Hawinkels en het blote feit dat Ros en Sontrop het met zijn werkwijze eens waren, maar vast ook met het commerciële succes van de vertaling. In een halfjaar tijd waren er 5000 exemplaren van verkocht, ongetwijfeld mede dankzij de commotie over het uitblijven van de prijs.6

De vraag of de Nijhoffaffaire Hawinkels’ carrière en reputatie kwaad heeft gedaan kan ontkennend beantwoord worden. Hoewel hij twee jaar na de kwestie ontijdig overleed, achter zijn werktafel, bleef hij in die jaren ongekend productief. Ook nu nog geldt de vertaling als een hoogtepunt in zijn oeuvre en literaire carrière en als een blijk van zijn meesterlijke gaven.

In de geschiedenis van de Nijhoffprijs bleek de affaire rond De Toverberg de opmaat te zijn tot een drie jaar durende periode van controverse, waarin de prijs in 1977 eveneens niet werd toegekend en in 1978 weliswaar werd toegekend (aan Anneke Brassinga), maar werd geweigerd. De vraag of Hawinkels zijn tijd vooruit was, laat zich lastig beantwoorden. School gemaakt heeft hij in elk geval niet, al zijn er later wel vertalers geweest die zich als geestverwant beschouwden. Dat de jury volgens de toenmalige literair vertalers de geest van de tijd weinig aanvoelde, lijkt wel vast te staan.
 

De auteur ontvangt voor het werk aan een Hawinkelsbiografie een beurs van het Nederlands Letterenfonds.

 

Noten
1 Zie over ontstaan en ontvangst van deze vertaling Koster 2013.
2 Over deze affaire in het licht van de geschiedenis van de Martinus Nijhoffprijs zie ook Verstegen 1985 en Koster 1996.
3 Niet alleen in het openbaar overigens. Twee dagen na de bekendmaking sturen Theo Sontrop en Martin Ros een brief vol venijn en sarcasme aan de jury waarin ze ‘in alle bescheidenheid’ aandacht vragen voor Beers’ bespreking in De Revisor en stellen dat ‘het verre van ons [zij] de kandidatuur van wie ook in verband met de Nijhoffprijs bij u te pousseren maar in dit geval kunnen we er niet onderuit u te wijzen op een stuk dat zeer krachtig onder woorden brengt wat ons zelf als lezers van Hawinkels’ vertaling zozeer heeft bezig gehouden.’ Vervolgens brengen ze de vertalingen onder de aandacht die van Hawinkels in 1976 zullen verschijnen. (Brief van De Arbeiderspers aan Jury voor de Nijhoffprijs, 8 januari 1976; Archief De Arbeiderspers.)
4 De notulen van de juryberaadslagingen van 1975 zijn te vinden in het Nationaal Archief, Den Haag, onder Prins Bernhard Fonds, 1940–1979 (1990), nummer toegang 2.19.034, inventarisnummer 549.
5 Hetgeen aanleiding was voor Cora Polet, kennelijk precies op de hoogte van wat er speelde, om in een brief aan de jury de schrijfster van het negatieve rapport te diskwalificeren. Voor de jury zelf was dat saillante feit de affaire van 1975.
6 Dat succes heeft zich na de dood van Hawinkels overigens voortgezet. In 2009 werd de laatste, 14e druk uitgegeven. Op grond van de productiekaarten uit het archief van De Arbeiderspers (gegevens tot en met de 6e druk) en schattingen mogen we veronderstellen dat er meer dan 70.000 exemplaren van Hawinkels’ vertaling zijn verkocht.
 

Bibliografie
Beers, Paul. 1976. ‘Nijhoff-prijs voor vertalingen ten onrechte niet toegekend’, de Volkskrant, 24 januari.

Beers, Paul. 1976a. ‘Hans Castorp als Nijmeegse corpsstudent. Een gesprek over de vertaling van De Toverberg’, De Revisor, 3:5, p. 27–35.

Brokken, Jan. 1976. ‘Hoe goed is De Toverberg vertaald? De rel rond de Nijhoffprijs’, Haagse Post, 31 januari.

Bussink, Gerrit. 1977. ‘De meeste vertalingen wemelen van de betekenisfouten, interview met Henk Mulder, voorzitter Nijhoff-jury’, De Groene Amsterdammer, 2 februari.

Koster, Cees. 1996. ‘Over meesterlijke vertalingen. Veertig jaar Martinus Nijhoff Prijs’, in: Ton Naaijkens (ed.), Vertalers als erflaters. Staalkaart van een eeuw vertalen. Muiderberg: Coutinho, p. 86–105.

Koster, Cees. 2013. ‘“Het boek moet opnieuw geschreven worden”. Ontstaan en ontvangst van Pé Hawinkels’ De Toverberg', Filter, 20:2, p. 52–60.

Luijters, Guus. 1976. ‘Van vertaler tot betweter’, Het Parool, 7 februari.

Matthijsse, André. 1976. ‘Martinus Nijhoff-prijs ’76 uitgereikt’, Het Vaderland, 27 januari.

Ros, Martin. 1979. ‘Pé Hawinkels: afscheid van een profiel’, in: Hugues C. Boekraad, Matthieu Kockelkoren, Frans Kusters & H.M.A. Struyker Boudier (eds.), Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Van en over Pé Hawinkels. Nijmegen: SUN, p. 488–502.

Scheepmaker, Nico. 1976. ‘Trijfel’, Nieuwsblad van het Noorden, 13 januari.

Verstegen, Peter. 1985. De muze met de Januskop. Dertig jaar Martinus Nijhoffprijs. Een collage. Amsterdam: Bert Bakker.

Lees meer over: