Van een auto die een fiets werd    43-49

Jan Pieter van der Sterre

In den beginne was er een tepel. En toen onze halfdichte ogen een paar uur later de andere tepel zagen, ging er een stroompje door onze hersenen: dat heb ik eerder gezien! De tweede tepel leek sterk op de eerste, en werd daardoor ‘een’ tepel. Een van onze zenuwcellen had hem herkend, een overeenkomst geconstateerd en aan de hand daarvan een ‘begrip’ gevormd. Vooralsnog een anoniem begrip, maar er zal langzamerhand een naam zijn uitgekristalliseerd in de buurt van ‘melk’, of ‘drinken’. Of ‘mama’, of ‘goed’.

Zo nestelde ons eerste begrip zich in onze hersenen. We koppelden iets nieuws aan iets bekends en formeerden aan de hand daarvan een algemeenheid. Dat heet in de psychologie ‘een analogie maken’, en het resultaat heet ‘een categorie, een begrip’. Daarmee staan analogieën aan de basis van onze psychische en indirect ook onze fysieke activiteiten. Er is haast geen handeling te bedenken die niet teruggrijpt op eerdere handelingen. Als we fietsen, spiegelen we elk bochtje automatisch aan de miljarden bochtjes die we eerder maakten. De tekens die u hier voor u op het papier ziet, kunt u lezen omdat u ze veel vaker hebt gezien. Deze zinnen begrijpt u omdat u veel vergelijkbare zinnen hebt gelezen. De hele dag maken we analogieën of gebruiken we bestaande analogieën.

Dat doen we ook als we bijvoorbeeld zonder nadenken een dingetje ‘piepklein’ noemen en niet ‘minuscuul’, ‘miniem’, ‘gering’, ‘microscopisch’ of ‘petieterig’. Of als we onbewust verschil maken tussen ‘grijpen’, ‘graaien’, ‘grabbelen’ en ‘grissen’, of terloops een deel van een stad beschrijven als een ‘wijk’ en niet als een ‘gebied’, ‘zone’, ‘regio’, ‘buurt’ of ‘stadsdeel’. De kunst van het benoemen, van het bliksemsnel slaan van een brug tussen een begrip en iets in de werkelijkheid, vormt de kern van ons denken. En wij vertalers zijn analogische bruggenbouwers bij uitstek.

Het boek of boeken
In 1980 won de Amerikaan Douglas Hofstadter de Pulitzerprijs met een boek dat een gigantisch verkoopsucces kende: Gödel, Escher, Bach. Daarin trok hij analogieën tussen het werk van het drietal inventieve geesten van de titel. Het verschijnsel analogie is hem blijven bezighouden en onlangs heeft hij er een heel boek aan gewijd. Het schrijven kostte veel tijd, in de eerste plaats omdat Hofstadter al het jarenlange denkwerk over het onderwerp een plaats wilde geven; de hele stapel kladjes moest nu maar eens verwerkt worden. In de tweede plaats door de aanpak: Hofstadter vond een partner in crime in de Franse cognitiewetenschapper Emmanuel Sander. Ze gingen beiden apart en samen aan het werk, vulden elkaar aan, schreven in elkaars taal en vertaalden elkaar. Beiden vonden die samenwerking vruchtbaar en hebben er alle boter uit gebraden, maar dat betekende wel dat er pas vele jaren na de aankondiging kon worden gedrukt.

Uitgangspunt van het duo was dat de tekst in twee talen tegelijk moest verschijnen, in twee boeken die analogieën van elkaar waren, het ene gedacht vanuit het Frans, het andere vanuit het Engels. De boeken hándelen dus niet alleen over analogie, ze zíjn ook een analogie. Twee ‘concrete incarnaties van dezelfde immateriële entiteit’, zoals het ergens in de tekst heet. Hoe de precieze rolverdeling bij het schrijfproces is geweest wordt niet helemaal duidelijk. Later bleek dat Hofstadter zich meer met het Frans heeft bemoeid dan Sander met het Engels, maar daarmee wordt niet verklaard hoe het komt dat de Franse tekst duidelijk een andere stijl heeft dan de Engelse. De titel alleen al: L’Analogie, Coeur de la pensée. De Amerikaanse versie heet Surfaces and Essences. Analogy as the Fuel and Fire of Thinking.1 Dus een titel met elf woorden, inclusief een alliteratie en metaforische omschrijvingen die een beeld moeten geven van het onderwerp. De Franse titel is korter en helderder, zoals vaak ook de tekst.

Na de bijna gelijktijdige publicatie werd ik gevraagd het boek te vertalen.2 ‘Welk boek? Er zijn twee boeken,’ was mijn vraag. ‘Overleg maar met de schrijvers,’ antwoordde de Nederlandse uitgever. De schrijvers waren vooralsnog niet te bereiken. En zo ging ik aan de slag en begon met lezen en voorzichtig vertalen uit twee talen tegelijk. Dat was even wennen; er waren mij geen analoge gevallen bekend. Algauw bleek het verschil tussen de twee basisteksten te variëren van aanmerkelijk tot gigantisch, niet alleen qua toon maar ook qua inhoud. En vaak bleek er geen keuze mogelijk tussen Engels en Frans maar moest de tekst geheel aangepast worden aan de Nederlandse taal.

Analogie heeft zoals gezegd net als het denken zelf veel met taal te maken en theoretiseren over analogie gebeurt dus vaak aan de hand van taalvoorbeelden. Zoals het Frans derhalve noodzakelijk moest verschillen van het Engels, moest ook het Nederlands vaak zijn eigen gang gaan. Dat wil zeggen dat er andere voorbeelden en aangepaste toelichtingen moesten worden gevonden, bedacht, geschreven. Als het ging om versprekingen, contaminaties, ambiguïteiten, uitdrukkingen, spreekwoorden en computertermen eist in een dergelijk boek elke taal een ander verhaal. En ook een betoog over woordbetekenissen in diverse talen en diverse tijden moest op grote schaal aangepast worden.

Het karwei nam algauw ongehoorde proporties aan. De aanpassingen vroegen een ingrijpende zelfwerkzaamheid en om het nog gecompliceerder te maken was vertalen zelf ook een onderwerp van het boek / de boeken. De schrijvers brengen uitgebreid verslag uit over hun aanpak, en grijpen dat verslag aan om een algemener betoog te houden over vertalen als een vorm van analogie. Voor Hofstadter hoeft die interesse niet te verbazen; hij laat zich graag voorstaan op zijn veeltaligheid en schreef bijvoorbeeld uitgebreid over de mogelijkheden bij het vertalen van het gedicht Le tombeau de Marot / Le Ton beau de Marot. Ook bij al die theoretische vertogen moesten de voorbeelden vaak worden aangepast.

Gedwongen tot vrijheid
Het Vlaams Fonds voor de Letteren, het enige waar in België wonenden voor een werkbeurs kunnen aankloppen, had van tevoren onofficieel laten weten dat ik daarop met deze pil niet veel kans maakte. Dikke strop (het boek telt 300.000 woorden; de vorige Hofstadter had bij het Nederlands Letterenfonds zonder problemen subsidie opgeleverd), maar in tweede instantie had die strop tot gevolg dat ik was ontslagen van de noodzaak dit te beschouwen als een literaire vertaling, die eventueel op de ontleedtafel zou worden gelegd. En toen er ten slotte na maanden toch nog een mail kwam van Hofstadter, billijkte hij mijn streven naar een aangepaste, Nederlandse analogie van de oorspronkelijke twee versies.

Daarna stond de werkwijze vast. Ik kon mijn gang gaan, wat in de praktijk inhield dat de woordenrijkdom waar vooral de Amerikaanse versie blijk van gaf hier en daar werd ingeperkt. Ook qua stijl kwam het Nederlands dichter bij het Frans te liggen. Amerikanen hebben er een handje van om wetenschappelijke informatie te populariseren, retorisch op te leuken, zie ook de titel. Een lichte toon om zware stof verteerbaar te maken. Dat leek me hier minder gepast. Dus het veelvuldig gebruikte ‘you’, waarmee de Amerikaanse lezer wordt aangesproken, dat in het Frans was vervangen door ‘on’ of een lijdende zin, werd ook in het Nederlands weggewerkt.

Het kwam dus neer op gedwongen vrij vertalen, zelfs af en toe op de punt van de stoel van de schrijver(s) zitten, maar helaas af en toe ook constateren dat de tekst onvertaalbaar en niet aan te passen was. Bijvoorbeeld in het tekstgedeelte over Google translate. De theoretische kant van de zaak lukte nog wel, maar de grotere voorbeelden waren onbruikbaar en lieten zich ook niet op een illustratieve manier bewerken. Googlevertalingen F-E of E-F verlengen tot F-E-N en E-F-N, en Googlevertalingen F-N vergelijken met E-N leverde niets interessants op. Het hele procedé van de heren herhalen met een Nederlands voorbeeld en daar een analoog betoogje over houden, zou al te ver voeren.

Zoals gezegd gaan Hofstadter en Sander in op zaken die ons vak nauw betreffen en ook op ons vak zelf, het vinden van analogieën in taal. Volstrekt nieuwe dingen schrijven ze niet, maar ze komen consequent redenerend wel uit bij een specifieke opvatting van vertalen. Hieronder volgt een fragment uit Hoofdstuk 6, dat is getiteld ‘Hoe wij analogieën manipuleren’. Analogieën manipuleren, dat doen wij vertalers dagelijks.

Internationaal transport3
Het overbrengen van een boek uit de cultuur waarin het werd geschreven naar een ​​andere cultuur kan alleen maar leiden tot een grote hoeveelheid kadervermenging. Stel een in Frankrijk geschreven roman wordt in het Chinees vertaald. Niet alleen zullen alle mensen in die roman uiteindelijk vloeiend een taal spreken die ze niet kennen, maar alle begrippen in het verhaal die worden benoemd door woorden hebben voor de Chinese lezers andere wortels dan voor Franse. We hoeven ons alleen maar voor te stellen wat er gebeurt met begrippen als stad, fiets, huis, winkel, rijst, rivier, berg, gedicht, schrijven, woord, ogen, haar, enzovoort, als ze via letterlijke vertaling zijn overgeplaatst van de Franse naar de Chinese cultuur. De centrale leden van al deze categorieën […] verschillen in China sterk van die in Amerika. Het resultaat is dat Chinese lezers van de roman automatisch en onbewust bepaalde Chinese vooroordelen meebrengen als ze de roman in het Chinees lezen. De in het boek beschreven plaatsen, personages en gebeurtenissen zullen een subtiele combinatie vormen van Frankrijk, waar het verhaal speelt, en China, dat de begrippen levert. Hetzelfde gebeurt natuurlijk in elk stadium van vertalingen tussen twee talen, omdat sommige delen van het oorspronkelijke werk relatief onaangetast blijven terwijl andere delen noodgedwongen grondiger zijn getransformeerd. […]

Het eerste grote vertaalprobleem deed zich voor in de tweede alinea van hoofdstuk 1. In de Franse versie, waar die specifieke alinea aanvankelijk ontstond, wordt een beeld geschetst van wat een doorsneereiziger allemaal ziet als hij in de Parijse metro zit, een welbekend beeld voor veel Franstalige lezers. We hadden bij de vertaling van dat fragment in het Engels natuurlijk elke transculturele aanpassing kunnen vermijden, en in dat geval zou er in het Engels een persoon zijn beschreven die in de Parijse metro de stations langs ziet trekken, kijkt naar de mensen en de reclameaffiches, en luistert naar de accordeonist die net de wagon is binnengekomen. De desbetreffende twee zinnen van hoofdstuk 1 zouden aldus hebben geluid:

We zien overal reclame, we denken vaag na over de namen van de stations die langstrekken, maar tegelijk zijn we verdiept in onze persoonlijke gedachten. We vragen ons af wanneer we een vrij momentje vinden om naar de bank te gaan, we denken aan de gezondheid van een oude vriendin, we zijn geschokt door een kop in de krant die een man tegenover ons zit te lezen over een aanslag in het Midden-Oosten, we glimlachen in onszelf om een woordspeling op een reclameaffiche in de buurt, we luisteren naar de woorden van het liedje dat de net in de metro ingestapte accordeonist zingt...

[De oorspronkelijke versie, in het Frans, luidt:

Nous voyons des publicités partout, nous pensons vaguement aux noms des stations qui passent, et en même temps nous sommes plongés dans nos propres pensées. Nous nous demandons quand nous trouverons un créneau pour aller à la banque, nous pensons à la santé d’une vieille amie, nous sommes troublés par le titre dans le journal du monsieur assis en face qui relate un attentat au Moyen-Orient ; nous sourions intérieurement à un jeu de mots dans une publicité avoisinante ; nous écoutons les paroles de la chanson que chante l’accordéoniste qui vient de monter dans la rame…4

De Franse versie werd door Hofstadter en Sander aldus in het Engels vertaald:

We see ads everywhere, we think vaguely about the names of the stations as they go by, and at the same time we are absorbed in our own thoughts. We wonder when we’ll find a free moment to go to the bank, we think about the health of an old friend, we are upset by a headline in the newspaper that some man sitting near us is reading, which speaks of a terrorist attack in the Middle East, we inwardly smile at the jokes in the advertisements on the walls, we try to make out the words of the song that the accordionist who just stepped into our car is playing…]

[Summier commentaar gevolgd door een kleine uitwijding: het Engels interpreteert hierboven jeu de mots anders en laat de accordeonist niet zingen maar alleen spelen. Verder heeft het Engels het over een sekseloze friend waar het Frans een amie noemt. Omdat de schrijvers melden dat de Franse versie er het eerst was, koos de Nederlandse vertaling voor ‘vriendin’ en niet voor ‘vriend’. We bevinden ons bij deze keuze op het terrein van de conceptuele ruimtes, de totale omvang van betekenissen van woorden / begrippen in verschillende talen. Die vallen zelden samen, wat ons vertalers veel aanleiding tot gepieker en misverstanden geeft. Nederlandstaligen moeten bijvoorbeeld altijd maar uitzoeken wat die Fransen doen als ze ‘embrasser’: zoenen of omhelzen? En is een ‘homme’ een man of een mens, zoals het Engelse abigu is over ‘man’? Nog zo’n dagelijks probleem is of het Frans met son, sa en ses verwijst naar een heer of een dame (een van de domste fouten van Google Translate is dat het programma daar geen sjoege van heeft, ook niet in een tekst die alleen over vrouwen of alleen over mannen gaat; overigens gebruik ik Google Translate alleen tegen de horror vacui). Vaak liggen de verschillen tussen de talen uiteraard veel subtieler.

In dit verband kunnen we het gevoel krijgen dat de ene taal handiger in elkaar zit dan de andere. Het komt op ons over als een handicap dat Spanjaarden en Italianen het niet over tenen hebben maar vingers aan hun voeten: dedos del pie en dita dei piedi. Andersom maakt het Italiaans wel verschil tussen spelen met een bal en spelen op een viool. En eeuwig vreemd blijf ik het vinden dat het verder zo rijke Engelse vocabulaire niet echt een woord schijnt te kennen voor wat Nederlandstaligen ‘zwijgen’ noemen. We vinden als mogelijkheden: be silent, keep mum, hold one’s tongue, en er is wel het substantief silence, dat veel meer betekent dan alleen ‘je mond houden’, maar er bestaat niet iets in één handig woordje zoals ons ‘zwijgen’. Daarentegen overtroeft het Engels het Nederlands vaak genoeg, bijvoorbeeld met het praktische woordje sibling, dat ‘broer’ of ‘zus’ betekent. Een taal als het Javaans splitst het begrip ‘broer of zus’ niet op naar geslacht, maar naar leeftijd. Kakak betekent ‘oudere broer of zus’ en adik ‘jongere broer of zus’. Het Frans slaagt erin onze familie op beide manieren te splitsen. Naast de tweedeling mannelijk / vrouwelijk (frère / soeur), is er de tweedeling ouder / jonger (aîné / cadet voor een broer; aînée / cadette voor een zus). Dus alle mogelijkheden zijn hier beschikbaar – al mist het Frans dan weer een algemeen woord voor sibling. Verder met de tekst nu:]

Maar we besloten dat niet zo te vertalen, we wilden onze Amerikaanse lezers niet meteen in het begin de weg laten kwijtraken. Natuurlijk weten ze vast wel iets over de Parijse metro, persoonlijk of indirect. Toch dachten we dat het boek een ietwat vreemd tintje zou krijgen als het in een vreemd land begon, en dat wilden we ons boek besparen. Ook wilden we dat het voor onze Franstalige lezers vertrouwd zou voelen. Uiteraard mikten we op ‘precies hetzelfde’ effect in het Engels, en vooral omdat ons boek over analogieën gaat, sprak het vanzelf dat we een analoge manier moesten vinden om ons boek in het Engels te beginnen.

De meest voor de hand liggende analogie zou zijn geweest om het tafereel over te planten naar de New Yorkse metro. In dat geval zou het bovenstaande fragment uitstekend hebben gewerkt, hoewel we de accordeon misschien door een ander instrument hadden vervangen. Het probleem dat we met die oplossing hadden was dat het reizen in de New Yorkse metro geen universeel gedeelde ervaring van alle Amerikanen is. Het voelde veel ‘New Yorkser’ dan de Franse versie typisch Parijsachtig voelde. Parijs speelt zo’n centrale rol in Frankrijk dat scènes die daar plaatsvinden voor alle Franse lezers vertrouwd voelen, terwijl scènes in New York zich op een terrein afspelen dat veel Amerikaanse lezers onbekend is. Bovendien is rijden in de metro een vrij ongewone, misschien zelfs exotische ervaring voor veel Amerikanen. Wat komt in dat geval in het leven van de doorsnee-Amerikaan overeen met het reizen in de Parijse metro? Het kon natuurlijk autorijden zijn, maar we wilden het beeld een beetje dichter bij het origineel houden, dus op het terrein van het openbaar vervoer, zodat we kozen voor het idee om ergens op een vliegveld te zitten, geen specifiek vliegveld, maar een willekeurig, algemeen vliegveld. Met als resultaat:

Overal zien we reclame. Wij denken een beetje over de steden waarvan de namen uit de luidsprekers schallen, maar tegelijk zijn we verdiept in onze persoonlijke gedachten. We vragen ons af of er tijd genoeg is om een yoghurtijsje te gaan halen, we maken ons zorgen over een oude vriendin die tobt met haar gezondheid, we zijn geschokt door de kop die we lezen in iemands krant over een terroristische aanslag in het Midden-Oosten, we snuiven de aanlokkelijke geuren op die uit het vlakbij gelegen eettentje komen, we vragen ons af hoe de vogeltjes die rondvliegen en voedsel opscharrelen in zo’n rare omgeving overleven...

[Het Engels luidde:

We see ads everywhere. We think vaguely about the cities whose names come blaring out through loudspeakers, yet at the same time we are absorbed in our private thoughts. We wonder if there’s time enough to go get a frozen yogurt, we worry about the health problems of an old friend, we are troubled by the headline we read in someone’s newspaper about a terrorist attack in the Middle East, we sniff the enticing odors emanating from the nearby food court, we are puzzled as to how the little birds flying around and scavenging food survive in such a weird environment…]

Wie had van tevoren ooit gedacht dat een handjevol hongerige vogeltjes die links en rechts rondfladderen in de hal van een willekeurig vliegveld als ‘de Amerikaanse vertaling’ kon dienen van een pauper die accordeon speelt en net is ingestapt in een willekeurige wagon op een willekeurige Parijse metrolijn? Gaat het hier echt om vertaling? Ons antwoord luidt volmondig ‘ja’. Voor ons stond buiten kijf dat ons boek ‘hetzelfde gevoel’ moest hebben voor de moedertaalsprekers van beide talen. Om dat effect te bereiken was af en toe niet alleen een saaie, neutrale vertaling vereist, maar ook weleens een rijke transculturatie met slagroom en nootjes. Als we het begin van hoofdstuk 1 direct in het Engels hadden overgezet, waarmee het tafereel zich in de Parijse metro bleef afspelen, net als in de tekst hierboven, of zelfs als we het hadden omgezet naar de New Yorkse metro, zou het een houterig, haast mechanisch soort vertaling zijn geweest (hoewel lichtjaren geavanceerder dan wat de huidige automatische vertaalprogramma’s ervan zouden bakken).

Nadat we in de Amerikaanse versie voor een vliegveldtafereel hadden gekozen en niet voor een metrotafereel, hadden we het oorspronkelijke Franse fragment toch ook kunnen herschrijven zodat het plaatsvond op een anoniem Frans vliegveld? Ja, hadden we dat eigenlijk niet moeten doen? Als we dat hadden gedaan, zouden we aan uniformiteit hebben gewonnen, maar elegantie hebben ingeleverd. Transculturatie leek ons ​​hier de beste keuze. Transculturatie zou zeker niet onze keuze zijn geweest als we een roman moesten vertalen waarvan het openingstafereel in de Parijse metro speelt. Bij transculturele aanpassing wordt een roman in z’n geheel overgeplant van de ene culturele situatie naar een andere; hij wordt ontworteld, er wordt een equivalent verhaal gecreëerd in een ander land. Dat is een veel radicalere verschuiving dan af en toe een paar illustratieve alinea’s transcultureel aanpassen in een non-fictieboek. Ons boek heeft niets onvervreemdbaar te maken met Frankrijk of Amerika; het heeft te maken met de menselijke cognitie, die culturen overstijgt, en in dit boek illustreren we cognitieve mechanismen in allerlei contexten en voelen ons vrij om scènes te bedenken die passen bij de cultuur van onze lezers. […]

De Nederlandse vertaling is er op dit detailniveau ook behoorlijk transcultureel tegenaan gegaan. Wat hierboven vertaald is als ‘een rijke transculturatie met slagroom en nootjes’, heette in het Engels: a rich chocolate mint-chip transculturation. En elders in het boek kregen de personen in de taalvoorbeelden overal een Nederlandse voornaam. De golfsport werd vervangen door voetbal, Tiger Woods soms door Cruijf en soms door Zidane; en geregeld transculturaliseerde ik nog een beetje door, met als gevolg dat er zelfs op een gegeven moment een auto veranderde in een fiets. Tja, dat moet kunnen in een boek over analogie.

En dan de vaktermen. In het begin van bovenstaand fragment is sprake van ‘kadervermenging’. Het Engels heeft hier frame blends, het Frans noemt dat scénarios hybrides, wat moet het Nederlands? Je kunt er vergif op innemen dat Nederlandse psychologen in hun dagelijkse vaktaal vaak over ‘frame blends’ zullen spreken, want net als in veel andere wetenschappen wemelt het van de anglicismen in de psychologie. Omdat ik het te Engels vond ben ik gaan googelen en goochelen, om uit te komen bij het alternatief ‘conceptuele integratie’, wat de lading behoorlijk leek te dekken. Maar was dat niet een te moeilijke term? vroeg ik me vervolgens af. Die vraag heb ik me vaak gesteld bij deze vertaling. Welk Nederlands was het meest passend voor een dergelijk boek? Diende het zonder problemen door elke geletterde Nederlander begrepen te kunnen worden of moest het een boek voor psychologen of veelweters blijven? Uiteindelijk werd het vaak een middenweg. Pluralization bijvoorbeeld werd na rijp beraad niet ‘pluralisering’ of desnoods ‘pluralisatie’ maar het lelijke ‘vermeervoudiging’, voor de duidelijkheid. Tussen ‘fenomeen’ en ‘verschijnsel’ aarzel ik tot op dit moment, het drukproefstadium. Maar termen als ‘perceptie’ en ‘cognitie’, die onvervreemdbaar gemeengoed zijn in de psychologie, bleven gehandhaafd, zij het met enige tegenzin. Affordance bleef ‘affordance’, en in de afdeling wiskunde werd bijvoorbeeld polynomial om dezelfde reden ‘polynoom’ en niet ‘veelhoek’. Maar zou ‘frame blends’ niet te ver gaan?

Gelukkig hebben we bij het oplossen van realiaproblemen meestal nog het laatste redmiddel van de deskundige. Dat de Nederlandse vertaling spreekt over ‘kadervermenging’ is op aanraden van Douwe Draaisma, die meldde: ‘“vermenging” komt nog het dichtst bij “blenden” (weet ik als whiskydrinker)’.

 

Noten
1 Surfaces and Essences, Analogy as fuel and fire of thinking (New York: Basic Books, 2013) en: L’Analogie, coeur de la pensée (Paris: Odile Jacob, 2013).
2 Douglas Hofstadter & Emmanuel Sander, Analogie. De kern van ons denken. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Amsterdam: Atlas Contact, 2014.
3 o.c. p. 367.
4 o.c. p. 45.

Lees meer over: